Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 24 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker],
verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Engelbertink in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. K. Kana.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het e-mailbericht van 18 mei 2026 van de zijde van verzoeker, met bijlagen;
- de brief van 11 juni 2026 van de Staat, met bijlagen;
- de brief van 23 juli 2026 van de zijde van verzoeker.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
- Verzoeker valt niet onder het UNWRA-mandaat en heeft geen UNWRA-kaart.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoeker verzoekt vast te stellen dat hij staatloos is.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Vaststelling staatloosheid
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Griekenland in haar oordeel over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt van Palestijnse afkomst te zijn en zijn hele leven, tot aan zijn vlucht in 2024, in Gaza te hebben gewoond. Verzoeker is daarna via Egypte en Turkije Griekenland ingereisd tussen 15 en 25 augustus 2024. Verzoeker heeft in Griekenland verbleven tot 1 september 2025. Vervolgens is verzoeker naar Nederland gereisd. Verzoeker heeft verklaard dat hij op zijn doorreis naar Nederland in Italië is geweest. Net als de Staat ziet de rechtbank geen aanleiding om Egypte, Turkije en Italië bij de beoordeling van de staatloosheid van verzoeker te betrekken. De rechtbank heeft voorts geen aanwijzingen dat verzoeker een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – waarvan een deel is onderzocht en echt is bevonden door Bureau Documenten van de IND – in onderlinge samenhang bezien, is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Wordt verzoeker als onderdaan van Griekenland beschouwd?
Verzoeker verbleef van augustus 2024 tot 1 september 2025 in Griekenland en was in het bezit van een Griekse verblijfsvergunning per 14 november 2024.
De verkrijging van de Griekse nationaliteit middels naturalisatie wordt geregeld in artikel
5 van de Griekse nationaliteitswet. Eén van de voorwaarden voor naturalisatie is dat een persoon minimaal zeven jaar voor het indienen van het naturalisatieverzoek wettig inwoner is geweest van Griekenland. Aan dat vereiste voldoet verzoeker niet. Verzoeker heeft weliswaar volgens zijn verklaringen van 14 november 2024 tot 1 september 2025 rechtmatig en wettig in Griekenland verbleven, voordat hij naar Nederland vertrok, maar niet voor een periode van zeven jaar. Ook is niet gebleken dat verzoeker onder één van de uitzonderingen in dit artikel valt. De rechtbank acht het daarom, net als verzoeker zelf en de Staat, niet aannemelijk dat verzoeker de Griekse nationaliteit heeft verkregen.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is.