ECLI:NL:RBDHA:2026:28369

ECLI:NL:RBDHA:2026:28369

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-09-2026
Zaaknummer C/09/699538 / JE RK 26-251
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/699538 / JE RK 26-251

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. D. Abd Rabou uit Hoofddorp,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. N. van Amsterdam uit Leiden.

1. Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 27 augustus 2026 en het verzoek voor het overige deel aangehouden.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 25 februari 2026 en de daarin genoemde stukken.

Op 26 augustus 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met mr. R.W. van den Hoek, waarnemend voor zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- [naam], namens de gecertificeerde instelling.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2. De feiten

[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] in [plaats].

Voor een overzicht van de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 13 februari 2026.

3. Het verzoek

De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 3 februari 2027, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] krijgt bij [zorginstelling] de benodigde persoonlijke begeleiding. In maart 2026 is er een NICHD-interview bij [minderjarige] afgenomen en [minderjarige] is in mei 2026 begonnen met behandeling bij [zorginstantie]. De gecertificeerde instelling vindt het belangrijk dat er contactherstel plaatsvindt tussen de moeder en [minderjarige] , maar met dit contactherstel is op advies van [zorginstantie] nog niet gestart. Volgens [zorginstantie] moet de aandacht eerst liggen op het voorkomen van recidive van seksueel grensoverschrijdend gedrag en het versterken van de emotieregulatie van [minderjarige] . [minderjarige] is aangemeld bij een basisschool en de gesprekken daarover zullen na de zomervakantie plaatsvinden. Een terugkeer naar huis van [minderjarige] bij de vader of de moeder is op dit moment nog te voorbarig. Er moeten nog veel stappen gezet worden en duidelijke veiligheidsafspraken worden gemaakt. De gecertificeerde instelling vindt het van belang dat [minderjarige] voorlopig nog op een neutrale plek verblijft waar hij professionele ondersteuning krijgt.

4. De standpunten

Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen, maar zij voelt zich genoodzaakt in te stemmen met het verzoek omdat er op dit moment geen alternatieven zijn. In de afgelopen periode is niet gewerkt aan contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder heeft al een jaar geen contact gehad met [minderjarige] , ondanks aanhoudende inspanningen vanuit de moeder om dit te realiseren. Daarnaast is er (nog) geen onderzoek gedaan naar een mogelijke netwerkplaatsing van [minderjarige] in het netwerk van de moeder. [minderjarige] heeft geen vaste jeugdbeschermer en de moeder heeft hierdoor geen vast aanspreekpunt. De moeder voelt zich niet serieus genomen door de gecertificeerde instelling. Zij wil dat er in de komende periode wordt gewerkt aan de doelen van de ondertoezichtstelling, met name aan het contactherstel tussen haar en [minderjarige] .

Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek. De vader vindt het fijn dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft bij [zorginstelling] en dat hij kan beginnen op een nieuwe school. De vader vindt het belangrijk dat er spoedig wordt gewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Het is niet aan [minderjarige] om hierover te beslissen. De behandeling bij [zorginstantie] moet ook worden voortgezet. Op dit moment is er geen vaste jeugdbeschermer betrokken. Hierdoor kunnen de noodzakelijke veiligheidsafspraken niet gemaakt worden en verloopt de communicatie tussen de betrokken instanties, waaronder [zorginstantie] en de (nieuwe) school van [minderjarige] , moeizaam. De huidige aanpak van de gecertificeerde instelling is ontoereikend en het is van groot belang dat de zaken rondom [minderjarige] spoedig worden opgepakt.

5. De beoordeling

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

Het is positief dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft bij [zorginstelling]. [zorginstelling] is een neutrale plek en [minderjarige] krijgt daar de professionele ondersteuning en begeleiding die hij nodig heeft. Er is door de gecertificeerde instelling nog niet gewerkt aan contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] en [minderjarige] lijkt nog altijd afwijzend tegenover het contact met de moeder te staan. De kinderrechter acht een terugkeer van [minderjarige] naar de moeder op dit moment daarom niet in zijn belang. De vader geeft aan dat [minderjarige] ook nog niet bij hem thuis kan wonen. De kinderrechter acht het daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zijn verblijf bij [zorginstelling] voorlopig wordt voortgezet en zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen tot het einde van de ondertoezichtstelling, zoals is verzocht. De kinderrechter merkt op dat een machtiging tot uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is. Van de gecertificeerde instelling wordt verwacht dat zij zich inspant om terug te werken naar huis. Het is ernstig en zeer zorgelijk dat er al een jaar geen contact is tussen de moeder en [minderjarige] . Hoewel de kinderrechter begrijpt dat de gecertificeerde instelling het deskundige advies van [zorginstantie] heeft gevolgd om nog niet te werken aan contactherstel is enige vorm van contactbehoud naar het oordeel van de kinderrechter wél in het belang van [minderjarige] . Het is aan de gecertificeerde instelling om hierover in gesprek te gaan met de moeder en de mogelijkheden hiertoe te onderzoeken. Daarnaast is het van groot belang dat er spoedig een (vaste) jeugdbeschermer betrokken wordt die kan zorgen voor duidelijke veiligheidsafspraken en erop toeziet dat [minderjarige] de juiste hulpverlening krijgt.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 augustus 2026 tot 3 februari 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 door mr. C.M. Koole, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 7 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. T.A.A. Hilhorst als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand