Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 23 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. van de Kolk te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kaya te Utrecht.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het bericht van 12 augustus, met bijlagen, van de man;
- het bericht van 13 augustus 2026, met bijlagen, van de vrouw;
- de berichten van 17 augustus 2026, met bijlagen, van de vrouw;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek.
Op 18 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man met zijn advocaat;
- de vrouw met mr. S. Yildirim, waarneemster van mr. S. Kaya, en een tolk, mevrouw M. Ates;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Belgische nationaliteit.
Verzoek en verweer
subsidiair
Het verzoek van de man strekt er, na wijziging, toe dat:
- de kinderen aan de man worden toevertrouwd;
- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen wordt vastgesteld, inhoudende dat de kinderen gedurende iedere zaterdag van 12:00 uur tot 18:00 uur bij de vrouw zullen zijn;
- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand wordt vastgesteld;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer en verzoekt zelfstandig dat:
- de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] met inbegrip van de inboedel;
- primair: een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen wordt vastgesteld, inhoudende dat de kinderen ieder weekend bij de man verblijven van vrijdag 12:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de man de kinderen op vrijdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag bij de man ophaalt;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 375,- per kind per maand, met ingang van de datum van deze beschikking;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen wordt vastgesteld, inhoudende dat de kinderen bij de vrouw verblijven:
- iedere woensdag van 12:00 uur tot 18:00 uur;
- iedere zaterdag van 12:00 uur tot 18:00 uur,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw. In het geval de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd, verzoekt de man subsidiair te bepalen dat de kinderen op maandag, dinsdag en woensdag bij de man zullen zijn alsmede om de week op zaterdag en zondag, dan wel een andere passende zorgregeling te bepalen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Voorgeschiedenis
Eind maart 2026 heeft de vrouw aangegeven dat zij van de man wil scheiden. Op 3 april 2026 heeft er tussen partijen in de woning een escalatie plaatsgevonden, waarna met ingang van 4 april 2026 aan de man een huisverbod van tien dagen is opgelegd. Vervolgens is het huisverbod met achttien dagen verlengd. Na bemiddeling door het Crisis Interventie Team zijn partijen op 26 april 2026 gestart met een birdnestregeling.
In de nacht van 8 op 9 juni 2026 had de vrouw de zorg voor de kinderen in de echtelijke woning. De verklaringen van partijen over wat er precies die nacht is gebeurd, lopen uiteen. De rechtbank stelt echter vast dat de nieuwe partner van de vrouw ook in de echtelijke woning aanwezig was en dat de man de familie van de vrouw hierover heeft ingelicht Naar aanleiding hiervan is de familie van de vrouw vanuit België naar de echtelijke woning gekomen. Zij hebben de kinderen ’s nachts uit bed gehaald en naar de man gebracht. Sindsdien verblijft de man met de kinderen in de echtelijke woning en geven partijen uitvoering aan een tijdelijke zorgregeling, waarbij de vrouw de kinderen op zaterdag ziet.
Volgens de vrouw heeft de man aan haar familie om 00:37 uur een bericht gestuurd dat de familie de kinderen moest ophalen en aan de man moesten geven. De man heeft op de zitting erkend dat hij de familie van de vrouw heeft ingelicht over de aanwezigheid van de nieuwe partner van de vrouw in de echtelijke woning. Hij ontkent echter dat hij een bericht naar hen heeft gestuurd om de kinderen in de nacht bij hem af te leveren. Vanwege de uiteenlopende verklaringen van partijen, heeft de rechter op de zitting aan de man gevraagd zijn berichten in zijn telefoon te laten zien. Hij heeft daarop zijn werktelefoon laten zien. Toen de rechter vroeg of hij ook zijn privételefoon mocht zien, gaf de man aan dat hij deze niet bij zich had. Dit vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de man het bericht naar de familie van de vrouw heeft gestuurd.
Woning en toevertrouwing kinderen
Beide partijen hebben verzocht om de toevertrouwing van de kinderen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank stelt voorop dat het belangrijk is dat de kinderen in de echtelijke woning kunnen blijven wonen, er goed voor hen gezorgd wordt en dat beide partijen contact met de kinderen kunnen onderhouden. De rechtbank heeft bij beide partijen geen doorslaggevende zorgen over hun opvoedcapaciteiten en het welzijn van de kinderen bij hen. Hoewel de man heeft aangevoerd dat de vrouw epilepsie heeft, blijkt nergens uit dat deze zorgen actueel zijn en van zodanige aard dat de vrouw niet voor de kinderen kan zorgen.
De rechtbank overweegt dat de man een goed inkomen heeft en zijn familie in de buurt woont. De vrouw is daarentegen gebrouilleerd met haar familie, ontvangt een WIA-uitkering en verblijft op dit moment in een vrouwenopvang. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het vanwege de huidige woningmarkt lastig is om een alternatieve woonruimte te vinden, heeft de man met zijn inkomen en familie in de buurt een betere uitgangspositie. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning. De ingangsdatum van het uitsluitend gebruik van de woning stelt de rechtbank vast op 2 september 2026 zodat de man enige tijd krijgt om onderdak te vinden.
Omdat het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw wordt toegewezen, zal de rechtbank de kinderen aan de vrouw toevertrouwen.
Voorlopige zorgregeling
De rechtbank zal bepalen dat de kinderen zo lang de man nog niet over een geschikte woonruimte beschikt iedere zaterdag en zondag van 09:00 uur tot 18:00 uur bij de man zullen zijn. Vanaf het moment dat de man wel over een geschikte woonruimte beschikt, zal de rechtbank bepalen dat de kinderen iedere week van vrijdag 12:00 uur tot maandag 09:00 uur bij de man zullen zijn. Als [minderjarige 1] naar school gaat, betekent dit dat de man haar daar op vrijdagmiddag ophaalt en op maandagochtend weer naartoe brengt. Op deze manier heeft de man regelmatig contact met de kinderen en kunnen zij in de weekenden waardevolle tijd met elkaar doorbrengen.
Voorlopige kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Ingangsdatum
De rechtbank zal als ingangsdatum 2 september hanteren, nu de vrouw vanaf die datum de zorg van de kinderen op zich krijgt.
Behoefte
Voor het bepalen van de behoefte dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan te worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De rechtbank zal bij de berekening van het NBGI van partijen uitgaan van de meest recente inkomensgegevens van partijen en de tarieven 2026-II.
- NBI man
Bij de berekening van het NBI van de man zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandinkomen van € 5.171,91, zoals blijkt uit zijn meest recente loonstrook van juli 2026. Verder houdt de rechtbank rekening met een Individueel Keuzebudget (IKB), een premie ABP Pensioen/NP van € 341,24 per maand en een premie ABP AP van € 6,98,- per maand.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.756,- per maand.
- NBI vrouw
Bij de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een WIA-uitkering van € 1.564,04 bruto per maand, zoals blijkt uit de betaalspecificatie van 10 november 2025. Verder houdt de rechtbank rekening met een vakantietoeslag van 8%.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.264,- per maand.
- NBGI en behoefte kinderen
Gelet op het voorgaande, bedraagt het NBGI van partijen (3.756 + 1.264 =) € 5.020,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 166,- per maand. Op basis van de “Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen” uit het rapport bedraagt de behoefte van de kinderen in 2026 € 1.188,-per maand, te weten € 594,- per kind per maand.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
- draagkracht man
Bij de bepaling van de draagkracht van de man zal de rechtbank ook uitgaan van zijn NBI van € 3.756,- per maand.
De rechtbank zal afwijken van het woonbudget van 30% van het NBI. De man draagt immers nog bij aan de kosten van de echtelijke woning en zal iets voor zichzelf moeten huren. De rechtbank houdt daarom rekening met een woonbudget van € 1.500,- per maand.
Aan de hand van bovenstaande uitgangspunten berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 624,- per maand.
- draagkracht vrouw
Bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank ook uitgaan van een WIA-uitkering van € 1.564,04 bruto per maand en een vakantietoeslag van 8%.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.979,- per maand.
Op basis van de draagkrachttabel van het rapport heeft de vrouw op basis van haar NBI een draagkracht van € 50,- per maand.
- gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (624 + 50 =) € 674,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 514,- per maand. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Nu de draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend.
Zorgkorting
Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienoren, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Gelet op de voorlopige zorgregeling gaat de rechtbank uit van een zorgkorting van 25% van de behoefte, ofwel € 297,- per maand.
Het tekort aan gezamenlijke draagkracht bedraagt € 514,- per maand. Ervan uitgaande dat beide partijen voor de helft bijdragen in dit tekort en de zorgkorting € 297,- per maand op de draagkracht van de man in mindering komt, bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie [624 – (297 – 514/2) =] € 584,- per maand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank, met ingang van 2 september 2026, de door de man voorlopig te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 584,- per maand, te weten € 292,- per kind per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning uiterlijk 2 september 2026 dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] ,
voorlopig aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen bij zich te hebben:
- in het geval hij niet over een geschikte woonruimte beschikt: iedere zaterdag en zondag van 09:00 uur tot 18:00 uur;
- in het geval hij over een geschikte woonruimte beschikt: iedere vrijdag 12:00 uur tot maandag 9:00 uur;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie van € 292,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026.