Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 5 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.I. Kouwenhoven te [plaats 2] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Fakiri te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 12 juni 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 6 juli 2026 van de advocaat van de man, met bijlage;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- twee F9-formulieren van 23 juli 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek.
[de minderjarige 1] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.
Op 12 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door mr. R.G. Jagesar, waarnemend kantoorgenoot van haar advocaat;
- M.J. van Dam, namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op 31 mei 2023 te Westland.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , hierna: [de minderjarige 1] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2] , hierna: [de minderjarige 2] .
- De kinderen verblijven momenteel met de vrouw in [plaats 1] bij haar nieuwe partner.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
Verzoek en verweer
De man heeft verzocht:
primair:
- te bepalen dat de kinderen voorlopig aan de zorg van de man worden toevertrouwd, indien de vrouw niet per direct terugverhuist naar (omgeving) [plaats 2] , met vaststelling van een zorgregeling voor de vrouw;
- te bepalen dat, indien de vrouw weigert aan het onder 1 genoemde bevel te voldoen, de man de afgifte van de kinderen zelf kan bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
- het alleengebruik van de woning aan de [adres] toe te wijzen aan de man;
subsidiair:
- de voorlopige zorgregeling te bepalen dat de kinderen bij de man zijn:
- om het weekend vanaf vrijdagmiddag tot zondagavond;
- elke woensdagmiddag uit school tot na het avondeten;
- twee weken in de zomervakantie;
- de helft van de overige vakanties;
- de helft van de feestdagen;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht:
- het subsidiaire verzoek van de man tot vaststelling van een contactregeling af te wijzen, althans onbegeleide omgang af te wijzen zolang het onderzoek van de zedenpolitie loopt, en, indien de rechtbank enig contact aangewezen acht, uitsluitend begeleide omgang onder toezicht van een neutrale derde of instelling in beperkte frequentie te bepalen;
- te bepalen dat de kinderen voorlopig aan de zorg van de vrouw worden toevertrouwd;
- te bepalen dat de man met ingang van 15 mei 2026, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 281,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- althans zodanige voorzieningen te treffen als de rechtbank in het belang van de kinderen geraden acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Toevertrouwing/afgifte kinderen en voorlopige zorgregeling
Standpunt man
De man heeft primair verzocht te bepalen dat de kinderen voorlopig aan de man worden toevertrouwd, indien de vrouw niet per direct terugverhuist naar (de omgeving van) [plaats 2] . Subsidiair heeft hij verzocht een voorlopige zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. De man heeft aangegeven dat de vrouw op 15 mei 2026 de echtelijke woning met de kinderen heeft verlaten en toen geen adres aan de man heeft achtergelaten. Later heeft de man begrepen dat de vrouw met de kinderen bij haar nieuwe partner in [plaats 1] is ingetrokken. De man maakt zich grote zorgen om het welzijn van de kinderen. De vrouw brengt de kinderen bewust in een mogelijk onstabiele en onveilige situatie door in te trekken bij een nauwelijks bekende nieuwe partner. De vrouw heeft de kinderen uit hun vertrouwde omgeving gehaald en onthoudt de kinderen het contact met de man. Ook missen de kinderen hun oude school en het contact met familie en vrienden in [plaats 2] . De man heeft bij de politie melding gedaan van de verdwijning van de vrouw en van de onttrekking van de kinderen aan zijn gezag. Bovendien heeft de school van [de minderjarige 1] melding gedaan bij de leerplichtambtenaar, omdat zij al enige tijd niet meer naar school is geweest. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw met de kinderen zo spoedig mogelijk weer in de buurt van [plaats 2] moet gaan wonen, zodat een zorgregeling tussen de man en de kinderen tot stand kan komen. Uit het e-mailbericht van 14 juli 2026 van het Sociaal Kernteam (SKT) blijkt dat het SKT melding heeft gedaan bij Veilig Thuis, waarbij is aangegeven dat de vrouw een onstabiele indruk maakt en dat zij impulsief beslissingen neemt. Vanwege de problematiek bij de kinderen is het niet in hun belang om hen aan de vrouw toe te vertrouwen. De man heeft verder naar voren gebracht dat hij de kinderen stabiliteit en een vertrouwde woonomgeving biedt. De man heeft voldoende ondersteuning in zijn netwerk om de zorg voor de kinderen op zich te nemen.
Standpunt vrouw
De vrouw verzet zich tegen de verzoeken van de man. Zij heeft aangegeven dat zij in juni 2026 aangifte heeft gedaan van een mishandeling door de man die op 16 december 2024 zou hebben plaatsgevonden. De vrouw heeft de kinderen niet aan het gezag van de man onttrokken, maar zij heeft de kinderen uit gerechtvaardigde zorg voor hun veiligheid meegenomen gelet op het incident van 16 december 2024 en de voortdurende onveilige gezinssituatie. Bovendien heeft de vrouw aangevoerd dat zij het vermoeden heeft dat [de minderjarige 1] seksueel is misbruikt door de man en de vader van de man. Er loopt momenteel een onderzoek van de zedenpolitie. Gelet op de ernst van de verdenking en het onderzoek van de zedenpolitie dat nog loopt, moet terughoudendheid worden betracht bij enige voorziening die de kinderen, en [de minderjarige 1] in het bijzonder, opnieuw in contact met de man zullen brengen. De vrouw heeft verzocht de kinderen aan haar toe te vertrouwen en geen onbegeleid contact tussen de man en de kinderen te bepalen zolang het onderzoek van de zedenpolitie nog loopt. Het belang van de kinderen brengt mee dat zij in hun huidige stabiele en veilige verblijfssituatie bij de vrouw moeten blijven. Deze situatie moet worden gehandhaafd, in ieder geval in afwachting van het onderzoek van de zedenpolitie. Het is dan ook niet in het belang van de kinderen om hen nu aan de man toe te vertrouwen. Daarbij is de man gelet op de aard en omvang van zijn werkzaamheden niet in staat om de dagelijkse verzorging van de kinderen op zich te nemen. Hij is een aanzienlijk deel van de dag buitenshuis werkzaam, waardoor hij niet beschikbaar is om de kinderen dagelijks op te vangen. De vrouw is daartoe wel in staat en sinds de geboorte van de kinderen is de vrouw hun primaire verzorger en opvoeder. Zij draagt in overwegende mate de dagelijkse zorg voor de kinderen. Een wijziging daarin zou afbreuk doen aan de stabiliteit en continuïteit van de zorg die de kinderen nodig hebben. Toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw sluit daarom het beste aan bij de feitelijke situatie zoals die was en is.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de man de kinderen sinds mei 2026 niet meer fysiek heeft gezien. De vrouw heeft beschuldigingen geuit van seksueel misbruik van [de minderjarige 1] door de man en de vader van de man. [de minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter ook verteld over seksueel ongepast gedrag door de man en zijn vader. De man heeft de beschuldigingen betwist. Gebleken is dat er een politieonderzoek loopt, maar dit onderzoek nog niet is afgerond, zodat de door de vrouw geuite zorgen bevestigd noch ontkracht zijn en daarop niet vooruitgelopen kan worden. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat op de zitting is gebleken dat er mogelijk vijf jaar geleden ook een incident van misbruik van [de minderjarige 1] in een speeltuin heeft plaatsgevonden. Onduidelijk is wie daarbij betrokken zouden zijn geweest. Ook heeft de vrouw aangegeven dat sprake was van huiselijk geweld tijdens het huwelijk, waarbij de kinderen getuigen zijn geweest van een mishandeling van de vrouw door de man. Daar komt bij dat vast staat dat de vrouw haar nieuwe partner ( [naam] ) in april 2026 heeft leren kennen en in mei 2026 bij hem in zijn woning in [plaats 1] is ingetrokken met de kinderen.
Op de zitting heeft de Raad zijn zorgen uitgesproken over deze situatie. Ook de rechtbank maakt zich zorgen over de kinderen. Uit de door de man overgelegde e-mail van 14 juli 2026 blijkt dat het SKT ernstige zorgen heeft over de opvoed- en ontwikkelsituatie van de kinderen waarbij de veiligheid, stabiliteit en een gezonde ontwikkeling in gevaar is. Daarbij geeft het SKT aan dat de vrouw regelmatig ad hoc beslissingen neemt, waardoor er onvoldoende stabiliteit en voorspelbaarheid lijkt te zijn voor de kinderen. In dit kader overweegt de rechtbank dat de vrouw snel na het begin van de relatie met [naam] bij hem is ingetrokken met de kinderen. Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat de relatie met de man gepaard ging met geweld en zij de kinderen door in te trekken bij [naam] veiligheid kon bieden. Hoewel de rechtbank de zorg van een moeder voor haar kinderen invoelbaar vindt, stelt de rechtbank wel grote vraagtekens bij het feit dat de kinderen zo snel worden geïntroduceerd bij de nieuwe partner, met hem samenwonen en hem ook al stiefvader noemen.
Gelet op de complexiteit van de situatie acht de rechtbank een onderzoek van de Raad geïndiceerd. Gezien de beschuldigingen van seksueel misbruik en de omstandigheid dat de zaak bij de politie (nog) in onderzoek is, zal de rechtbank de Raad verzoeken onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over een zorgregeling. Hoewel de hoofdverblijfplaats in deze procedure niet voorligt, zal de rechtbank de Raad verzoeken ook daar onderzoek naar te doen, aangezien dit in de bodemprocedure wel nader moet worden beoordeeld en de rechtbank het van belang acht dat de Raad dit meeneemt in zijn onderzoek. De Raad wordt verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
- Hoe ziet de gezinssituatie van de kinderen er uit?
- Zijn er zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de man en/of de vrouw?
- Is vaststelling van een zorgregeling met de man in het belang van de kinderen?
Zo ja, hoe dient de zorgregeling met de man er qua aard, duur en frequentie uit te zien?
- Welke mogelijkheden en/of belemmeringen ziet de Raad bij de vaststelling van de
hoofdverblijfplaats bij één van de ouders?
- Is (nadere) hulpverlening voor de man, de vrouw en/of de kinderen noodzakelijk?
Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
- Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?
De rechtbank acht contact met de vader voorlopig niet in het belang van [de minderjarige 1] , nu de uitkomsten van het politieonderzoek nog niet bekend zijn. Op de zitting heeft de man toegelicht dat hij [de minderjarige 1] de komende periode rust wil gunnen, omdat zij zelf heeft aangegeven geen contact te willen met de man. De rechtbank zal voor [de minderjarige 1] dan ook geen voorlopige zorgregeling bepalen.
De rechtbank heeft – net als de Raad – over [de minderjarige 2] geen zorgen over contact met de man. Over [de minderjarige 2] zijn namelijk geen zorgen geuit over seksueel misbruik. Ook is niet gebleken dat de man niet in staat zou zijn om de opvoeding en verzorging voor [de minderjarige 2] voor zijn rekening te nemen. Op de zitting hebben de man en de vrouw overeenstemming bereikt over een voorlopige zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 2] . Zij zijn overeengekomen dat [de minderjarige 2] met ingang van vrijdag 21 augustus 2026 om de week van vrijdag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur bij de man zal verblijven, waarbij de vrouw [de minderjarige 2] zal brengen en ophalen bij de man. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige 2] zich daartegen verzet.
Over de verdeling van de vakanties en feestdagen overweegt de rechtbank dat een voorlopige voorziening het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om een afzonderlijke vakantie- en feestdagenregeling voor [de minderjarige 2] vast te stellen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de reguliere zorgregeling doorloopt gedurende de vakanties en feestdagen.
Met betrekking tot de toevertrouwing overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting heeft de man verzocht te bepalen dat de kinderen bij hem worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen als het mindere van het verzoek tot toevertrouwing. Op deze manier kan de hulpverlening van het SKT in [plaats 2] weer worden ingezet voor de kinderen. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat op dit moment hulpverlening vanuit Gemiva in Zoetermeer bij [de minderjarige 1] is betrokken en een hulpverlener van Gemiva iedere week belcontact heeft met [de minderjarige 1] . Gemiva is momenteel bezig om de hulpverlening over te dragen aan JENS in [plaats 1] . Volgens de vrouw kan JENS nog niet starten, omdat de man zijn toestemming daarvoor niet geeft. Nu de kinderen momenteel feitelijk in [plaats 1] verblijven, acht de rechtbank het in hun belang dat de hulpverlening in [plaats 1] kan worden ingezet. Daarbij overweegt de rechtbank dat de vrouw op de zitting heeft aangegeven dat stukken voor de kinderen in de strafrechtelijke procedure naar het adres van de man zullen worden gestuurd, waardoor de man daar mogelijk kennis van kan nemen, als de kinderen bij de man worden ingeschreven.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de kinderen aan de vrouw toevertrouwen. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de man om te bepalen dat hij de afgifte van de kinderen kan bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie afwijzen. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat hiermee niet wordt vooruitgelopen op een beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen in de bodemprocedure.
De rechtbank merkt nog het volgende op. Op de zitting is besproken dat het voor [de minderjarige 1] goed zou zijn om te kunnen praten met een onafhankelijke professional zodat zij zich vrij kan uiten, los van de belangen en positie van de ouders. Besproken is dat dit een psycholoog, maar ook een andere professional kan zijn. De man heeft desgevraagd aangegeven dat hij zijn toestemming hiervoor geeft. De toestemming van de man leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de ouders dit in het belang van [de minderjarige 1] voor haar zullen regelen.
Vervangende toestemming inschrijving school
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de vrouw verzocht om vervangende toestemming om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in te schrijven op een school in [plaats 1] . De man heeft zich daartegen verzet. Dit verzoek van de vrouw valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarbij heeft de vrouw niet gespecificeerd voor welke scholen zij verzoekt om vervangende toestemming en zou een toewijzing van dit verzoek betekenen dat wordt vooruitgelopen op een beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. In de bodemprocedure moet nader worden bekeken waar de hoofdverblijfplaats van de kinderen ligt. De rechtbank volgt het verweer van de man en zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Het is belangrijk dat de kinderen naar school gaan. De rechtbank wil de vrouw daarom meegeven om zo snel mogelijk eigen woonruimte te zoeken in de nabijheid van de echtelijke woning zodat de kinderen ook in hun vertrouwde omgeving naar school kunnen.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Hij heeft aangegeven belang te hebben bij het gebruik van de woning om de kinderen te kunnen opvangen en verzorgen. De vrouw heeft verweer gevoerd. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij niet naar de echtelijke woning wil terugkeren met de kinderen. Gelet hierop en omdat de man op dit moment in de woning verblijft, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw heeft verzocht een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De vrouw heeft verzocht de kinderalimentatie met ingang van 15 mei 2026 vast te stellen. De man heeft zich hiertegen verzet en zich op het standpunt gesteld dat de kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking moet worden vastgesteld. Hij heeft aangegeven dat niet eerder is verzocht om een bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen. Daarbij bestaat er tussen partijen verschil van mening over de hoogte van de kinderalimentatie.
De rechtbank kan de man volgen in zijn standpunt en zal de kinderalimentatie in redelijkheid vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, te weten 26 augustus 2026.
Behoefte
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de behoefte van de kinderen in 2026 een bedrag van € 987,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.
Draagkracht man
De man heeft aangegeven dat er rekening moet worden gehouden met zijn reiskosten als de vrouw in [plaats 1] blijft wonen. De rechtbank overweegt dat de vrouw in het kader van de voorlopige zorgregeling het halen en brengen van [de minderjarige 2] voor haar rekening zal nemen. De man heeft dan ook geen reiskosten voor het vervoer van de kinderen. Daarom zal de rechtbank aan dit verweer van de man voorbijgaan.
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de draagkracht van de man € 562,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.
Draagkracht vrouw
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat haar draagkracht € 50,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
Tussen de man en de vrouw is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. De man heeft gesteld dat moet worden uitgegaan van een zorgkorting van 30%, omdat hij een evenredig aandeel in de verzorging van de kinderen wil en hij in de toekomst meer voor de kinderen wil zorgen dan nu het geval is. De vrouw heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat voor [de minderjarige 2] moet worden gerekend met een zorgkorting van 15% en dat voor [de minderjarige 1] geen zorgkorting van toepassing is. Daarbij heeft de vrouw aangegeven dat zij al meer kosten dan de man heeft voor de kinderen, omdat zij in het kader van de voorlopige zorgregeling het halen en brengen van [de minderjarige 2] op zich zal nemen.
Gelet op de voorlopige zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 2] , zal de rechtbank voor [de minderjarige 2] uitgaan van een zorgkorting van 15%. Nu er geen voorlopige zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] wordt bepaald, zal de rechtbank voor [de minderjarige 1] geen rekening houden met een zorgkorting. De zorgkorting bedraagt dan € 74,- per maand (15% van € 493,50).
Omdat sprake is van een tekort van € 375,- per maand [€ 987 – (€ 562 + € 50)] en dit tekort meer dan twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van de kinderen.
Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen is dus gelijk aan zijn draagkracht.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man, met ingang van 26 augustus 2026, een bedrag van € 562,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] samen aan de vrouw moet voldoen aan kinderalimentatie.
Beslissing
De rechtbank:
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
bepaalt dat de Raad voor de Kinderbescherming aan de rechtbank en aan de ouders rapporteert in de echtscheidingsprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/708239 / FA RK 26-6692;
*
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2] ;
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat de man met ingang van vrijdag 21 augustus 2026 voorlopig gerechtigd is om [de minderjarige 2] bij zich te hebben: om de week van vrijdag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige 2] bij de man zal brengen en ophalen en dat deze regeling zal doorlopen gedurende de vakanties en feestdagen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 562,- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
wijst af het meer of anders verzochte.