uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 2006, van Soedanese nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Met het bestreden besluit van 10 april 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.
De minister heeft de voorzieningenrechter op 26 augustus 2026 gevraagd om de voorlopige voorziening met voorrang te behandelen, omdat de overdrachtstermijn verloopt op 1 oktober 2026 en de beroepszaak nog niet op zitting is gepland.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
3. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoeker dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoeker niet kan worden behandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten groter is dan het belang van de minister om verzoeker op korte termijn te kunnen overdragen aan Kroatië. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
5. Verzoeker heeft via zijn gemachtigde de wens geuit om zijn verzoek op zitting te behandelen. Dat de rechtbank toch uitspraak doet zonder zitting houdt verband met de onverwijlde spoed en het feit dat de agenda van de rechtbank het onmogelijk maakt om het verzoek op zitting te behandelen voor het verstrijken van de overdrachtstermijn. Partijen worden bovendien niet in hun belangen geschaad nu het verzoek van eiser wordt toegewezen en de minister de mogelijkheid om de zaak zonder zitting af te doen zelf heeft voorgesteld in zijn brief van 26 augustus 2026.
6. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep op verzet open.