ECLI:NL:RBDHA:2026:28231

ECLI:NL:RBDHA:2026:28231

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer NL26.44216 en NL26.44217
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

AMbV Zwisterland, kwetsbaarheid, gegrond.

Uitspraak

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend en verzocht om een voorlopige voorziening.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 september 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. Eiser heeft op 22 juni 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit EU-VIS is gebleken dat eiser van Zwitserland een visum heeft gekregen. Dit visum was geldig van 24 mei 2026 tot en met 23 juni 2026. De minister heeft daarom op 13 juli 2026 gevraagd om eiser over te nemen. Op 20 juli 2026 is Zwitserland hiermee akkoord gegaan volgens artikel 29, tweede lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMbV).

De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de AMbV. Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister ziet in de bezwaren die eiser heeft aangedragen geen reden om eiser niet over te dragen aan Zwitserland. De minister volgt niet dat eiser een summier gehoor heeft gehad. Ook maakt de minister geen gebruik van de discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag in Nederland te behandelen. Verder kan er in Zwitserland uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een slechte behandeling in Zwitserland. Ook heeft eiser niet laten zien dat door zijn medische situatie de asielaanvraag in Nederland behandeld moet worden. Bovendien volgt de minister het beroep op het arrest Tarakhel niet.

Gronden eiser

5. Eiser stelt – samengevat – het volgende. Eiser stelt dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het Handvest wegens bijzondere individuele kwetsbaarheid als slachtoffer van mensenhandel bij terugkeer naar Zwitserland. De minister betwist niet dat eiser in Zwitserland slachtoffer is geworden van mensenhandel en gedwongen is om seks te hebben met mannen en vrouwen gedurende enkele weken. Deze ervaringen hebben bij eiser een ernstig trauma veroorzaakt. Juist vanwege deze traumatische ervaringen kan van eiser niet worden verlangd dat hij terugkeert naar Zwitserland, zonder dat eerst zorgvuldig is onderzocht welk concreet risico een dergelijke terugkeer voor hem meebrengt. Ook omdat eiser zal worden teruggebracht naar de plaats waar het trauma is ontstaan. Verder, nu er enige medische informatie beschikbaar is en eiser is doorverwezen naar de POH-GGZ, dient de minister opnieuw te bekijken of er sprake is van een bijzonder kwetsbare persoon. Indien de minister van mening is dat eiser desondanks aan Zwitserland kan worden overgedragen, had het op zijn weg gelegen om concreet te onderzoeken welke maatregelen Zwitserland bij terugkeer van eiser zal treffen. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht of individuele garanties bij terugkeer het risico bij overdracht weg kunnen nemen. Ook stelt eiser dat hij bezwaar kan maken in dit beroepschrift tegen het feit dat de minister geen gebruik wenst te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag van eiser zelf te behandelen.

Ontvankelijkheid beroep

6. De rechtbank stelt vast dat het beroep te laat is ingediend. Het bestreden besluit dateert van 24 juli 2026 en de beroepstermijn bedraagt één week. Eiser heeft pas op 5 augustus 2026 beroep ingediend. De rechtbank stelt vast dat de reden voor deze late indiening is dat eiser eerst op 5 augustus 2026 toegang heeft gekregen tot het bestreden besluit. In het dossier zit een brief van de minister van 5 augustus 2026 dat er door een technische fout aan de zijde van de minister geen notificaties zijn gestuurd in het Portaal voor Advocaten waarmee de advocaat geattendeerd wordt op een nieuw document. Dit probleem heeft zich voorgedaan in de zaak van eiser, waardoor de gemachtigde van eiser pas op 5 augustus 2026 geattendeerd is op het besluit. Eiser heeft dit ook onderbouwd met e-mailcorrespondentie. Bovendien volgt uit deze correspondentie dat de gemachtigde van eiser zelfs geen toegang had tot het dossier in het advocatenportaal en dus niet eerder op de hoogte kon zijn van het bestreden besluit. Nu de gemachtigde van eiser op dezelfde dag dat zij bekend werd met het bestreden besluit beroep heeft ingediend, acht de rechtbank het beroep ontvankelijk. De rechtbank zal het beroep daarom ook inhoudelijk beoordelen.

Kwetsbaarheid

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister de kwetsbaarheid van eiser onvoldoende heeft onderzocht. Tijdens het gehoor AMbV van 10 juli 2026 heeft eiser verklaard dat hij last heeft van depressie en trauma’s, omdat hij veel heeft meegemaakt waaronder de mensenhandel in Zwitserland. Ook heeft hij verklaard dat zijn leven in Zwitserland niet veilig is. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het gehoor AMbV onvoldoende heeft doorgevraagd op de psychische gesteldheid van eiser en of deze mogelijk relevant is voor de overdracht naar Zwitserland. De minister heeft enkel geadviseerd om voor de medische klachten langs te gaan bij een arts of therapeut, heeft gewezen op de mogelijkheid om aangifte te doen van de mensenhandel en gezegd dat aan organisaties doorgegeven wordt dat er mogelijk sprake is van mensenhandel zodat eiser de juiste ondersteuning geboden kan krijgen. De minister heeft alleen nagelaten om te vragen of de trauma’s en eisers psychische gesteldheid mogelijk te maken hebben met de overdracht naar Zwitserland en of de overdracht dus op zijn psychische gesteld van invloed is en op welke wijze, terwijl er wel indicaties waren dat deze twee omstandigheden mogelijk verband hebben met elkaar. Eiser heeft namelijk verklaard dat de mensenhandel en het misbruik plaatsgevonden hebben in Zwitserland en dat hij trauma’s heeft. Deze verklaringen hadden voor de minister reden moeten zijn om nadere vragen te stellen en onderzoek te doen naar de kwetsbaarheid van eiser ten aanzien van de overdracht.

Vervolgens is de minister in het bestreden besluit wel ingegaan op die kwetsbaarheid, maar de minister stelt dat eiser niet met documenten heeft laten zien dat hij bijzonder kwetsbaar is. Inmiddels liggen er wel medische stukken, zoals een uitdraai van zijn medisch dossier, en blijkt uit mailwisseling dat eiser op 27 augustus 2026 ook een eerste afspraak heeft gehad met de GZA vanwege zijn psychische klachten. Dat er geen medische documenten zijn om zijn kwetsbaarheid te onderbouwen, kan op dit moment dus geen stand meer houden. De gemachtigde van de minister was niet aanwezig op de zitting en de minister heeft voorafgaand aan de zitting ook geen reactie ingediend op de beroepsgronden en de overgelegde medische gegevens. Hierdoor heeft er op de zitting geen uitwisseling plaatsgevonden van standpunten van de partijen en heeft de rechtbank ook geen goed beeld kunnen krijgen van de medische en/of psychische toestand van eiser.

Daarnaast kan aan eiser naar het oordeel van de rechtbank niet worden tegengeworpen dat er ten tijde van het bestreden besluit nog geen medische documenten waren. Eiser heeft op 20 juni 2026 een asielaanvraag ingediend, het gehoor AMbV dateert van 10 juli 2026 en het bestreden besluit is genomen op 24 juli 2026. In deze korte tijdspanne waar de aanvraag dateert van vlak na een misbruiksituatie, kan de minister niet in redelijkheid van eiser verwachten dat hij al over medische documenten zou kunnen beschikken die zijn kwetsbaarheid onderbouwen.

Bovendien heeft de minister zelf in het bestreden besluit onderkend dat eiser mogelijk als bijzonder kwetsbaar persoon gezien kan worden als bedoeld in het arrest Tarakhel. In het bestreden besluit staat dat het arrest Tarakhel ook kan gelden ‘voor personen die ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld hebben ervaren.’. Hier is de minister vervolgens niet verder op ingegaan dan enkel te stellen dat eiser zijn kwetsbaarheid niet met zijn verklaringen of documenten heeft onderbouwd. Dit kan de rechtbank niet volgen. Eiser heeft namelijk verklaard over het seksueel misbruik en hier is de minister vervolgens niet op in te gaan. Dit dient de minister wel bij het nieuw te nemen besluit te betrekken.

8. Concluderend heeft de minister de kwetsbaarheid van eiser onvoldoende onderzocht en heeft de minister ook onvoldoende onderbouwd waarom eiser niet als bijzonder kwetsbaar gezien moet worden in de zin van het arrest Tarakhel. In een nieuw te nemen besluit dient de minister ook de overgelegde medische stukken in beroep en mogelijke nieuwe stukken ten aanzien van eisers psychische gesteldheid mee te nemen. De beroepsgrond slaagt.

9. Nu de minister de bijzondere kwetsbaarheid nader moet onderzoeken en nogmaals moet beoordelen of hier geen sprake van is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in zaaknummer NL26.44216:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 juli 2026;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL26.44217:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand