de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. F. Gieskes).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Eiser heeft op 27 januari 2026 een opvolgende asiel aanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Toes als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere procedure
2. Eiser heeft op 26 februari 2023, op zestienjarige leeftijd, zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit Uganda, dat zijn vader werkte voor een politieke partij en dat zijn vader vanwege die werkzaamheden is vermoord. Ook eiser zelf zou problemen hebben ondervonden als gevolg van de werkzaamheden van zijn vader. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Die afwijzing staat in rechte vast.
Toepasselijk recht
3. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden. De aanvraag en het bestreden besluit dateren echter van vóór die datum zodat daarop het oude recht van toepassing is.
Huidige asielprocedure en het bestreden besluit
4. Op 27 januari 2026 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze opvolgende asielaanvraag legt eiser ten grondslag dat hij biseksueel is.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
biseksuele geaardheid.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn biseksuele geaardheid niet. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met documenten. Volgens de minister is het relaas van eiser ongeloofwaardig omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In dit verband heeft de minister eiser tegengeworpen dat hij niet eerder heeft verklaard dat hij biseksueel is. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser wisselend en vaag over zijn seksuele geaardheid heeft verklaard. De minister vindt dat eiser vaag, wisselend en summier heeft verklaard over het proces waarin hij biseksueel werd, zijn katholieke geloof, ontmoetingen met homoseksuele mannen, zijn activiteiten in Nederland en de situatie van LHBTI’s. Een andere reden waarom de minister het relaas ongeloofwaardig vindt, is dat eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft.
In beroep heeft de minister nog toegevoegd dat de geloofwaardigheid van eiser verder is afgenomen doordat hij in een verhoor door de AVIM op 11 mei 2026 over het mogelijk opleggen van een zwaar inreisverbod heeft verklaard dat hij niet de Ugandese maar de Rwandese nationaliteit heeft en dat hij is geboren in [plaats 1] , Rwanda.
De minister heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard omdat de aanvraag een opvolgende aanvraag betreft die niet niet-ontvankelijk is verklaard, omdat niet onmiddellijk asiel is aangevraagd toen dat mogelijk was, en omdat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Eiser wordt verdacht van het veelvuldig plegen van winkeldiefstallen en zat op het moment dat het besluit werd genomen in hechtenis.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de biseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig zou zijn. Door enorme schaamtegevoelens heeft eiser tijdens zijn eerste asielprocedure, toen hij nog minderjarig was, niet kunnen vertellen over zijn geaardheid. Uit het gehoor blijkt dat hij voldoende heeft verklaard over zijn gevoelens, ervaringen en persoonlijke beleving. Daarmee heeft hij een persoonlijke en authentieke verklaring afgelegd als bedoeld in Werkinstructie 2019/17 van de IND. Het referentiekader en eisers schaamte zijn onvoldoende door de minister meegewogen. Eiser heeft binnen zijn vermogen en referentie voldoende verklaard over zijn geaardheid. De minister had de biseksuele geaardheid dan ook geloofwaardig moeten achten.
Heeft de minister eisers gestelde biseksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
6. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Ebilum en Quotal, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen zonder enige terughoudendheid mag beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht de gestelde biseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank acht in dit kader van belang dat het relaas van eiser op een aantal punten duidelijke tegenstrijdigheden bevat.
Hierbij betrekt de rechtbank allereerst eisers verklaringen over zijn nationaliteit en herkomst in de eerste asielprocedure, in de nu voorliggende asielprocedure en in het proces-verbaal van 11 mei 2026. In zijn eerste asielprocedure heeft eiser verklaard dat hij de Ugandese nationaliteit heeft, dat hij is geboren in [plaats 2] , Uganda, dat hij daarna is opgegroeid in [plaats 3] , Uganda, en dat zijn moeder toen hij nog een kind was naar Zuid-Afrika is verhuisd, waarna hij met zijn vader in Uganda achterbleef. In de nu voorliggende asielprocedure heeft eiser verklaard dat hij nog steeds in het bezit is van de Ugandese nationaliteit. Hij heeft verklaard dat hij zich op school in Uganda voor het eerst realiseerde dat hij jongens aantrekkelijk vond en dat dit taboe was in Uganda. Eiser heeft tegenover de AVIM echter verklaard dat hij de Rwandese nationaliteit heeft, dat hij is geboren in [plaats 1] , Rwanda, dat hij daar altijd met zijn moeder heeft gewoond en dat zijn vader Ugandees uit Uganda is, die hem en zijn moeder af en toe kwam bezoeken in Rwanda. Ook heeft eiser in dat gehoor verklaard dat hij in [plaats 1] op school heeft gezeten. Deze verklaringen over eisers herkomst en nationaliteit zijn zodanig tegenstrijdig dat deze het gehele relaas van eiser in twijfel doen trekken.
Op zitting is eiser hierover bevraagd. Eiser heeft aangegeven dat het proces-verbaal van verhoor van 11 mei 2026 mogelijk een vertaalfout bevat en dat hij in Uganda is opgegroeid en heeft gewoond. Volgens eiser komt zijn moeder uit Uganda en zijn vader uit Rwanda. De rechtbank overweegt hierover dat eiser tijdens het verhoor niet heeft laten weten dat er sprake was van communicatieproblemen. Uit het proces-verbaal van 11 mei 2026 blijkt bovendien dat eiser ten aanzien van de verstaanbaarheid van de tolk heeft verklaard de tolk “prima” te hebben verstaan. Zelfs al zou de rechtbank aannemen dat in het proces-verbaal de herkomst van eisers vader en moeder door elkaar zijn gehaald, dan blijft staan dat eiser in de beide asielprocedures nooit heeft verklaard dat een van zijn ouders niet uit Uganda komt. Ook blijf staan dat eiser bij de AVIM zelf heeft verklaard dat hij is geboren in [plaats 1] en zelf de naam van zijn school in [plaats 1] heeft genoemd. De verklaringen van eiser over zijn herkomst blijven dus hoe dan ook tegenstrijdig.
Verder betrekt de rechtbank bij de beoordeling van de geloofwaardigheid dat eiser in zijn asielgehoor van 20 februari 2026 heeft verklaard dat hij op school voor het eerst ontdekte dat hij jongens aantrekkelijk vond, maar dat hij dat geheim heeft gehouden. Hij wilde het zeggen tegen zijn vrienden, maar was bang voor hun reactie. Op zitting heeft eiser echter verklaard dat klasgenoten op de middelbare school op de hoogte waren van zijn seksuele geaardheid en hem hierom pestten, waarna hij door een vriend juist in bescherming werd genomen. Ook heeft eiser desgevraagd verklaard dat zijn vrienden hem lieten zien hoe liefdevol de LHBTI-gemeenschap was, doordat zij hem warm ontvingen, hem op zijn gemak stelden en hem accepteerden om wie hij was. Niet valt in te zien hoe deze verklaring ter zitting te rijmen valt met de eerdere verklaring dat hij nooit met iemand over zijn seksuele geaardheid heeft gesproken en bang was hierover te vertellen. De tegenstrijdigheden zijn ook dusdanig dat deze niet alleen zijn te verklaren door schaamte of een beperkt referentiekader.
De rechtbank is reeds op grond van het voorgaande van oordeel dat het relaas van eiser dusdanige tegenstrijdigheden bevat, dat het niet geloofwaardig is.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepsgronden slagen niet. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.10900:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak onder geregistreerd onder nummer NL26.10901:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dat ziet op het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.