RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 op het verzet van
[opposant], uit [woonplaats], opposant.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2936
Procesverloop
Bij uitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank heeft het verzet op 25 augustus 2026 op een zitting behandeld. Opposant is verschenen.
Overwegingen
De rechtbank heeft in de beroepzaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
In verzet kan alleen worden beoordeeld of de bestuursrechter in de buitenzitting-uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
De bestuursrechter heeft in de buitenzitting-uitspraak overwogen dat opposant het beroep zonder bewindvoerder heeft ingediend, dat de bewindvoerder desgevraagd heeft aangegeven geen toestemming te hebben verleend en deze ook niet te zullen verlenen en dat opposant daarom niet over de vereiste toestemming beschikt om te procederen. Er is niet gebleken dat opposant tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht, zodat opposant onbekwaam is beroep in te stellen. De beroepen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Het verzet is daarom ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 4 december 2025 in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij opposant ter zitting nogmaals heeft uitgelegd dat hij zonder toestemming van zijn bewindvoerder niet kan procederen en dat zolang zijn bewindvoerder geen toestemming verleent, het voeren van nieuwe procedures geen enkele zin heeft en voor opposant alleen leidt tot onnodige kosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen beroep of verzet open.