RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8344
(gemachtigde: mr. E. Brokking),
en
(gemachtigde: C.A. Manders).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats 2] , vergunninghouder.
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakkapel aan de voorzijde van de woning op [adres 1] . Eiser is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft op 15 juli 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een dakkapel aan de voorzijde van zijn woning (het bouwplan). Met het besluit van 22 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Het college heeft een nieuw besluit genomen waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor een omgevingsplanactiviteit.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de vergunningsaanvraag op ziet, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Rijnvaart’ (het bestemmingsplan) van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Westland (het omgevingsplan).
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Met het primaire besluit heeft het college een omgevingsvergunning voor het bouwplan verleend. Het bouwplan is in strijd met de bij het tijdelijke deel van het omgevingsplan gegeven voorschriften, omdat de goothoogte van het hoofdgebouw wordt verhoogd tot 8,36 meter. Het college heeft met oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Eiser is de eigenaar van de naastgelegen woning op [adres 2] en heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
De Commissie bezwaarschriften van de gemeente Westland heeft op 11 april 2025 geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren, omdat het college in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties onvoldoende aandacht heeft besteed aan de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning van de woning van eiser.
Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en een nieuw besluit op de aanvraag genomen waarbij een omgevingsvergunning is verleend. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat met het bouwplan de goothoogte niet wordt gewijzigd waardoor er geen strijdigheid is met het tijdelijk deel van het omgevingsplan en er geen sprake is van een buitenplanse omgevingsactiviteit. Ook is het bouwplan in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand, zodat de omgevingsvergunning moest worden verleend.
Toetsingskader
6. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. De beoordelingsregels voor het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn vastgelegd in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna Bkl). Voor de toepassing van deze beoordelingsregels is relevant of de gevraagde omgevingsplanactiviteit wel of niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels in het omgevingsplan die zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Dat betekent dat een aanvraag alleen kan worden geweigerd op grondslag van de in het omgevingsplan opgenomen regels. Als de omgevingsvergunning op grond van die regels niet kan worden geweigerd, moet (imperatief) de omgevingsvergunning worden verleend.
Ingevolge artikel 2.10 van het bestemmingsplan wordt de goothoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
Mocht het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verlenen?
7. Eiser voert aan dat het college onvoldoende rekening houdt met zijn belangen. Volgens eiser wordt met het bouwplan een nieuwe goothoogte gecreëerd op 8,35 meter hoog, waardoor de maximaal toegestane goothoogte wordt overschreden. Dit zorgt voor schaduwwerking en aantasting van het gebruik van de zonnepanelen op de woning van eiser. Eiser stelt dat het college een onjuiste, althans onvoldoende gemotiveerde, interpretatie van artikel 2.10 van de planregels hanteert. Dit artikel bevat een opsomming van mogelijke meetpunten zonder dat daarbij eenduidig is vastgesteld welk meetpunt leidend is in een concreet geval. Het college heeft in dit geval gekozen voor een uitleg die nadelig uitpakt voor eiser, zonder te motiveren waarom juist deze interpretatie van de planregel is gekozen. Gelet op de onduidelijkheid van de planregel en de belangen van eiser, is het bestreden besluit in strijd met de beginselen van rechtszekerheid en zorgvuldige besluitvorming.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met het bouwplan de goothoogte niet wordt gewijzigd. Daartoe overweegt zij als volgt.
In het bestemmingsplan is geen definitie is opgenomen van het begrip ‘goothoogte’. Wel staat in artikel 2.10 van de planregels de manier waarop de goothoogte wordt vastgesteld. Uit deze planregel volgt dat de planwetgever niet de plaats waar de regengoot is aangebracht bepalend heeft geacht voor de goothoogte, maar de plaats waar het water vanaf druipt, of waar een boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht. Er is derhalve gekozen voor een duidelijk onderscheid tussen gevel en dakvlaklijn. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
Anders dan eiser stelt, laat artikel 2.10 van de planregels geen keuze open over de wijze waarop de goothoogte wordt gemeten. Uit de planregel volgt dat de goothoogte wordt vastgesteld op het punt waar het water afwatert naar de gevel. Dit kan het punt zijn waar een goot is aangebracht, of een boeibord of en andere constructiedeel. Per concreet geval kan slechts één punt leidend zijn, namelijk daar waar het water afwatert naar de gevel. Anders dan eiser stelt laat de planregel dus geen keuze open over welk punt het college leidend acht. Dat de planregel is strijd is met de rechtszekerheid volgt de rechtbank daarom niet.
Uit de bouwtekeningen blijkt dat het bouwplan uit het schuine dakvlak springt en het dakvlak onderbreekt. Dit betekent dat zowel onder en boven het bouwplan als aan weerszijden ervan nog een deel van het schuine dakvlak beschikbaar blijft. Het bouwplan heeft verder een plat dak, dat aan de voorzijden is voorzien van vensters en aan de zijkanten uit panelen met een driehoekige vorm. Het hemelwater loopt via een voorziening aan de binnenzijde van het bouwplan van het platte dak naar beneden, om vervolgens te worden vervoerd naar de bestaande goot aan de onderzijde van het schuine dakvlak. De consequentie hiervan is dat de druiplijn leidend is voor de afwatering van het hemelwater dat op het platte dak neervalt.
Weliswaar heeft het bouwplan een fors volume en is het voorzien van een plat dak met een boeiboord, maar omdat het dak van de woning rondom het bouwplan schuin afloopt en het hemelwater via het bouwplan op het schuine dakvlak verzamelt, watert het hemelwater nog steeds hoofdzakelijk af aan de onderzijde van het schuine dakvlak via de bestaande goot. Dat er op de dakkapel een boeiboord is aangebracht maakt dit niet anders. Dit boeiboord zorgt er namelijk niet voor dat de plaats waar het water afdruipt wijzigt. Er ontstaat immers geen nieuwe druiplijn. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat ook de goothoogte met het bouwplan niet wordt gewijzigd.
De conclusie is dat het bouwplan van vergunninghouder voldoet aan de beoordelingsregels voor deze omgevingsplanactiviteit en dus moest het college de omgevingsvergunning verlenen. Dit betekent ook dat het college geen ruimte heeft voor een nadere belangenafweging. Die belangafweging heeft namelijk al plaatsgevonden bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan. Er bestond daarom ook geen ruimte om de mogelijke vermindering van de opbrengst van de zonnepanelen van eiser als gevolg van het bouwplan mee te wegen bij beoordeling van de aanvraag.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.