RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/6428
en
(gemachtigde: J.A. Bogaards ).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering voor daklozen op grond van de Participatiewet (Pw). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker is op 9 juli 2026 uit detentie gekomen. Verzoeker heeft zich op 10 juli 2026 gemeld bij het dak- en thuislozenloket in Den Haag voor een bijstandsuitkering. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoeker niet in Den Haag woonachtig is. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie, nu verzoeker op dit moment geen bijstand ontvangt en vermoedelijk ook geen andere bron van inkomsten heeft. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat er aanleiding bestaat om uit te gaan van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal daarom de zaak inhoudelijk behandelen.
Afwijzing van de aanvraag
4. Verzoeker stelt dat hij zijn hoofdverblijf wel in Den Haag heeft. Dit blijkt uit de slaapadressen die hij heeft doorgegeven aan het college. Verzoeker heeft in het verleden al meerdere keren een bijstandsuitkering voor daklozen ontvangen van het college. Verzoeker doet soms boodschappen met zijn pinpas in andere steden. Dit komt omdat hij dakloos is en daarom op zoek is naar woonruimte. Hij doet daarnaast ook veel contante betalingen in Den Haag, aldus verzoeker.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over onder meer zijn woon- en leefsituatie. Controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats kunnen van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of iemand recht heeft op bijstand.
Volgens vaste rechtspraak kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats.
Het hoofdverblijf is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
De voorzieningenrechter is voorshands met het college van oordeel dat op basis van de door verzoeker aangeleverde informatie niet aannemelijk is geworden dat hij zijn hoofdverblijf in Den Haag heeft. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.
Verzoeker heeft op 22 juli 2026 een overzicht met vier slaapplekken ingeleverd. Hieruit volgt dat verzoeker over de periode van 9 juli 2026 tot met 22 juli 2026 op verschillende adressen in Den Haag en Zoetermeer verbleef. Op 29 juli 2026 heeft verzoeker een aanvullende lijst met slaapadressen overgelegd. Hieruit volgt dat verzoeker over de periode van 22 juli 2026 tot en met 31 juli 2026 op verschillende adressen in Den Haag verbleef. Het college heeft op basis van de bankafschriften vastgesteld dat verzoeker in de hierboven genoemde periodes voornamelijk pintransacties in Zoetermeer en Rotterdam heeft verricht en bijna geen enkele in Den Haag. Verzoeker stelt dus zijn hoofdverblijf in Den Haag te hebben, maar de pintransacties wijzen erop dat verzoeker voornamelijk tijd doorbrengt buiten Den Haag. Dit roept vragen op over waar het centrum van het leven van verzoeker zich bevindt.
Het college heeft verzoeker in staat gesteld om nadere stukken in te dienen waaruit blijkt dat het zwaartepunt van verzoekers leven in Den Haag is. Hiertoe heeft verzoeker nogmaals bankafschriften overgelegd. Verzoeker is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat, ondanks dat hij veelal pint buiten Den Haag, het zwaartepunt van zijn leven toch in Den Haag is. De enkele omstandigheid dat er op 24 juli 2026 en op 30 juli 2026 is gepind in Den Haag biedt hiervoor onvoldoende steun. Dat verzoeker eerder een bijstandsuitkering van Den Haag heeft ontvangen evenmin. Verzoeker zal met aanvullende bewijzen moeten komen om zijn standpunt te onderbouwen. De gemachtigde van het college heeft op zitting toegelicht dat als verzoeker met nadere stukken komt, deze bij de beoordeling van het bezwaar betrokken kunnen worden.
Verzoeker heeft op zitting gesteld dat andere gemeentes waar hij zich heeft gemeld, zoals Leiden en Zoetermeer, hem terugsturen naar Den Haag. Hierdoor wordt hij van het kastje naar de muur gestuurd. Verzoeker heeft echter geen aanvraag ingediend bij een andere gemeente. Om het recht op bijstand te kunnen beoordelen is een aanvraag nodig. Daarom is nog niet vast komen te staan dat verzoeker geen recht heeft op bijstand bij een andere gemeente dan Den Haag. Ook deze omstandigheid biedt dus geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college ten onrechte geen bijstand heeft toegekend aan verzoeker.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker er op dit moment niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf in Den Haag heeft. Dit betekent dat het voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Onder die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: