ECLI:NL:RBDHA:2026:28093

ECLI:NL:RBDHA:2026:28093

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer C/09/706143 / FA RK 26-5399
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats.

Uitspraak

Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats

Beschikking op het op 1 juni 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H. van Pelt-de Jong te Bodegraven.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 10 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

De advocaat van de moeder heeft spreekaantekeningen overgelegd.

Feiten

ten aanzien van de zorgregeling

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op

[geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1].

- De moeder is ook de moeder van de minderjarigen:

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2007 te [geboorteplaats 3];

- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2005 te [geboorteplaats 3].

- De vader is ook de vader van de minderjarigen:

- [minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2019 te [geboorteplaats 4];

- [minderjarige 6], geboren op [geboortedatum 6] 2016 te [geboorteplaats 3].

Verzoek en verweer

De vader verzoekt in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] vast te stellen bij de moeder en een zorgregeling vast te stellen conform het voorstel van de vader, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de moeder zelfstandig:

ten aanzien van het gezag

- de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1];

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de vader aanvullend:

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Voorgeschiedenis volgens de vader

De vader stelt dat de moeder tijdens de relatie erg controlerend is geweest, mede vanwege de complexe Posttraumatische Stressstoornis (hierna: PTSS) en obsessieve-compulsieve stoornis van de moeder. De vader geeft aan dat hij gedurende een langere periode zijn emoties heeft opgekropt, waarbij deze uiteindelijk in april 2025 tijdens een incident naar buiten zijn gekomen. De relatie is daarna beëindigd. Volgens de vader heeft de moeder het incident heftiger ervaren vanwege haar stoornissen. De vader benadrukt dat er jegens [minderjarige 1] op geen enkele manier sprake is geweest van agressie. Na het incident heeft de moeder aangegeven dat zij wil dat de vader op gesprek gaat bij [zorginstelling] in [plaats]. De vader is op gesprek geweest en naar aanleiding hiervan geeft de vader aan dat [zorginstelling] heeft besloten dat hij al voldoende hulp ontvangt via zijn psycholoog en het hulpverleningstraject [zorgpraktijk 2]. Op 7 mei 2025 en 11 juni 2025 zijn de ouders met elkaar in gesprek geweest bij [zorginstantie 1].

Voorgeschiedenis volgens de moeder

De moeder geeft aan dat zij jarenlang slachtoffer is geweest van intiem partnergeweld door de vader, hetgeen volgens haar ook is bevestigd door de politie en vastgesteld door de huisarts en GGZ [regio]. Daarnaast zijn er meerdere meldingen geweest bij Veilig Thuis. Ook zijn Jeugdbescherming West en [zorginstantie 2] tijdens de relatie al betrokken geweest waarbij er veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Ook zijn er gesprekken geweest met de oudste drie kinderen van de moeder in het kader van het onderzoek door [zorginstantie 1]. De moeder geeft aan dat zij de relatie op 7 mei 2025 per brief heeft beëindigd, na het doorlopen van de cursus ‘Met alle geweld een relatie’ bij GGZ [regio]. Volgens de moeder is de vader hierna niet gestopt met het intiem partnergeweld, aangezien hij dit via (het dreigen met) juridische procedures voortzet en haar financieel chanteert. Volgens de moeder heeft [zorginstelling] naar aanleiding van het intakegesprek met de vader aangegeven dat passende hulpverlening aan hem kan worden geboden. De vader is daar echter niet op in gegaan.

Hoofdverblijfplaats

De vader geeft aan dat [minderjarige 1] sinds de beëindiging van de relatie bij de moeder verblijft en daar ook staat ingeschreven. De vader verzoekt daarom de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder vast te stellen. De moeder voert hier geen verweer tegen. De rechtbank zal het verzoek daarom als niet weersproken op de wet gegrond toewijzen, omdat ook niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] zich daartegen verzet.

Gezag en zorgregeling

Standpunt van de vader

De vader geeft aan dat hij [minderjarige 1] ruim een jaar niet heeft gezien. Hij stelt dat hij meerdere malen heeft geprobeerd om met de moeder afspraken te maken over contact tussen [minderjarige 1] en hem, maar zonder resultaat. Eind september 2025 heeft de vader opnieuw contact opgenomen met de moeder met het voorstel om onder begeleiding van een mediator of coach afspraken te maken over het contact tussen [minderjarige 1] en de vader. De moeder heeft een maand later gereageerd en aangegeven dat zij onvoldoende vertrouwen heeft dat de vader voor [minderjarige 1] een veilige basis kan bieden en dat [minderjarige 1] gebaat is bij rust. Volgens de vader heeft de moeder hem verzocht afstand te houden en aangegeven dat het verzoek tot contact tussen hem en [minderjarige 1] op dit moment te vroeg komt. De vader stelt dat hij daarna opnieuw voorstellen aan de moeder heeft gedaan, waarop de moeder tot op heden niet heeft gereageerd. De vader geeft aan dat [minderjarige 1] in haar eerste levensjaar in gezinsverband met beide ouders is opgegroeid. De vader is van mening dat het voor de hechting tussen hem en [minderjarige 1] – mede gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] – belangrijk is om niet langer te wachten met het opstarten van contact. Volgens de vader is [minderjarige 1] altijd vrolijk geweest in zijn bijzijn en heeft zij zich bij hem vertrouwd gevoeld. De vader wenst direct onbegeleide omgang met [minderjarige 1], maar staat er ook voor open dat het contact begeleid wordt, indien de moeder dit wenselijker vindt. Volgens de vader is van weigeringsgronden voor contact tussen [minderjarige 1] en hem geen sprake en is contact van belang voor de ontwikkeling van [minderjarige 1]. De vader betwist de stellingen van de moeder dat verschillende professionals dringend adviseren om op dit moment geen omgang tussen [minderjarige 1] en hem te laten plaatsvinden, dan wel alleen onder voorwaarden. Evenmin volgt volgens de vader uit de stukken dat een zorgregeling met hem het herstelproces van [minderjarige 1] in de weg zou staan of haar behandelingstraject zou doorkruisen. Daarnaast wijst de vader erop dat [minderjarige 6] en [minderjarige 5] graag hun zusje weer willen zien.

Met betrekking tot het gezag stelt de vader dat, gelet op het geleidelijke herstel van de moeder, er op termijn weer rechtstreekse communicatie tussen de ouders mogelijk zal zijn. Hierdoor is er geen dreiging dat [minderjarige 1] klem of verloren raakt tussen de ouders en is wijziging van het gezag niet noodzakelijk in het belang van [minderjarige 1]. De vader vreest dat hij, indien de moeder met het eenhoofdig gezag wordt belast, verder van [minderjarige 1] zal komen af te staan. De vader stelt voorts dat hij steeds tijdig toestemming heeft verleend voor de behandeling van [minderjarige 1] en dat daarom niet kan worden gesproken van een belemmering van haar zorg en behandeling of dat hij zijn gezagspositie gebruikt als controle- en drukmiddel. De moeder is op dit moment de enige verzorger en opvoeder van [minderjarige 1], omdat zij daarvoor kiest, terwijl hij zelf ook voor [minderjarige 1] wil zorgen.

Standpunt van de moeder

De moeder verzet zich met klem tegen de door de vader verzochte zorgregeling omdat contact tussen [minderjarige 1] en de vader op dit moment niet in het belang van [minderjarige 1] is. [minderjarige 1] heeft volgens de moeder preverbaal trauma en PTSS opgelopen als gevolg van het structurele partnergeweld van de vader jegens de moeder dat zij – vanaf halverwege de zwangerschap en later op de arm van de moeder – heeft meegemaakt in de periode dat de ouders nog samenwoonden. Volgens de moeder vormt dit een contra-indicatie voor omgang tussen [minderjarige 1] en de vader. [minderjarige 1] volgt op dit moment een traumabehandelingstraject bij [zorgpraktijk 1], waarvoor volgens de moeder een rustige en stabiele thuissituatie noodzakelijk is. Een zorgregeling met de vader, ongeacht of deze gedwongen, begeleid of onbegeleid plaatsvindt, zou volgens de moeder het herstelproces van [minderjarige 1] in de weg staan. Volgens de moeder adviseren verschillende professionals, onder wie [kinderopvang] (de kinderopvang waar [minderjarige 1] naar toe gaat), de traumatherapeut van [zorgpraktijk 1] en de betrokken jeugdhulpverleners, dringend om op dit moment geen omgang te laten plaatsvinden, dan wel alleen onder bepaalde voorwaarden. Volgens de moeder is de vader sinds de relatiebreuk niet oprecht inhoudelijk betrokken geweest bij [minderjarige 1]. Zo zou hij geen interesse hebben getoond in [minderjarige 1] of in kwesties rondom haar, niets van zich hebben laten horen op haar tweede verjaardag en zijn toestemming voor de traumabehandeling en vakanties hebben vertraagd. De moeder stelt daarnaast dat zij de primaire en enige hechtingsfiguur voor [minderjarige 1] is en dat zij ook zelf een traumabehandelingstraject volgt. De stabiliteit van de moeder kan volgens haar in het geding raken indien op dit moment gedwongen confrontatie met de vader plaatsvindt. Dit zou volgens de moeder ook nadelig kunnen zijn voor haar drie oudste kinderen, die zich in kwetsbare levensfasen bevinden.

Met betrekking tot het gezag stelt de moeder dat [minderjarige 1] klem of verloren raakt tussen de ouders, aangezien hun contact uitsluitend via de advocaten verloopt. Volgens de moeder is deze wijze van communiceren noodzakelijk vanwege haar PTSS. Zij verwacht niet dat hier binnen afzienbare tijd verbetering zal optreden, omdat de vader zijn agressie- en controleproblematiek volgens haar niet erkent en hiervoor niet in behandeling is. De moeder stelt voorts dat wijziging van het gezag ook anderszins in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is. Sinds de relatiebreuk is zij de stabiele verzorger van [minderjarige 1] en regelt zij de dagelijkse zorg en de hulpverlening rondom [minderjarige 1]. De afhankelijkheid van de toestemming van de vader belemmert volgens de moeder de continuïteit van de zorg en behandeling van [minderjarige 1]. Eenhoofdig gezag zou de moeder in staat stellen tijdig zelfstandig beslissingen over [minderjarige 1] te nemen, zonder afbreuk te doen aan de rol van de vader als ouder. Gezamenlijk gezag is daarom volgens de moeder niet in het belang van [minderjarige 1].

Oordeel van de rechtbank

Uit hetgeen over en weer naar voren is gebracht en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende duidelijk geworden. [minderjarige 1] is geboren in een complexe gezinssituatie waarin er voor haar geboorte al sprake was van een samengesteld gezin met in totaal vijf kinderen. Tussen de vader en de moeder van zijn twee oudste kinderen is ook sprake (geweest) van ernstige, langdurige conflicten. In de thuissituatie van de vader en de moeder is er sprake geweest van veelvuldige ruzies die telkens heftiger werden. De drie oudste kinderen van de moeder zijn hier getuige van geweest en hebben hierover uitgebreid verklaard bij [zorginstantie 1]. Zij hebben verklaard dat alles in het begin nog rustig was maar dat de ruzies telkens heftiger, verbaler en frequenter werden. Aan het einde van de relatie was er vrijwel elke dag ruzie, zowel in het huis als daarbuiten. Die ruzies gingen gepaard met verbaal geweld van de vader tegen de moeder. In april 2025 hebben de school van (een van) de oudste kinderen, GGZ [regio] en [zorginstantie 2] meldingen gedaan bij Veilig Thuis met zorgen om de spanningen in de relatie tussen de vader en de moeder, waarbij de oudste kinderen hebben aangegeven dat zij zich zorgen maakten om de moeder. Veilig Thuis heeft naar aanleiding van deze meldingen de zorg overgedragen aan [zorginstantie 1] en Jeugdbescherming West. De oudste kinderen van de moeder hebben in april 2025 bij Veilig Thuis aangegeven dat zij tegen de moeder openlijk hadden uitgesproken dat zij zich zorgen maken om haar en niet willen dat de vader steeds zo boos op haar wordt. Uiteindelijk heeft de vader op 15 april 2025 na een incident in de thuissituatie waarbij hij een woede-uitbarsting had gehad, de woning verlaten en sindsdien is de relatie tussen de ouders verbroken. Uit dit alles blijkt dat [minderjarige 1] dus vanaf haar geboorte is opgegroeid op in een complexe, stressvolle gezinssituatie. Zij is op dit moment aanhankelijk aan de moeder.

Er bestaan vermoedens van een preverbaal trauma bij [minderjarige 1], waarvoor zij wordt behandeld. Haar behandelaar is verbonden aan de praktijk [zorgpraktijk 1] waar ook de moeder in behandeling is voor PTSS. De moeder heeft in 2009 – naar aanleiding van een zwaar misdrijf dat haar is overkomen – eveneens PTSS ontwikkeld, waarvoor zij inmiddels de behandeling heeft afgerond. De vader wordt tot op heden niet betrokken bij de behandeling van [minderjarige 1]. In een whatsapp bericht van 20 maart 2026 heeft [zorgpraktijk 1] aan de moeder laten weten dat, als er een voorlopig behandelplan zou zijn, dit ook met de vader zal worden besproken en dat hij vervolgens op een passende manier bij de behandeling van [minderjarige 1] betrokken zal worden en up to date gehouden zal worden.

De vader is zelf in therapie bij de psychologie praktijk [zorgpraktijk 2] vanwege depressieve klachten en trekken van een vermijdende persoonlijkheid. Het doel van deze therapie is onder meer het verminderen van de depressieve klachten, het verbeteren van het zelfbeeld, het leren opkomen voor hemzelf en het verbeteren van de communicatie en interactie met anderen.

[zorginstantie 2] heeft in februari 2025 een verwijzing van de vader naar [zorginstelling] geregeld en de vader had ook een verwijzing van zijn huisarts naar [zorginstelling] gekregen.

In een email d.d. 23 mei 2025 is namens de email [zorginstelling] aangegeven dat de vader daar op een intakegesprek is geweest. [zorginstelling] geeft aan dat, hoewel zij een passend aanbod zouden kunnen bieden, de vader ‘in goed overleg en gezamenlijke afweging’ toch besloten heeft om toch zijn lopende hulpverleningstraject bij [zorgpraktijk 2] voort te zetten. Vanuit [zorginstelling] staat men achter het besluit van de vader om de behandeling aan te houden bij [zorgpraktijk 2]. Daarna is het dossier bij [zorginstelling] gesloten.

Gelet op de huidige complexe situatie – waarin [minderjarige 1] in behandeling is en zich nog in de fase bevindt waarin zij vertrouwen moet opbouwen met haar behandelaar – ziet de rechtbank op dit moment geen mogelijkheden om een zorg- of contactregeling tussen [minderjarige 1] en de vader te bepalen.

Om goed te kunnen beoordelen of, en zo ja, wanneer en op welke manier, het contact tussen de vader en [minderjarige 1] kan worden hervat, is een onderzoek door de Raad noodzakelijk. Daarbij kan de Raad tevens onderzoeken wat de mogelijkheden voor/belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het ouderlijk gezag zijn. De rechtbank zal daarom de Raad verzoeken om een onderzoek te verrichten dat zich onder meer dient te richten op de volgende vragen:

De rechtbank zal de Raad hiervoor een termijn van zes maanden geven, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het onderzoek door de Raad iedere verdere beslissing met betrekking tot het gezag en de zorgregeling aanhouden.

De rechtbank merkt daarbij nog het volgende op. Op de zitting heeft de moeder verteld dat er voor [minderjarige 1] wordt gewerkt met ‘story telling’ en dat tot nu toe de moeder hiervoor de enige informatiebron is. In voormeld whatsapp bericht van 20 maart 2026 heeft [zorgpraktijk 1] aangegeven dat de vader op een passende manier bij de behandeling van [minderjarige 1] betrokken zal worden. De rechtbank heeft geen zicht op wat ‘story telling’ voor [minderjarige 1] precies inhoudt maar merkt daarover op dat hiervoor wellicht ook informatie bij de vader opgehaald kan worden. De vader heeft op de zitting verteld dat hij binnenkort een gesprek met de behandelaar zal hebben.

Verder merkt de rechtbank op dat op dit moment voor [minderjarige 1] rust en herstel voorop staan. Mocht de behandelaar van [minderjarige 1] op enig moment, ook als het raadsonderzoek nog loopt, vinden dat het in het belang is van [minderjarige 1] om (een) contact(moment) te hebben met de vader, dan staat deze beschikking van de rechtbank daar niet aan in de weg. De rechtbank gaat ervan uit dat de behandelaar van [minderjarige 1] dan zal aangeven op welke wijze en op welke momenten dat contact kan plaatsvinden, al dan niet begeleid door de behandelaar(s) van [minderjarige 1].

De rechtbank merkt tot slot nog op dat het noodzakelijk is dat de vader laat zien dat hij zijn eigen gedrag tijdens de relatie onder ogen ziet, oog heeft voor wat het effect daarvan is geweest op de moeder, op [minderjarige 1] en op de andere kinderen in het samengestelde gezin en dit ook jegens de moeder kan uitspreken.

Informatieregeling

De vader verzoekt te bepalen dat de moeder hem regelmatig informeert over [minderjarige 1]. De vader geeft aan dat hij daardoor zoveel mogelijk betrokken kan blijven bij het leven van [minderjarige 1] en dat zodra het contact wordt hersteld, hij zoveel mogelijk bij [minderjarige 1] kan aansluiten. De moeder heeft aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen een regeling waarbij de informatie via de advocaten wordt verstrekt, maar wel tegen een regeling die rechtstreeks contact tussen haar en de vader vereist. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen voorlopig overeengekomen dat de moeder – met tussenkomst van de advocaten – uitvoering zal geven aan de door de vader verzochte informatieregeling. De rechtbank zal deze voorlopige overeengekomen informatieregeling vastleggen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] zich daartegen verzet. De rechtbank zal de definitieve beslissing over de informatieregeling aanhouden in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1], de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;

*

bepaalt dat de moeder voorlopig, via tussenkomst van de advocaten, de vader tenminste één keer per maand per e-mail zal informeren over [minderjarige 1] en de gewichtige aangelegenheden met betrekking tot haar persoon, waarbij de moeder tenminste twee recente foto’s zal voegen waarop [minderjarige 1] goed zichtbaar is;

*

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (advocaat moeder) en [telefoonnummer 2] (advocaat vader);

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 maart 2027 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de advocaten van partijen zich na ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies binnen veertien dagen moeten uitlaten over het raadsrapport en raadsadvies;

bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport, advies en de uitlatingen van partijen, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de zorgregeling en de informatieregeling aan.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.N. van Megesen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand