Hoofdverblijfplaats
Beschikking op het op 12 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
Op 28 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
[geboorteplaats] .
17 augustus 2026 09:00 uur;
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de moeder zelfstandig:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Vervangende toestemming en toevertrouwing
Op de zitting heeft de vader zijn verzoeken over de inschrijving in de Basisregistratie Personen en de voorlopige toevertrouwing van [minderjarige] ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.
Hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of één van hen onder meer een beslissing nemen ten aanzien van de hoofdverblijfsplaats. De rechtbank dient, gelet op artikel 1:253a BW, een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Algemeen
Op 18 januari 2026 heeft de moeder de gezamenlijke huurwoning samen met [minderjarige] verlaten en is zij naar de woning van de oma van moederszijde vertrokken. Kort daarna heeft de moeder [minderjarige] weer naar de vader teruggebracht. De moeder geeft aan dat zij is vetrokken omdat zij langdurig slachtoffer is geweest van intieme terreur door de vader. Uiteindelijk heeft zij hiervoor hulp gezocht bij [zorginstantie 1] en [zorginstantie 2]. De vader verblijft op dit moment in de gezamenlijke huurwoning van partijen. De moeder verblijft op dit moment bij de oma en stiefopa van moederszijde. Recentelijk hebben de ouders afspraken gemaakt, waarbij zij voorlopig afwisselend in de gezamenlijke huurwoning verblijven om voor [minderjarige] te zorgen.
Hoofdverblijfplaats
Beide ouders verzoeken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen vast te stellen. Op de zitting is aan beide ouders gevraagd welk belang zij hebben bij een beslissing hierover.
De vader geeft aan dat hij ongeveer elf tot twaalf jaar geleden via de [zorginstantie 1] in aanmerking is gekomen voor deze woning, dit is een vertrouwde omgeving voor hem. De vader stelt dat hij geen andere verblijfplaats heeft.
De moeder stelt dat de woning destijds enkel aan partijen is toegewezen omdat zij aan de inkomenseis voldeed en sindsdien de lasten van de gezamenlijke huurwoning heeft gedragen. De moeder voert aan dat zij niet langdurig bij de oma en stiefopa van moederszijde kan blijven.
De rechtbank begrijpt dat de aanleiding voor dit verzoek is gelegen in het voornemen van de ouders om in een andere procedure het huurrecht van de woning te vorderen. Vooruitlopend daarop verzoeken zij in deze procedure de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat de ouders daarmee geen rechtens te respecteren belang hebben bij hun verzoeken. De vraag wie het huurrecht van de woning toekomt, dient te worden beoordeeld in een daarvoor geëigende procedure. De rechtbank zal daarop in deze procedure niet vooruitlopen.
Nu de ouders geen rechtens te respecteren belang hebben bij een beslissing over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige], wijst de rechtbank de verzoeken daartoe af.
Raadsonderzoek
De moeder verzoekt subsidiair om een raadsonderzoek te gelasten waarbij – indien dit verzoek wordt toegewezen – [minderjarige] voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd en een voorlopige zorgregeling wordt bepaald.
Inhoudelijke beoordeling
Net als de Raad ziet de rechtbank geen aanleiding om een onderzoek te gelasten. De ouders, en met name [minderjarige], zijn gebaat bij een snelle beslissing die duidelijkheid biedt over de woonsituatie. Het is van belang dat [minderjarige] bij beide ouders een plek heeft waar hij goed kan worden verzorgd. De rechtbank acht een onderzoek door de Raad hiervoor niet noodzakelijk en verwacht niet dat een dergelijk onderzoek bijdraagt aan een oplossing hiervoor. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder daarom af.
Beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken af.