RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.47474 (beroep) en NL26.47477 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2001. Hij heeft op 28 juli 2026 een volgend asielverzoek ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 augustus 2026 deze aanvraag in de niet-versnelde asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Yildiz als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser heeft in 2022 een reguliere vergunning ontvangen met als doel studie. Deze vergunning is in 2024 ingetrokken. Eiser heeft op 30 januari 2025 een eerste asielaanvraag gedaan die buiten behandeling is gesteld omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. In datzelfde besluit is een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Vervolgens heeft eiser wederom asiel aangevraagd op 12 mei 2026, nadat hij in vreemdelingenbewaring is gesteld. Deze tweede asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op 31 mei 2026. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingediend. Dit besluit staat in rechte vast.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn volgend asielverzoek ten grondslag dat hij te vrezen heeft in Turkije vanwege zijn eigen politieke overtuiging en de politieke situatie van zijn vader en neef. Daarnaast wil hij de dienstplicht niet uitvoeren vanwege het huidige regime in Turkije en heeft hij deze ook ontdoken toen hij in Nederland ging studeren. Hierdoor heeft hij ook te vrezen bij terugkeer naar Turkije.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft de asielaanvraag als niet-ontvankelijk afgewezen, omdat eiser geen nieuwe informatie heeft gegeven. Ondanks dat hij in het M35-0 formulier heeft aangegeven dat hij te vrezen heeft vanwege zijn eigen politieke overtuiging, heeft hij nagelaten dit verder toe te lichten en heeft hij geen documenten ter onderbouwing hiervan overgelegd. Aan eiser is mondeling gevraagd naar de documenten en hij heeft aangegeven dat hij deze nog niet heeft en dat hij aan zijn vader moet vragen om ze op te sturen. Het betreft een incomplete opvolgende aanvraag. Het enkel benoemen van een politieke vrees is onvoldoende. Er is geen verschoonbare reden dat hij de documenten niet heeft overgelegd.
Bespreking beroepsgronden
6. Eiser heeft aangevoerd dat de aanvraag wel inhoudelijk dient te worden beoordeeld door verweerder, omdat in de vorige asielprocedure geen inhoudelijk oordeel is gegeven over de politieke overtuiging. De vader van eiser heeft een functie binnen de CHP, waar eiser ook mee sympathiseert. Veel politici van de CHP zitten in de gevangenis en eiser is bang dat dit ook zijn lot zal worden. Zijn vader wordt gezien als vijand van de Turkse staat en dat straalt op hem af. Eiser is nog voornemens om documenten over te leggen. Verweerder had meer kunnen doen om bepaalde documenten te krijgen en eiser is niet bijgestaan door een advocaat. Verweerder heeft de Procedureverordening niet juist toegepast, omdat wel sprake is van nieuwe redenen dat hij te vrezen heeft in Turkije, namelijk vanwege zijn politieke overtuiging, het ontduiken van de dienstplicht en ter zitting is dat aangevuld met zijn Koerdische etniciteit. De grond ten aanzien van het inreisverbod heeft de gemachtigde van eiser ter zitting laten vallen.
De rechtbank oordeelt als volgt. In de tweede asielaanvraag heeft eiser zijn Koerdische identiteit en de militaire dienstplicht in het asielrelaas naar voren gebracht. Verweerder heeft in de besluitvorming in die procedure gemotiveerd aangegeven waarom eiser vanwege deze twee asielmotieven niet te vrezen heeft bij terugkeer naar Turkije. Deze twee redenen kunnen daarom in de onderhavige procedure niet worden aangemerkt als nova. De beroepsgrond slaagt niet in zoverre. In de tweede asielprocedure heeft eiser in zijn asielrelaas ook zijn eigen politieke overtuiging en de politieke situatie van zijn vader en neef naar voren gebracht. Verweerder heeft de politieke overtuiging van eiser in de besluitvorming echter niet inhoudelijk beoordeeld en dus ook niet beoordeeld of dit tot een gegronde vrees op vervolging of een reëel risico tot ernstige schade zou leiden bij terugkeer naar Turkije. De stelling van verweerder dat dit wel is beoordeeld, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat op pagina 2 van het voornemen van 26 mei 2026 de beoordeling staat. Echter, de door verweerder aangehaalde passage staat onder de beschrijving van het asielrelaas en er staat enkel “Uw vader en neef zijn politiek actief geweest wat u in een kwetsbare positie brengt”. Bij de beoordeling van asielmotieven wordt de politieke overtuiging niet genoemd. En ook bij de beoordeling of sprake is van vluchtelingschap en/of een reëel risico op een behandeling in strijd met 3 EVRM is de politieke overtuiging niet betrokken. Het enkele noemen van de politieke overtuiging bij het asielrelaas is onvoldoende om aan te merken als een inhoudelijke beoordeling over eisers politieke overtuiging en over die van diens vader en neef. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze elementen niet kenbaar meegewogen in de beoordeling van zijn asielrelaas in de tweede asielprocedure. Er heeft dus nog geen eerdere beoordeling plaatsgevonden van dit asielmotief. In het arrest XY heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) geoordeeld dat nieuwe elementen, elementen zijn die niet werden onderzocht in het kader van de op het vorige verzoek genomen beslissing en waarop die beslissing niet kon worden gebaseerd. Weliswaar kon de vorige beslissing worden gebaseerd op het door eiser in die procedure aangedragen asielmotief, maar heeft verweerder dit nagelaten. Daardoor staat (nog) niet in rechte vast dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging niet in aanmerking dient te komen voor een asielvergunning. Er dient dus in deze asielprocedure een inhoudelijke beoordeling plaats te vinden over eisers politieke overtuiging. De beroepsgrond slaagt in zoverre. De rechtbank merkt hier nog wel bij op dat het eerst aan eiser is om zijn asielaanvraag aannemelijk te maken en te onderbouwen met documenten. Verweerder heeft in dit kader terecht opgemerkt dat de overgelegde onvertaalde screenshots zonder enige context hiertoe onvoldoende zijn. Daarbij is ook van belang dat dit de derde asielaanvraag van eiser betreft en het dus op zijn weg ligt zijn asielaanvraag compleet met documenten aan te leveren. Dit neemt echter niet weg dat eiser al in zijn eerdere procedure heeft verklaard over zijn politieke overtuiging en verweerder dit in ieder geval dient te beoordelen.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak en rekening houdend met artikel 55, derde lid van de Procedureverordening. De rechtbank geeft verweerder hiervoor vier weken.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.