Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2026 in de zaken tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 25/2168 en SGR 25/3489
(gemachtigde: drs. [gemachtigde]),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres over de jaren 2017 tot en met 2020 een naheffingsaanslag accijns en over het jaar 2021 een naheffingsaanslag accijns opgelegd. Beide naheffingsaanslagen bestaan uit: bieraccijns en verbruiksbelasting. Daarnaast is bij beide naheffingsaanslagen belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikkingen verzuimboetes opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 5 februari 2025 en 6 februari 2025 beide naheffingsaanslagen verminderd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026.
Namens eiseres zijn haar gemachtigde en [naam] verschenen.Namens verweerder zijn [medewerker belastingdienst 1], mr. [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3] verschenen.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is opgericht in 2010. De activiteiten van eiseres worden in het handelsregister als volgt weergegeven: “een gespecialiseerde groothandel in overige voedings- en genotmiddelen. Het uitoefenen van en een groothandel en importeur/exporteur in (glutenvrije) voedingsmiddelen en aanverwante dieetbenodigdheden, alsmede in biologische voedingsmiddelen en aanverwante artikelen.”
2. Eiseres is vanaf 21 september 2016 in het bezit van een vergunning geregistreerde geadresseerde (vergunning GG). Eiseres bezit geen vergunning inrichting verbruiksbelastinggoederen.
3. Bij eiseres heeft over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 een administratieve controle plaatsgevonden. Deze controle is bij brief van 7 juni 2022 uitgebreid naar de jaren 2017 tot en met 2019 en 2021. De controle over deze jaren heeft plaatsgevonden door middel van een statistische steekproef.
4. Uit de controle is naar voren gekomen dat eiseres accijns- dan wel verbruiksbelastinggoederen heeft ontvangen van leveranciers uit andere EU-lidstaten. Ook is naar voren gekomen dat eiseres voor de ontvangen accijns- en verbruiksbelastinggoederen geen (week)aangiften heeft gedaan en de verschuldigde accijns en verbruiksbelasting niet heeft betaald.
5. Op 13 oktober 2022 hebben partijen het door verweerder opgestelde concept van het controlerapport besproken. Tijdens deze bespreking is afgesproken dat de schatting van de correctie accijns en verbruiksbelasting over het jaar 2021 uit het controlerapport zal worden gehaald en dat het jaar 2021 door middel van een statistische steekproef gecontroleerd zal worden. Het definitieve controlerapport betreffende de correcties bieraccijns en verbruiksbelasting over de jaren 2017 tot en met 2020 is op 3 november 2022 aan eiseres verzonden.
6. Naar aanleiding van genoemd definitief controlerapport is met dagtekening 16 november 2022 een naheffingsaanslag over de jaren 2017 tot en met 2020 aan eiseres opgelegd, bestaande uit bedragen van € 19.726 aan bieraccijns, € 30.340 aan verbruiksbelasting, en van € 5.136 aan belastingrente en een verzuimboete van € 5.005 (naheffingsaanslag 1). Tegen naheffingsaanslag 1 heeft eiseres bezwaar gemaakt.
7. Gedurende de bezwaarfase heeft verweerder eiseres bericht dat de statistische steekproef, die gebruikt is om de naheffingsaanslag 1 vast te stellen, niet juist was ingericht waardoor de berekende gevolgschade niet kan worden gehandhaafd. Aan de hand van de inkoopfacturen over die jaren zijn de correcties bieraccijns en verbruiksbelasting opnieuw berekend. Bij uitspraak op bezwaar van 5 februari 2025 is naheffingsaanslag 1 verminderd tot een bedrag van € 7.599 aan bieraccijns en € 21.248 aan verbruiksbelasting. De belastingrente is vervolgens verminderd tot een bedrag van € 3.143 en de verzuimboete tot een bedrag van € 2.742.
8. Bij brief van 1 november 2022 is eiseres door verweerder geïnformeerd over de opzet van de statistische steekproef over het jaar 2021. Bij deze steekproef is uitgegaan van een omzet van € 1.931.282,15 en een materialiteitsbedrag van € 60.000. Het bedrag aan omzet is gebaseerd op een auditfile die door de accountant van eiseres aan verweerder is verstrekt. Het definitieve controlerapport over het jaar 2021 is op 9 maart 2023 aan eiseres verzonden. Naar aanleiding van dit controlerapport is op 22 maart 2023 een naheffingsaanslag over het jaar 2021 aan eiseres opgelegd (naheffingsaanslag 2). Naheffingsaanslag 2 bestaat uit een na te heffen bedrag aan bieraccijns van € 7.164 en een na te heffen bedrag van € 7.574 aan verbruiksbelasting. Daarnaast is een bedrag van € 728 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 1.473 opgelegd.
9. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslag 2. Gedurende de bezwaarfase heeft eiseres onder andere de jaarrekening 2021 overgelegd waaruit een omzet van € 770.253 volgt. Bij uitspraak op bezwaar van 6 februari 2025 is naheffingsaanslag 2 verminderd tot een bedrag van € 6.786 aan bieraccijns en € 5.096 aan verbruiksbelasting. De belastingrente is vervolgens verminderd tot een bedrag van € 586 en de verzuimboete tot een bedrag van € 1.188.
Geschil 10. In geschil is of beide naheffingsaanslagen terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Daarnaast zijn de verzuimboetes in geschil. Ook is in geschil of verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
11. Met betrekking tot naheffingsaanslag 1 stelt eiseres onder meer dat het bedrag aan berekende bieraccijns te hoog is aangezien verweerder geen, dan wel onvoldoende, rekening heeft gehouden met het feit dat zij zaken doet met micro brouwerijen waardoor een lager tarief aan bieraccijns van toepassing is. Verder heeft zij naar voren gebracht dat ten onrechte verbruiksbelasting is nageheven aangezien glutenvrije dranken een medicinaal karakter hebben en ten onrechte als limonade in de zin van artikel 9 Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVB) zijn aangemerkt.
Met betrekking tot naheffingsaanslag 2 stelt eiseres primair dat deze vernietigd dient te worden aangezien deze al in naheffingsaanslag 1 is opgenomen. Subsidiair stelt eiseres dat verweerder ten onrechte een statistische steekproef heeft toegepast. Meer subsidiair stelt eiseres dat vanwege het medicinale karakter, net zoals bij naheffingsaanslag 1, ten onrechte verbruiksbelasting is nageheven.
Verder heeft eiseres aangevoerd dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
Tot slot verzoekt eiseres de verzuimboetes te verminderen vanwege overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt eiseres om toekenning van immateriële schadevergoeding.
12. Verweerder stelt dat naheffingsaanslag 1 geen betrekking heeft op het jaar 2021. Het nageheven bedrag aan bieraccijns en verbruiksbelasting is juist vastgesteld. Bij beide naheffingsaanslagen is rekening gehouden met het lagere tarief voor kleine brouwerijen. De glutenvrije dranken zijn niet aan te merken als een medicinale drank. De statistische steekproef over het jaar 2021 voldoet aan de statische wetenschappelijke maatstaven. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de verzuimboetes dienen te vervallen.
Beoordeling van het geschil
Schending van artikel 8:42 Awb
13. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Eiseres heeft gesteld dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd omdat er volgens haar wel een intern overleg moet hebben plaats gehad over de vraag of glutenvrije producen al dan niet een medicinaal karakter hebben. Eiseres heeft haar stelling aangevuld met verdere procedurele vragen over de procedure en geconcludeerd dat sprake is van schending van de Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht. De rechtbank volgt eiseres niet in haar blote stelling, nu zij hiervoor in het dossier geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen reden om aan te nemen dat het bepaalde in de Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht is geschonden.
Naheffingsaanslag 1 (zaaknummer 25/2168)
Bieraccijns
13. Eiseres heeft gesteld dat het bedrag aan bieraccijns te hoog is vastgesteld aangezien verweerder geen rekening gehouden heeft met het verlaagde accijnstarief voor kleine bierbrouwerijen. Artikel 7, derde lid, van de Wet op de accijns (WA) bepaalt dat in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de WA de accijns voor bier dat is vervaardigd in een accijnsgoederenplaats waar in het voorafgaande kalenderjaar niet meer dan 200.000 hectoliter bier is vervaardigd 92,5/100 deel van de in het eerste lid onder b, c en d genoemde bedrag aan accijns bedraagt. Toepassing van dit verlaagde tarief is slechts mogelijk als voldaan is aan de voorwaarden die opgenomen zijn artikel 7, vierde lid, WA.
14. Eiseres heeft van drie brouwerijen, te weten [brouwerij 1], [brouwerij 2] en [brouwerij 3], verklaringen overgelegd waaruit volgt dat deze brouwerijen kleine brouwerijen zijn. Verweerder heeft bij de berekening van de verschuldigde accijns het verlaagde accijnstarief voor kleine brouwerijen toegepast over het door eiseres ingekochte bier bij deze drie brouwerijen. Van de overige leveranciers waar eiseres bier heeft ingekocht, heeft zij geen verklaring kleine brouwerij overgelegd. Verweerder heeft over die inkopen dan ook terecht het normale tarief toegepast van artikel 7, eerste lid, van de WA.
Verbruiksbelasting
15. Artikel 9 WVB luidt als volgt:
“1. Onder limonade worden verstaan met water aangelengd vruchten- of groentesap alsmede gezoete en aromatische dranken en dranken waaraan geurstoffen of smaakstoffen zijn toegevoegd die kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken.
2. Als limonade wordt mede aangemerkt de drank, bedoeld in het eerste lid, in vaste vorm of als concentraat in kleinhandelsverpakking of in een verpakking die is bestemd voor afnemers die voor gebruik gerede limonade vervaardigen voor gebruik ter plaatse.
3. Als limonade wordt niet aangemerkt:
a. de uit melk of melkproducten bereide drank met een gehalte aan melkvetten van 0,02%mas of meer waarin zich melkeiwit en melksuiker bevinden, niet zijnde een uit wei of weiproducten vervaardigde drank;
b. de uit soja bereide drank met een vetgehalte en een eiwitgehalte die vergelijkbaar zijn met het vetgehalte en het eiwitgehalte van melk.”
16. In de Memorie van Toelichting is ten aanzien van artikel 9 van de WVB, voor zover van belang het volgende opgenomen:
“Ingevolge het eerste lid worden onder limonade verstaan met water aangelengd vruchte- en groentesap en andere gezoete en gearomatiseerde dranken die kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken. Als voorbeelden kunnen worden genoemd sinas, cola en up-dranken.
(…)
Ook medicinale dranken zoals hoestdranken en dergelijke vallen niet onder het begrip limonade. Deze dranken hebben anders dan de limonades niet het oogmerk de dorst te lessen maar hebben duidelijk het karakter van een medicijn dat in de vorm van een drank wordt toegediend.
(…)
Melk, karnemelk en dergelijke dranken vallen niet onder het begrip limonade omdat het geen gezoete en gearomatiseerde dranken zijn. (…) Zogenoemde soja-dranken die wat vet– en eiwitgehalte betreft overeenkomen met melkprodukten worden ingevolge het tweede lid, onderdeel b, evenmin als limonade aangemerkt. (…)”
17. Eiseres betoogt dat de door haar verkochte glutenvrije dranken medicinale dranken zijn. Ze worden volgens haar niet gedronken om de dorst te lessen, maar om een medische noodzaak te vervullen. Eiseres verwijst daarbij naar bovenvermelde passage uit de Memorie van Toelichting, waarin gewezen wordt op medicinale dranken die niet onder het begrip limonade vallen en daardoor niet belast worden met verbruiksbelasting.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt noch de wettekst van de WVB noch de Memorie van Toelichting ruimte om glutenvrije dranken buiten de verbruiksbelasting te houden. Medicinale dranken zoals hoestdranken en dergelijke zijn uitgezonderd van het begrip limonade gelet op het medicinale karakter van de drank. De door eiseres verkochte glutenvrije dranken kunnen echter niet worden aangemerkt als een medicijn. Een medicijn dient een werkzame stof te bevatten om ziektes te genezen of klachten te verminderen. Eiseres stelt ten onrechte dat glutenvrije dranken als medicijn gebruikt worden. Glutenvrije dranken worden op de dezelfde wijze gebruikt als niet glutenvrije dranken, die onder de definitie van limonade vallen. Voor personen met een glutenallergie of -intolerantie kunnen deze dranken glutenhoudende dranken vervangen. Overigens bevatten glutenvrije dranken geen werkzame stof als bedoeld in de Geneesmiddelenwet.
18. Verder heeft eiseres gewezen op de mogelijkheid om glutenvrije dranken als zorgkosten voor de inkomstenbelasting af te kunnen trekken (de rechtbank gaat ervan uit dat eiseres doelt op de aftrek van dieetkosten). Aangezien de Belastingdienst glutenvrije dranken aanmerkt als medicinaal dient de Douane zich daar aan te conformeren, aldus eiseres. Dit standpunt van eiseres slaagt niet. De aftrek van zorgkosten voor de inkomstenbelasting en de WVB hebben een geheel ander, van elkaar verschillend, wettelijk kader. De aftrek van zorgkosten in de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is opgenomen om belastingplichtigen die hogere kosten hebben dan andere belastingbelastingplichtigen onder bepaalde voorwaarden een aftrek te verlenen voor deze hogere kosten, zoals dieetkosten. De Wet IB 2001 bepaalt daarmee niet dat glutenvrije dranken medicinale dranken zijn noch dat om die reden een aftrek voor de kosten daarvan voor de inkomstenbelasting is toegestaan.
19. De verwijzing van eiseres naar het antwoord van het Ministerie van Financiën op Kamervragen van 29 januari 2026 leidt evenmin tot een ander oordeel. De vragen hebben immers geen betrekking op glutenvrije dranken. Dat glutenvrije dranken onder de richtlijn goede voeding vallen betekent niet dat zij om die reden uitgezonderd moeten worden van de verbruiksbelasting, dat geldt immers ook niet voor andere producten onder deze richtlijn.
Naheffingsaanslag 2 (zaaknummer 25/3489)
Naheffingsaanslag 1 heeft ook betrekking op 2021?
20. Eiseres heeft primair aangevoerd dat naheffingsaanslag 2 vernietigd dient te worden aangezien deze reeds in naheffingsaanslag 1 is verdisconteerd. Zij verwijst daarbij naar de vermelding van de jaren 2017 tot en met 2021 op naheffingsaanslag 1 en het concept controlerapport dat op 29 september 2022 aan eiseres is gestuurd.Dit primaire standpunt van eiseres slaagt niet. Hierbij overweegt de rechtbank dat in het concept controlerapport weliswaar naast de correcties over de jaren 2017 tot en met 2020 ook de correctie ten aanzien van 2021 onder punt 10 is opgenomen. In het definitieve controlerapport van 3 november 2022 is echter de volgende tekst onder punt 10 opgenomen: “Naar aanleiding van de bevindingen uit de controle over de jaren 2017 tot en met 2020 is het onderzoek uitgebreid met boekjaar 2021. Dit is op 7 juni 2022 schriftelijk aan belastingplichtige medegedeeld. Tijdens het eindgesprek op 13 oktober 2022 heeft de heer [G] aangegeven niet akkoord te gaan met de voorgestelde schatting over 2021. Daarom is besloten het onderzoek tussentijds af te ronden voor de jaren 2017 tot en met 2020 en voor 2021 een statistische steekproef uit te voeren. Hierover zal apart worden gerapporteerd. De audit file voor 2021 is reeds in het bezit van de Douane.”
Naar aanleiding van het definitieve controlerapport is naheffingsaanslag 1 aan eiseres opgelegd.
Gelet op bovenvermelde tekst in het definitieve controlerapport kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat naheffingsaanslag 1 ook betrekking had op het jaar 2021. Voor zover eiseres dit (ook) heeft bedoeld te stellen, is de rechtbank ook niet gebleken dat door verweerder in strijd met het zorgvuldigheids-, het evenredigheids- of het rechtszekerheidsbeginsel is gehandeld. De vermelding van het tijdvak 11 februari 2017 tot en met 31 december 2021 op naheffingsaanslag 1 is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een kennelijke verschrijving.
Statistische steekproef
21. Subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat naheffingsaanslag 2 ten onrechte is gebaseerd op de resultaten van de statistische steekproef over het jaar 2021. Deze steekproef is volgens eiseres ondeugdelijk en onzorgvuldig tot stand gekomen. Voor het jaar 2021 zijn er slechts drie ordners met inkoopfacturen en had door het opvragen van deze facturen de verschuldigde bieraccijns en verbruiksbelasting kunnen worden vastgesteld. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrijstaat om te kiezen om op basis van een statistisch steekproefonderzoek de correcties bieraccijns en verbruiksbelasting vast te stellen. Verweerder heeft in zijn stukken en op zitting toegelicht hoe hij de steekproef heeft ingericht. Voor de bepaling van het materialiteitsbedrag heeft verweerder als uitgangspunt de omzet van € 1.931.282,15 genomen die volgt uit de door eiseres overgelegde auditfile. Eiseres heeft gesteld dat deze omzet voor het jaar 2021 te hoog is en heeft verwezen naar de jaarrekening over 2021 waaruit een omzet van € 770.253 volgt. Verweerder heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om het verschil in omzet toe te lichten. Eiseres heeft van deze gelegenheid echter geen gebruik gemaakt. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het verschil wellicht te verklaren is doordat de audit file ziet op meerdere jaren. In haar pleitnota heeft eiseres, naast bovengenoemd punt over het omzetbedrag, naar voren gebracht dat verweerder is uitgegaan van een niet-homogene massa, dat de massa niet compleet is en dat verweerder ten onrechte niet uitgaat van de inkooprekening (rekening 8000) waar de inkoop exclusief omzetbelasting staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn stukken en op zitting voldoende toegelicht hoe hij de statistische steekproef heeft ingericht en uitgevoerd. Verweerder heeft met de resultaten van de steekproef de correcties over 2021 voldoende onderbouwd. Eiseres heeft met de hiervoor genoemde stellingen niet aannemelijk gemaakt, dat verweerder is uitgegaan van verkeerde of onjuiste gegevens, dan wel heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het subsidiaire standpunt van eiseres slaagt derhalve niet.
Verbruiksbelasting
22. Meer subsidiair heeft eiseres gesteld dat ten onrechte verbruiksbelasting is nageheven aangezien glutenvrije dranken volgens haar een medicinaal karakter hebben. Dit standpunt van eiseres slaagt niet gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder rechtsoverweging 17 tot en met 19.
Verzuimboetes
23. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat beide verzuimboetes dienen te vervallen omdat aan eiseres geen kennisgevingen van de boete aan eiseres zijn verzonden. De rechtbank sluit zich aan bij dit standpunt van verweerder en zal de verzuimboetes vernietigen.
Conclusie
24. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ten aanzien van de verzuimboetes gegrond en voor het overige ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
25. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
26. Het eerste bezwaarschrift is op 20 december 2022 door verweerder ontvangen en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 5 februari 2025. De uitspraak van de rechtbank wordt op 8 september 2026 gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase 3 jaar en naar boven afgerond 9 maanden heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn 1 jaar en afgerond 9 maanden is overschreden. Aangezien de zaken van eiseres in de bezwaarfase en ter zitting gelijktijdig zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, wordt per fase van de procedure voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Aan eiseres komt daarom een schadevergoeding toe van € 2.000 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar). De overschrijding van de redelijke termijn is volledig aan verweerder toe te rekenen.
Proceskosten
27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Voor de vaststelling van de vergoeding van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand merkt de rechtbank onderhavige zaken aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Gedurende de bezwaarfase is niet om een proceskostenvergoeding verzocht. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in de bezwaarfase sprake is van samenhangende zaken en dat voor het hoorgesprek alsnog één procespunt dient te worden toegekend. Gelet op deze toezegging van verweerder zal de rechtbank dit toekennen. De rechtbank stelt op grond van het Bpb de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534 (1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per van € 934 en een wegingsfactor 1).
28. Eiseres heeft voorts om de vergoeding van de reis- en verblijfkosten van € 22,34 en verletkosten van € 136,25 (1,25 uur) van haar bestuurder verzocht. De rechtbank acht dat juist. Immers de bestuurder is namens eiseres ter zitting verschenen. Verweerder heeft het bedrag en het aantal uren van de verletkosten, alsmede de reiskosten niet betwist. Verweerder wordt, eveneens met toepassing van het Bpb, veroordeeld voornoemde kosten te vergoeden tot een bedrag van € 158,59.
29. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 2.692,59.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. D.M. Drok en
mr. J.J. Arts, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).