RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
MvD (C)
Zaaknummer: 12365224 \ CV EXPL 26-2872
Vonnis in kort geding van 24 september 2026
in de zaak van:
[eisende partij] , H.O.D.N. [handelsnaam 1] , VOORHEEN GENAAMD [handelsnaam 2],
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. S.E. Roeters van Lennep,
tegen
de besloten vennootschap JAAP BEWINDVOERDERS, in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde partij],
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. F.S. van Steenbergen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 1 september 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de mondelinge behandeling van 10 september 2026,
- de pleitnota van [eisende partij] .
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
Tussen [eisende partij] en de ouders van [gedaagde partij] is op 11 oktober 2006 een huurovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van de woning aan de [adres] .
[gedaagde partij] staat sinds 24 oktober 2017 op dit adres ingeschreven.
Nadat eerder al de vader van [gedaagde partij] is overleden, is op [datum 1] 2025 de moeder van [gedaagde partij] overleden.
Per brief van 21 november 2025 heeft [gedaagde partij] bij [eisende partij] een verzoek gedaan tot voortzetting van de huurovereenkomst.
Per e-mailbericht van 11 december 2025 heeft [gedaagde partij] aanvullende stukken gestuurd, nadat er telefonisch contact was geweest met een medewerker van [eisende partij] .
Op 8 januari 2026 en 13 januari 2026 heeft er e-mailcontact plaatsgevonden tussen [gedaagde partij] en [eisende partij] .
Op 21 mei 2026 heeft [eisende partij] onder meer het volgende gemaild aan [gedaagde partij] :
“Op 26 januari jl. heeft mijn collega, de heer [naam] , u onderstaand e-mail gestuurd. In deze e-mail is u meegedeeld dat uw aanvraag voor voortzetting van het huurcontract van uw ouders is afgewezen. Tevens is u verzocht om zo spoedig mogelijk contact met ons op te nemen om de opleverdatum van de woning te bespreken. Tot op heden hebben wij echter geen reactie van u ontvangen.”
Op 21 mei 2026 heeft [gedaagde partij] laten weten dat per 1 april 2026 zijn vriendin en haar twee kinderen bij hem zijn ingetrokken. In dit e-mailbericht is verder onder meer opgenomen:
“Ik ben erg geschrokken van een gemiste oproep en de mail dat ik niet in de woning mag blijven.”
3. Het geschil
[eisende partij] vordert samengevat - ontruiming van het pand aan de [adres] .
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] is geen huurder. Hij houdt de woning zonder recht of titel onder zich. [eisende partij] eist de woning op grond van artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
[gedaagde partij] voert het volgende aan. [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat zij het verzoek [gedaagde partij] tot voortzetting van de huurovereenkomst per e-mailbericht van 26 januari 2026 heeft afgewezen. [gedaagde partij] betwist dat hij dit e-mailbericht heeft gekregen. Pas op 21 mei 2026, daags na het verstrijken van de vervaltermijn van zes maanden na overlijden, is hem bekend geworden dat zijn verzoek door [eisende partij] is afgewezen. Volgens [gedaagde partij] is echter wel degelijk sprake geweest van een gemeenschappelijke huishouding, zodat een procedure bij de kantonrechter tot voortzetting van de huurovereenkomst had geleid. In het geval van toewijzing van de vordering, verzoekt [gedaagde partij] om een ontruimingstermijn van zes maanden in plaats van de gevorderde 3 dagen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Het voorgaande geldt temeer bij een ontruimingsvordering in een situatie als deze. In artikel 7:268 lid 2 BW is namelijk bepaald dat de huur na overlijden van de huurder wordt voortgezet, zolang op de vordering tot voortzetting van de huur niet onherroepelijk is beslist.
Spoedeisend belang
Dit is een kort gedingprocedure. De kantonrechter moet beoordelen of de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft, dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. [gedaagde partij] betwist dat er sprake is van spoedeisend belang en voert aan dat [eisende partij] het spoedeisend belang onvoldoende heeft onderbouwd. De kantonrechter volgt [gedaagde partij] hierin niet. Ingevolge artikel 5:2 BW is de eigenaar van een woning bevoegd het eigendom terug te eisen. Uit de aard van de gevorderde ontruiming volgt het spoedeisend belang. Daarnaast betreft het een sociale huurwoning, waarbij [eisende partij] verplicht is de schaarse sociale huurwoningen rechtvaardig te verdelen onder de doelgroep. Zij heeft dan ook een spoedeisend belang bij de vordering om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen.
De ontruiming zal worden toegewezen
Vooropgesteld wordt dat een vordering in kort geding, waar het treffen van een voorlopige voorziening aan de orde is, slechts toewijsbaar is als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de vordering zal worden toegewezen. Dit betekent dat de vordering van [eisende partij] alleen dan kan worden toegewezen, als in voldoende mate aannemelijk wordt dat aan [gedaagde partij] geen voortzetting van de huurovereenkomst toekomt en zodoende (inmiddels) zonder recht of titel in de woning verblijft.
Vast staat dat [gedaagde partij] geen medehuurder van de woning is. De wet bepaalt dat de persoon die geen medehuurder is, maar wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad met de overleden huurder, de huur soms na het overlijden van de huurder kan voortzetten. Hij moet binnen zes maanden een daartoe strekkende vordering bij de rechter instellen en daarnaast aan verschillende voorwaarden uit artikel 7:268 BW voldoet. Op basis van de feiten en omstandigheden die in dit kort geding aan het licht zijn gekomen, komt de kantonrechter tot het oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan, dat de vordering tot voortzetting in een eventuele bodemprocedure zal worden afgewezen. Dit wordt als volgt toegelicht.
De moeder van [gedaagde partij] is overleden op [datum 1] 2025. Een verzoek tot voortzetting van de huur diende dan ook bij de kantonrechter te zijn ingediend op uiterlijk [datum 2] 2026. Vast staat dat een dergelijk verzoek niet is ingediend.
[gedaagde partij] heeft aangevoerd een verzoek tot voortzetting van de huur te hebben ingediend bij [eisende partij] , maar tot 21 mei 2026 niet van hen te hebben vernomen. Volgens [eisende partij] hebben zij [gedaagde partij] op 26 januari 2026 al bericht het verzoek tot voortzetting te weigeren. Dit bericht is naar het e-mailbericht van [gedaagde partij] gestuurd, waar meerdere keren mee is gecorrespondeerd, aldus [eisende partij] . Of [gedaagde partij] het bericht heeft ontvangen kan echter in het midden worden gelaten. De termijn van zes maanden is namelijk dwingend. Overschrijding ervan leidt tot verlies van de rechten uit artikel 7:268 BW. Ook bij uitblijven van een reactie van [eisende partij] , dient de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst binnen zes maanden na het overlijden te worden ingediend. De verhuurder heeft bovendien geen waarschuwingsplicht.
Uitzonderingen op billijkheidsgronden zijn slechts bij hoge uitzondering gerechtvaardigd. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kunnen namelijk alleen zeer bijzondere omstandigheden met zich brengen dat een beroep op overschrijding van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [gedaagde partij] heeft dergelijke bijzondere omstandigheden niet gesteld. Het is de kantonrechter gebleken dat er een bewindvoerder is aangesteld over de goederen van [gedaagde partij] . Dit was ook al het geval ten tijde van het overlijden van zijn moeder. Het bewind is ook gepubliceerd, zodat [eisende partij] daarmee bekend had kunnen en moeten zijn. Desondanks heeft [eisende partij] met [gedaagde partij] zelf en niet met zijn bewindvoerder gecommuniceerd over de voortzetting van de huur. Anderzijds heeft [gedaagde partij] ter zitting aangegeven dat hij de bewindvoerder op de hoogte heeft gebracht van zijn het overlijden van zijn moeder en van het verzoek tot voortzetting van de huurovereenkomst. De bewindvoerder was daarom in de gelegenheid om tijdig een gerechtelijke procedure tot voortzetting te starten. Ook nadat [gedaagde partij] zich in het kader van deze kort geding procedure tot zijn gemachtigde heeft gewend, is geen vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst ingediend. De kantonrechter ziet in het licht van deze omstandigheden onvoldoende grond om in kort geding aan te nemen dat een beroep op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal worden geacht in een eventuele bodemprocedure.
Het gegeven dat [gedaagde partij] en ook zijn partner en haar minderjarige kinderen bij ontruiming dakloos zullen raken leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel de belangen van de minderjarigen bij behoud van woonruimte duidelijk zijn, is dit geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan moet worden afgeweken van de hiervoor genoemde termijn van zes maanden. Deze omstandigheid is inherent aan het wettelijke systeem, waarin de huur eindigt indien niet tijdig een vordering tot voortzetting daarvan wordt ingesteld. Daarbij weegt de kantonrechter de omstandigheid mee dat [gedaagde partij] en zijn partner er zelf voor hebben gekozen om met twee minderjarige kinderen in te trekken in de woning van [gedaagde partij] , zonder overleg met of goedkeuring van [eisende partij] , terwijl op dat moment bij hen nog onduidelijkheid bestond over de voortzetting van de huurovereenkomst.
De conclusie is daarom dat in dit geding met voldoende mate is komen vast te staan dat [gedaagde partij] geen recht heeft op voortzetting van de huurovereenkomst. De vordering tot ontruiming ligt dan ook voor toewijzing gereed.
Ontruimingstermijn van zes maanden
Gelet op de in deze procedure aangedragen omstandigheden ziet de kantonrechter wel redenen om een langere ontruimingstermijn te hanteren. [gedaagde partij] heeft namelijk zelf tijdig contact opgenomen met [eisende partij] , zowel ten aanzien van het overlijden van zijn moeder als ten aanzien van de samenwoning met zijn vriendin. [gedaagde partij] is aldus goed te bereiken en heeft zich daarbij altijd meewerkend opgesteld. Hij heeft geprobeerd alles zo goed mogelijk te regelen. [eisende partij] heeft op 26 januari 2026 het verzoek van [gedaagde partij] afgewezen, per e-mailbericht. Na dit e-mailbericht heeft zij echter tot en met 21 mei 2026, juist net na het verlopen van de zes maanden termijn, geen contact opgenomen met [gedaagde partij] . Dit vindt de kantonrechter onbegrijpelijk en kwalijk, zeker nu [eisende partij] zich in dit geding op het standpunt stelt dat de huur al op 31 januari 2026 is geëindigd. Daarnaast valt [eisende partij] aan te rekenen dat zij geen contact heeft opgenomen met de bewindvoerder van [gedaagde partij] . [eisende partij] heeft in dit kader aangevoerd dat zij niet over een geboortedatum van [gedaagde partij] beschikte, zodat zij niet kon weten van het bewind. Hier gaat de kantonrechter echter niet in mee. [gedaagde partij] heeft namelijk met zijn brief van 21 november 2025 diverse stukken ingediend, waaronder een kopie van zijn ID bewijs en een inschrijving in het BRP. In deze documenten zijn voldoende gegevens van [gedaagde partij] , waaronder zijn geboortedatum, terug te vinden. Ook dit vindt de kantonrechter kwalijk. Ten aanzien van het bepalen van de ontruimingstermijn weegt de kantonrechter verder mee dat er minderjarige kinderen in de woning wonen en dat [gedaagde partij] en zijn vriendin niet over andere woonruimte beschikken. [gedaagde partij] is daarenboven een kwetsbare huurder die zich altijd welwillend heeft opgesteld en de huur tijdig betaalt. Al het voorgaande in aanmerking genomen acht de kantonrechter een ontruimingstermijn van zes maanden redelijk. Dit zorgt ervoor dat [gedaagde partij] en zijn vriendin en haar minderjarige kinderen in de wintermaanden onderdak hebben en de tijd hebben een nieuwe woning te vinden.
Proceskosten
Nu eerdere berichten buiten de bewindvoerder om zijn gegaan, is zij door [eisende partij] rauwelijks gedagvaard. Gelet op deze en alle voormelde omstandigheden, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, zodat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad verklaring
[eisende partij] heeft de kantonrechter gevraagd de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit vonnis kan uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, tenzij uit de wet of de aard van de zaak anders voortvloeit. Daar is in dit geval geen sprake van, aangezien de procedure ziet op een het verblijf van [gedaagde partij] in de woning zonder recht of titel en niet op een vordering van [gedaagde partij] tot voortzetting van de huur. In dat laatste geval verzet de wet zich tegen uitvoerbaarheid bij voorraad, omdat de huur in dat geval wordt voorgezet totdat onherroepelijk op de vordering is beslist. Van deze situatie is in dit geval dus geen sprake.
De kantonrechter ziet geen redenen om van het uitgangspunt af te wijken, aangezien een eventuele vordering in een bodemprocedure tot voortzetting van de huur geen reële kans van slagen heeft en omdat [eisende partij] een groot belang heeft bij de door haar gevraagde ontruiming. De beslissing zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis de woning de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisende partij] zijn, en [eisende partij] af te geven aan [eisende partij] ,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Nomen en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.