RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats 1], verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/6601
(gemachtigde: mr. M.J. Zennipman),
en
(gemachtigde: mr. M. Logan-Arkesteijn).
Procesverloop
Bij besluiten van 10 augustus 2026 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om te worden toegelaten tot de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning(Wmo) afgewezen en de tijdelijke opvang per 24 augustus 2026 beëindigd.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig, nu verzoekster met haar kinderen de tijdelijke opvang moet verlaten.
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster woonde met haar kinderen en haar partner in een huurwoning in [woonplaats 2], [land]. Verzoekster is op 8 juni 2026 vanuit [land] naar Nederland gekomen met haar elf kinderen. Volgens verzoekster heeft zij [land] verlaten omdat haar gezin te maken heeft gehad met bedreigingen en valse beschuldigingen en het voor haar niet veilig was om in [land] te blijven. In Nederland verbleef zij tijdelijk bij haar moeder. Verzoekster heeft zich op 10 juni 2026 gemeld bij het daklozenloket, maar “het daklozenloket kon niets voor haar betekenen”, waarna in overleg op 16 juni 2026 de melding is ingetrokken. Op 22 juni 2026 heeft verzoekster zich wederom gemeld bij het daklozenloket omdat zij niet langer bij haar moeder kon verblijven. Verzoekster is met haar kinderen via het daklozenloket tijdelijk opgevangen in een hotel. Bij besluit van 24 juni 2026 heeft verweerder, hangende het onderzoek, verzoekster en haar kinderen met ingang van 23 juni 2026 tijdelijk toegelaten tot de maatschappelijke opvang.
4. Verweerder heeft bij besluit van 10 augustus 2026 de aanvraag afgewezen en beslist dat verzoekster niet in aanmerking komt voor maatschappelijk opvang. Volgens verweerder is verzoekster zelfredzaam en in staat om haar dagelijkse leven zelfstandig vorm te geven. Ook is haar situatie vermijdbaar en het gevolg van haar keuzes die zij heeft gemaakt. Voorts is er geen zwaarwegend belang van haar kinderen om toegang te verlenen tot de maatschappelijke opvang, aldus verweerder.
5. Verzoekster voert aan dat zij niet zelfredzaam is. Zij heeft geen sociaal netwerk waar zij op terug kan vallen en heeft geen financiële middelen om in aanmerking te komen voor een huurwoning. Ook is zij lichamelijk beperkt; zij zit in een rolstoel. Haar uitkering die zij in [land] ontving is gestopt vanwege haar verhuizing naar Nederland. Volgens verzoekster beperkt het feit dat zij geen middelen heeft haar in haar zelfredzaamheid en daarom valt zij onder de doelgroep van de Wmo. Verder stelt verzoekster dat de situatie waarin zij is geraakt, door [land] te verlaten, haar niet kan worden tegengeworpen. Verzoekster kan niet terug naar [land] en haar situatie is onomkeerbaar. Tot slot stelt verzoekster dat de belangen van haar kinderen niet goed zijn afgewogen door verweerder. Het gaat om zeven minderjarige kinderen die op straat komen te staan.
Op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 kan, naast de situatie van (dreiging van) huiselijk geweld, ook maatschappelijke opvang plaatsvinden in geval van dak- en thuislozen: mensen die geen huis meer hebben en niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden. Zij kunnen tijdelijk opgevangen worden door de gemeente en ondersteuning ontvangen om hun leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. Uit de MvT blijkt ook dat slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, er aanleiding is voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie.
Centraal staat de vraag of verzoekster in staat moet worden geacht om zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het onderzoek van verweerder zorgvuldig geweest. Verweerder heeft met verzoekster gesproken en daarbij zijn alle leefgebieden van verzoekster aan de orde gekomen. Ook zijn de verklaringen van twee (meerderjarige) kinderen bij de beoordeling betrokken en is de situatie van de minderjarige kinderen eveneens besproken. Daarmee is voldoende in kaart gebracht wat de persoonlijke omstandigheden van verzoekster zijn en waar haar hulpvraag ligt.
Voorts moet verzoekster naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zelfredzaam worden geacht. Hij overweegt daartoe dat verzoekster in [land] zelf onderwijs voor haar kinderen heeft verzorgd, dat zij, ondanks haar handicap, zelfstandig is in haar dagelijkse verzorging, dat zij in staat is haar administratie zelf te beheren en dat zij de Nederlandse taal goed beheerst. Verder kan zij terugvallen op haar volwassen kinderen, die deel uitmaken van het gezin van verzoekster, bij hulp in het huishouden en andere praktische zaken. Ook heeft eiseres ter zitting toegelicht dat een van de volwassen zoons, die eveneens deel uitmaakt van het gezin, in Nederland inmiddels werk heeft gevonden.
Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat zij een aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft ingediend, maar dat deze niet in behandeling is genomen. Verweerder heeft in reactie hierop aangegeven dat de aanvraag in behandeling wordt genomen, maar dat verzoekster is gevraagd om eerst bewijsstukken te overleggen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter maakt de omstandigheid dat het verzoekster nog niet is gelukt om een bijstandsuitkering te verkrijgen de beoordeling of verzoekster zelfredzaam is daarmee niet anders.
De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster uitsluitend een huisvestingsprobleem heeft. De Wmo is echter niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster in een lastige positie zit en dat zij haar kinderen een stabiele woonplek wil geven. Het is echter aan verzoekster om zich in te spannen om een geschikte woonplek te vinden. Ter zitting is in dat kader gebleken dat een broer van verzoekster in Leeuwarden woont; daarbij is niet gebleken dat hij verzoekster niet tijdelijk onderdak zou kunnen bieden.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 januari 2001 (Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 27238/95, ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895) volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert. De enkele omstandigheid dat verzoekster tot nu toe geen woonruimte heeft gevonden, maakt dus niet dat verweerder op grond van deze bepaling gehouden is verzoekster en haar kinderen opvang te verstrekken.
Artikel 8 van het EVRM heeft als doel het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet, in zaken als deze, worden beoordeeld of in het besluit om geen opvang op grond van de Wmo 2015 te verstrekken een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu om toegelaten te worden tot die opvang en de publieke belangen die betrokken zijn bij het niet verstrekken van die opvang. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Verder is hierbij van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de verdragsstaat een ruime margin of appreciation (beoordelingsruimte) toekomt.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onder de gegeven omstandigheden aan de publieke belangen die betrokken zijn bij de opvang op grond van de Wmo 2015 een zwaarder gewicht toekomt dan de individuele belangen van verzoekster en haar kinderen om wel toegang te krijgen tot deze opvang. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het nog niet kunnen vinden van woonruimte lijkt vooral een gevolg van schaarste op de woningmarkt. Dit staat verzoekster echter niet in de weg om zelf haar gezinsleven vorm te geven en onderdak te zoeken, waardoor ook de belangen van de kinderen zijn gewaarborgd. Hoewel invoelbaar is dat verzoekster en haar kinderen op dit moment in een moeilijke situatie verkeren, kan in redelijkheid niet worden gezegd dat het niet toekennen van maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een fair balance tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de opvang op grond van de Wmo 2015 en de particuliere belangen van verzoekster en haar kinderen om toegang te krijgen tot deze opvang. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de plekken voor maatschappelijke opvang schaars zijn. Indien personen die zelfredzaam worden geacht, toegelaten zouden worden tot de maatschappelijke opvang zou dit betekenen dat personen die niet zelfredzaam zijn, hier geen gebruik van kunnen maken.
Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is er naar voorlopig oordeel geen grond voor het oordeel dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van verzoekster. De belangen van de kinderen zijn onder ogen gezien, maar hebben verweerder er niet toe gebracht anders te beslissen.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster niet voor (verdere) opvang in aanmerking komt.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: