RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48761
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de rechtbank – na een eigen, actueel en uitputtend onderzoek – tot de conclusie komt dat de problemen van eiser met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. Daarnaast loopt eiser volgens de rechtbank een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Y. Abdiqadir als tolk en de gemachtigde van de minister.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het asielrelaas van eiser?
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Toen eiser aan het werk was kreeg hij een telefoontje van Al-Shabaab met het bevel om werkzaamheden voor hen uit te voeren. Dit bevel heeft eiser geweigerd en hij heeft zich thuis verstopt. Twee dagen later zijn er rond middernacht enkele leden van Al-Shabaab naar zijn huis gekomen en hebben eiser mishandeld, geblinddoekt en ontvoerd. Hij werd vervolgens zes tot zeven dagen gevangen gehouden op een basis van Al-Shabaab. Bij een aanval op de basis heeft hij kunnen ontsnappen. Eiser vreest bij terugkeer dat leden van Al-Shabaab hem gaan vermoorden.
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;-de problemen van eiser met Al-Shabaab;-de ervaren discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam;
-de ervaren problemen vanwege het behoren tot zijn religieuze stroming.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen met Al-Shabaab gelooft de minister niet. Wel vindt de minister de ervaren discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam en de ervaren problemen vanwege het behoren tot zijn religieuze stroming geloofwaardig. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Wat is het toetsingskader van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid heeft om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Dit houdt ook in dat de rechtbank rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen. Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat als de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid, maar ook de beginselplicht heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het als onderbouwing van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging, het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst en over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
Het besluit van de minister is nog steeds het startpunt voor de beoordeling door de rechtbank. Het is immers ook op grond van artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU nog steeds het afwijzende besluit waartegen beroep is ingesteld. Daarin brengen de arresten Quotal en Ebilum geen verandering. De rechter kan zich echter niet beperken tot het ‘toetsen’ van het bestreden besluit van de minister, maar moet een eigen, op zichzelf staande, uitputtende en geactualiseerde beoordeling verrichten. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en dat wat hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt.
Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Zo is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening (hierna: Kvo). De Kvo kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten, gaat de rechtbank uit van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank toetst aan de Kvo.
Is het asielrelaas van eiser geloofwaardig?
6. Hierbij beoordeelt de rechtbank achtereenvolgens het referentiekader, de asielmotieven waarmee de minister rekening heeft gehouden of had moeten houden en de relevante feiten. De relevante feiten kunnen bestaan uit: (1) documenten ter onderbouwing van het asielrelaas, (2) de verklaringen van de vreemdeling, (3) algemene bronnen en landeninformatie en (4) eventuele nieuwe elementen, die op dezelfde manier worden beoordeeld.
Referentiekader
Eiser heeft aangevoerd dat de minister op geen enkele manier rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Zijn zaak is volgens eiser een duidelijk voorbeeld van allerlei Nederlandse opvattingen die zijn geprojecteerd op zijn verklaringen.
De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van zijn vertrek uit Somalië een gehuwde man van 20 jaar was. Eiser komt uit [plaats 1], wat de administratieve hoofdstad van de provincie/het district [plaats 1] is. Eiser heeft een opleiding gevolgd, hij was klaar met de middelbare school en was net aan de hogeschool begonnen, maar heeft het eerste jaar niet afgemaakt. Daarna heeft eiser in zijn levensonderhoud voorzien door groente te verkopen, hij had een klein winkeltje. Hij en zijn vrouw woonden in zijn ouderlijke huis; een huis gemaakt van takken en modder.
De rechtbank overweegt dat uit het medisch advies blijkt dat er geen beperkingen waren bij het horen van eiser, ondanks bestaande medische klachten. Uit het nader gehoor blijkt dat dit toen ook besproken is met eiser en dat hij heeft aangegeven dat het goed gaat met zijn gezondheid. De rechtbank overweegt dat, hoewel de minister in zowel het voornemen als het bestreden besluit het referentiekader van eiser niet expliciet heeft benoemd, het de rechtbank niet is gebleken dat eiser vanwege zijn leeftijd, opleidingsniveau of gezondheid niet in staat was om antwoord te geven op de vragen die hem zijn gesteld.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen van eiser de in rechtsoverweging 6.2. geschetste leefomstandigheden onvoldoende in aanmerking heeft genomen. De rechtbank betrekt die wel bij haar beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser, die volgt vanaf rechtsoverweging 6.7.
Geloofwaardigheid van de asielmotieven en relevante feiten
De rechtbank overweegt dat partijen het met elkaar eens zijn dat de ervaren discriminatie door eiser vanwege het behoren tot een minderheidsclan en de ondervonden problemen vanwege zijn geloofsrichting geloofwaardig zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Deze asielmotieven zijn dus geloofwaardig.
Wat betreft de problemen met Al-Shabaab vindt de minister van belang dat eiser geen documenten uit objectieve bron heeft overgelegd om dit asielmotief te onderbouwen. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser niet geloofwaardig zijn. De minister werpt eiser tegen dat hij ongerijmd en vaag heeft verklaard over de ontvoering door Al-Shabaab, het verblijf op de basis, zijn ontsnapping en waarom Al-Shabaab op hem uit was en niet op zijn vader. De verklaringen over de periode na de ontsnapping zijn vaag en onaannemelijk volgens de minister.
Eiser heeft op de tegenwerpingen van de minister gereageerd en heeft gemotiveerd aangevoerd waarom zijn verklaringen over de problemen met Al-Shabaab wel geloofwaardig zijn. Verder heeft eiser in beroep een verklaring van zijn moeder overgelegd, die zijn relaas ondersteunt.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de problemen van eiser met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. Dat wat eiser hierover heeft verklaard is volgens de rechtbank namelijk consistent en aannemelijk. Het volgende is daartoe redengevend.
Ontvoering door Al-Shabaab
De rechtbank overweegt ten eerste dat de verklaringen van eiser over zijn ontvoering en mishandeling door leden van Al-Shabaab aansluiten bij de berichtgeving uit het ambtsbericht, waarin te lezen is dat Al-Shabaab zich gedurende de verslagperiode schuldig heeft gemaakt aan ontvoeringen en gedwongen rekrutering van met name jonge mannen. Verder overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat de recruiter, die hem belde, wist dat eiser soefi – en dus een afvallige – was. Eiser heeft tijdens zijn nader gehoor wel verklaard dat Al-Shabaab alles van hem wist, maar die verklaring is direct gevolgd door een opsomming van eiser van wat de recruiter allemaal wist: ‘Hij vertelde een samenvatting van mijn volledige leven, mijn naam, wat ik doe, wie mijn ouders zijn en waar mijn werkplaats is, dat ik in [plaats 1] ben en daar ben opgegroeid, alles heeft hij mij verteld’. Eiser heeft dus niet verklaard dat de recruiter wist dat hij een afvallige was. De rechtbank gaat er – in tegenstelling tot de minister – dan ook vanuit dat de recruiter dit niet wist, ook omdat eiser heeft verklaard dat hij en zijn familie dit aspect verborgen hielden.
Over de inval in zijn huis heeft eiser verklaard dat de mannen van Al-Shabaab ineens naast zijn bed stonden. De rechtbank overweegt dat dit niet op voorhand ongeloofwaardig is, aangezien eiser hierover heeft toegelicht dat zijn huis niet te vergelijken is met een huis in Nederland. Eiser heeft specifiek over zijn woning verklaard dat de deur van het huis open is, waardoor het makkelijk is om naar binnen te komen. Verder is het niet na te gaan hoe lang de mannen van Al-Shabaab al in de woning zijn geweest, voordat ze aan het bed van eiser stonden. Dit kan dus ook heel kort zijn geweest. Tot slot is het bij de rechtbank bekend dat wanneer personen in Nederland in hun huis worden aangehouden, ook zij soms pas wakker worden op het moment dat de politie al naast hun bed staat, terwijl een deur in Nederland vaak met geweld wordt geforceerd.
Verblijf op de basis
Ook de verklaringen van eiser over zijn verblijf op de basis gelooft de rechtbank. Daarbij betrekt de rechtbank ten eerste dat eiser gedetailleerd heeft verklaard over de ruimte waar hij werd vastgehouden en over de mishandelingen die hij tijdens de eerste dagen moest ondergaan. Dat eiser niet heeft kunnen benoemen hoe groot de basis was en hoeveel mensen er precies aanwezig waren vindt de rechtbank wel begrijpelijk, aangezien eiser vooral binnen opgesloten heeft gezeten. De tegenwerping van de minister dat eiser hier in ieder geval een inschatting van had moeten kunnen geven, volgt de rechtbank niet. Daarbij is voor de rechtbank van belang dat de minister tijdens het nader gehoor heeft nagelaten aan eiser te vragen om hier een inschatting van te doen.
Ontsnapping
Verder overweegt de rechtbank dat ook de verklaringen van eiser over zijn ontsnapping geloofwaardig zijn. De minister heeft zich onterecht op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat eiser zonder problemen de basis kon verlaten. Beide argumenten die de minister aandraagt houden naar het oordeel van de rechtbank geen stand. Ten eerste heeft de minister gesteld dat er bij de heg om de basis heen gewapende mannen van Al-Shabaab rondliepen, die als taak hadden om de gevangenen in de gaten te houden. Nergens uit het nader gehoor blijkt echter dat eiser verklaard zou hebben dat de heg werd bewaakt. Ten tweede voert de minister aan dat het vreemd is dat eiser niet is opgemerkt tijdens zijn ontsnapping, nu hij heeft verklaard dat hij begon met rennen, nadat de gevechtsgeluiden waren gestopt. Eiser heeft tijdens zijn nader gehoor echter wat anders verklaard, namelijk: ‘Ik was in het toilet en toen schrok ik van die grote knal en de beschietingen die volgden. Daarna hoorde ik schreeuwen van leden van Al- Shabaab die Allah Akbar riepen. Eerst waren de beschietingen heftig en vervolgens zijn de beschietingen verder gegaan, maar ook verder van ons vandaan. Ik hoorde minder. Ik hoorde ook geen menselijk geluid in mijn omgeving. Dus ik heb ingeschat dat de mensen weg waren in mijn omgeving, toen ging ik het toilet uit en ben ik weggerend.’. Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank het niet onaannemelijk dat eiser heeft kunnen ontsnappen van de basis.
Pijlen gericht op eiser
De tegenwerping van de minister dat het niet aannemelijk is dat Al-Shabaab zijn pijlen op eiser heeft gericht en niet op zijn vader volgt de rechtbank ook niet. De minister heeft zijn standpunt weliswaar onderbouwd met een rapport waaruit zou blijken dat Al-Shabaab volgens bepaalde lijnen van gezag werkt en de minister vindt het in dat licht vreemd dat eiser door Al-Shabaab is aangesproken en niet zijn vader als winkeleigenaar. Uit het overgelegde rapport is echter niet af te leiden dat Al-Shabaab alleen zaken doet met de eigenaar van een winkel. Daarnaast is de verklaring van eiser dat zijn vader vaak op het platteland aan het werk was, terwijl hij in de praktijk degene was die in de winkel stond, niet onaannemelijk. Bij haar oordeel betrekt de rechtbank ook dat de beweegredenen van Al-Shabaab op dat bewuste moment niet objectief vast te stellen zijn.
Periode na ontsnapping
De rechtbank volgt verder het standpunt van de minister niet dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de periode na de ontsnapping. De minister stelt dat eiser heeft gezegd dat hij in die periode niet naar buiten mocht vanwege de dreiging van Al-Shabaab, maar dat hij ook heeft verklaard dat hij samen met een familielid een paspoort heeft aangevraagd op een kantoor. De rechtbank overweegt ten eerste dat de verklaring van eiser dat hij niet naar buiten mocht, gelezen moet worden in samenhang met zijn verklaring op pagina 19 van het rapport van nader gehoor, waar eiser heeft verklaard: ‘Mijn vader heeft tegen mij gezegd, luister je bent in gevaar. Je broer is eerder om het leven gekomen door de aanslag van Al Shabaab. Ik wil niet weer een zoon verliezen door Al-Shabaab. Luister goed wat deze man tegen jou zegt en hij gaat iets voor jou regelen om uit het land te kunnen vertrekken, maar heb geduld en luister goed naar wat hij tegen jou zegt.’ Gelet op alle verklaringen van eiser samen volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat die zo moeten worden opgevat dat het hem in algemene zin is afgeraden om buiten rond te lopen, maar dat hij wel kort naar buiten mocht om iets te regelen in het belang van zijn vlucht. Het maken van foto's en het afgeven van vingerafdrukken voor zijn paspoort maakten daar onderdeel van uit.
Brief van de moeder
Tot slot overweegt de rechtbank dat de overgelegde brief van de moeder van eiser het asielrelaas van haar zoon ondersteunt. Hoewel de brief niet afkomstig is uit een objectieve bron, bevestigt de brief de verklaringen van eiser wel in grote lijnen. De tegenwerping van de minister tijdens de zitting dat moeder en zoon tegenstrijdig aan elkaar hebben verklaard wat betreft het moment waarop eiser is geblinddoekt en vastgebonden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank vindt daarvoor van belang dat er sprake was van een bedreigende situatie, waardoor het niet van eiser verwacht kan worden dat hij zich alles tot in detail herinnert.
De beroepsgrond slaagt.
Wat is de tussenconclusie van de rechtbank?
7. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat eiser geloofwaardig heeft verklaard over de ontvoering en mishandeling door Al-Shabaab, zijn ervaren discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsclan en de ondervonden problemen vanwege het uitoefenen van zijn geloof, beoordeelt de rechtbank nu vervolgens ook of eiser met deze geloofwaardig bevonden asielmotieven zijn vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade aannemelijk heeft gemaakt.
Heeft eiser een gegronde vrees voor vervolging?
8. Eiser heeft aangevoerd dat de geloofwaardig geachte discriminatie en problemen met zijn geloofsuitoefening als soefi te licht door de minister zijn beoordeeld. In het kader van de samenwerkingsverplichting moet de minister alle relevante asielmotieven beoordelen, ook als deze niet specifiek zijn genoemd als reden voor vertrek. Hiertoe verwijst eiser naar rechtspraak van het Hof. De minister heeft hier tijdens de gehoren onvoldoende op doorgevraagd. Verder lijkt de minister van eiser te verlangen dat hij zich terughoudend blijft opstellen wat betreft het uitoefenen van zijn religie. Dit is strijdig met vaste rechtspraak van het Hof, waarin is bepaald dat van een vreemdeling niet mag worden gevraagd dat hij zijn geloof verbergt.
Ten eerste overweegt de rechtbank dat artikel 9, lid 3, van de Kvo een verband vereist tussen de gronden van vervolging en de daden van vervolging. De door de rechtbank geloofwaardig bevonden ontvoering en mishandeling van eiser door Al-Shabaab is niet te herleiden tot één van die gronden. Dit asielmotief leidt dan ook niet tot een gegronde vrees voor vervolging.
Ten tweede heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser ervaren discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam niet leidt tot een gegronde vrees voor vervolging. Want hoewel de ervaren discriminatie wel geloofwaardig is, wordt eiser hierdoor niet dusdanig in zijn bestaansmogelijkheden beperkt, dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Hij heeft immers in Somalië wel op school gezeten en kunnen werken. Ook heeft hij medische hulp gekregen vanwege zijn plasproblemen, had hij een huis om in te wonen en kon hij trouwen.
Tot slot heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij vreest voor vervolging vanwege zijn geloofsovertuiging.
Uit artikel 9 lid 1 onder a van de Kvo volgt dat pas sprake is van een daad van vervolging wanneer deze zo ernstig van aard is of zo vaak voorkomt dat deze een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens. Dit betekent dat eiser met zijn eigen, individuele omstandigheden aannemelijk moet maken dat zijn grondrechten ernstig zijn en/of worden geschonden. Daarin is eiser niet geslaagd.
De rechtbank oordeelt dat de beperkingen die eiser heeft ondervonden vanwege het belijden van zijn geloof niet zwaarwegend genoeg zijn om tot een gegronde vrees voor vervolging te leiden. Eiser heeft verklaard dat zijn familie – en vooral zijn vader – behoren tot de islamitische stroming die soefisme heet. Religieuze activiteiten werden stiekem gedaan, omdat zij angstig waren om door Al-Shabaab ontdekt te worden. De vader van eiser is meerdere keren mishandeld door Al-Shabaab, hijzelf niet. Ook heeft eiser gedurende zijn gehoren niet gesteld vanwege zijn geloof uit Somalië te zijn gevlucht. Zijn individuele omstandigheden wijzen er dus niet op dat zijn vrees voor Al-Shabaab vanwege zijn geloof ernstig is. Hoewel het op grond van informatie uit het ambtsbericht aannemelijk is dat er discriminatie van soefi’s voorkomt en ook dat Al-Shabaab soefi’s als afvalligen ziet, blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij hier persoonlijk ernstig in beperkt is.
Eiser wordt ook niet gevolgd in zijn betoog dat er van hem wordt verlangd om zijn terughoudendheid bij terugkeer naar Somalië voort te zetten. Hij heeft immers eerder op deze wijze geleefd en nam hier genoegen mee. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat dit niet de directe reden voor zijn vertrek uit Somalië was. Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiser hierdoor dan ook niet in zijn geloofsidentiteit geschaad. De informatie uit het ambtsbericht geeft ook geen reden voor een ander oordeel.
De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade?
9. Eiser heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Somalië vreest te worden opgespoord, mishandeld en opgesloten of te worden vermoord door Al-Shabaab. Verder beroept eiser zich erop dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kvo. Uit recente landen informatie blijkt namelijk dat (het gebied rondom) [plaats 1] onder controle staat van Al-Shabaab, of in ieder geval dat het daar niet veilig is. Bovendien is de weg van [plaats 2] naar [plaats 1] niet veilig te bereizen, zonder door terrein te reizen waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert.
De rechtbank beoordeelt eerst of de door eiser gevreesde behandeling, uitgaande van het geloofwaardig geachte asielrelaas, voldoende zwaarwegend is om als ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kvo te kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat de geloofwaardig geachte problemen van eiser met Al-Shabaab voldoende zwaarwegend zijn om als ernstige schade te kwalificeren. Eiser is door Al-Shabaab ontvoerd en gedurende zijn gevangenschap mishandeld en vervolgens uit zijn gevangenschap ontsnapt. Eiser is daarmee niet slechts geconfronteerd met de algemene dreiging die van Al-Shabaab uitgaat, maar ook persoonlijk bij Al-Shabaab in de negatieve belangstelling komen te staan en daadwerkelijk aan ernstige schade blootgesteld. Dit vormt een duidelijke aanwijzing dat eiser bij terugkeer opnieuw het risico op dergelijke schade loopt. De door eiser gevreesde behandeling is gelet op de aard en ernst daarvan, als deze zich voordoet, aan te merken als ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kvo.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de door eiser gevreesde behandeling, als deze zich voordoet, ernstige schade oplevert, beoordeelt de rechtbank vervolgens of het waarschijnlijk is dat ernstige schade zich bij terugkeer naar Somalië zal voordoen, of eiser in Somalië effectieve bescherming kan krijgen en of eiser aan het risico op ernstige schade kan ontkomen door zich elders in Somalië te vestigen.
De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser bij terugkeer opnieuw met ernstige schade zal worden geconfronteerd. Daarbij weegt mee dat eiser in het verleden persoonlijk te maken heeft gehad met Al-Shabaab. De actuele landeninformatie biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat dit risico inmiddels is weggenomen. Uit het meest recente ambtsbericht volgt dat de invloed van Al-Shabaab in de omgeving van [plaats 1] onverminderd groot is en dat [plaats 1] in een zogenoemde mixed zone ligt. Ook blijkt uit het ambtsbericht dat Al-Shabaab in deze mixed zones controleposten bemant en dat personen die terugkeren naar gebied onder controle van Al-Shabaab bij deze controleposten het risico lopen als spion te worden aangemerkt, gearresteerd en geëxecuteerd te worden. De rechtbank ziet zich in deze beoordeling verder gesterkt door het beleid van de minister zelf. Daaruit volgt dat de mensenrechtensituatie in gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade. De rechtbank volgt het op zitting naar voren gebrachte standpunt van de minister, namelijk dat de weg van [plaats 2] naar [plaats 1] als zodanig niet in handen is van Al-Shabaab, niet. Gelet op de eerder genoemde informatie over de controleposten en het feit dat uit het ambtsbericht ook blijkt dat het niet mogelijk was om een concrete afbakening te geven van de exacte controlegebieden van Al-Shabaab, is het aannemelijk dat eiser de reis van [plaats 2] naar [plaats 1] niet veilig kan maken. Tegen deze achtergrond en gezien de individuele voorgeschiedenis van eiser, in onderlinge samenhang bezien, ziet de rechtbank een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat eiser bij terugkeer naar [plaats 1] opnieuw zal worden blootgesteld aan ernstige schade.
De rechtbank is van oordeel dat eiser tegen het hiervoor vastgestelde risico geen effectieve bescherming kan krijgen van de Somalische autoriteiten of internationale organisaties. Eiser is afkomstig uit [plaats 1], gelegen in Centraal-Somalië. Uit het beleid van de minister volgt dat voor vreemdelingen afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië, inclusief [plaats 2], wordt aangenomen dat het niet mogelijk is bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. Eiser kan daarom in zijn gebied van herkomst geen effectieve bescherming krijgen tegen het reële risico op ernstige schade.
Onder voorwaarden kan een binnenlands bescherminsgsalternatief worden tegengeworpen in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen binnenlands bescherminsalternatief is, omdat eiser tot zijn vertrek uit Somalië altijd in het gebied van herkomst heeft gewoond. Zijn moeder verblijft momenteel in een vluchtelingenkamp in [locatie], in dezelfde regio, en de verblijfplaats van zijn vader is onbekend, omdat hij is meegenomen door Al-Shabaab. Er is verder geen indicatie dat eiser grootfamilie heeft buiten de directe omgeving van [plaats 1] en eiser behoort tot een minderheidsclan. Daarmee ontbreken concrete aanknopingspunten dat eiser zich elders in Somalië kan vestigen.
Dat eiser in 2023 twee weken in [plaats 2] heeft verbleven om zijn vertrek te kunnen organiseren, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dit was namelijk van zeer korte duur en eiser zat daar ondergedoken. De rechtbank betrekt daarbij ook dat in het AAB 2023 staat vermeld dat [plaats 2] slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden aangemerkt als beschermingsalternatief. Een redelijk beschermingsalternatief is er alleen aanwezig voor alleenstaande en gezonde jonge mannen of kinderloze koppels zonder kwetsbaarheden, die behoren tot een lokale meerderheidsclan en die voldoende mogelijkheden hebben om in hun eigen onderhoud te voorzien. Dat geldt niet voor eiser, omdat hij niet tot een lokale meerderheidsclan behoort.
Op grond van dat wat is overwogen onder rechtsoverwegingen 9. tot en met 9.7. komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië.
De beroepsgrond slaagt.
Gelet op het bovenstaande hoeven de overige gronden van eiser niet te worden besproken.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De minister heeft immers onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is immers voldaan aan de voorwaarden uit de Kvo voor het toekennen van subsidiaire bescherming. Uit de Kvo volgt dan dat een status moet worden verleend.
De rechtbank draagt de minister met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht op om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn behoefte aan subsidiaire bescherming te verstrekken, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 1 oktober 2025;
- verwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als subsidiair beschermde, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J. Snoeijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.