uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2025 in de zaak tussen
de besloten vennootschap naar Belgisch recht Bingoal Nederland B.V., uit Brussel (België), eiseres
(gemachtigden: mr. J.L. Vissers en mr. S.H. van der Veldt),
en
de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, verweerder
(gemachtigden: mr. S. Merhai en mr. drs. R.G.J. Wildemors).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 28 februari 2023 heeft verweerder aan eiseres een definitieve aanslag kansspelheffing van € 71.027,75 voor het jaar 2022 opgelegd.
Met het bestreden besluit van 23 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2], de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Deze zaak gaat over de vraag of het beroep van eiseres ontvankelijk is.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres vindt - kort samengevat - dat het beroep ontvankelijk is, omdat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Het te laat indienen van het beroepschrift door een administratieve fout bij de gemachtigde van eiseres is het gevolg van de ruimte in het wettelijk bestel en de trage rechtsgang. Sinds de legalisering van de online kansspelmarkt moeten kansspelaanbieders bezwaar maken tegen de maandelijkse aanslagen kansspelbelasting en de jaarlijkse kansspelheffing, waardoor er sprake is van een grote hoeveelheid aan procedures. Dit leidt tot veel onduidelijkheid. Daarbij komt dat de Belastingdienst meer coulance betracht met betrekking tot termijnoverschrijding. Gelet op deze omstandigheden zou het voor eiseres onredelijk zijn om door deze buitengewone omstandigheden haar mogelijke recht op een inhoudelijke beoordeling mis te lopen. In zoverre moet een zorgvuldige afweging van de omstandigheden plaatsvinden, gelet op recente rechtspraak, waarbij een steeds ruimere norm van verschoonbare termijnoverschrijding wordt toegepast. Verder is van belang dat in deze procedure geen belangen van derden spelen en verweerder geen groot belang heeft bij het verkrijgen van zekerheid over de vraag of het besluit wel of niet (al) in rechte onaantastbaar is geworden. Ook is sprake van een geringe overschrijding van de termijn en halen de andere lopende procedures de formele standpunten in. Verweerder heeft als gevolg daarvan ook inhoudelijk geen belang om aan deze termijnoverschrijding vast te houden.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder vindt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Van een professionele rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij zijn administratie op orde heeft. Dat de gemachtigde van eiseres ook andere cliënten bijstaat in soortgelijke procedures, is zijn eigen keuze. Als daardoor verwarring is ontstaan komt dat voor zijn eigen rekening en dus ook voor die van eiseres. Anders dan eiseres suggereert hoeven er niet vele (bezwaar)procedures aanhangig te worden gemaakt tegen de kansspelheffing en kansspelbelasting en gaat het om één procedure per jaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden (aannemelijk gemaakt) om af te wijken van de vaste rechtspraak met betrekking tot termijnoverschrijding. Ook de eventuele trage rechtsgang kan niet aan verweerder worden toegerekend dan wel kan niet maken dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Wat zijn de regels?
5. Voordat de rechtbank een zaak inhoudelijk in behandeling neemt, moet ze bepalen of is voldaan aan de formele eisen uit de wet. Eén van die formele eisen is dat het beroepschrift op tijd door de rechtbank moet zijn ontvangen.
De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is. Zij legt dit oordeel hierna uit.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het beroepschrift te laat is ontvangen door de rechtbank, omdat deze niet binnen de termijn van zes weken is ingediend. De vraag die partijen verdeeld houdt is of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
Eiseres is zowel in de bezwaar- als beroepsprocedure bijgestaan door dezelfde professionele rechtsbijstandverlener. Het handelen van deze professionele rechtsbijstandsverlener komt in beginsel voor risico van eiseres. Van een professionele rechtsbijstandsverlener mag immers onder meer worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt en eventueel gebruik maakt van de mogelijkheid om een pro-formaberoepschrift in te dienen. Een termijnoverschrijding zal om die reden doorgaans niet verschoonbaar zijn. Uitzondering op dit uitgangspunt kunnen zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener zelf. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten, of om externe omstandigheden, zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand.
De door eiseres gestelde omstandigheden, zoals het wettelijk bestel, de wijze waarop de Belastingdienst omgaat met eventuele termijnoverschrijdingen, dat er sprake is van een geringe termijnoverschrijding, dat er geen belangen van derden betrokken zijn bij het bestreden besluit en dat verweerder niet in zijn belangen wordt geschaad, zijn niet aan te merken als dergelijke persoonlijke omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.
De rechtbank komt gelet op dit geheel van feiten en omstandigheden tot het oordeel dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet verwijtbaar is of dat eiseres slechts gering verwijt treft. Het niet tijdig indienen van het beroepschrift kan hiermee al aan eiseres worden toegerekend, zodat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
De Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 6:9
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.