ECLI:NL:RBAMS:2026:9992

ECLI:NL:RBAMS:2026:9992

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 09-10-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 13/177250-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 69 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor o.a. mishandeling

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Strafrecht

Parketnummer: 13/177250-26

Datum uitspraak: 9 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

nu gedetineerd in [detentieadres] ,

hierna te noemen: verdachte.

1. Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.Q. Zaat, naar voren hebben gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat mr. F.C.R. Keizer namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 juni 2026 in Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van zijn levensgezel [benadeelde partij] (hierna: aangeefster).

De volledige tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Ook acht de officier van justitie het tenlastegelegde strafverzwarende onderdeel “levensgezel” onder feit 2 bewezen. Aangeefster en haar ouders hebben namelijk verklaard dat verdachte sinds hun ontmoeting constant bij aangeefster in de buurt was. Daarnaast was verdachte in het bezit van de huissleutels van aangeefster.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor beide feiten vanwege gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving onder feit 1 rust de bewijsconstructie van het Openbaar Ministerie volledig op één bron en ontbreekt volgens de raadsman nader steunbewijs. Daarnaast ontbreekt het opzet van verdachte op de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ten aanzien van de mishandeling onder feit 2 kan niet worden vastgesteld dat het letsel bij aangeefster door toedoen van verdachte is ontstaan. Ook volgt niet dat het vastpakken van de polsen pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording heeft veroorzaakt.

Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen van de mishandeling onder feit 2, dan heeft de raadsman zich ten aanzien van het vastpakken van de polsen van aangeefster gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en verzocht verdachte voor de rest van de gedachtestreepjes partieel vrij te spreken. Daarnaast dient verdachte partieel te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde strafverzwarende onderdeel “levensgezel” onder feit 2, aangezien er volgens hem onvoldoende sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid tussen aangeefster en verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

De rechtbank stelt vast dat aangeefster een belastende verklaring heeft afgelegd. Daartegenover staat dat verdachte de hem verweten gedragingen - met uitzondering van het vastpakken van de polsen van aangeefster - heeft ontkend.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden gebaseerd op grond van de verklaring van één getuige, in dit geval aangeefster. Er moet voldoende steunbewijs voor deze verklaringen zijn. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de belastende verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Nu het bewijs tegen verdachte in belangrijke mate wordt gevormd door de verklaring van aangeefster, hecht de rechtbank eraan om eerst over te gaan tot de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaring om vervolgens te beoordelen of er voldoende steunbewijs is voor die verklaring.

Verklaring van aangeefster

Aangeefster heeft – kort samengevat – verklaard dat verdachte haar samen met haar collega’s op 21 juni 2026 ophaalde bij een concert van de Toppers in Amsterdam. Op de terugweg reed verdachte gespannen en overtrad hij meerdere verkeersregels. Daarnaast stelde verdachte in de auto vragen aan een collega van aangeefster over de hoeveelheid drankgebruik. Eenmaal bij aangeefster thuis, bleef het drankgebruik van aangeefster het onderwerp van gesprek. Aangeefster vertelde dat zij enkel vier biertjes had gedronken. Verdachte had echter van een collega gehoord dat aangeefster Bacardi Lemon had gedronken en bleef aangeefster hierover bevragen. Verdachte kwam daarbij dichter bij aangeefster staan en kwam opgefokt over op aangeefster. Aangeefster vroeg op verschillende manieren of verdachte kon vertrekken, maar dit weigerde hij. Daarnaast blokkeerde verdachte de weg waardoor aangeefster niet weg kon komen. Ook pakte verdachte de telefoon van aangeefster af, hier kon aangeefster de rest van de avond niet meer bij komen. Op een gegeven moment pakte verdachte de polsen van aangeefster vast en herhaalde voortdurend dat zij hem aan moest kijken. In het proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2026 is opgenomen dat aangeefster kort na het incident tegenover de verbalisanten heeft verklaard dat verdachte haar hard tegen de muur duwde. Daarna pakte hij aangeefster haar hoofd vast en drukte met zijn duimen op aangeefster haar oogkassen. Dit maakte dat aangeefster haar hoofd niet meer kon bewegen.

Ook draaide verdachte de voordeur op slot en legde de sleutel ergens neer waarvan aangeefster geen weet had. Wanneer aangeefster gilde om de buren te alarmeren, deed verdachte zijn hand op haar mond om dit te voorkomen. Verdachte bleef herhalen dat aangeefster hem aan moest kijken en niet moest liegen. Op een gegeven moment is aangeefster gestopt met het tonen van weerstand. Hierop tilde verdachte haar op en bracht haar naar de slaapkamer. Verdachte bleef erop aandringen dat aangeefster moest toegeven dat ze dronken was. Aangeefster ging hier uiteindelijk in mee aangezien ze geen andere optie zag om hem te laten stoppen. Vervolgens kleedde verdachte aangeefster uit. De hele nacht voelde aangeefster zich angstig in de nabijheid van verdachte. De volgende ochtend kreeg aangeefster haar telefoon terug en is zij naar haar ouders gegaan.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Aangeefster heeft uitgebreid, geloofwaardig en gedetailleerd verklaard. De verklaring die aangeefster in de woning van haar ouders ten overstaan van de politie heeft afgelegd, komt overeen met haar aangifte die zij later heeft gedaan.

Voldoende steunbewijs

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster daarnaast in voldoende mate steun vindt in de volgende, uit andere bronnen dan aangeefster afkomstige bewijsmiddelen.

Aangeefster is de dag na het concert in de vroege ochtend naar haar ouders gegaan, die tegenover haar wonen. Er was al een afspraak tussen aangeefster en haar ouders, maar aangeefster kwam eerder dan de afgesproken tijd. Aangeefster heeft daarbij op het raam geklopt en gebaard dat ze wilde dat de deur snel open werd gedaan. De ouders van aangeefster hebben verklaard dat aangeefster angstig overkwam en aan het trillen was. Aangeefster kwam volgens haar moeder over als een bang vogeltje en ze keek continu op haar telefoon en naar het raam. De uitgebreide verklaringen van de ouders dienen, anders dan de verdediging meent, wel als steunbewijs, omdat de ouders de emoties en de gemoedstoestand van aangeefster vlak na het incident hebben waargenomen.

Verder hebben verbalisanten ter plaatse letsel bij aangeefster geconstateerd. Zij zagen dat aangeefster twee kleine plekken had naast haar beide ogen, daar waar zij stelt te zijn vastgepakt door verdachte. In de letselverklaring worden deze plekken aangemerkt als bloeduitstortingen. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging over de aard en datering van het letsel heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de bevindingen in de letselverklaring te twijfelen. Ook de letselverklaring met het waargenomen letsel bij aangeefster na de mishandeling vormt steunbewijs.

Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij met aangeefster de afspraak had dat aangeefster niet meer dan vijf bier zou drinken tijdens het concert. Aangeefster heeft verdachte hiervan op de hoogte gehouden tijdens het concert door het sturen van berichtjes waarmee zij hem op de hoogte hield van haar drankgebruik. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting meerdere malen herhaald dat aangeefster er niet uitzag alsof ze enkel de vier biertjes op had die zij benoemde in haar aangifte en begon daarover met aangeefster thuis een gesprek. Verdachte heeft bekend daarbij de polsen van aangeefster te hebben vastgepakt. Ook hierin ziet de rechtbank steunbewijs.

Een aantal collega’s van aangeefster heeft verder verklaard over het wilde rijgedrag van verdachte op de terugweg van een concert van de Toppers. Verdachte heeft daarnaast zelf ter terechtzitting ook aangegeven op sommige plekken voorrang te hebben genomen waar hij niet per se voorrang had. Daarnaast hebben de collega’s van aangeefster verklaard dat verdachte in de auto naar het drankgebruik van de groep vroeg. Zo heeft collega [collega] , wie naast verdachte in de auto zat, verklaard dat zij verdachte heel veel vragen hoorde stellen over hun alcoholgebruik. Hij vroeg wat er was gedronken, wie wat had gedronken en hoeveel er was gedronken. Het viel haar op dat verdachte echt door bleef gaan over het alcoholgebruik. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het met de collega naast hem in de auto heeft gehad over dat er Bacardi Lemon was gedronken tijdens het concert.

De rechtbank heeft op basis van het voorgaande tevens de overtuiging verkregen dat verdachte heeft gehandeld zoals aangeefster heeft verklaard. Hetgeen de collega’s van aangeefster hebben verklaard over het wilde en ongeduldige rijgedrag en de fixatie op het alcoholgebruik, weerspiegelt wat er daarna in de woning is voorgevallen: verdachte die aangeefster opgefokt en hardnekkig blijft ondervragen over hoe de avond was verlopen en haar niet met rust wil laten totdat het hoge woord eruit is.

Conclusie

Al met al acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Uit de hiervoor door aangeefster beschreven gedragingen van verdachte, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verdachte aangeefster opzettelijk heeft belet de woning te verlaten en haar aldus wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden. Tevens acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van aangeefster.

Geen levensgezel

De rechtbank acht met de raadsman niet bewezen dat aangeefster de levensgezel van verdachte was ten tijde van de mishandeling en zal verdachte van de strafverzwarende omstandigheid vrijspreken.

Bij de beoordeling of sprake is van een levensgezel is het van belang of er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, de duur daarvan, of er een relatie van affectieve aard is en met name of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. Doorslaggevend is in het begrip ‘levensgezel’ de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.

Aangeefster heeft verklaard dat zij verdachte op 9 april 2026 heeft leren kennen via een datingapp. Zij hadden pas een korte tijd een relatie met elkaar. Uit het dossier volgen onvoldoende feiten en omstandigheden die deze korte tijd kunnen compenseren om te kunnen spreken van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere gehechtheid. Dat verdachte in het bezit was van de huissleutels is daarvoor onvoldoende.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op 21 juni 2026 te Amstelveen opzettelijk [benadeelde partij] in haar woning wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

- te weigeren de woning te verlaten op haar verzoeken en

-voornoemde [benadeelde partij] te beletten de woning te verlaten door de vrije weg voor voornoemde [benadeelde partij] te blokkeren en dicht bij voornoemde [benadeelde partij] te gaan staan en

- de polsen en armen van voornoemde [benadeelde partij] vast te pakken en vast te houden en

- de telefoon en sleutels van voornoemde [benadeelde partij] af te pakken en weg te leggen en bij zich te houden en

- de deur van de woning op slot te doen en

- een hand voor de mond van voornoemde [benadeelde partij] te brengen en te houden teneinde te beletten dat voornoemde [benadeelde partij] om hulp kon roepen en

- voornoemde [benadeelde partij] naar de slaapkamer te dragen en

-de kleding van voornoemde [benadeelde partij] uit te trekken;

2.

op 21 juni 2026 te Amstelveen [benadeelde partij] heeft mishandeld, door voornoemde [benadeelde partij] met kracht

- bij haar polsen en armen vast te pakken en vast te houden en hierin te knijpen en

- tegen de muur te drukken en

- met beide handen bij haar hoofd vast te pakken en vast te houden en

- met beide duimen op haar oogkassen te drukken;

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft daarbij verzocht om deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Standpunt van de verdediging

Bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde eenvoudige mishandeling onder feit 2, heeft de raadsman verzocht om een gevangenisstraf op te leggen van één maand. Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring van beide feiten komen, dan heeft de raadsman verzocht om een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen conform voorarrest met aftrek.

Wanneer de rechtbank mede het opleggen van een voorwaardelijke straf noodzakelijk acht, dan heeft de raadsman verzocht dit in de vorm van een taakstraf te doen met daaraan verbonden de geadviseerde bijzondere voorwaarden met uitzondering van de voorwaarde “houden aan aanwijzingen”. Die bijzondere voorwaarde is onvoldoende concreet geformuleerd en daarom niet redelijk en billijk. Ten slotte heeft de raadsman verzocht om de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van zijn voormalige partner, aangeefster. Aangeefster heeft hierdoor letsel opgelopen in haar gezicht. Met zijn optreden heeft verdachte een grote mate van angst bij aangeefster teweeggebracht, dit blijkt ook uit haar slachtofferverklaring. De feiten vonden daarnaast plaats in het huis van aangeefster, een plek waar aangeefster zich veilig hoort te voelen. Dergelijke gebeurtenissen kunnen langdurige gevolgen hebben voor slachtoffers zoals aangeefster, omdat sprake is van een schending van hun geestelijke en lichamelijke integriteit.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 16 september 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Verdachte is namelijk in oktober 2025 veroordeeld voor belaging en mishandeling van een andere ex-partner en in mei 2026 veroordeeld voor mishandeling van een andere ex-partner.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het door reclasseringsmedewerker G.C.J. Simons opgestelde adviesrapport van GGZ Reclassering Fivoor van 17 september 2026. Uit het adviesrapport komt naar voren dat de reclassering het gedrag van verdachte binnen partnerrelaties als zeer zorgelijk ziet. De reclassering is dan ook van mening dat er sprake is van een delictpatroon. In de eerdere zaken waarin verdachte veroordeeld is, werd eenzelfde soort beeld geschetst binnen de relatie, waarbij verdachte dwingend en isolerend gedrag vertoonde richting zijn partner. Bij verdachte lijkt er nog weinig sprake te zijn probleembesef en zelfreflectie op dit gebied. De reclassering heeft ten aanzien van de eerdere zaken reeds bijzondere voorwaarden geadviseerd, deze zijn echter nooit opgelegd. De reclassering acht het noodzakelijk dat deze voorwaarden nu wel worden opgelegd. Hiermee kan ingezet worden op diagnostisch onderzoek, de relationele dynamiek en het agressieregulerend vermogen van verdachte. De reclassering adviseert daarom bij een (deels) voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, contactverbod, locatieverbod en houden aan aanwijzingen.

Straf

Bij het bepalen van de straf kijkt de rechtbank naar de oriëntatiepunten die de strafrechters landelijk hebben afgesproken (de LOVS-oriëntatiepunten). In de oriëntatiepunten geldt voor een eenvoudige mishandeling met lichamelijk letsel ten gevolg hebbend een geldboete van € 1000,-. Uit de LOVS-oriëntatiepunten blijkt echter ook dat er bij huiselijk geweld situaties in beginsel geen geldboete wordt opgelegd. Er is geen LOVS-oriëntatiepunt voor een wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat bij verdachte sprake is van recidive op het gebied van (ex-)partnergeweld. Verder weegt de rechtbank mee dat verdachte ter terechtzitting weinig zelfinzicht heeft getoond en zich niet bewust lijkt van zijn aandeel in de betreffende partnerrelaties. De rechtbank acht het dan ook noodzakelijk dat verdachte handvaten krijgt om soortgelijk gedrag in toekomstige (partner)relaties te voorkomen. Gelet op het voorgaande, de LOVS-oriëntatiepunten, alsmede de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd moet worden voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest. Daarvan zullen 69 dagen voorwaardelijk worden opgelegd. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering verbinden. De rechtbank acht daarbij de bijzondere voorwaarde “houden aan aanwijzingen” noodzakelijk voor de uitvoering van het reclasseringstoezicht.

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op de ernst van dit feit, het strafblad van verdachte en het door de reclassering ingeschatte recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte – zonder de juiste hulp en begeleiding – wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Om dit te voorkomen is het van groot belang dat zo snel mogelijk kan worden begonnen met de begeleiding en behandeling van verdachte. Om die reden zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden die worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis

Omdat verdachte op de dag van de uitspraak 111 dagen in voorarrest heeft gezeten, heeft hij de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dat moment uitgezeten. De rechtbank heft daarom het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 9 oktober 2026.

8. Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij betaling van een bedrag van € 3.775,86 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 775,86 aan vergoeding voor materiële schade en € 3.000, - aan vergoeding voor immateriële schade. Zij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] geheel kan worden toegewezen, met daarbij de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht [benadeelde partij] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering wegens de verzochte vrijspraak.

Indien de rechtbank slechts tot een veroordeling voor de tenlastegelegde mishandeling onder feit 2 komt, dan dient de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost veiligheidsmaatregelen niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens een gebrek aan causaliteit. Ook dient daarbij de hoogte van de gevorderde immateriële schade sterk te worden gematigd tot een bedrag onder de € 750,-, aangezien dit zich verhoudt met een eenvoudige mishandeling.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding een onevenredige belasting oplevert voor het strafgeding. Ten aanzien van de materiële schadepost kosten eigen risico zorgverzekering 2026 mist een nadere onderbouwing dat de gestelde klachten gerelateerd zijn aan het bewezenverklaarde, bijvoorbeeld een huisartsenbrief, behandelplan- of verslag. Ten aanzien van de materiële schadepost veiligheidsmaatregelen (sloten) dateert het aanschafbewijs van 21 juni 2026 en is het maar de vraag of de aanschaf een reactie was op het incident. Ten aanzien van de immateriële schade is geen enkele medische onderbouwing overgelegd. Reden waarom de raadsman verzocht heeft om de benadeelde partij in ieder geval ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat [benadeelde partij] door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het gedeelte van de vordering dat ziet op de schadepost kosten veiligheidsmaatregelen, bestaande uit vervangen slot voordeur (€ 60,99) en camera (€ 293,99), is voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezenverklaarde mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van de benadeelde partij op 21 juni 2026. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

De rechtbank verklaart [benadeelde partij] ten aanzien van de schadepost kosten eigen risico zorgverzekering 2026 (€ 420,88) niet-ontvankelijk. De benadeelde partij heeft dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd gelet op de betwisting door de verdediging. De rechtbank kan namelijk op basis van de overgelegde stukken niet vaststellen dat de opgevoerde kosten van het eigen risico betrekking hebben op psychische hulp die in rechtstreeks verband staat met de door verdachte gepleegde feiten.

De materiële schade wordt gelet op het voorgaande toegewezen tot een bedrag van in totaal € 354,98. Ten aanzien van de schadevorderingen waarin de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard krijgt de benadeelde partij in deze strafprocedure geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze procedure. De zaak zou dan immers moeten worden aangehouden en verdachte moet dan langer wachten totdat zijn zaak wordt afgedaan terwijl de benadeelde partij al voldoende tijd heeft gehad om haar vordering te onderbouwen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Immateriële schade

Het staat vast dat [benadeelde partij] door het bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft [benadeelde partij] recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

[benadeelde partij] is in haar eigen huis door verdachte van haar vrijheid beroofd en mishandeld, waardoor zij letsel heeft opgelopen bij haar ogen. [benadeelde partij] heeft gesteld dat zij tijdens deze feiten veel angst heeft gevoeld en is nog steeds angstig dat verdachte haar nog lastig zal gaan vallen. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende met stukken onderbouwd dat zij ten gevolge van het handelen van verdachte in haar persoon is aangetast zoals bedoeld in artikel 6:106 BW. De aard en de ernst van de normschending zijn in dit geval niet dusdanig dat dit zonder enige onderbouwing kan worden aangenomen. De rechtbank heeft daarom voor de toekenning van immateriële schade aansluiting gezocht bij de ondergrens van de categorie licht letsel (paragraaf C van hoofdstuk 13) van de Rotterdamse schaal. Op grond van de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zoals ook blijkt uit voornoemde Rotterdamse schaal, in samenhang met de feiten en omstandigheden die uit het dossier volgen, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding tot een bedrag van € 500,- billijk is.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 854,98 bestaande uit € 354,98 aan vergoeding voor materiële schade en € 500,- aan vergoeding voor immateriële schade.

Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel, kosten en gijzeling

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade, te weten 21 juni 2026, tot de dag dat verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Daarnaast moet hij de kosten betalen die [benadeelde partij] heeft gemaakt en nog moet maken voor de tenuitvoerlegging hiervan. Deze kosten worden tot nu toe begroot op nihil. Ten slotte wordt aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade, te weten 21 juni 2026, tot aan de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor acht dagen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Feit 2:

mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 69 (negenenzestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Daarbij gelden de volgende bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering GGZ Reclassering Fivoor, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door Ambulant centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Contactverbod

Veroordeelde zoekt gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met aangeefster [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] .

Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)

Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet binnen een straal van 100 meter van de woning van aangeefster (adres: [adres] ).

Houden aan aanwijzingen

Veroordeelde houdt zich gedurende de proefperiode aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft en die nodig worden geacht voor de uitvoering van het reclasseringstoezicht.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan de reclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De politie zal toezicht houden op de naleving van het contact- en locatieverbod.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 854,98 (achthonderd vierenvijftig euro en achtennegentig eurocent), bestaande uit € 354,98 (driehonderd vierenvijftig euro en achtennegentig eurocent) aan vergoeding voor materiële schade en € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding voor immateriële schade. Deze schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de staat € 854,98 (achthonderd vierenvijftig euro en achtennegentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juni 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Voorlopige hechtenis

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis op, met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J. Bos, voorzitter,

mrs. A.R. Vlierhuis en Q.M.J.A. Crul, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.L. Briejer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.J. Bos

Griffier

  • mr. B.L. Briejer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand