RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/134807-26 (zaak A), 13/032065-26 (zaak B), 13/255628-24 (zaak C), 13/402274-24 (zaak D) en 13/377342-24 (zaak E) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 3 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
wonende op het adres [adres 1],
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A tot en met zaak E aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Hogewind, en van wat verdachte en zijn raadslieden (hierna: de verdediging) mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire (zaak A en zaak C tot en met E) en mr. W. van Vliet (zaak B), naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3].
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
diefstal in vereniging met geweld tegen [slachtoffer 1] op 8 mei 2026;
Zaak B
Zaak C
Zaak D
opzetheling dan wel schuldheling van een motor op 9 juli 2024;
Zaak E
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het in zaak B feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er geen sprake is van diefstal. Wel kan de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling worden bewezen. De in de zaken A en C tot en met E ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft de daartoe volgens haar relevante bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde.
De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de overige ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van zaak B onder 1 heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat de aangifte onbetrouwbaar is en dat er hooguit enkel sprake was van een ruzie waarbij is geduwd en getrokken. Voor de beschuldigingen onder 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er zodanige twijfel bestaat over de wetenschap van verdachte van de drugs en de beschikkingsmacht over de drugs in de auto, dat hij hiervoor moet worden vrijgesproken
In zaak C heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de betrouwbaarheid van de herkenningen onvoldoende is om hier een veroordeling op te baseren. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft zij ook nog aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de persoon die als verdachte wordt herkend een voldoende significante bijdrage heeft gehad in de diefstal.
Voor het in zaak D ten laste gelegde bestaat volgens de raadsvrouw geen bewijs dat verdachte op enig moment de feitelijke zeggenschap over de motor heeft gehad.
Voor de beschuldigingen in zaak E onder 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende individualiserend bewijs is dat verdachte met een ander een bakfiets heeft gestolen. Ten aanzien van wat verdachte onder 2 en 3 wordt verweten geldt dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte feitelijke zeggenschap had over de motorscooter en de kentekenplaten. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van de motorscooter en de kentekenplaten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt verdachte vrij van zaak B feit 1 primair en subsidiair, zaak D en zaak E feit 2 en feit 3. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring voor wat betreft zaak A, zaak B feit 1 meer subsidiair en feit 2, zaak C en zaak E feit 1.
Vrijspraak
Zaak B feit 1 primair en subsidiair
De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat sprake is geweest van diefstal van de telefoon van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]). Uit het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris blijkt immers dat de telefoon niet is weggenomen.
Zaak D
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de heling van de motor. Uit het dossier volgt dat verdachte via WhatsApp een gesprek heeft gevoerd op 8 juli 2024 om 23:46 uur met een ander waarin verdachte zegt dat ze binnen moeten komen en dat ze nog een keer vol tegen de roldeur aan moeten rijden. Daarnaast zegt hij tegen die ander dat hij tegen [naam] moet zeggen dat hij snel een slijptol moet halen. De rechtbank ziet in dat gesprek aanwijzingen dat verdachte opdrachten geeft aan de persoon. Verdachte lijkt dus betrokkenheid te hebben gehad bij de diefstal van deze motor. Niet is gebleken dat verdachte de motor op enig moment zelf heeft verworven of voorhanden gehad. De enkele aanwezigheid van een foto van de motor, die lijkt te zijn gemaakt met de telefoon van verdachte, is daarvoor onvoldoende. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van heling.
Zaak E feiten 2 en 3
Verdachte wordt verweten zich samen met zijn medeverdachte schuldig te hebben gemaakt aan heling van een scooter en kentekenplaat. Om tot een bewezenverklaring hiervan te komen dient de rechtbank te beoordelen of verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van de scooter en de kentekenplaat bevestigd achterop de scooter op het moment van de verwerving of het voorhanden krijgen daarvan.
Vastgesteld kan worden dat verdachte op 18 november 2026 als bijrijder achterop de betreffende scooter met de gestolen kentekenplaat zat. Van de bijrijder van de scooter kan niet zonder meer worden aangenomen dat hij kennis heeft van de afwijkende kenmerken van de scooter en de betreffende kentekenplaat. Nu het dossier anderszins geen aanwijzingen bevat dat verdachte van deze afwijkende kenmerken wist, kan de ten laste gelegde heling van de scooter en de daarop bevestigde kentekenplaat niet worden bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Zaak A
Op grond van de bewijsmiddelen uit bijlage II, waaronder de bekennende verklaring van
verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het in zaak A ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
Zaak B
Feit 1 (meer subsidiair)
De rechtbank acht de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 2] bewezen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] als het gaat om de mishandeling als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. [slachtoffer 2] heeft zowel bij de politie als tegenover de rechter-commissaris consistent verklaard over de geweldshandelingen van verdachte en medeverdachte. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van verdachte dat hij die dag ruzie heeft gehad met [slachtoffer 2]. Dat er alleen sprake zou zijn geweest van duwen en trekken acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op het letsel dat de verbalisant heeft waargenomen. Dat verdachte, anders dan bij de politie, bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zijn telefoon niet is weggenomen, maakt zijn verklaring over de mishandeling niet onbetrouwbaar.
Feit 2
Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van de cocaïne en MDMA is vereist dat verdachte wist van de aanwezigheid van deze verdovende middelen en
beschikkingsmacht daarover had. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Het staat vast dat verdachte de eigenaar is van de auto waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen. Verdachte heeft – onder meer ter terechtzitting – verklaard dat hij voorafgaand aan de doorzoeking van de auto de bestuurder geweest. Tijdens de doorzoeking van de auto is onder de bestuurdersstoel een gevulde sok met daarin verdovende middelen gevonden. Deze lag onder de zitplaats van de bestuurder, verstopt tussen het schuim en de bekleding van de stoel. Gelet op deze feiten en omstandigheden houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte wetenschap had van de verdovende middelen in de auto en ook de beschikkingsmacht over de drugs Verdachte heeft niet aannemelijk gemaakt dat een ander dan verdachte de behoorlijke grote hoeveelheid drugs daar heeft geplaatst. De rechtbank acht medeplegen niet bewezen, nu niet kan worden vastgesteld dat de bijrijder wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en daarover de beschikkingsmacht had.
Zaak C
Feit 1
Anders dan de verdediging, acht de rechtbank de herkenning van verdachte voldoende betrouwbaar. Dat in het proces-verbaal van herkenning van verbalisant [verbalisant 1] (p. 371 digi) verdachte wordt aangeduid met NN2 terwijl uit de beschrijving van NN2 in dit proces-verbaal in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen over de camerabeelden (p.347 e.v. digi) blijkt dat NN4 bedoeld moet zijn, maakt de herkenning van verbalisant [verbalisant 1] niet waardeloos. Uit beide processen-verbaal blijkt dat verdachte wordt herkend als de (enige) persoon met de zwarte helm en de lichtkleurige pet. Verdachte droeg een soortgelijke helm en pet toen verbalisant [verbalisant 1] hem op de [straatnaam] sprak en fotografeerde, kort na de diefstal van de motor. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van de diefstal bekeken nadat hij verdachte in de [straatnaam] had gesproken en gefotografeerd. Vervolgens heeft hij verdachte herkend op de camerabeelden. Anders dan de verdediging meent is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van sturende voorinformatie.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande en de bewijsmiddelen uit bijlage 2 bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
Feit 2
Ook in deze zaak acht de rechtbank de herkenning van verdachte voldoende betrouwbaar. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte enkele maanden voor de herkenning gezien op politiefoto’s die zijn bijzondere aandacht hadden getrokken vanwege de personen waarmee verdachte toen was aangehouden. Daarnaast heeft de verbalisant voldoende omschreven waaraan hij verdachte heeft herkend. Deze herkenning is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met de herkenningen waarnaar de raadsvrouw heeft gewezen
De vervolgvraag is of sprake is van medeplegen. Om van medeplegen te kunnen spreken moet voor de rechtbank vast te komen staan dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte is de persoon die op de camerabeelden wordt aangeduid met NN3. Op de camerabeelden is te zien dat NN1, met een schroevendraaier in zijn hand, NN2 en NN3 achter elkaar de fietsenstalling binnen lopen. Alle drie de verdachten doen moeite om onherkenbaar te zijn door het dragen van gezichtsbedekking en/of een capuchon. Uit de camerabeelden kan worden afgeleid dat alle drie de verdachten, gezamenlijk of apart, door de fietsenstalling lopen, kennelijk op zoek naar iets van hun gading. Nadat de fietsaccu door één van hen is weggenomen, lopen zij weer gezamenlijk de fietsenstalling uit. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte om van medeplegen te kunnen spreken. Dat verdachte niet degene is die de fietsaccu vastheeft wanneer zij de verdachten de fietsenstalling verlaten is daarbij niet relevant. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen.
Zaak E
Feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen uit bijlage II, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het in zaak E onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
Uit het dossier blijkt dat op 18 november 2024 de politie de melding kreeg dat in de nabijheid van de [adres 2] in Amsterdam een bakfiets gestolen werd door twee personen die op een zwarte scooter reden. Verbalisanten die op de melding afkwamen zagen een scooter rijden met daarop twee personen die voldeden aan het signalement dat de melder had gegeven. Dit was het enige voertuig dat zij in de nabije omgeving zagen. De bijrijder had een betonschaar in zijn handen. De personen op de scooter, verdachte en zijn medeverdachte, zijn vervolgens aangehouden. Daarnaast bevat het dossier camerabeelden waarop te zien is hoe de bakfiets wordt gestolen door twee personen. Op grond van de aangifte tezamen met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte samen met zijn medeverdachte de bakfiets heeft gestolen. Daarmee verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A
op 08 mei 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, een tas (van het merk Gassan), die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die tas
hardhandig uit de handen van die [slachtoffer 1] te rukken;
Zaak B
Feit 1
op 30 januari 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] op zijn hoofd te slaan en hem tegen het lichaam te duwen, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen;
Feit 2 op 30 januari 2026 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Zaak C
Feit 1
op 3 februari 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, een motorscooter (van het merk Kymco) (met kenteken [kenteken]), die aan [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak of een valse sleutel en die weg te nemen motor onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;
Feit 2 op 24 maart 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, een accu en een stuurcomputer (behorende bij een elektrische fiets van het merk Pegasus), die aan [slachtoffer 4] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en die weg te nemen accu en/of stuurcomputer onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;
Zaak E
Feit 1 op 18 november 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, een bakfiets (van het merk Urban Arrow), die aan [benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich die weg te nemen bakfiets onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.
5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
6. Motivering van de straffen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd. Daarnaast heeft zij gevorderd aan verdachte een taakstraf voor de duur 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht te volstaan met een taakstraf. Daarbij heeft de verdediging verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten en dat het gaat om een ‘first offender’.
Oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en driemaal aan diefstal door middel van verbreking. Door het plegen van deze feiten heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en dat hij zich alleen laten leiden door zijn persoonlijke behoeften en geldelijk gewin. Diefstal is een zeer vervelend feit die voor de gedupeerden veel hinder en schade veroorzaken, en wanneer deze gepaard gaat met geweld een inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling en daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een handelshoeveelheid harddrugs.
Hieruit volgt dat verdachte enkel heeft gehandeld uit geldbejag en zich niet heeft bekommerd om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van gebruikers en bijgedragen aan de met drugshandel gepaard gaande keten van criminele ondermijnende activiteiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van
23 juli 2026, opgemaakt door reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker]. Hierin staat onder meer het volgende:
“Verdachte lijkt de feiten te bagatelliseren en toont zich niet onder de indruk van het justitiële ingrijpen. Als belangrijkste criminogene factoren worden zijn negatieve sociale netwerk, zijn psychosociaal functioneren zijn bagatelliserende houding en mogelijk pro-criminele houding aangemerkt. Tegenover deze risico's staan als beschermende factoren de aanwezigheid van stabiele huisvesting, het goede contact met zijn familie, het ontbreken van
middelengebruik en zijn capaciteiten om zijn leven zelfstandig te organiseren.
Gelet op het feit dat verdachte in korte tijd in vijf afzonderlijke zaken wordt verdacht van
gekwalificeerde vermogensdelicten, in samenhang met de genoemde risicofactoren, wordt de kans op algemene recidive en geweldsrecidive ingeschat als gemiddeld tot hoog. Om dit risico te beperken zijn reclasseringsinterventies geïndiceerd. Verdachte weigert echter zijn medewerking te verlenen aan deze interventies. Hij geeft aan de meerwaarde van een reclasseringstoezicht niet in te zien.
Daarnaast ervaart hij een toezicht met bijzondere voorwaarden als een onevenredige verlenging van zijn straf; hij geeft er expliciet de voorkeur aan zijn detentiestraf volledig uit te zitten, omdat hij ervan uitgaat dat dit korter duurt dan een traject binnen het gedwongen kader. Gezien het ontbreken van motivatie voor gedragsverandering en het weigeren van medewerking aan reclasseringsbemoeienis, zijn reclasseringsinterventies op dit moment niet uitvoerbaar.”
Het toe te passen sanctiestelsel
Verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten in zaak C minderjarig. De rechtbank heeft gekeken naar de vraag of het sanctiestelsel voor minderjarigen of voor volwassenen moet worden toegepast. De rechtbank stelt voorop dat het bepaalde in artikel 495 Wetboek van strafvordering (Sv) als uitgangspunt heeft te gelden. Uit het vierde en zesde lid van dit artikel volgt dat de rechter in geval van gezamenlijke behandeling van strafbare feiten die zijn begaan vóór én nádat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, met inachtneming van de ontwikkelingsfase van de jongvolwassen verdachte tot één straf komt en dat daarbij toepassing van het volwassenenstrafrecht het uitgangspunt is. Berechting volgens het jeugdstrafrecht vindt ingevolge het vijfde lid van dit artikel slechts plaats indien de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De reclassering heeft geadviseerd het volwassenrecht toe te passen. De rechtbank heeft in het advies en tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding gezien om van de hoofdregel af te wijken en zal daarom het sanctiestelsel van het volwassenenstrafrecht toepassen. Wel zal de rechtbank voor de feiten die zijn begaan toen verdachte minderjarig was aansluiting zoeken bij het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor het jeugdstrafrecht (hierna: LOVS jeugd).
Straf
De rechtbank heeft kennisgenomen van de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten, ofwel de afspraken die rechtbanken onderling
hebben gemaakt over op te leggen straffen voor dezelfde soort feiten. Deze zijn als volgt:
Mishandeling door middel van een droge klap of schop: een geldboete ter hoogte van 700 euro (LOVS);
Opzettelijk aanwezig hebben van 10-50 gram harddrugs: een taakstraf voor de duur van 80 uren (LOVS);
Tasjesroof: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden (LOVS);
Diefstal van een elektrische fiets: een taakstraf voor de duur van 30 uren (LOVS);
Diefstal van een motorfiets: een taakstraf voor de duur van 80 uren (LOVS Jeugd);
Inbraak bedrijfspand: een taakstraf voor de duur van 120 uren (LOVS Jeugd).
Bij deze oriëntatiepunten moet, met uitzondering van het aanwezig hebben van harddrugs, nog rekening worden gehouden met het medeplegen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 177 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 200 uren passend. De rechtbank overweegt hierbij dat in de zaken C en D de redelijke termijn met een aantal maanden is overschreden. De rechtbank zou zonder overschrijding van deze termijn een taakstraf voor de duur van 240 uren hebben opgelegd. Al hoewel het er vooralsnog niet op lijkt dat verdachte op eigen kracht in staat is om een dagbesteding en inkomen te verwerven die hem zullen motiveren om geen strafbare feiten meer te plegen, zal de rechtbank gelet op de houding van verdachte tegenover hulp en steun van de reclassering, het advies van de reclassering volgen en geen bijzondere voorwaarden opleggen.
7. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Verbeurd verklaren
De betonschaar, slotentrekker, slijpmachine en fiets moeten verbeurd worden verklaard, omdat met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan.
Onttrekking aan het verkeer
De gashandel moet worden onttrokken aan het verkeer, nu deze van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Teruggave aan de verdachte en bewaren ten behoeve van de rechthebbende
Het geld (tot een bedrag van 200 euro) moeten worden teruggegeven aan verdachte, nu niet is gebleken dat deze zijn gerelateerd aan de bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van het overige bedrag 570,05 heeft verdachte verklaard dat dit niet zijn geld is. Gelet daarop zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
8. Vorderingen tot schadevergoeding
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij zal in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het in zaak D ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij zal in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het in zaak E onder 2 ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij vordert € 202,55 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag betreft parkeerkosten die de benadeelde partij heeft moeten maken omdat hij de bakfiets na de diefstal bijna drie maanden niet heeft kunnen gebruiken omdat deze voor onderzoek bij de politie stond.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding voldoende is onderbouwd en moet worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet verklaren gelet op de bepleite vrijspraak, subsdiair omdat de parkeerkosten niet zien op de diefstal maar op de periode dat de politie de bakfiets in beslag heeft gehad voor onderzoek en bovendien omdat de parkeerbonnen op naam staan van het bedrijf van de echtgenote van [benadeelde partij 2].
Oordeel van de rechtbank
De schade die [benadeelde partij 2] heeft geleden betreft rechtstreeks schade door het in zaak E onder 1 bewezenverklaarde. De politie heeft na de diefstal de bakfiets onder zich gehouden in verband met het onderzoek. Dit houdt rechtstreeks verband met de diefstal van de bakfiets. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd waarom dit tot kosten heeft geleid en tot welk bedrag. Dat de facturen op naam staan van het bedrijf van de echtgenote van [benadeelde partij 2], die eigenaar is van de fiets, maakt niet dat deze niet kunnen worden toegewezen. [benadeelde partij 2] heeft duidelijk gemaakt dat ze de bakfiets delen en dat de parkeerapp op naam staat van dit bedrijf.
De rechtbank acht de vordering voldoende onderbouwd en zal deze toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De rechtbank is van oordeel dat de toegewezen vordering hoofdelijk dient te worden
toegewezen omdat bewezen is verklaard dat verdachte de in zaak E onder 1 bewezenverklaarde feit samen met een ander heeft gepleegd. Verdachte en zijn
mededader zijn, als zij worden aangesproken door de benadeelde partij, ieder afzonderlijk
verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij de ander het hele
bedrag al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 2] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 300, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
10. Beslissing
[…]
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak B primair en subsidiair, zaak D en Zaak E onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A, zaak B meer subsidiair, zaak C en zaak E onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Ten aanzien van zaak B feit 1 meer subsidiair
medeplegen van mishandeling;
Ten aanzien van zaak B feit 2
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
Ten aanzien van zaak C feit 1 en 2 en zaak E feit 1
telkens: diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 177 (honderdzevenenzeventig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte van 90 (negentig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer
gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen.
Beslag
Verklaart verbeurd:
1. STK Betonschaar, goednummer 6582826;
1. STK Slotentrekker, goednummer 6582830;
1. STK Slijpmachine, goednummer 6582827;
1. STK Fiets Heren, goednummer 6811302;
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. STK Gashandel, goednummer 6811344;
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
200 EUR Geld, goednummer 6768227.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
570,05 EUR Geld, goednummer 6768227.
Vorderingen tot schadevergoeding
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde [benadeelde partij 2] toe tot € 202,55 (tweehonderdtwee euro en vijfenvijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 18 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2], behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 202,55
(tweehonderdtwee euro en vijfenvijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Verklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. B.E. Mildner en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.
[…]
[…] […]
[…]
[…] […]
[…] […]
[…] […]
[…] […] […] […] […] […] […]
[…] […] […] […] […] […]