ECLI:NL:RBAMS:2026:9975

ECLI:NL:RBAMS:2026:9975

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 13/122269-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vrijspraak voor een aantal diefstallen uit een auto, omdat het niet mogelijk is om vast te stellen dat verdachte degene is die de diefstallen heeft gepleegd en éénmaal omdat er sprake is van een voltooide diefstal en niet een poging. Veroordeling voor overige, te weten driemaal diefstal uit een auto en vijf pogingen daartoe. Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. BP N-O gelet op vrijspraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/122269-26

Datum uitspraak: 21 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in het [Penitentiaire Inrichting] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.N. Ebinum, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode 21 maart 2026 tot 24 april 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw heeft primair verzocht verdachte partieel vrij te spreken van de onder 1 ten laste gelegde diefstal met braak, namelijk voor zover dit ziet op de diefstallen gepleegd in de periode 21 t/m 23 maart en 8 t/m 16 april 2026. Dit betreffen de diefstallen uit de auto’s van [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Het dossier bevat hiervoor namelijk onvoldoende bewijs. Het enkele feit dat verdachte in de parkeergarage is geweest in die periodes, zoals mogelijk zou volgen uit camerabeelden, is onvoldoende om te stellen dat hij ook degene is geweest die die inbraken heeft gepleegd. Op de camerabeelden zijn dergelijke inbraken niet te zien. Ook de verklaring van verdachte dat hij meermaals in de parkeergarage is geweest en weleens iets gestolen heeft, kan niet gebruikt worden als steunbewijs; deze verklaring is niet specifiek genoeg en verdachte heeft ook verklaard zich niet veel meer te herinneren omdat hij alcohol had gedronken. Tot slot kan de modus operandi niet bijdragen aan het bewijs dat het verdachte was die de inbraken heeft gepleegd, immers een ruit intikken is een veelvoorkomende manier om een auto-inbraak te plegen. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het onderdeel braak ten aanzien van de auto’s van [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Op de camerabeelden is niet te zien dat de persoon in de parkeergarage autoruiten inslaat. Ten aanzien van aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] geldt meer specifiek nog dat op de camerabeelden te zien is dat de persoon in de garage de deuren van de auto’s opent zonder voorafgaand de ruiten te hebben ingeslagen. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de overige onder 1 ten laste gelegde diefstallen met braak gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2

Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht verdachte integraal vrij te spreken van de onder 2 ten laste gelegde pogingen tot diefstal met braak, nu het oogmerk om goederen uit de auto’s weg te nemen ontbrak. Verdachte was dronken en kan evengoed het oogmerk hebben gehad van vandalisme, dan wel impulsief en zonder enig oogmerk hebben gehandeld. Indien de rechtbank dit niet volgt, heeft de raadsvrouw verzocht verdachte vrij te spreken van het onderdeel braak ten aanzien van de auto’s van aangevers [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] , gepleegd tussen 21 en 23 maart 2026, nu niet op de camerabeelden te zien is dat de persoon in de garage autoruiten inslaat.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op drie verschillende data in de periode 21 maart tot en met 24 april 2026 in een parkeergarage in Amsterdam een reeks diefstallen uit auto’s en pogingen daartoe heeft gepleegd, waarbij hij de ruiten van auto’s heeft ingetikt en al dan niet goederen uit deze auto’s heeft gestolen.

Op camerabeelden van de parkeergarage van 22 maart en 16 april 2026 is een persoon te zien die met een zaklamp bij verschillende auto’s naar binnen schijnt en aan portieren voelt. Op camerabeelden van 24 april 2026 is te zien dat een persoon daarnaast ook een lifehammer vast heeft, daarmee ruiten van auto’s inslaat en auto’s doorzoekt. De persoon op de camerabeelden wordt door verbalisanten herkend als zijnde verdachte.

Bij één van de inbraken, gepleegd in de nacht van 23 op 24 april 2026, zou verdachte onder meer een iPhone hebben gestolen. De eigenaar van de iPhone - later aangever [benadeelde partij 6] - heeft de volgende dag via de applicatie “Find my iPhone” het signaal van zijn telefoon nog kunnen volgen, dat in Utrecht uitpeilde. Daar aangekomen heeft [benadeelde partij 6] de politie ingeschakeld, die verdachte staande hebben gehouden. Bij aanhouding werden in het heuptasje van verdachte twee iPhones en een Ipad aangetroffen, waaronder de iPhone van [benadeelde partij 6] . Verdachte verklaarde dat hij deze spullen gestolen had.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen uit bijlage II van oordeel dat verdachte zich in de nacht van 23 op 24 april 2026 schuldig heeft gemaakt aan verschillende diefstallen met braak en pogingen daartoe. Voor wat betreft de ten laste gelegde diefstallen met braak en pogingen daartoe op andere data dan voornoemd, stelt de rechtbank vast dat het dossier hiervoor onvoldoende bewijs bevat en zij spreekt verdachte hiervan dan ook vrij. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

4.3.2.1 Diefstallen gepleegd in de nacht van 23 op 24 april 2026

Voltooide diefstallen met braak (feit 1)

De rechtbank is op grond van de aangiftes in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte van oordeel dat verdachte zich in de nacht van 23 op 24 april 2026 schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak in de auto’s van [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] , door met een lifehammer de ruiten van de auto’s in te tikken en verschillende goederen weg te nemen, waaronder contant geld en mobiele telefoons.

Pogingen tot diefstal met braak (feit 2)

Ook is de rechtbank van oordeel dat verdachte diezelfde nacht heeft gepoogd in te breken in de auto’s van [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] , [benadeelde partij 13] en [benadeelde partij 15] , waarbij hij wederom de ruiten van deze auto’s heeft ingetikt, maar uiteindelijk geen goederen heeft weggenomen. Met betrekking tot deze pogingen is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat bij verdachte wel degelijk het oogmerk bestond goederen uit de auto’s weg te nemen. De rechtbank leidt dit oogmerk onder meer af uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte. Op camerabeelden van de bewuste nacht is te zien dat verdachte door de parkeergarage loopt, met een zaklamp bij verschillende auto’s naar binnen schijnt, aan portieren voelt en met een lifehammer meerdere ruiten inslaat, waarmee hij zich toegang tot de auto’s verschaft en op zoek gaat naar spullen. Vast staat verder dat de verdachte op diezelfde avond in dezelfde parkeergarage uit een aantal andere auto’s wél goederen heeft gestolen, en verdachte heeft dit ook bekend. Die constateringen, in onderlinge samenhang bezien, maken dat het niet anders kan dan dat ook bij de auto’s van [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] , [benadeelde partij 13] en [benadeelde partij 15] zijn oogmerk daarop gericht was.

Partiele vrijspraak voor poging diefstal met braak auto [benadeelde partij 14] (feit 2)

Ten aanzien van de aan verdachte ten laste gelegde poging tot diefstal met braak in de auto van [benadeelde partij 14] , merkt de rechtbank op dat uit de aangifte van [benadeelde partij 14] blijkt dat in haar auto een blikje cola lag dat na inbraak blijkt te zijn leeggedronken. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij in de nacht van 23 op 24 april 2026 in een van de auto’s een colablikje aantrof dat hij heeft leeggedronken. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een voltooide diefstal met braak. Nu dit feit echter ten laste is gelegd als een poging tot diefstal met braak, zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

4.3.2.2 Vrijspraak diefstallen gepleegd op 22 – 23 maart & 8 – 16 april 2026

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte de diefstallen met braak (feit 1) dan wel pogingen daartoe (feit 2) in de nacht van 21 op 22 maart 2026 (aangevers [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] ) en in de periode 8 tot 16 april 2026 (aangever [benadeelde partij 1] ) heeft gepleegd. Weliswaar bevat het dossier camerabeelden van 22 maart en 16 april 2026 waarop verbalisanten verdachte herkennen als de man die door de parkeergarage loopt, in auto’s kijkt en aan portieren voelt, maar op deze beelden is niet te zien dat verdachte ook daadwerkelijk inbraken pleegt. Op basis van het dossier valt verder niet uit te sluiten dat naast verdachte, ook andere personen de parkeergarage in die periode hebben betreden en mogelijk dus een ander dan verdachte de (poging tot) auto-inbraken heeft gepleegd. Naast de aangiftes blijft dan enkel als steunbewijs over de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij meermaals in de betreffende parkeergarage is geweest en daarbij ook goederen uit auto’s heeft gestolen. Echter kan verdachte zich niet goed herinneren wanneer dit was en om welke goederen het ging. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat deze verklaring onvoldoende specifiek is en geen steunbewijs oplevert voor deze tenlastegelegde diefstallen en pogingen daartoe. Dit maakt dat ten aanzien van voornoemde (pogingen tot) auto-inbraken niet voldaan is aan het bewijsminimum en verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

De overige door de raadsvrouw gevoerde verweren ten aanzien van (onderdelen van) de ten laste gelegde feiten behoeven gelet op de vrijspraak geen verdere bespreking.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 23 april 2026 tot en met 24 april 2026 te Amsterdam,

-een mobiele telefoon, die aan [benadeelde partij 5] en/of [bedrijfsnaam] (kenteken: [kenteken 1] ) toebehoorde, en

-een mobiele telefoon, die aan [benadeelde partij 6] (kenteken: [kenteken 2] ) toebehoorde, en

-een onbekende hoeveelheid contant geld, die aan [benadeelde partij 7] (kenteken: [kenteken 3] ) toebehoorde,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2.

in de periode van 23 april 2026 tot en met 24 april 2026 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen die aan:

- [benadeelde partij 10] (kenteken: [kenteken 4] ), en

- [benadeelde partij 11] (kenteken: [kenteken 5] ), en

- [benadeelde partij 12] (kenteken: [kenteken 6] ), en

- [benadeelde partij 13] (kenteken: [kenteken 7] ), en

- [benadeelde partij 15] (kenteken: [kenteken 8] ),

weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, door autoruiten in te tikken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, indien zij tot strafoplegging zou overgaan, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij ten tijde van het ten laste gelegde dakloos was, en kampte met geld-, verslavings- en psychische problemen. Ook heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte onder invloed was van alcohol en medicatie. De raadsvrouw heeft daarnaast opgemerkt dat de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bij diefstal uit een auto een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voorschrijven van 6 weken, maar dat het in deze zaak – voor zover bewezen – gaat om één doorlopende actie en niet meerdere losse diefstallen, zodat het uitgangspunt van 6 weken niet per feit zou moeten worden opgeteld.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht te volstaan met een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf, gelijk aan de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en de voorlopige hechtenis bij uitspraak om die reden op te heffen. .

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen uit auto’s, waarbij telefoons en contant geld zijn weggenomen. Ook zijn er vijf pogingen daartoe gedaan. In alle gevallen is verdachte die voertuigen binnengegaan door de autoruit in te slaan. Dit zijn kwalijke feiten en getuigen van weinig respect voor eigendommen van anderen. Dergelijke inbraken veroorzaken niet alleen hinder en financiële schade, maar dragen ook bij aan gevoelens van onveiligheid ten aanzien van de eigen woonomgeving. Het betrof namelijk een parkeergarage behorende bij een appartementencomplex.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 24 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het meest recente reclasseringsadvies over verdachte, opgesteld door Reclassering Nederland van datum 3 april 2026. Dit rapport is opgesteld in het kader van een eerdere verdenking. Uit dit rapport volgt dat eventuele trajecten voor hulp en/of begeleiding in de vorm van bijzondere voorwaarden niet geïndiceerd zijn, omdat verdachte geen duurzaam verblijfsstatus en een beperkt toekomstperspectief in Nederland heeft. De rechtbank houdt hiermee rekening bij de strafoplegging.

Strafoplegging

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het LOVS. Als oriëntatiepunt voor diefstal uit een auto met veelvuldige recidive geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden. Bij een poging wordt deze straf met een derde verminderd. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het in deze zaak niet opportuun is het uitgangspunt voor de verschillende bewezenverklaarde diefstallen op te tellen, te meer omdat de diefstallen plaatsvonden op één avond.

De rechtbank is verder van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, en omdat zij minder bewezen verklaart dan de officier van justitie, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank volgt de verdediging niet in het verzoek om een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Op het moment van deze uitspraak heeft verdachte 120 dagen in voorlopige hechtenis gezeten. De rechtbank vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden te kort in vergelijking tot straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij is ook van belang dat verdachte al meerdere malen is veroordeeld voor diefstallen (waaronder auto-inbraken), hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden wederom dergelijke feiten te plegen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Voorlopige hechtenis

In het licht van het voorgaande doet een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zich nog niet voor en wijst de rechtbank het verzoek van de raadsvrouw om de voorlopige hechtenis onmiddellijk bij uitspraak op te heffen, af.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 600,- aan vergoeding van materiële schade, vanwege twee vernielde autoruiten (€ 125,- per stuk), en de uit de auto gestolen goederen, te weten contant geld (€ 100,-) en Airpods Pro (€ 250,-), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal met braak uit de auto van [benadeelde partij 3] , zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;

en

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Verklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.F. Bögemann, voorzitter,

mrs. S.F. van Merwijk en M.E. Kleinherenbrink rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 augustus 2026.

[…]

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.J.D. Hartman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand