ECLI:NL:RBAMS:2026:9892

ECLI:NL:RBAMS:2026:9892

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 13/142013-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vrijspraak voor poging doodslag en zware mishandeling; poging zware mishandeling bewezen. Het beroep op noodweer is verworpen, omdat geen noodweersituatie aannemelijk is geworden. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 98 dagen, waarvan 51 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Anders dan de reclassering geadviseerd heeft, verbindt de rechtbank geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel, gelet op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Strafrecht

Parketnummer: 13/142013-25

Datum uitspraak: 22 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat de (gemachtigde) raadsvrouw van de verdachte, mr. S.T.M. Eijsbouts, naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort weergegeven en na wijziging op de terechtzitting – ten laste gelegd dat hij zich op 8 mei 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een (stanley)mes in het gezicht van [aangever] te steken, te snijden of te krassen. Dit is subsidiair ten laste gelegd als een zware mishandeling, meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meest subsidiair als een eenvoudige mishandeling.

De volledige (gewijzigde) tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [aangever] . Wel heeft zij gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. Ter terechtzitting is gebleken dat de als getuige verschenen [aangever] een litteken in zijn gezicht heeft overgehouden aan het steekincident. Nu dit incident bijna een jaar geleden heeft plaatsgevonden, is volledig herstel van dit letsel niet meer te verwachten. Er is daarom sprake van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast is het steken met een stanleymes in iemands gezicht zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat voorwaardelijk opzet kan worden aangenomen.

Het standpunt van de verdediging

Allereerst heeft de raadsvrouw bepleit dat de getuigenverklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Verder heeft zij primair verzocht de verdachte integraal vrij te spreken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met opzet heeft gestoken, gesneden of gekrast. Het is volgens haar namelijk onduidelijk hoe en met welke kracht het gezicht van [aangever] met het mes is geraakt. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte vrij te spreken van het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire ten laste gelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever] . Ook is volgens haar het letsel van [aangever] niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het meest subsidiaire feit refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 8 mei 2025 bevond de verdachte zich op [locatie] in Amsterdam. Daar is hij in contact gekomen met een groep [afkomst] jongens waar aangever [aangever] deel van uitmaakte. De verdachte heeft zich bij de groep gevoegd, waarna een woordenwisseling tussen en hem en [aangever] is ontstaan. [aangever] heeft toen zijn joint tegen de verdachte aangegooid. De verdachte heeft op enig moment een stanleymes gepakt en hiermee een zwaaiende beweging richting [aangever] gemaakt. Hij heeft hierbij [aangever] op zijn wang, bij zijn kaak, geraakt. [aangever] bleek een snijwond te hebben van zijn kin tot halverwege zijn kaak van ongeveer 10 centimeter lang.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte door op deze wijze te handelen zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, zware mishandeling, een poging tot zware mishandeling of eenvoudige mishandeling.

Vrijspraak van poging tot doodslag

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat een poging tot doodslag niet bewezen kan worden en overweegt daarover als volgt.

Voor het aannemen van een poging tot doodslag dient de verdachte (voorwaardelijk) opzet te hebben gehad op de dood van [aangever] .

Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [aangever] heeft gehad. De verdachte heeft met een stanleymes op korte afstand een zwaaiende beweging naar [aangever] gemaakt en daarbij zijn wang geraakt. De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte [aangever] vol heeft kunnen en willen raken. Evenmin is duidelijk met welke kracht hij met het stanleymes heeft uitgehaald. Ook ontbreekt een letselrapport met medische informatie over de toedracht van het letsel en de snijwond. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [aangever] door het handelen van de verdachte het leven zou verliezen, dan wel dat de verdachte deze kans bewust zou hebben aanvaard. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit daarom niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dan ook vrijgesproken.

Vrijspraak van zware mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat ook zware mishandeling niet bewezen kan worden en overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel de gevallen begrepen onder artikel 82 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) worden verstaan. Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan ook buiten deze gevallen lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd, wanneer dat letsel voldoende ernstig is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd.

In het dossier bevindt zich geen medische informatie die de snijwond nader duidt. Het dossier bevat enkel twee foto’s waarop de snijwond te zien is. Deze lijkt oppervlakkig en ongeveer tien centimeter lang. Het ontbreekt de rechtbank aan informatie of, en zo ja, welk medisch ingrijpen nodig is geweest. Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting kunnen waarnemen dat de snijwond is hersteld en dat [aangever] een weliswaar zichtbaar, maar niet al te ontsierend litteken heeft, in de vorm van een dunne witte lijn op de met baardhaar begroeide huid van de kaak.

De rechtbank komt tot de conclusie dit letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Het subsidiair ten laste gelegde feit is daarom niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dan ook vrijgesproken.

Het oordeel over de poging tot zware mishandeling

Voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat er sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van dit letsel heeft gehad. De rechtbank overweegt dat niet vast is komen te staan dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever] . De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [aangever] heeft aanvaard.

Voorwaardelijk opzet

De verdachte heeft met een stanleymes op korte afstand een zwaaiende beweging richting het hoofd van [aangever] gemaakt, waarbij hij zijn wang heeft geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar gedeelte van het lichaam betreft en dat zich in het gezicht kwetsbare onderdelen van het menselijk lichaam bevinden, zoals de ogen en belangrijke bloedvaten. Wanneer het gezicht van een ander met een scherp mes wordt geraakt, bestaat naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan en dat de ander aan dit letsel een ontsierend litteken overhoudt.

De rechtbank overweegt daarnaast dat de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan de gedraging van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te zijn gericht dat het, zonder enige aanwijzing voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op zwaar lichamelijk letsel bij [aangever] .

Conclusie

De verdachte heeft door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever] aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte

op 8 mei 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] met een stanleymes in zijn gezicht heeft gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van het feit

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat – indien een poging tot zware mishandeling bewezen wordt – de verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging, omdat hij handelde uit noodweer. De verdachte zou pas nadat de groep hem aanviel en [aangever] hem met een fles op zijn hoofd heeft geslagen, het stanleymes hebben gepakt. Zijn handelen bestond daarmee uit een door een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding geboden verdediging, waarbij weglopen geen mogelijkheid was vanwege de aanvallende houding van de groep. Volgens de raadsvrouw vindt de verklaring van de verdachte steun in de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], omdat zij hebben waargenomen dat een groep van ongeveer tien personen slaande bewegingen richting de verdachte maakte en achter hem aan is gegaan toen hij probeerde weg te rennen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet slaagt, omdat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. Volgens haar vindt de verklaring van de verdachte, dat hij pas gestoken heeft nadat hij werd aangevallen, geen steun in het dossier. Zij acht het bewezen verklaarde daarom strafbaar.

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, Sr is vereist dat de verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed of van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daarnaast moet de verdediging noodzakelijk en proportioneel zijn geweest.

Bij een beroep op noodweer moet de rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door de verdachte aan het verweer ten grondslag is gelegd en zoals die uit de wettelijke bewijsmiddelen kan worden afgeleid, aannemelijk is geworden. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de door de verdachte geschetste toedracht een beroep op noodweer rechtvaardigt.

Over de aanleiding en de toedracht van het steekincident lopen de lezingen uiteen. [aangever] heeft verklaard dat de verdachte hem benaderde, vroeg om een joint, deze niet wilde teruggeven en vervolgens boos werd. Als reactie daarop heeft [aangever] zijn joint naar de verdachte gegooid, waarna deze een stanleymes heeft gepakt en hem heeft gesneden. De verdachte heeft verklaard dat hij op vriendelijke wijze met de groep van [aangever] in contact kwam, maar dat hij door hen onvriendelijk werd weggestuurd. Hij ontkent dat de aanleiding iets met drugs te maken zou hebben gehad. De verdachte zou zijn aangevallen door de groep en hij zou door [aangever] met een fles op zijn hoofd zijn geslagen. De verdachte zou het stanleymes hebben gepakt om afstand te creëren en daarbij [aangever] hebben geraakt. [aangever] verklaart dat hij de verdachte inderdaad met een fles heeft geslagen, maar dat hij dit pas heeft gedaan nadat de verdachte hem heeft gesneden.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. De verklaring van de verdachte dat hij pas gezwaaid heeft met het stanleymes nadat hij werd aangevallen, vindt geen steun in het dossier. Verschillende getuigen hebben een verklaring afgelegd en hoewel die verklaringen niet op alle punten overeenkomen, verklaart niemand dat het geweld bij een ander dan de verdachte is begonnen. De verklaringen van de twee verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] maken dat niet anders. Hoewel zij slaande bewegingen vanuit de groep van aangever richting de verdachte hebben gezien, bevestigt dit niet dat dit de aanleiding van het incident is geweest. De verbalisanten verklaren immers expliciet dat zij de aanleiding niet hebben gezien. Nu de verklaring van de verdachte dat hij zich moest verdedigen op zichzelf staat en op geen enkele wijze wordt ondersteund, acht de rechtbank de gestelde noodweersituatie niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Het bestaan van een (andere) rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Het bewezen geacht feit is volgens de wet strafbaar.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

Eis van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 98 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 52 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om – indien de rechtbank tot een strafoplegging komt – rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat hij licht verstandelijk beperkt is, gevlucht is uit [geboorteland] en op dit moment aanspraak maakt op een begeleide woonplek, waarbij hij ook ambulante behandeling zal krijgen. Indien de verdachte een vrijheidsbenemende straf opgelegd zou krijgen, wordt hem deze hulp ontnomen. Dit zal zijn maatschappelijke stabiliteit verstoren. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de deels vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft op [locatie] in Amsterdam na een woordenwisseling met het slachtoffer een stanleymes gepakt en daarmee een zwaaiende beweging richting het gezicht van het slachtoffer gemaakt. Het slachtoffer heeft hierdoor een snijwond bij zijn kaak opgelopen.

De verdachte heeft hierdoor een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Het is een kwestie van geluk dat zijn handelen geen ernstiger letsel heeft teweeggebracht. Dat het slachtoffer relatief licht letsel aan het feit heeft overgehouden, is niet aan het handelen van de verdachte te danken. Dit soort geweldsincidenten zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, te meer omdat het steekincident op een drukke publieke plek plaatsvond waar meerdere personen getuigen van zijn geweest.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 17 juli 2025. Uit dit rapport blijkt – kort gezegd – dat de verdachte instabiliteit kent op meerdere leefgebieden. Hij is gevlucht uit [geboorteland] en heeft enige tijd in een asielzoekerscentrum verbleven. Daarna heeft hij geprobeerd om op zichzelf te wonen, maar hij heeft moeite om zonder hulp zijn leven vorm te geven. Verder is de verdachte laaggeschoold en lukt het hem niet om een baan te vinden of deze te behouden. Ook heeft hij geen zinvolle dagbesteding. De verdachte maakt zich veel zorgen over zijn familie die nog in [geboorteland] woont. Deze zorgen hebben invloed op zijn psychosociaal functioneren en resulteren erin dat hij naar alcohol grijpt. Omtrent zijn psyche wordt ook nog opgemerkt dat hij een licht verstandelijke beperking heeft en soms verward gedrag vertoont. Gelet op het voorgaande schat de reclassering het recidiverisico in als hoog en worden interventies geïndiceerd. De reclassering adviseert daarom, bij een bewezenverklaring, een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank stelt vast dat het rapport van de reclassering van een jaar geleden dateert en is verschenen nadat de preventieve hechtenis van de verdachte is geschorst. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte sinds het uitbrengen van het rapport deels veranderd zijn. Hij verblijft op dit moment bij een daklozenopvang in Breda en maakt aanspraak op een woning (doorloopplek) waarbij hij ambulant begeleid en behandeld zal worden. De raadsvrouw geeft aan dat de verdachte moeite heeft om zonder hulp zijn leven op orde te krijgen, maar dat het lijkt dat hij bij deze opvang de juiste hulpverlening zal krijgen. Ook meldt zij desgevraagd dat de schorsing van zijn preventieve hechtenis goed is verlopen. Nu de verdachte tijdens zijn schorsing geen contact heeft gehad met de reclassering en hij nu hulpverlening krijgt, is het volgens haar de vraag of de reclassering nog iets voor hem kan betekenen.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 11 augustus 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. De rechtbank merkt de verdachte daarom aan als first offender. Wel heeft de verdachte op 1 september 2025 een strafbeschikking ontvangen. Deze strafbeschikking dateert van na de pleegdatum van het bewezenverklaarde, zodat artikel 63 Sr van toepassing is.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor de strafoplegging. Het oriëntatiepunt voor een first offender voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. Nu de rechtbank een poging bewezen verklaart, zou dit neerkomen op iets meer dan vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken en overweegt als volgt.

Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte een kwetsbaar persoon is die een woonplek en hulpverlening nodig heeft. Op beide aspecten maakt hij momenteel, na een langere periode van instabiliteit, aanspraak. Naar het oordeel van de rechtbank is zowel de verdachte als de maatschappij erbij gebaat wanneer de verdachte zijn huidige traject kan voortzetten. Daarnaast heeft de verdachte niet eerder een geweldsdelict gepleegd en is hij het afgelopen jaar niet meer met justitie in aanraking gekomen. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel opleggen als stok achter de deur. Anders dan de reclassering ziet de rechtbank thans geen heil meer in het opleggen van bijzondere voorwaarden. De schorsing van de preventieve hechtenis is zonder bijzondere voorwaarden goed verlopen en de verdachte krijgt op dit moment al hulpverlening. De rechtbank ziet daarom onvoldoende aanleiding om bijzondere voorwaarden met reclasseringstoezicht aan een voorwaardelijk strafdeel te koppelen. Zij zal dan ook de eis van de officier van justitie volgen. De rechtbank zal 51 dagen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, omdat de verdachte 47 dagen in preventieve hechtenis heeft doorgebracht.

Resumerend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 98 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 51 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 98 (achtennegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 51 (eenenvijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Voorlopige hechtenis:

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mr. G.J.M. Kruizinga en mr. A.E. Wilbrink rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.H.G. Brinkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 september 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B. Vogel
  • mr. G.J.M. Kruizinga
  • mr. A.E. Wilbrink

Griffier

  • mr. M.H.G. Brinkman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand