RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het op 23 augustus 2026 ingekomen en onder rekestnummer C/13/792921 HA RK 26-328 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van de meervoudige strafkamer bestaande uit mrs. R.A. Sipkens, voorzitter, en D.M.S. Gribling en G.J.M. Kruizinga, leden van de meervoudige strafkamer te Amsterdam, hierna: de rechters.
1. Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
de schriftelijke vastlegging en aanvulling wrakingsverzoek van 23 augustus 2026, ingekomen op 23 augustus 2026;
het wrakingsverzoek-deel 2 met producties, ingekomen op 28 augustus 2026;
het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer op 18 augustus 2026, ingekomen op 14 september 2026;
het verzoek tot herstel en aanvulling van dit proces-verbaal van 18 september 2026.
De rechters hebben niet in de wraking berust.
2. De feiten
Verzoeker is verdachte in de strafzaken met parketnummers 09-193078-25, 13-350264-25, 13-350262-25 (ter terechtzitting gevoegd) en 10/101389-22 (tul).
Op 18 augustus 2026 heeft een regiezitting plaatsgevonden.
Daarbij zijn verzoeken van de verdediging tot benoeming van deskundigen afgewezen.
Na ontvangst van het wrakingsverzoek heeft de Wrakingskamer dit wrakingsverzoek aan de zittingscombinatie doorgeleid met het verzoek een proces-verbaal op te maken.
Blijkens dit proces-verbaal heeft verzoeker onder meer verklaard:
“Ik verzoek om één van de twee gevraagde deskundigenonderzoeken toe te wijzen. Het afwijzen van beide verzochte deskundigenonderzoek betreft een voorwaardelijke wrakingsgrond.”
“Ik ga om een andere rechtbank verzoeken. Net als de rechtbank Den Haag bent u onbevoegd om deze zaken te behandelen. Zowel met deze flauwekul, als met de perskwestie en de opmerking van de voorzitter dat er een dreiging zou bestaan van doxing heeft u voldoende de schijn van partijdigheid gewekt (…) Los van de verhuizing naar een andere rechtbank, zal ik met mijn advocaat overleggen over het indienen van een wrakingsverzoek.”
3. Het verzoek
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij tijdens de regiezitting mondeling een wrakingsverzoek heeft gedaan. Dit betrof een voorwaardelijk verzoek voor het geval de door verzoeker verzochte deskundigenonderzoeken zouden worden afgewezen. Verzoeker heeft voorts onder meer aangevoerd: “Het verzoek berust niet op de enkele afwijzing van onderzoekswensen. De kern is dat reeds aan het begin van één regiezitting een persoonsgerichte doxingrisicotaxatie en een bijzondere identiteitsbescherming voor de officier van justitie werden aangekondigd, waarna een reeks verdere beslissingen en uitlatingen volgde die gezamenlijk een asymmetrische en reeds gevormde beoordeling van mijn positie zichtbaar maken. De rechtbank sloot onafhankelijk onderzoek naar mijn oogmerk, motieven en institutionele context af, kwalificeerde de beoordeling tegelijk als uitsluitend objectief, maar behandelde mij zonder concrete dreigingsinformatie wel als een persoonsgericht doxingrisico. De voorzitter heeft daarbij uitdrukkelijk ontkend dat mijn concrete contact met de eerdere zaaksofficier mr. Disa Jironet-Loewe de aanleiding was. Daarmee wekt de negatieve gedragsprognose juist bij twee ten laste gelegde doxingfeiten objectief de indruk mede te berusten op een negatieve aanname over mijn handelen of motief die de rechtbank in de hoofdzaak nog onbevangen moet beoordelen.
Daarbij komt dat het reeds omstreeks 10.30 uur gedane voorwaardelijke wrakingsverzoek door de afwijzing van beide deskundigen onvoorwaardelijke werking kreeg, maar de behandeling niet aan de wrakingskamer is overgedragen. De voorgeschiedenis van één van de strafzaken maakt juist die gang van zaken inhoudelijk relevant.”
Verzoeker heeft voorts 7 wrakingsgronden aangevoerd en uitgewerkt die zijn getiteld:
Wrakingsgrond 1 - reeds op 18 augustus gedane voorwaardelijke wraking;
Wrakingsgrond 2 - doorprocederen nadat de voorwaarde was vervuld;
Wrakingsgrond 3 - persoonsgerichte kwalificatie als doxingrisico zonder concrete dreigingsinformatie;
Wrakingsgrond 4 - ambtshalve anonimiseren van de officier van justitie in het proces-verbaal zonder kenbare grondslag;
Wrakingsgrond 5 - de subjectieve en contextuele kern van de verdediging bij voorbaat afgesloten;
Wrakingsgrond 6 - op 18 augustus nog steeds geen individueel en concreet voorstel voor persopnamen;
Wrakingsgrond 7 - regiebehandeling voortgezet terwijl de informatiepositie van de verdediging aantoonbaar onvolledig was.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 512 Sv kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat sprake kan zijn van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden indien de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.
In zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
De gronden van het wrakingsverzoek betreffen in hoofdzaak beslissingen van de rechters, namelijk:
1. het beslissen op onderzoekswensen (grond 1,5 en 7);
2. het besluit om de naam van de officier van justitie niet op te nemen in het proces-verbaal (grond 3 en 4);
3. het besluit om geen opnames toe te staan tijdens de zitting (grond 6).
Deze beslissingen kunnen op grond van bovenstaand arrest niet leiden tot een gegrond verzoek. De motivering van de beslissing tot het niet opnemen van de naam van de officier van justitie in het proces-verbaal van de zitting – te weten dat er dreiging bestaat van doxing – is geen motivering die niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
De tweede wrakingsgrond betreft de voortzetting van de behandeling ter zitting nadat de voorwaarde waaronder het wrakingsverzoek was ingediend was vervuld door afwijzing van onderzoekswensen. Die grond is feitelijk onjuist omdat de zitting eindigde met het meedelen van de beslissingen op de onderzoekswensen. De objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid volgt niet uit het enkele feit dat de behandeling ter zitting korte tijd zou zijn voortgezet nadat de voorwaarde is vervuld.
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
Omdat verzoeker het middel tot wraking, lichtvaardig, want zonder redelijke grond heeft ingezet, is sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking in de zaken niet in behandeling worden genomen.
5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaken niet meer in behandeling zal worden genomen.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.