RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12042033 \ CV EXPL 26-51
Vonnis van 24 juli 2026
in de zaak van
BROUWER TECHNISCHE HANDELSONDERNEMINGEN B.V.,
te Alkmaar,
eisende partij,
hierna te noemen: Brouwer,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] (H.O.D.N. [handelsnaam] ),
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 juni 2026 (hierna: het tussenvonnis),
- het bericht van Brouwer van 25 juni 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Brouwer vordert een hoofdsom van € 5.949,40 van [gedaagde] (zie het tussenvonnis onder 2.4., 2.5. en 3.1.). Bij het tussenvonnis heeft de kantonrechter Brouwer opgedragen te bewijzen dat [gedaagde] de goederen vermeld op de facturen met ordernummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] heeft gekocht en vervolgens heeft opgehaald of geleverd heeft gekregen. Daarnaast is Brouwer toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als juist aangenomen stelling van [gedaagde] dat hij de oude boilers compleet heeft geretourneerd.
Bij bericht van 25 juni 2026 heeft Brouwer te kennen gegeven dat zij afziet van het leveren van (tegen)bewijs. Zij heeft de kantonrechter verzocht om eindvonnis te wijzen op basis van de stukken die in het dossier zitten.
Omdat Brouwer afziet van het leveren van bewijs dat [gedaagde] de goederen vermeld op de facturen met ordernummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] heeft gekocht en vervolgens heeft opgehaald of geleverd heeft gekregen, kan niet worden vastgesteld dat aan deze facturen koopovereenkomsten tussen Brouwer en [gedaagde] ten grondslag liggen. Dat betekent dat ook niet kan worden vastgesteld dat Brouwer een opeisbare vordering heeft op [gedaagde] en [gedaagde] niet kan worden veroordeeld tot de nakoming daarvan. De door Brouwer gevorderde hoofdsom voor zover die berust op de deze facturen (€ 3.297,14 incl. btw) wordt daarom afgewezen.
Omdat Brouwer afziet van het leveren van tegenbewijs tegen de bij het tussenvonnis op voorshands als juist aangenomen stelling dat [gedaagde] zes van de oude boilers compleet heeft geretourneerd, neemt de kantonrechter die stelling als vaststaand aan. Dat betekent dat Brouwer de koopprijs van zes van de oude boilers op de aan [gedaagde] gerichte factuur van € 2.956,03 incl. btw in mindering had moeten brengen. Voor [gedaagde] zou dan een bedrag van €55,66 incl. btw op de factuur resteren. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] al een bedrag van € 303,77 heeft betaald, wordt de door Brouwer gevorderde hoofdsom ook voor het overige afgewezen.
Conclusie
De vorderingen van Brouwer worden afgewezen. Dit betekent dat ook de door Brouwer gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten moeten worden afgewezen.
Omdat Brouwer in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] procedeert in persoon en is op de zitting verschenen. De kantonrechter zal daarom een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten toekennen.
3. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van Brouwer af,
veroordeelt Brouwer in de proceskosten van [gedaagde] van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Brouwer niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Klinkhamer en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.