ECLI:NL:RBAMS:2026:9848

ECLI:NL:RBAMS:2026:9848

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-09-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer C/13/791501 / HA RK 26-273
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Wrakingsverzoek afgewezen. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de gang van zaken bij de mondelinge behandeling, is het niet tijdig gedaan. Het verzoek ziet voorts op een rechterlijke beslissing die geen grond tot wraking kan vormen. Ook uit de motivering van die beslissing blijkt geen (objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beslissing van 21 september 2026 op het op 21 juli 2026 gedane en onder zaaknummer C/13/791501 HA/RK 26/273 ingeschreven verzoek van:

Townspace Property B.V.,

gevestigd te Amsterdam, verzoekster,

advocaat mr. B.S. Friedberg te Amstelveen,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. R.A. Dudok van Heel, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1. 1. De procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 september 2026. Namens verzoekster zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] met mr. Friedberg. Vanwege persoonlijke omstandigheden is de rechter niet verschenen. Wel is verschenen haar teamvoorzitter mr. M. Wouters. Als toehoorder waren aanwezig mr. J.W. Verhoef, advocaat te Amsterdam en [naam 3]. De notitie die mr. Verhoef voorafgaand aan de zitting naar de wrakingskamer heeft gezonden is niet aan het dossier toegevoegd omdat zijn cliënt geen partij is in deze wrakingszaak.De beslissing is bepaald op 24 september 2026.

2. De feiten

3. Het verzoek en de gronden daarvan

Verzoekster heeft aangevoerd dat de zitting op 4 mei 2026 totaal chaotisch verliep. Wat een relatief simpele zitting had kunnen zijn ontspoorde geheel. Mr. Verhoef pleitte op een dermate bijzondere wijze dat de rechter haar greep op de zitting verloor. Dit leidde tot een zeer onaangename sfeer op de zitting en het kwam daardoor niet tot een goede inhoudelijke behandeling. Verzoekster voelde zich hierdoor onvoldoende gehoord en van belang zijnde feiten kwamen hierdoor onvoldoende aan de orde. Teneinde meer grip te krijgen heeft de rechter de zitting geschorst met als doel de stukken alsnog zoveel mogelijk door te nemen, maar ook na de schorsing bleef de zitting chaotisch verlopen. Aan het einde van de zitting deelde de rechter mede dat zij het dossier nogmaals zou doornemen en op 15 juni 2026 een beschikking zou afgeven. Dit gebeurde echter niet. Pas op 8 juli 2026 ontving verzoekster het bericht dat de zaak tot maar liefst 1 oktober 2026 zou worden aangehouden “voor beraad”. Daarbij werd verwezen naar een geheel andere procedure die bij deze rechtbank aanhangig is en waarbij Amog geen partij is. Dat de rechter vanwege een geheel andere procedure geen inhoudelijke beschikking afgeeft in de zaak van verzoekster, is onjuist. Al met al neemt de rechter de zaak in het geheel niet voortvarend ter hand. Verzoekster is van mening dat de rechter hierdoor partijdig en vooringenomen is en wel om de volgende redenen. (a) Het onprofessionele verloop van de procedure. Dit bestaat eruit dat de rechter zich onvoldoende had voorbereid op de mondelinge behandeling en dat de toezeggingen om op 26 februari 2026 of op 18 juni 2026 een beschikking te wijzen niet zijn nagekomen. (b) Het weigeren om een beschikking te geven en de afgifte van de beschikking afhankelijk te maken van een andere procedure waarin het debat en de juridische feiten geheel anders liggen. Daarbij is van belang dat de rechter in de ene zaak geen kennis mag nemen van het debat in de andere zaak. In dit geval zijn beide rechters de zaken met elkaar aan het afstemmen, hetgeen niet is toegestaan. De rechter laat immers haar oordeel afhangen van een beoordeling door een andere rechter, in de wetenschap dat het om andere partijen gaat en om een geheel ander feitencomplex. (c) De invloed van de rechter op de procedure en op de positie van partijen. Verzoekster heeft belang bij een spoedige beslissing en door geen beschikking af te geven benadeelt de rechter verzoekster in hoge mate. De rechter stagneert het proces tegen Amog. Amog heeft verplichtingen jegens verzoekster, die ze niet nakomt en zolang Amog niet herleeft hoeft zij zich hierover niet te verantwoorden. Feitelijk is sprake van rechtsweigering. Dit is vooringenomen en partijdig. Het is evident dat verzoekster deze gang van zaken volkomen onjuist en verwerpelijk vindt en geen enkel vertrouwen meer heeft in een juist verloop van de rechtsgang.

4. De reactie van de rechter

De rechter berust niet in de wraking. De rechter heeft in haar schriftelijke reactie – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de behandeling van het verzoekschrift inderdaad rommelig is verlopen, maar dat zij niet inziet hoe de gang van zaken de schijn van partijdigheid heeft kunnen wekken. De rechter kreeg het dossier pas op 9 maart 2026 voor het eerst onder ogen en zij heeft toen beslist dat een mondelinge behandeling moest plaatsvinden. Tijdens de voorbereiding van die mondelinge behandeling is de rechter gestuit op het vonnis in incident van 25 maart 2026 in de andere zaak van verzoekster. Op de mondelinge behandeling van 4 mei 2026 nam de rechter voor het eerst kennis van het verweer van mr. Verhoef. Dit verweer gaf de rechter aanleiding de zitting te schorsen om nog eens naar de stukken te kijken. Na de zitting van 4 mei 2026 is de vader van de rechter overleden waardoor zij een aantal weken haar werkzaamheden niet heeft verricht. Toen zij begin juli 2026 weer aan dit dossier toekwam, heeft zij besloten dat het praktisch was om de uitspraak in de andere procedure (tussen verzoekster en de gemeente Uithoorn) af te wachten. Als verzoekster in die andere procedure gelijk krijgt, werpt dat – zoals ook op de zitting van 4 mei 2026 uitvoerig aan de orde is geweest – een ander licht op de zaak. De rechter heeft toen in de administratie van de rechtbank gezien dat de mondelinge behandeling in die andere zaak is gepland op 22 september 2026. Van “afstemming” met de rechter die de andere zaak behandelt is geen sprake geweest en zal ook geen sprake zijn. De rechter heeft om die reden besloten om de zaak van verzoekster aan te houden. Dit is aan partijen medegedeeld bij e-mail van de griffier van 8 juli 2026. Als de rechtbank uitspraak heeft gedaan in die andere zaak zullen partijen vanzelfsprekend de gelegenheid krijgen om zich uit te laten over de betekenis van die uitspraak voor deze procedure. Dit laatste staat niet juist opgenomen in de e-mail van de griffier van 8 juli 2026 die op instructie van de rechter naar partijen is gestuurd.

Op de zitting van de wrakingskamer heeft mr. Wouters aangevoerd dat de e-mail van 14 januari 2026 (waarin stond dat op 26 februari 2026 een beschikking wordt gewezen) voorbarig was en een fout van de griffie. Namens de rechtbank heeft zij daarvoor haar excuses aangeboden.

5. De gronden van de beslissing

Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomen is, althans dat de bij verzoeker(s) bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig dan wel vooringenomen is, objectief is gerechtvaardigd.

Op grond van artikel 37 lid 1 Rv dient een wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Op 4 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het wrakingsverzoek is gedaan op 21 juli 2026, meer dan tweeëneenhalve maand later. Voor zover het wrakingsverzoek is gegrond op hetgeen zich heeft afgespeeld op de mondelinge behandeling (of daarvoor) is het niet tijdig gedaan. Die gronden zullen dan ook door de wrakingskamer buiten beschouwing worden gelaten.

Aanleiding voor het wrakingsverzoek was de e-mail van de rechtbank van 8 juli 2026. Voor zover de wrakingsgronden voortvloeien uit de inhoud van die e-mail, is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek wèl tijdig is gedaan, dit gezien de verklaring van mr. Friedberg over de vakantie van zijn cliënt waardoor enige tijd is verstreken voordat overleg met zijn cliënt mogelijk was.

In de kern komen deze wrakingsgronden erop neer dat de rechter op 8 juli 2026 heeft beslist dat zij de zaak tot 1 oktober 2026 aanhoudt, waarbij werd verwezen naar een geheel andere procedure die bij deze rechtbank aanhangig is. In die andere procedure is Amog geen partij. Dat de procedure wordt aangehouden is, aldus verzoekster, in haar nadeel omdat zij immers belang heeft bij een spoedige beslissing.

De wrakingskamer gaat niet over de juistheid van de beslissing van de rechter om de zaak – vanwege de samenhang met een andere zaak – tot 1 oktober 2026 aan te houden. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt immers mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er evenzeer tegen dat de motivering van de beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een onjuiste, onbegrijpelijke, gebrekkige of te summiere motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).

Uit de motivering van de beslissing – te weten dat sprake is van samenhang tussen beide procedures – blijkt geen (objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster. Dat sprake was van samenhang tussen beide procedures is op de mondelinge behandeling van 4 mei 2026 besproken. Dat verzoekster die samenhang bestrijdt en het er niet mee eens is dat de rechter op die grond is overgegaan tot aanhouding van de zaak, is niet voldoende om vooringenomenheid aan te nemen. Dat de aanhouding mogelijk nadelig is voor verzoekster omdat zij belang heeft bij een spoedige beslissing, is hiervoor evenmin voldoende. De rechter heeft op de mondelinge behandeling gezegd dat een beschikking of een tussenbeschikking zou worden gewezen, zodat verzoekster rekening diende te houden met de mogelijkheid dat de procedure niet meteen tot een afronding zou komen. 5.8 Het verzoek tot wraking zal dus worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de procedure met nummer C/13/780202 / HA ZA 25/446 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en H.M. Patijn en A.R.P.J. Davids, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2026.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand