ECLI:NL:RBAMS:2026:9834

ECLI:NL:RBAMS:2026:9834

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer C/13/793278
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter doet een dringend beroep op alle betrokken instanties om alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat voor de minderjarige zo snel mogelijk een passende plek wordt gevonden in (de omgeving van) [plaats]. Deze situatie mag niet veel langer duren. Pas wanneer een geschikte plek is gevonden, kan ook individuele hulpverlening – waarvoor de minderjarige nu geen tijd en ruimte heeft – starten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/13/793278 / JE RK 26-756

Datum uitspraak: 15 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een

machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam,

gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. M.M.E. Rietjens uit Amsterdam.

Als informant is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 september 2026;

het rapport van de Raad, met als bijlagen de reacties daarop van [minderjarige] en de moeder, ontvangen op 8 september 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- [naam 1] als vertegenwoordigster van de Raad;

- Mevrouw [naam 2] , bijgestaan door haar collega mevrouw [naam 3] , vertegenwoordigers van de GI.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

De vader van [minderjarige] , [naam 4] , is geëmigreerd.

[minderjarige] verblijft in een gezinshuis in [locatie] .

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 juni 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken. Bij beschikking van 1 juli 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 19 september 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 19 september 2026.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad onder meer aangevoerd dat er ernstige zorgen zijn over de mate waarin [minderjarige] gedurende langere tijd emotioneel en fysiek (on)veilig zegt te zijn geweest binnen de opvoedsituatie bij de moeder thuis. [minderjarige] geeft aan dat er volgens hem gedurende een groot deel van zijn jeugd sprake is geweest van psychische en fysieke mishandeling door de moeder. Veilig Thuis heeft eerder melding gemaakt van zorgen over emotionele verwaarlozing, psychisch geweld en dreigingen van de moeder om [minderjarige] uit huis te zetten. Dit is destijds ook gemeld door zowel de politie als ambulancepersoneel. De oudere zussen van [minderjarige] hebben soortgelijke verklaringen afgelegd. De zorgen zijn daarmee niet uitsluitend gebaseerd op wat [minderjarige] tijdens het raadsonderzoek heeft verteld.

De moeder geeft volgens de Raad een geheel ander beeld van de opvoedsituatie. Zij stelt nadrukkelijk dat zij [minderjarige] nooit heeft geslagen en dat het verhaal over een mes bij zijn gezicht niet klopt. De verklaringen van de moeder en [minderjarige] staan daarmee op belangrijke onderdelen haaks op elkaar. Het lijkt erop dat zij vanuit twee verschillende belevingen terugkijken op dezelfde gezinssituatie. Wanneer de verklaringen van [minderjarige] grotendeels juist zijn, is sprake geweest van ernstige en langdurige onveiligheid. Wanneer de gebeurtenissen niet of anders hebben plaatsgevonden, blijft het zeer zorgelijk dat [minderjarige] een dergelijk beeld van zijn jeugd heeft, zich onveilig voelt en het vertrouwen in de moeder grotendeels kwijt is geraakt.

De zorgen worden versterkt door het feit dat [minderjarige] meerdere ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. Hij vertelt over geweld en conflicten binnen het gezin, de relatieproblemen van de moeder, het ontbreken van een relatie met zijn biologische vader, het verlies van een neef die ongeveer vier jaar geleden is overleden na een steekincident en zijn eigen uithuisplaatsing. De Raad heeft zorgen over de ouder-kind relatie, over in hoeverre [minderjarige] volwassenen vertrouwt en over mogelijk trauma bij [minderjarige] .

De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat hij gedurende langere tijd veiligheid en stabiliteit ervaart. Die heeft hij in de thuissituatie niet ervaren. [minderjarige] verblijft nu op een plek die hem veiligheid en stabiliteit biedt, al past die plek verder onvoldoende bij wat [minderjarige] nodig heeft. Zijn school, stage en vrienden zijn in [plaats 1] . De afstand die [minderjarige] moet afleggen om naar school, stage en zijn vrienden te gaan, is te ver. Dat vergt te veel van hem. Er moet daarom zo snel mogelijk een plek voor [minderjarige] in [plaats 1] worden gevonden. De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing voor een half jaar, om [minderjarige] de kans te geven in die periode vanuit een veilig plek te werken aan zijn ontwikkeling. [minderjarige] ervaart op dit moment geen ruimte voor contact met de moeder. Dat is ook een zorg en daar moet aandacht voor zijn, zowel in het belang van [minderjarige] als in het belang van de moeder. Ook moet er contact mogelijk worden gemaakt tussen [minderjarige] en zijn jongere broertje [naam 5] , aldus de Raad.

Het is de Raad tot dusver onvoldoende gelukt aansluiting te vinden bij de moeder en met haar in gesprek te gaan over wat mogelijk haar aandeel is geweest in hoe [minderjarige] de thuissituatie heeft beleefd. De moeder heeft onvoldoende vertrouwen in de GI. Er moet aan beide kanten worden gewerkt aan het opbouwen van een vertrouwensrelatie, waarna moet worden onderzocht wat er gebeurd is en waar hulpverlening voor nodig is. [minderjarige] heeft ondersteuning nodig in het toekomen aan zijn ontwikkeling als 16-jarige en er moeten zaken worden geregeld omtrent financiën en dergelijke. Daar is regie van de GI voor nodig.

4. De standpunten

De moeder heeft zich niet verweerd tegen het verzoek van de Raad. Zij heeft zich wat de verzoeken betreft gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij wil dat het goed gaat met [minderjarige] en dat hij rust krijgt. Het doet haar verdriet dat [minderjarige] geen contact met haar wil. Zij zou graag begeleiding willen hoe zij hiermee om moet gaan. De moeder hoopt ook dat [minderjarige] snel naar een plek in de omgeving van [plaats 1] kan verhuizen. De moeder staat open voor herstel van het contact, als [minderjarige] dat zou willen. De moeder ervaart de samenwerking met de GI als ingewikkeld en zij voelt zich door de GI onvoldoende gehoord en begrepen. De gesprekken met Spoedhulp heeft de moeder wel als prettig ervaren. De moeder zegt open te staan voor samenwerking met de hulpverlening, maar dan moet haar vertrouwen in de GI wel worden hersteld. De moeder is bereid met de GI in gesprek te gaan en daar meteen na de mondelinge behandeling een afspraak voor te maken. De advocaat van de moeder heeft zich bereid verklaard hierbij een rol te spelen.

De GI heeft zich aangesloten bij het verzoek van de Raad. Het is de GI nog onvoldoende gelukt met de moeder in gesprek te raken. De GI wil graag met de moeder om de tafel en in gesprek gaan over wat er nodig is, maar de moeder wilde tot dusver niet in gesprek. Waar zij van zich laat horen, doet zij dit per e-mail en WhatsApp, maar dat heeft niet de voorkeur van de GI. De GI wil graag face-to-face met moeder in gesprek. De GI wil graag na de mondelinge behandeling met de moeder een afspraak maken om met elkaar in gesprek te gaan. Daarnaast is de GI van mening dat [minderjarige] zo snel mogelijk in [plaats 1] of omgeving moet kunnen verblijven. Mogelijk kan [minderjarige] naar een woonvoorziening van Nabij Zorg in [plaats 2] , maar dat hangt af van de doorstroom daar. De GI is daarom ook met het gebiedsknooppunt op zoek naar een andere plek voor [minderjarige] in [plaats 1] of omgeving. [minderjarige] wil een zo normaal mogelijk leven leiden met school en stage en alles wat daarbij komt kijken. De reisafstand vanuit het huidige gezinshuis maakt dat moeilijk en is een te zware belasting voor [minderjarige] .

5. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. Er zijn grote zorgen over wat hij in de thuissituatie heeft meegemaakt. [minderjarige] heeft daar dingen over verteld die heel zorgelijk zijn, deels lijken deze verhalen te worden bevestigd door meldingen bij Veilig Thuis en verklaringen van de oudere zussen van [minderjarige] . De moeder herkent de zorgen in het geheel niet. Dat maakt dat er vragen blijven bestaan over wat er precies aan de hand is geweest en hoe het komt dat de belevingen van [minderjarige] en de moeder zo uiteen lopen. De kinderrechter maakt zich zorgen over de door [minderjarige] ervaren onveiligheid, over mogelijk huiselijk geweld en emotionele verwaarlozing en over mogelijk trauma bij [minderjarige] , die momenteel geen contact met de moeder wil (maar daardoor ook zijn halfbroertje al een tijd niet ziet).

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de samenwerking met de GI gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling onvoldoende van de grond is gekomen en niet te verwachten valt dat in een vrijwillig kader anders zal zijn.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Vanwege de veelheid en ernst van de zorgen en omdat een vertrouwensrelatie moet worden opgebouwd voor aan de doelen kan worden gewerkt, is dat een passende termijn.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [minderjarige] is sinds de spoeduithuisplaatsing medio juni niet meer bij de moeder thuis geweest, en kan en wil op dit moment ook niet terug. Daarom is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk voor [minderjarige] . Hij moet kunnen verblijven op een stabiele plek waar hij rust ervaart en van waaruit hij zich, passend bij zijn leeftijd, kan ontwikkelen.

[minderjarige] verblijft sinds 19 juni bij een gezinshuis in [locatie] . [minderjarige] is geworteld in [plaats 1] ; hier heeft hij zijn school, stageplek en vrienden. Op dit moment moet [minderjarige] dagelijks urenlang reizen tussen het gezinshuis in [locatie] en school/stage in [plaats 1] . Het behoeft geen toelichting dat dit een jonge jongen als [minderjarige] uitput en in de weg staat aan zijn verdere ontwikkeling. De GI heeft ter zitting toegelicht dat zij op zoek is naar een meer passende plek voor [minderjarige] in de regio [plaats 1] , maar ook te maken heeft met lange wachtlijsten en een tekort aan geschikte plekken in de regio. De kinderrechter doet een dringend beroep op alle betrokken instanties om alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat voor [minderjarige] zo snel mogelijk een passende plek wordt gevonden in (de omgeving van) [plaats 1] . Deze situatie mag niet veel langer duren. Pas wanneer een geschikte plek is gevonden, kan ook individuele hulpverlening – waarvoor [minderjarige] nu geen tijd en ruimte heeft – starten.

De doelen ter afwending van de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] waarin gedurende de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt zijn:

Met betrekking tot [minderjarige] :

- [minderjarige] heeft een vaste, veilige en stabiele verblijfplek (in de omgeving van [plaats 1] ) waar hij zich prettig voelt. [minderjarige] krijgt daarbij perspectief op zelfstandigheid. Hij kan bijvoorbeeld op een bij zijn leeftijd passende manier werken en geld verdienen.- [minderjarige] ervaart rust, voorspelbaarheid en continuïteit. Hij heeft een netwerk van volwassenen en leeftijdsgenoten dat hem steunt en continuïteit biedt.- [minderjarige] kan zijn schoolloopbaan zo goed mogelijk voortzetten en afronden. Hij krijgt ondersteuning bij zijn stage en de praktische voorwaarden daarvoor, waaronder passende kleding en ondersteuning bij het regelen van zijn financiën en openbaar vervoer.

- [minderjarige] krijgt een vaste mentor/begeleider die naast hem staat en niet alleen vanuit een hulpverleningsdoel met hem spreekt, maar hem ook helpt met praktische begeleiding rondom school, stage, vervoer, financiën en werk.- [minderjarige] krijgt zicht op zijn eigen emoties en leert hiermee omgaan. Hij ontwikkelt een positief en zelfstandig beeld van zichzelf waarbij hij ruimte krijgt om mogelijke ingrijpende ervaringen te verwerken. Er wordt onderzocht welke gevolgen de ervaringen binnen het gezin voor hem hebben gehad.

- [minderjarige] heeft contact met zijn jongere broer [naam 5] wordt, aangezien dit in het belang van beide kinderen is, mogelijk gemaakt en behouden. [minderjarige] wordt niet belast met verantwoordelijkheden voor zijn jongere broer [naam 5] .

Met betrekking tot [minderjarige] /moeder:

- Indien uit onderzoek blijkt dat dit nodig is: traumagerichte behandeling of andere passende psychologische hulp voor de moeder en [minderjarige] (apart van elkaar).

- Er wordt systemische hulp ingezet en later zal bekeken worden of opvoedondersteuning nog aanvullend nodig is.- Begeleide systeemgesprekken met de moeder, maar pas wanneer [minderjarige] voldoende stabiel is en hier zelf ruimte voor heeft. Het tempo en de draagkracht van [minderjarige] zijn hierbij leidend. Herstel van het contact met de moeder is een belangrijk aandachtspunt, als [minderjarige] daar behoefte aan heeft.

- De moeder ontwikkelt meer vertrouwen in passende hulpverlening. Hier kan de moeder onderscheid leren maken tussen haar eigen intentie en de ervaring van haar kinderen.- De moeder kan de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en ontwikkeling van haar kinderen bij zichzelf als opvoeder houden.

- De moeder krijgt een professional die met haar kan onderzoeken wat de verschillende verhalen betekenen, zonder direct te proberen vast te stellen wie "gelijk" heeft.- De moeder krijgt eventueel trauma- of psychologisch gerichte ondersteuning als blijkt dat eerdere ervaringen haar functioneren beïnvloeden.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Daarom beslist de kinderrechter het volgende.

6. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 15 september 2026 tot 15 september 2027;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 15 september 2026 tot 15 maart 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 door mr. K.M. van Hassel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. G. Veldman als griffier, en op schrift gesteld op 25 september 2026.

De griffier is buiten staat deze

beschikking mede te tekenen

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G. Veldman als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand