ECLI:NL:RBAMS:2026:9829

ECLI:NL:RBAMS:2026:9829

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer 12258881 \ KK EXPL 26-347
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Kort geding, deurwaardersrenvooi. De deurwaarder, belast met de executie van een beschikking, heeft in een proces-verbaal ex artikel 438 lid 5 Rv uiteengezet wat volgens hem partijen over en weer verschuldigd zijn, waarna een bedrag resteert dat door de werknemer aan werkgever verschuldigd is. Werknemer is het daar niet mee eens. De deurwaarder verzoekt daarom de kantonrechter in kort geding te beoordelen of de door hem opgestelde specificatie correct is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12258881 \ KK EXPL 26-347

Vonnis in kort geding van 29 september 2026

in de zaak die door

mr. H.A. Roos,

gerechtsdeurwaarder,

kantoorhoudend te Arnhem,

optredend als executerend deurwaarder,

hierna te noemen: de deurwaarder,

op grond van artikel 438 lid 5 Rv aanhangig is gemaakt tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OOG/OHM Onderwijsondersteuning B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: OOG/OHM,

procederend bij [naam],

tegen

[werknemer] ,

wonend te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. S. Springer.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal ex artikel 438 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van 27 mei 2026 van de deurwaarder,

- de dagvaarding van 12 juni 2026 waarbij de deurwaarder [werknemer] heeft opgeroepen om op de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026 te verschijnen om te worden gehoord over dit proces-verbaal,

- de namens OOG/OHM ingezonden producties,

- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: de deurwaarder, de heer [naam] ([functie] van OOG/OHM) en [werknemer] met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunt (nader) toegelicht, de gemachtigde van [werknemer] mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is de zaak aangehouden voor het opmaken van een nadere eindafrekening door OOG/OHM en een reactie daarop van [werknemer] , en eventuele schikkingsonderhandelingen. Een schikking is niet bereikt, waarna partijen om een beslissing hebben verzocht. Ten behoeve daarvan heeft OOG/OHM een akte met nadere stukken ingediend. [werknemer] heeft daarop gereageerd. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

OOG/OHM is de voormalige werkgever van [werknemer] . OOG/OHM heeft [werknemer] op 13 maart 2025 op staande voet ontslagen.

[werknemer] heeft daarover een gerechtelijke procedure aangespannen tegen OOG/OHM. In die procedure is op 13 oktober 2025 beschikking gewezen door de kantonrechter van deze rechtbank (hierna: de beschikking). In de beslissing van deze beschikking staat het volgende vermeld:

“(…)

De kantonrechter:

op het verzoek van [werknemer] inzake het ontslag op staande voet

I. wijst het verzoek af;

op verzoek van [werknemer] terzake betaling vakantieuren - en vakantiegeld

II. veroordeelt OOG/OHM tot betaling van € 12.877,95 bruto aan openstaande vakantieuren en € 4.485,20 bruto aan vakantiegeld, verminderd met de bedragen die al door OOG/OHM aan [werknemer] - al dan niet door middel van wettelijk toegestane verrekening - zijn betaald met betrekking tot deze posten en hetgeen nog verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over voormelde bedragen beperkt tot 5%;

op het verzoek van OOG/OHM

III. veroordeelt [werknemer] om aan OOG/OHM te betalen € 23.543,71, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag van de gehele betaling;

op beide verzoeken

IV. veroordeelt [werknemer] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van OOG/OHM begroot op:

€ 793,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

V. veroordeelt [werknemer] tot betaling van de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 66,00 aan salaris gemachtigde, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;

VI. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

VII. wijst het meer of anders gevorderde af. (…).”

Namens OOG/OHM heeft een incassobureau op 23 december 2025 aan de deurwaarder verzocht om deze beschikking aan [werknemer] te betekenen en te executeren.

De beschikking is op 6 januari 2026 aan [werknemer] betekend.

Op 10 februari 2026 heeft de deurwaarder de gemachtigde van [werknemer] bericht dat [werknemer] op grond van de beschikking een bedrag van € 16.917,94 aan OOG/OHM moet voldoen.

3. Het geschil

De deurwaarder, belast met de executie van de beschikking van 13 oktober 2025, heeft in een proces-verbaal ex artikel 438 lid 5 Rv met bijlagen uiteengezet dat volgens hem OOG/OHM op grond van de beschikking, na verrekening met de door [werknemer] verschuldigde gefixeerde schadevergoeding, een netto bedrag van € 7.966,54 (inclusief wettelijke verhoging) aan [werknemer] verschuldigd is. Dit bedrag moet worden verrekend met het bedrag van € 24.884,48 dat [werknemer] op grond van de beschikking aan OOG/OHM verschuldigd is. Daarna resteert volgens het proces-verbaal van de deurwaarder een door [werknemer] aan OOG/OHM te betalen bedrag van € 16.917,94. [werknemer] is het daar niet mee eens. De deurwaarder heeft daarom geconstateerd dat er een bezwaar is ontstaan in de tenuitvoerlegging van de beschikking en verzoekt de kantonrechter om in kort geding te beslissen of OOG/OHM op grond van de beschikking het bedrag van € 7.966,54 mag verrekenen en of de specificatie van € 16.917,94 overigens correct is.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft OOG/OHM een nieuwe specificatie opgesteld en in het geding gebracht. Op basis daarvan komt het door [werknemer] verschuldigde bedrag volgens haar uit op € 18.516,93. [werknemer] heeft erkend dat OOG/OHM de gefixeerde schadevergoeding mag verrekenen, maar volgens hem moet deze beperkt blijven tot 1 maand. Bovendien is OOG/OHM volgens [werknemer] op grond van de door haar ingebrachte loonspecificaties (2025-1-M, 2025-2-M. 2025-3-M, 2025-4-M, 2025-10-M en 2025-12-M) nog een bedrag van € 53.474,13 aan loon verschuldigd, welk bedrag niet, althans niet correct, is mee genomen in de specificatie van de deurwaarder.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Niet bestreden is dat sprake is van een situatie die een onverwijlde voorziening nodig maakt, zodat daarvan wordt uitgegaan.

In de laatste akte van [werknemer] wordt alsnog betwist dat OOG/OHM de gefixeerde schadevergoeding mag verrekenen. Nu [werknemer] de mogelijkheid tot verrekening eerder in rechte heeft erkend, wordt (gelet op het bepaalde in artikel 154 Rv) aan dat verweer voorbij gegaan. Dit betekent dat de gefixeerde schadevergoeding mag worden verrekend met het door OOG/OHM aan [werknemer] verschuldigde. Partijen zijn het er over eens dat dit een bedrag betreft van € 7.476,25 bruto.

[werknemer] wordt evenmin gevolgd in zijn standpunt dat uit de bij 3.2 genoemde salarisspecificaties volgt dat OOG/OHM nog een bedrag van € 53.474,13 aan salaris verschuldigd zou zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werknemer] erkend dat het salaris over januari en februari conform de specificaties is voldaan. Het volgens de overige salarisspecificaties door OOG/OHM aan [werknemer] verschuldigde (ten aanzien van salaris, vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen) is door OOG/OHM betrokken in de totale verrekening zoals opgenomen in de bijlage die voorafgaand aan de zitting is overgelegd. In die zin betreffen die salarisspecificaties en de pro forma salaris specificatie over december 2025 samen een soort eindafrekening. Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen dat dit onoverzichtelijk is en ter verduidelijking (en naar de kantonrechter begrijpt ter vervanging) daarvan heeft OOG/OHM na de mondelinge behandeling alsnog een eindafrekening (2025-4-M nieuw) en een aangepaste salarisstrook over de maand maart 2025 (2025-3-M nieuw) in het geding gebracht. Op die eindafrekening is te zien dat conform de beschikking aan [werknemer] toekomen: € 12.877,95 bruto (uitbetaling vakantiedagen) en € 4.485,20 bruto (uitbetaling vakantiegeld). Verder staat op deze eindafrekening een bedrag van € 598,62 aan rente vermeld. Uit de door OOG/OHM gegeven uitleg bij de eindafrekening volgt dat dit de wettelijke verhoging is die zij volgens de beschikking aan [werknemer] verschuldigd is over de uitbetaling vakantiedagen, de uitbetaling van het vakantiegeld, en het over maart 2025 resterend salaris, verminderd met de door [werknemer] verschuldigde gefixeerde schadevergoeding (dus € 12.877,95 + € 4.485,20 + € 2.085,48 -/- € 7.476,25 = € 11.972,38 x 0,05 = € 598,62). [werknemer] kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de renteberekening in de eindafrekening niet klopt. Tot slot heeft OOG/OHM een bedrag van € 236,76 bruto aan teveel betaald salaris, wat niet wordt teruggevorderd, in het voordeel van [werknemer] meegenomen op de eindafrekening. Netto komt de eindafrekening volgens OOG/OHM dan in totaal neer op een bedrag van € 4.220,38. Aan de enkele, niet nader gemotiveerde, stelling van [werknemer] dat een onjuist belastingtarief is toegepast, wordt voorbij gegaan. Als dit al zo zou zijn, wordt dit bovendien achteraf gecorrigeerd via de aanslag inkomstenbelasting. Tegen het volgens de aangepaste salarisstrook over maart 2025 verschuldigde netto salaris (inclusief reiskosten) van € 1.665,40 heeft [werknemer] verder geen verweer gevoerd. Het voorgaande leidt er toe dat OOG/OHM aan [werknemer] een bedrag dient te betalen van € 4.220,38 + € 1.665,40 =) € 5.885,78 netto.

[werknemer] is op grond van de beschikking € 24.402,71 (€ 23.543,71 aan onderzoekskosten, € 793,00 aan proceskosten en € 66,00 aan nakosten) verschuldigd. Door [werknemer] moet dan ook nog een bedrag van (€ 24.402,71 -/- € 5.885,78 =) € 18.516,93 aan OOG/OHM worden voldaan. Over de onderzoekskosten is volgens de beschikking wettelijke rente verschuldigd vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van betaling.

Uit het voorgaande blijkt dat de door de deurwaarder bij het proces-verbaal aangehechte berekening niet meer actueel is. De vragen van de deurwaarder moeten dan ook aldus worden beantwoord dat een bedrag van € 5.885,78 netto mag worden verrekend en dat daarna een bedrag van € 18.516,93 (exclusief de wettelijke rente over de onderzoekskosten) door [werknemer] aan OOG/OHM moet worden voldaan.

Zoals tijdens de mondelinge behandeling al aangekondigd, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Het had op de weg van OOG/OHM gelegen om na ontvangst van de beschikking van 13 oktober 2025 een duidelijke eindafrekening aan [werknemer] te presenteren. Als zij dat toen had gedaan, had deze procedure mogelijk achterwege kunnen blijven.

5. De beslissing

De kantonrechter

beantwoordt de door de deurwaarder gestelde vragen zoals hiervoor onder 4.5 weergegeven,

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

42146

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. Brokkaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand