RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/092821-26
Datum uitspraak: 18 september 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna: verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.V. Streiff, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] .
Gelijktijdig met de strafzaak is op de terechtzitting behandeld het verzoek van de officier van justitie strekkende tot het verlenen van een zorgmachtiging ex artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz) met rekestnummer 26/7035, waarbij verdachte is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. K.K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 27 maart 2026 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam en/of die [benadeelde partij] tegen/op de grond te duwen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen staan opgeschreven. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, zal de rechtbank de gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opnemen in een aanvulling op dit verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan een bijlage aan dit verkorte vonnis gehecht.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
op 27 maart 2026 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam en die [benadeelde partij] op de grond te duwen.
5. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Ontoerekeningsvatbaarheid
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport dat is opgemaakt door psycholoog mr. drs. [psycholoog] van 19 augustus 2026. De deskundige adviseert verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren, omdat ten tijde van het bewezenverklaarde bij verdachte sprake was van een schizoaffectieve stoornis, een stoornis in alcoholgebruik langdurig in remissie en een stoornis in amfetamine en cannabisgebruik gedwongen in remissie, die het handelen van verdachte volledig hebben bepaald.
Zowel de officier van justitie als de raadsman heeft zich, in overeenstemming met het advies van de gedragsdeskundige, op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard voor het bewezen verklaarde feit en dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen.
De rechtbank volgt gedragsdeskundige [psycholoog] in zijn hierboven genoemde conclusie en legt die ten grondslag aan haar oordeel. Het bewezenverklaarde feit kan verdachte daarom niet worden toegerekend en verdachte zal daarvoor dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Zorgmachtiging
De officier van justitie heeft in de zaak met rekestnummer 26/7035, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) voor de duur van zes maanden gevorderd. De raadsman onderschrijft het advies van de deskundige om behandeling van verdachte te doen plaatsvinden binnen het kader van een zorgmachtiging. De rechtbank heeft deze zorgmachtiging op 18 september 2026 voor de duur van zes maanden verleend.
7. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 750,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering naar billijkheid vaststellen op € 750,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade, te weten 27 maart 2026, tot de dag dat verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Daarnaast wordt aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
8. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mrs. H.B.W. Beekman en C. Groefsema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.L. Martens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2026.