RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/079024-26
Datum uitspraak: 18 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in de [land] op [geboortedag] 1968,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna: verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. Wiedeman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich op 15 maart 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan
1. zware mishandeling (primair), dan wel poging tot zware mishandeling (subsidiair), dan wel mishandeling van zijn levensgezel [slachtoffer] (meer subsidiair) door haar in het gezicht en/of op het hoofd te slaan en/of te stompen, waarbij zij onder andere een gebroken oogkas en meerdere (bot)breuken in het gezicht heeft opgelopen;
2. mishandeling van zijn levensgezel [slachtoffer] door te schoppen en te slaan tegen andere lichaamsdelen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Door het slachtoffer, zijn levensgezel, meerdere keren met een vuist hard op het hoofd en in het gezicht te slaan heeft verdachte het voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, hetgeen ook blijkt uit het opgelopen letsel bij het slachtoffer. Daarnaast heeft hij het slachtoffer tegen andere lichaamsdelen geschopt en geslagen. Er is sprake van eendaadse samenloop tussen beide feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft het onder 1 (primair) en het onder 2 tenlastegelegde bekend, en er is door de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat daarom met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting op 18 september 2026.
Een proces-verbaal van aangifte (inclusief fotobijlage) met nummer 260315-3301-499 van 15 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 1] en [naam 2] (doorgenummerde pagina’s 9 tot en met 11 van het procesdossier).
Een geschrift, inhoudende een letselonderzoek van de GGD Amsterdam betreffende [slachtoffer] , opgemaakt door [forensisch arts] , forensisch arts op 17 maart 2026 (doorgenummerde pagina’s 6 tot en met 16 van Nazending MK PF 26 juni).
Een geschrift, inhoudende een e-mailwisseling tussen [slachtoffer] en [naam 3] , slachtoffercoördinator van het Openbaar Ministerie op 16 september 2026.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1 primair
op 15 maart 2026 te Amsterdam aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten
- een gebroken oogkas en
- meerdere (bot)breuken in het centrale deel van het boven gezicht en aan de neus en
- een gebroken kroonwortel en
- meerdere letsels en bloeduitstortingen in het gezicht en op het hoofd
heeft toegebracht, door meermalen in het gezicht en op het hoofd te slaan en te stompen.
Feit 2
op 15 maart 2026 te Amsterdam, [slachtoffer] , heeft mishandeld, door
- meermalen die [slachtoffer] (stevig) bij de (linker)hand te grijpen en in de (linker)hand te knijpen en
- meermalen die [slachtoffer] tegen de (boven)arm(en) te slaan en te stompen en
- meermalen, die [slachtoffer] tegen de benen te slaan en te stompen, en
- meermalen die [slachtoffer] tegen de benen te schoppen, althans tegen het lichaam,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij een taakstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren gevorderd. De officier van justitie heeft verzocht om aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden die de reclassering heeft geadviseerd in het reclasseringsrapport van 4 september 2026, aangevuld met de bijzondere voorwaarde controle op middelengebruik. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan verdachte op te leggen, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor het adres van het slachtoffer voor de duur van twee jaren met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen bij de eerste overtreding, oplopend met telkens zeven dagen per opvolgende overtreding (met een maximum van zes maanden).
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet overstijgt. In plaats van een deels voorwaardelijke taakstraf kan aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd en de controle op middelengebruik. Verdachte is bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om de 38v-maatregel niet op te leggen, nu het slachtoffer nog steeds contact zoekt met verdachte en het risico bestaat dat zij hem op zijn boot opzoekt, waardoor hem verweten wordt dat hij zijn voorwaarden niet naleeft, wat grote consequenties voor hem kan hebben.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en mishandeling van zijn levensgezel. Hij heeft met het toebrengen van excessief geweld haar lichamelijke integriteit geschonden en haar gezondheid in gevaar gebracht. Het geweld heeft plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer. Uit het dossier volgt dat het geweld ook impact heeft gehad op een van hun dochters. Zij werd kort na de mishandeling geconfronteerd met het letsel van haar moeder en is daar erg van geschrokken.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 maart 2026. Uit het strafblad en het dossier blijkt dat er tussen verdachte en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake is van een moeizame relatie, waarin zich met regelmaat conflicten en ruzies voordoen. Verdachte is sinds 2017 al meerdere keren veroordeeld voor partnermishandeling en dit baart de rechtbank ernstige zorgen. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering van 4 september 2026. Uit het rapport blijkt dat verdachte zich houdt aan de gemaakte afspraken en meewerkt aan de opgelegde schorsingsvoorwaarden, maar dat het middelengebruik, met name alcohol, een belangrijke risicofactor vormt. Hierdoor neemt het risico op grensoverschrijdend en mogelijk gewelddadig gedrag toe, in het bijzonder binnen de context van een relationeel conflict. De reclassering blijft alert op het risico op terugval in grensoverschrijdend gedrag. Bij veroordeling tot een (deels) voorwaardelijke straf adviseert de reclassering als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod (met elektronisch toezicht) rondom het adres van het slachtoffer.
Straf
Bij het bepalen van de straf zal de rechtbank afwijken van de vordering van de officier van justitie, die naast een (reeds uitgezeten) gevangenisstraf een (deels voorwaardelijke) taakstraf vordert en derhalve de bijzondere voorwaarden wil verbinden aan het voorwaardelijke deel van de taakstraf. Gelet op de ernst van de feiten en de herhaaldelijke recidive, waarbij eerdere uitgevoerde taakstraffen blijkbaar niet tot gedragsverandering hebben geleid, acht de rechtbank dit niet toereikend en acht zij in plaats daarvan een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf passend. Hoewel verdachte zijn verantwoordelijkheid neemt en heeft verklaard gemotiveerd te zijn om mee te werken aan de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden, inclusief het contact- en locatieverbod, vindt de rechtbank dat er een aanzienlijk recidiverisico bestaat. Gelet hierop zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen opleggen met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd met toevoeging van de bijzondere voorwaarde dat verdachte zal meewerken aan controle op middelengebruik. De rechtbank acht dit voorwaardelijke deel met een proeftijd van 3 jaren enerzijds van belang als stok achter de deur voor verdachte en anderzijds zodat hij kan blijven werken en passende hulp en begeleiding kan ontvangen om zo recidive te voorkomen.
Maatregel
De rechtbank zal het contact- en locatieverbod ook aan verdachte opleggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr. In het geval dat het voorwaardelijk deel van de aan verdachte opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden, dient er een vangnet te zijn, zodat verdachte ook zonder het voorwaardelijk strafdeel geen contact mag opnemen met het slachtoffer. De rechtbank ziet geen reden om de maatregel voor een kortere duur op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd en legt de maatregel daarom op voor de duur van twee jaren. De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt vijf dagen (met een maximum van in totaal zes maanden) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van verdachte bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer.
Daarnaast zal de rechtbank de maatregel van artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 55, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair:
zware mishandeling
Ten aanzien van feit 2:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 73 (drieënzeventig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd voor de duur van 3 (drie) jaren vast.
Nu verdachte het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf reeds in voorarrest heeft doorgebracht, komt hij niet in aanmerking voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet en is de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, niet aan de orde.
De tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken bij Reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- Ambulante behandeling
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door FAZ Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek/middelengebruik, agressiebeheersing en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- Contactverbod
dat veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;
- Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
dat veroordeelde zich niet bevindt in een straal van 500 meter rondom [adres] in [plaats] (zie bijlage II), zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden.
Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
Tevens is het zo dat veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering;
- Controle op middelengebruik
dat veroordeelde wordt verplicht om zijn medewerking te verlenen aan (urine-)controles op middelengebruik, zo frequent als de reclassering dat nodig vindt.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contact- en locatieverbod op de naleving waarvan de politie toeziet, en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren :
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 5 (vijf) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.B.W. Beekman, voorzitter,
mrs. B.C. Langendoen en C. Groefsema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.L. Martens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2026.
[---]