ECLI:NL:RBAMS:2026:9779

ECLI:NL:RBAMS:2026:9779

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer AMS 26/5459
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De gemeente Amsterdam moet binnen twee weken medisch advies inwinnen bij de GGD over de 6-jarige verstandelijk beperkte zoon van een Amsterdamse vrouw die voor zichzelf en haar kinderen een urgentieverklaring aanvroeg.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

Samenvatting

Bestuursrecht

Zaaknummer: AMS 26/5459

(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),

en

(gemachtigde: A. Hadri).

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een urgentieverklaring. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om het besluit te schorsen af, maar bepaalt wel dat verweerder medisch advies dient te vragen aan de GGD. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 september 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verweerder wordt opgedragen verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring, totdat op het bezwaar is beslist.

Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Verzoekster vormt samen met haar drie minderjarige kinderen één huishouden. Een van haar kinderen, [naam kind] , die nu zes jaar is, is bekend met een verstandelijke beperking, is non-verbaal, heeft ernstige eetproblemen, en is niet zindelijk, kan geen grote afstanden lopen en kan ook niet traplopen. Daarnaast leidt overprikkeling bij [naam kind] tot automutilatie: hij slaat op zijn hoofd en raakt overstuur. Verzoekster heeft de eerdere echtelijke woning op 28 maart 2025 verlaten na haar echtscheiding omdat zij de hoge huur niet langer kon opbrengen. Verzoekster verblijft met haar minderjarige kinderen in een woonsituatie die niet voldoet aan de medische noodzakelijke eisen die [naam kind] stelt.

Verzoekster heeft op grond hiervan een aanvraag voor een urgentieverklaring

ingediend, met als noodzakelijke zoekcriteria: (i) een vierkamerwoning met een eigen,

rustige kamer voor [naam kind] en een aparte kookvoorziening (waterkoker) — omdat lawaai

van bijvoorbeeld een televisie van de andere, oudere kinderen te veel prikkels geeft en

[naam kind] zonder de mogelijkheid om te ontprikkelen stopt met eten; (ii) een woning met lift

of op de begane grond, gelet op de motorische beperkingen van [naam kind] ; en (iii) een woning op maximaal 10 minuten afstand van de bijzondere school van [naam kind] in [stadsdeel] , omdat [naam kind] niet met het openbaar vervoer kan reizen en een te lange of ongeschikte reisafstand leidt tot overprikkeling en automutilatie.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de algemene weigeringsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv) volgens verweerder van toepassing is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster met haar 61 opgebouwde woonpunten redelijkerwijs zelf een woning zou moeten kunnen vinden en daarmee op eigen kracht haar woonprobleem zou kunnen oplossen. Verder heeft verzoekster volgens verweerder een woning aan de [straat] geweigerd, omdat deze woning niet aan haar wensen zou voldoen. Gelet op de omvang, indeling en voorzieningen van deze woning was er volgens verweerder sprake van een reële en redelijke mogelijkheid om het woonprobleem hiermee op te lossen. Daarnaast merkt verweerder op dat verzoekster geen documenten heeft aangeleverd waaruit blijkt dat zij de echtelijke woning niet kon opeisen of behouden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat verzoekster beschikt over 61 woonpunten en dat verweerder de algemene weigeringsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Hvv aan verzoekster mocht tegenwerpen. De vraag of verzoekster in aanmerking komt voor een urgentieverklaring is daarom vooral gelegen in de hardheidsclausule, het evenredigheidsbeginsel en de afweging van de belangen van de kinderen. Hieraan heeft verweerder niet getoetst in het bestreden besluit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling of het bezwaar op die gronden een redelijke kans van slagen heeft, te ver voert voor deze voorlopige spoedprocedure en iets is wat door verweerder nader moet worden beoordeeld en uitgekristalliseerd in de bezwaarfase.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster heeft gevraagd om gedurende de bezwaarfase een voorlopige voorziening te treffen waarmee primair wordt bereikt dat zij wordt behandeld alsof zij een urgentieverklaring heeft voor een woning die voldoet aan haar voorwaarden. Als de door verzoekster gevraagde voorziening wordt toegewezen, is dat echter geen voorlopige maatregel. Verzoekster zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar later dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld. Een dergelijke voorziening kan daarom alleen worden getroffen als er nagenoeg geen twijfel is dat verweerder de urgentieverklaring aan verzoekster had moeten geven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar geen sprake van is.

6. Bovendien is de vraag aan de orde welk belang verzoekster heeft bij een urgentieverklaring. Verzoekster heeft 61 woonpunten. Dit gegeven maakt dat verzoekster aanzienlijk hoge kansen heeft op de woningmarkt en daarmee zelfstandig op korte termijn een woning zou moeten kunnen vinden aan de hand van haar woonwensen. Een belangrijke voorwaarde voor verzoekster is dat de woning op maximaal 10 minuten afstand is gelegen van het speciaal onderwijs van haar zoon [naam kind] in [stadsdeel] . Verzoekster heeft op dit moment echter niet met objectieve informatie aannemelijk gemaakt dat dit voor de gezondheid van [naam kind] absoluut noodzakelijk is. Ook heeft verzoekster niet onderbouwd dat er in een ander stadsdeel of een andere gemeente in de regio geen speciaal onderwijs beschikbaar is voor [naam kind] .

7. Daarbij komt dat het toekennen van een urgentieverklaring, al dan niet met etagebinding, betekent dat verzoekster in het systeem van de Huisvestingsverordening eenmalig een aanbod krijgt, waarbij zij slechts één stadsdeel kan uitsluiten. Met andere woorden, de kans is dan bijzonder klein dat de aangeboden woning binnen 10 minuten van de school van [naam kind] ligt. Dat maakt dat verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter weinig belang heeft bij de gevraagde voorziening.

8. De voorzieningenrechter is echter wel – in het kader van een belangenafweging – van oordeel dat alle in het dossier genoemde omstandigheden omtrent de medische situatie van [naam kind] in dit geval aanleiding geven om te bepalen dat verweerder al in de bezwaarfase medisch advies dient te vragen aan de GGD. Een objectief medisch advies is noodzakelijk bij het beoordelen of verzoekster een beroep kan doen op de hardheidsclausule, het evenredigheidsbeginsel, en bij het wegen van de belangen van de kinderen. Verzoekster voert aan dat [naam kind] weigert om te eten bij overprikkeling, en dat er sprake is van automutilatie. In het kader van de hardheidsclausule zijn dit aanknopingspunten om te onderzoeken of sprake is van een acuut levensbedreigende situatie. Verweerder dient de uitkomsten van het GGD advies te betrekken bij de beslissing op het bezwaar.

9. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat op de zitting aan verzoekster is meegegeven dat de voorwaarde van maximaal 10 minuten afstand tussen de woning en de school van [naam kind] haar belemmert in de zoektocht naar een woning. De voorzieningenrechter geeft haar mee dat zij moet afwegen of het niet belangrijker is snel een woning te accepteren, ook al ligt die woning op een andere plek.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het besluit te schorsen af, maar bepaalt wel dat verweerder medisch advies dient te vragen aan de GGD in het kader van het beroep op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek en een acuut levensbedreigend probleem. Verweerder dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na deze uitspraak het advies aan te vragen en er op toe te zien dat de GGD ook voortvarend rapporteert.

Omdat de voorzieningenrechter een voorziening toewijst, is er aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- bepaalt dat verweerder binnen twee weken na deze uitspraak medisch advies dient te vragen aan de GGD;

- wijst voor het overige het verzoek af;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.C.M. Schilder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand