RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-173794-26
Datum uitspraak: 15 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 19 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2025 door the Regional Court in Szczecin, Polen,
(hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 11 augustus 2026
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 augustus 2026 in
aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW)
uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding
bevolen.
Tussenuitspraak van 25 augustus 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aantal vragen met betrekking tot de toetsing aan artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Zitting van 10 september 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn advocaat, mr. D.S. Altena, en door een tolk in de Poolse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 25 augustus 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van de feiten (onder 5) en artikel 11 OLW (punt 6). Deze overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden, omdat de aanvullende informatie van 27 augustus 2026 tegenstrijdig is met wat de opgeëiste persoon verklaart. De opgeëiste persoon is inderdaad bij vier zittingen aanwezig geweest, maar het ging hierbij om een andere procedure dan de procedure waar het EAB op ziet. Dit blijkt des te meer uit het feit dat in de aanvullende informatie staat dat de opgeëiste persoon vanuit detentie naar de zittingen werd gebracht, terwijl de opgeëiste persoon in onderhavige zaak nog helemaal niet heeft vastgezeten. Zijn straf moet nog in het geheel worden uitgezeten. Daarnaast zou de opgeëiste persoon bij het verlaten van de gevangenis een correspondentieadres hebben doorgegeven, maar dit was dus in die andere strafzaak. Het is onduidelijk of de adres-instructie in de huidige zaak is gegeven. Tot slot heeft het sinds de vrijlating in de andere zaak twee jaar geduurd voordat de onderhavige zaak in Polen op zitting werd gepland. Van de opgeëiste persoon kan niet worden verwacht dat hij twee jaar lang elke adreswijziging blijft doorgeven. Dat hij dit niet heeft gedaan kan hem na zo’n lang tijdsverloop niet worden verweten. De raadsvrouw maakt hierbij de vergelijking met de eisen die aan de adresinstructie worden gesteld als het gaat om een hoger beroep. Ook in zo’n situatie moet het een opgeëiste persoon duidelijk zijn dat de adresinstructie ook geldt voor het (eventuele) hoger beroep.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat van deze weigeringsgrond kan worden afgezien. De opgeëiste persoon is namelijk bij vier zittingen met zijn advocaat aanwezig geweest. Tijdens de vierde zitting is hij opgeroepen voor de vijfde zitting en voor de zesde zitting is hij opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen. Het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) heeft gericht gevraagd naar de huidige zaak en in de aanvullende informatie wordt ook het kenmerk van deze zaak genoemd. De opgeëiste persoon heeft dus nadrukkelijk in deze zaak een adresinstructie ontvangen. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie ook dat de zaak stil heeft gelegen omdat er een wisseling van rechters is geweest. Zolang de procedure nog loopt, moet van de opgeëiste persoon verwacht worden dat hij adreswijzigingen doorgeeft of dat hij zelf informeert naar de stand van zaken van de procedure.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende autoriteit heeft niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan.De rechtbank kan in dit geval de overlevering op grond van artikel 12 OLW weigeren.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Uit de aanvullende informatie van 27 augustus 2026 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon op vier zittingen in persoon is verschenen waarbij hij is bijgestaan door een door de rechtbank aangewezen advocaat. De opgeëiste persoon was blijkens die informatie en de toelichting in onderdeel d) van het EAB tijdens die vier zittingen gedetineerd en is vanuit de detentie-instelling naar de zittingen gebracht. De datum voor de vijfde zitting is de opgeëiste persoon aangezegd op de vierde zitting, maar hij is niet verschenen bij de vijfde zitting. De opgeëiste persoon heeft op 12 oktober 2021 de detentie-instelling verlaten en heeft toen een correspondentieadres opgegeven [adres]. Verder is in de aanvullende informatie van 27 augustus 2026 vermeld dat de opgeëiste persoon, met de aanklacht, een adres-instructie heeft ontvangen. De oproep voor de zesde zitting is twee keer naar het opgegeven adres verstuurd, maar niet opgehaald.
De rechtbank stelt vast dat de aanvullende informatie van 27 augustus 2026 ziet op de huidige procedure nu hier specifiek naar gevraagd is door het IRC. De rechtbank stelt voorts vast dat in de aanvullende informatie het kenmerk van de Poolse strafzaak is genoemd waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Uit onderdeel d), onder 2, van het EAB blijkt bovendien dat de uitvaardigende justitiële autoriteit ervan op de hoogte is dat de opgeëiste persoon tijdens die procedure gedetineerd zat in een andere zaak. De rechtbank ziet in het voorgaande dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn correspondentieadres bezorgd werden, terwijl die zorgvuldigheid van hem wel verwacht mocht worden aangezien de strafzaak nog niet was afgerond na de vierde zitting waarbij hij aanwezig was. De opgeëiste persoon wist immers dat er een vijfde zitting zou volgen. Uit de stukken blijkt weliswaar dat sprake is van een tijdsverloop van twee jaar tussen de vijfde en de zesde zitting, maar dat neemt niet weg dat van de opgeëiste persoon mag worden verwacht dat hij adreswijzigingen blijft doorgeven of zich op de hoogte blijft houden van het verloop van de strafzaak, nu deze nog niet was afgerond op het moment dat de opgeëiste persoon de detentie-instelling in Polen had verlaten. De vergelijking die de raadsvrouw maakt met een hoger beroepsprocedure gaat hier niet op, reeds omdat de opgeëiste persoon kon weten dat de procedure in eerste aanleg nog niet was afgerond.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
5. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
6. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
7. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en M.C.M. Hamer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.