RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12156270 \ CV EXPL 26-4413
Vonnis van 11 september 2026
in de zaak van
INCASSOCENTER B.V.,
te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: Incassocenter,
gemachtigde: mr. S.K. Tuithof,
tegen
[gedaagde] ([handelsnaam]),
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. D.W.E. Urbanus.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 maart 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord van 12 mei 2026, met een productie,
- het tussenvonnis van 26 mei 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 13 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
In augustus 2019 heeft [gedaagde], die een eenmanszaak genaamd [handelsnaam] (hierna: het taxibedrijf) heeft, telefonisch contact opgenomen met Incassocenter. Incassocenter is een onderneming op het gebied van incassodienstverlening.
Op 23 augustus 2019 heeft [gedaagde] een overeenkomst voor de levering van incassodiensten digitaal ondertekend. In de overeenkomst staat onder meer opgenomen:
“(…)
Ja, ik wil gebruik maken van de service overeenkomst Incasso Premium voor € 635,- m.i.v. 23.08.2019
Onbeperkt zaken laten behandelen
24/7 online dossiers volgen en nieuwe overdragen
Online management rapportages
Dossierkosten € 0,-
Behandelingskosten € 0,-
Kosten bij Non Succes € 0,-
100% uitkering van de hoofdsom
Uitgebreid advies gerechtelijk traject
Telefonisch juridisch advies
Betaalversnellers (incassostickers onze naam op uw aanmaningen)
Lage prijs kantongerechtprocedures
Voorbeeldbrieven en aanmaningen
Korting overige juridische producten
Schuldbewaking voor kinderopvangvorderingen
Jaarbijdrage: € 635,-
(…)”
Voor de periode van 23 augustus 2019 tot en met 22 augustus 2026 heeft Incassocenter in totaal € 5.378,45 (inclusief btw) aan abonnementskosten bij [gedaagde] in rekening gebracht, verspreid over zeven facturen van € 768,35 (inclusief btw). [gedaagde] heeft geen van de facturen betaald. [gedaagde] heeft in deze periode geen enkele incasso-opdracht aan Incassocenter verstrekt.
3. Het geschil
Incassocenter vordert – samengevat – dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:
I. tot betaling van € 5.378,45, te vermeerderen met de contractuele rente van 2% per maand althans de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW);
II. tot betaling van € 806,77 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW);
III. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW).
Incassocenter legt aan haar vorderingen ten grondslag dat partijen op 23 augustus 2019 een overeenkomst hebben gesloten op basis waarvan Incassocenter tegen een jaarlijkse abonnementsbijdrage van € 635,00 exclusief btw (€ 768,35 inclusief btw) facturen voor [gedaagde] zou incasseren. Op grond van de algemene voorwaarden van Incassocenter is de overeenkomst steeds met een jaar verlengd. Omdat [gedaagde] de abonnementsbijdrage voor de periode van 23 augustus 2019 tot en met 22 augustus 2026 niet heeft betaald, is hij in totaal nog € 5.378,45 (inclusief btw) aan Incassocenter verschuldigd.
[gedaagde] voert verweer en betoogt dat hij moet worden gelijkgesteld aan een consument, zodat moet worden getoetst aan de regels van het consumentenrecht. De bepalingen over de prijs waar Incassocenter zich op beroept, zijn niet transparant en oneerlijk en dus vernietigbaar. Dat geldt eveneens voor het beding in de algemene voorwaarden van Incassocenter over de stilzwijgende verlenging van de overeenkomst, zodat de overeenkomst moet worden geacht te zijn geëindigd na de initiële looptijd van twaalf maanden. Verder voert [gedaagde] aan dat Incassocenter haar rechten heeft verwerkt en dat haar ook om die reden geen betaling toekomt van de facturen die zien op de periode na de initiële looptijd van de overeenkomst.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagde] is aan te merken als consument
In deze zaak staat onder andere ter discussie of [gedaagde] als consument is aan te
merken en of hem in die hoedanigheid bescherming toekomt van het consumentenrecht. De kantonrechter is ook ambtshalve gehouden dit te onderzoeken. In dit kader wordt het volgende overwogen.
Een consument is iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Daarbij is niet van belang over welke concrete kennis of informatie de betrokken persoon beschikt of kan beschikken. Evenmin is van belang of de betrokkene een onderneming drijft. Beoordeeld moet worden met welk doel de overeenkomst is aangegaan. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft.
Partijen zijn een overeenkomst aangegaan op basis waarvan Incassocenter incassodiensten aan [gedaagde] verleende, wat zowel een zakelijke als een particuliere aangelegenheid kan zijn. Op dit punt heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat hij de overeenkomst destijds is aangegaan met als doel een privévordering op een vriendin te incasseren. Incassocenter heeft dit niet weersproken, maar stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] als handelaar moet worden aangemerkt omdat hij zich bij het aangaan van de overeenkomst als zodanig heeft gepresenteerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] dit betwist en toegelicht dat hij Incassocenter voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst telefonisch heeft benaderd om meer informatie te verkrijgen over het incasseren van een privévordering. Tot dat moment had hij geen ervaring met het (laten) incasseren van vorderingen. Ook niet in het kader van het taxibedrijf, waar klanten doorgaans meteen betalen. Tijdens het telefoongesprek met Incassocenter heeft [gedaagde] het taxibedrijf naar eigen zeggen wel genoemd, maar de gegevens daarvan heeft hij nergens ingevuld. Vervolgens heeft Incassocenter de overeenkomst ter ondertekening aan [gedaagde] voorgelegd, aldus [gedaagde]. In het licht van die betwisting heeft Incassocenter haar stelling dat [gedaagde] de overeenkomst is aangegaan in de hoedanigheid van het taxibedrijf onvoldoende onderbouwd. Dat leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] zich voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst als ondernemer heeft gepresenteerd. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [gedaagde] de overeenkomst niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan. Dit betekent dat [gedaagde] is aan te merken als consument, zodat moet worden getoetst aan de regels van het consumentenrecht.
Incassocenter hanteert een oneerlijk prijsbeding
Omdat [gedaagde] consument is, moet de kantonrechter nagaan of een beding in de tussen [gedaagde] en Incassocenter gesloten overeenkomst onder de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) valt en, zo ja, of dat beding oneerlijk is.
Incassocenter baseert haar vordering onder meer op de bepalingen over de prijs van de dienst (hierna: het prijsbeding). Een prijsbeding kwalificeert als een kernbeding. Partijen hebben niet afzonderlijk over het prijsbeding onderhandeld. Op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn moeten kernbedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld alleen aan de Richtlijn worden getoetst als deze niet transparant zijn, met andere woorden: als de bedingen niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Daarvoor geldt dat de rechter moet nagaan of aan de consument alle gegevens zijn medegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op basis waarvan hij de financiële consequenties daarvan kon inschatten. Ook in het geval de financiële consequenties van zijn verbintenis afhangen van onvoorzienbare toekomstige gebeurtenissen waarover de handelaar geen controle heeft, moet de consument in ieder geval in staat worden gesteld om met de nodige voorzichtigheid een beslissing te kunnen nemen.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het door Incassocenter gehanteerde prijsbeding niet transparant. Daartoe is het volgende redengevend. [gedaagde] heeft onweersproken toegelicht dat partijen tijdens het telefoongesprek dat aan de overeenkomst voorafging, uitsluitend hebben gesproken over het incasseren van een losse vordering op no cure no pay basis. Desondanks heeft Incassocenter [gedaagde] na het telefoongesprek een overeenkomst voorgelegd voor het afnemen van een abonnement tegen een bedrag van € 635,00 per jaar. Niet is gebleken dat Incassocenter die mogelijkheid eerder met [gedaagde] heeft besproken. Onder die omstandigheden kon [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter geen goede inschatting maken van de voor hem te verwachten kosten. Daarmee is het prijsbeding dus niet transparant.
Vervolgens moet worden beoordeeld of het prijsbeding oneerlijk is. Dat het prijsbeding niet transparant is, betekent namelijk nog niet dat het beding ook oneerlijk is, maar speelt daarbij wel een rol. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst als oneerlijk beschouwd indien het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
In deze zaak ligt een prijsbeding voor waarin tevens wordt uitgesplitst welke werkzaamheden Incassocenter voor de jaarlijkse bijdrage van € 635,- zou uitvoeren (zie 2.2). Echter, tijdens het telefonisch contact dat voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst tussen partijen heeft plaatsgevonden, is slechts gesproken over het incasseren van een enkele vordering op no cure no pay basis. Niet is gebleken dat partijen het toen ook hebben gehad over het verrichten van bijkomende diensten in het kader van een abonnement. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Incassocenter verklaard dat zij haar klanten inderdaad de mogelijkheid biedt om losse vorderingen te incasseren op no cure no pay basis, maar ook om door middel van een abonnement een onbeperkte hoeveelheid aan vorderingen op no cure no pay basis te incasseren. Dit alles is op zijn minst verwarrend. Incassocenter had [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst duidelijk moeten informeren over wat zij hem zou leveren. Nu zij dat niet heeft gedaan, is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen. Dit ten nadele van [gedaagde], voor wie vanwege alle verschillende informatie onbegrijpelijk was wat hij op grond van de overeenkomst, althans het prijsbeding kon verwachten. Het in de overeenkomst opgenomen prijsbeding is dan ook oneerlijk.
Gevolgen van de oneerlijkheid
Uit artikel 6 lid 1 van de Richtlijn vloeit voort dat de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een beding tussen een handelaar en een consument oneerlijk is, zonder meer verplicht is dat beding buiten toepassing te laten, tenzij de consument zich daartegen verzet. Voor het Nederlandse recht betekent het vorenstaande dat indien de rechter vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn, hij gehouden is het beding te vernietigen. Hetzelfde lot wacht dus ook het prijsbeding in de overeenkomst tussen [gedaagde] en Incassocenter. Aangezien de overeenkomst zonder het prijsbeding niet kan voortbestaan en dit niet nadelig is voor [gedaagde] – hij heeft immers nog niets aan Incassocenter betaald – komt daarmee de gehele overeenkomst te vervallen. Dat betekent dat [gedaagde] niet is gebonden aan de overeenkomst, zodat de vorderingen van Incassocenter zullen worden afgewezen.
Proceskosten
Incassocenter is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
864,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van Incassocenter af,
veroordeelt Incassocenter in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Incassocenter niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.