ECLI:NL:RBAMS:2026:9667

ECLI:NL:RBAMS:2026:9667

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 12064047 \ CV EXPL 26-840
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verhuurder vordert aanpassing van de huurprijs. Het standpunt van verhuurder dat bij het splitsen van het bedrag van € 1.038,00 in kale huur en kosten voor bijkomende leveringen en diensten een vergissing is gemaakt voor de vorige verhuurder, wordt niet gevolgd. Uit de verklaring van de toenmalige verhuurder blijkt namelijk van een bewuste keuze voor de in de huurovereenkomst vermelde kale huurprijs.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12064047 \ CV EXPL 26-840

Vonnis van 15 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. M.E. Zweers.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 januari 2026,

- de akte met producties van [eiser] van 12 januari 2026

- de akte met producties van [eiser] van 15 maart 2026

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties

- het tussenvonnis van 9 april 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties.

De mondelinge behandeling vond plaats op 19 juni 2026. [eiser] was hierbij aanwezig, en [gedaagde] met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, beiden aan de hand van spreekaantekeningen, en zij hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Hierna is op verzoek van partijen de zaak aangehouden om de mogelijkheden van een schikking te onderzoeken. Partijen hebben de kantonrechter bericht dat zij geen overeenstemming hebben bereikt, waarna een datum voor vonnis is bepaald.

2. De feiten

[gedaagde] huurt sinds 1 september 2015 het appartement aan het adres [adres] (hierna: de woning). Hij is hiervoor een huurovereenkomst aangegaan met [naam] (hierna: [naam]). In de huurovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

In april 2018 heeft [eiser] de woning van [gedaagde] gekocht van [naam]. Sindsdien is [eiser] de verhuurder van [gedaagde]. De woning van [gedaagde] ligt direct boven de woning van [eiser].

Op 12 april 2018 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven:

‘Hierbij informeer ik je dat, sinds 5 april 2018, ik de nieuwe eigenaar ben van het appartement [adres], welke ik heb gekocht van [naam].

Ik ben geïnformeerd dat de kale huursom momenteel €600 bedraagt en dat er een voorschotbedrag voor servicekosten en nutsvoorzieningen van €445,50 is afgesproken. Gelieve het maandelijkse totale huurbedrag van €1045,50 voor de 2e van de betreffende maand te voldoen. (…)’

[eiser] heeft in een eerdere procedure bij de kantonrechter gevorderd dat de huurovereenkomst met [gedaagde] zal worden beëindigd wegens dringend eigen gebruik. De kantonrechter heeft deze vordering bij vonnis van 14 juli 2022 afgewezen en bij arrest van 30 juli 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat [eiser] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een dringende noodzaak heeft tot eigen gebruik van de woning en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

[gedaagde] heeft de Huurcommissie verzocht om zijn betalingsverplichting voor de servicekosten over de jaren 2022 en 2023 vast te stellen. De Huurcommissie heeft op 10 november 2025 in beide zaken uitspraak gedaan. Voor het jaar 2022 is de betalingsverplichting voor [gedaagde] vastgesteld op € 638,14 en voor het jaar 2023 op € 1.472,21.

3. Het geschil

in conventie en in reconventie

De vorderingen van [eiser]

vordert - samengevat - de huurprijs vast te stellen op € 1.228,07 per maand.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Zij is het niet eens met de uitspraken van de Huurcommissie. Zij stelt dat de werkelijke wil van partijen zag op een kale huurprijs van € 1.038,00 per maand en dat de nadien in de huurovereenkomst opgenomen administratieve verdeling van de totale huursom daarmee niet in overeenstemming is. [gedaagde] wist dat € 600,00 niet de werkelijk overeengekomen kale huurprijs was en kon er daarom niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de foutieve splitsing in de huurovereenkomst de partijbedoeling correct weergaf. De jarenlange manier van handelen, het doen van huurbetalingen van de totale huursom en het nalaten van een verzoek om de servicekosten af te rekenen onderstreept dat de werkelijke wil van partijen zag op een kale huurprijs van € 1.038,00 per maand. De huidige huurstructuur leidt tot een structureel financieel nadeel voor [eiser], welke naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet in stand kan blijven.

[eiser] vordert daarom:

primair

a. een verklaring voor recht dat bij de uitleg van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst doorslaggevend is welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeengekomen huurstructuur mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, en dat de in het huurcontract opgenomen administratieve verdeling van de totale huursom daarmee niet in overeenstemming is,

b. te bepalen dat het niet van [eiser] kan worden gevergd da deze administratieve verdeling van de totale huursom ongewijzigd in stand blijft,

c. te bepalen dat met ingang van de datum van het vonnis de kale huurprijs wordt vastgesteld op een niveau dat overeenstemt met het aantal punten dat volgens het WWS-puntensysteem aan de woning toekomt,

d. te bepalen dat bij deze vaststelling als uitgangspunt wordt genomen het WWS-rapport van 25 april 2025, uitgaande van 192 punten, welke conform de geldende WOZ-cap wordt afgetopt op 186 punten, waarbij een maximale huurprijs hoort van € 1.228,07 per maand,

e. te bepalen dat [gedaagde] vanaf de datum van het vonnis gehouden is om binnen een redelijke termijn zelfstandig contracten af te sluiten voor nutsvoorzieningen, internet en televisie, dan wel dat deze kosten afzonderlijk van de huurprijs bij [gedaagde] in rekening kunnen worden gebracht,

f. te bepalen dat er geen verplichting bestaat tot het opstellen of uitvoeren van een afrekening van servicekosten over een periode gelegen vóór de datum van het vonnis,

subsidiair:

g. de puntentelling vast te stellen op 192 punten conform het WWS-rapport, en de daaruit voortvloeiende kale huurprijs met toepassing van de redelijkheid en billijkheid te bepalen op een bedrag van € 1.000,00 per maand,

h. te bepalen dat hetgeen onder e. en f. is gevorderd onverkort van toepassing is op de onder g. vastgestelde huurprijs,

meer subsidiair:

i. de uitspraken van de Huurcommissie van 10 november 2025 terzijde te leggen en de betalingsverplichting voor servicekosten over 2022 en 2023 met toepassing van de redelijkheid en billijkheid vast te stellen conform de opgave van [eiser],

uiterst subsidiair:

j. de uitspraken van de Huurcommissie van 10 november 2025 terzijde te leggen en de betalingsverplichting voor servicekosten over 2022 en 2023 met toepassing van de redelijkheid en billijkheid in goede justitie opnieuw vast te stellen,

in alle gevallen:

k. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

Het verweer en de vorderingen van [gedaagde]

[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat er geen sprake is van een verschrijving, een administratieve vergissing of bij het aangaan van de huurovereenkomst van een andere bedoeling met betrekking tot de huurprijs. [naam] heeft welbewust gekozen voor deze verdeling van de huurprijs, kennelijk naar [naam] nu verklaart om geen risico op een huurverlaging te lopen.

Een structurele wanverhouding tussen kosten en opbrengsten vormt geen grond voor doorbreking van (semi-)dwingendrechtelijke huurprijswetgeving. Er is geen reden de vordering tot aanpassing van de huurstructuur toe te wijzen op grond van de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, er is geen sprake van dwaling die niet voor rekening van [eiser] hoort te blijven en er is ook geen andere rechtsgrond waarop de huurstructuur zou kunnen worden aangepast.

Als de stelling van [eiser] gevolgd wordt dat er andere huurprijs overeen is gekomen, dan is sprake van een all-in-huurprijs en moet deze gesplitst worden. Voor dat geval vordert [gedaagde] (voorwaardelijk) in reconventie primair om de huurprijs vast te stellen op 55% van de overeengekomen huur, te weten € 658,16 per maand, en het voorschot servicekosten op 25% daarvan, te weten € 164,54 per maand.

Subsidiair vordert [gedaagde] in reconventie om met ingang van een door de kantonrechter vast te stellen datum de kale huurprijs vast te stellen op € 748,66 en het voorschot servicekosten op € 448,00. De verschuldigde servicekosten moeten conform de uitspraken van de Huurcommissie worden vastgesteld op € 638,14 voor het jaar 2022 en voor het jaar 2023 op € 1.472,21. [gedaagde] vordert daarom subsidiair ook terugbetaling van een bedrag van € 8.641,65 aan teveel betaalde voorschotten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Ambtshalve toetsing

[eiser] verhuurt alleen deze woning. Daarmee kan niet worden gezegd dat zij handelt in het kader van een beroep of bedrijf, zodat zij geen verkoper is in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen (richtlijn 93/13/EEG). Dit betekent dat de overeenkomst niet hoeft te worden getoetst aan deze richtlijn.

Aanpassing huurprijs

Aan de orde is de vraag of de huurprijs van de woning moet worden aangepast. [eiser] stelt daartoe dat de werkelijke wil van [naam] en [gedaagde] zag op een kale huurprijs van € 1.038,00 per maand en dat de administratieve verdeling van de totale huursom zoals die in de huurovereenkomst is vastgelegd, daarmee niet in overeenstemming is. [gedaagde] wist dat € 600,00 niet de werkelijk overeengekomen kale huurprijs was; dit blijkt uit zijn jarenlange manier van handelen, waaronder het nalaten van een verzoek om de servicekosten af te rekenen, aldus [eiser].

Onbetwist is gebleven dat tussen [naam] en [gedaagde] voorafgaand aan het opstellen van de schriftelijke huurovereenkomst is gesproken over een huurprijs van € 1.038,00 per maand, inclusief bijkomende kosten. Dit is ook de totale huurprijs die uiteindelijk in de schriftelijke huurovereenkomst is vastgelegd. Het standpunt van [eiser] dat bij het splitsen van het bedrag van € 1.038,00 in kale huur en kosten van bijkomende leveringen en diensten door [naam] een ‘vergissing’ is gemaakt, volgt de kantonrechter niet. Uit de overgelegde verklaring van [naam] blijkt namelijk van een bewuste keuze voor de in de huurovereenkomst vermelde kale huurprijs. Uit de verklaring van [naam] van 3 november 2023 volgt immers dat hij indertijd in het bijzonder heeft nagedacht over het bedrag dat hij als kale huurprijs in de overeenkomst wilde opnemen en dat hij daarmee ruimschoots onder de € 900,00 wilde blijven. Welke overwegingen daaraan ten grondslag lagen is een omstandigheid die voor zijn risico en rekening komt, aangezien niet gesteld of gebleken is dat hij in overleg met [gedaagde] gezamenlijk tot deze keuze is gekomen. [gedaagde] is door ondertekening van de huurovereenkomst daarmee akkoord gegaan. Dat achteraf gebleken is dat [naam] bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan kale huur van verkeerde veronderstellingen is uitgegaan met betrekking tot het risico dat hij zou lopen in een procedure bij de Huurcommissie over een puntentelling van de woning, is een ‘vergissing’ die voor zijn rekening en risico komt.

[gedaagde] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij bij de verdeling van de huurprijs niet betrokken is geweest: alleen de totale huur is besproken, de verdeling zou later volgen in de huurovereenkomst. Nu de uiteindelijke verdeling in de huurovereenkomst overeenkwam met de aanvankelijk besproken totale huurprijs van € 1.038,00 per maand, volgt de kantonrechter [gedaagde] in zijn standpunt dat deze verdeling hem niet direct vreemd voorkwam. Niet gebleken is dan ook dat het ten tijde van het aangaan van de overeenkomst voor [gedaagde] duidelijk was dat € 600,00 niet de werkelijke tussen partijen overeengekomen kale huurprijs was, zoals [eiser] stelt. Omdat [naam] in 2016 en 2017 de huur niet verhoogd heeft en [gedaagde] niet om een jaarafrekening heeft gevraagd, is dit tussen hen ook nooit een discussiepunt geweest.

Daarbij komt dat [eiser] heeft verklaard dat zij de huurovereenkomst heeft gezien vóór de overdracht van de woning. Indien zij daarover vragen had, had het op haar weg gelegen om die kenbaar te maken. Gesteld noch gebleken is dat zij dit heeft gedaan. Integendeel: uit haar e-mail van 12 april 2018 aan [gedaagde] heeft zij de verdeling van de huurprijs in een kale huursom ‘die momenteel €600 bedraagt’ en ‘een voorschotbedrag voor servicekosten en nutsvoorzieningen van €445,50’ uitdrukkelijk bevestigd. En in de daaropvolgende jaren is bij de door [eiser] voorgestelde huurverhogingen tot 2025 ook steeds voortgebouwd op de oorspronkelijke kale huur van € 600,00 en daarmee dus op de verdeling zoals vastgelegd in de huurovereenkomst. Het voorschotbedrag is per 1 maart 2019 door [eiser] verhoogd met € 2,50 in verband met de toevoeging van de extra zender Fox Sports, op verzoek van [gedaagde]. Hieruit volgt niet alleen ontegenzeggelijk dat [eiser] met de verdeling bekend was, maar ook – door het gebruik van de term ‘voorschotbedrag’ – dat zij zich er bewust van was dat ten aanzien van de kosten van de in de huurovereenkomst vermelde ‘bijkomende leveringen en diensten’ sprake was van een voorschot op een later te maken eindafrekening.

De omstandigheid dat [gedaagde] nooit eerder dan op 7 mei 2025 heeft verzocht om een afrekening van de servicekosten, maakt dit niet anders. Overigens deed [gedaagde] dit verzoek pas in reactie op de door [eiser] op 25 april 2025 meegedeelde verhoging van de kale huur van € 707,62 naar € 1.184,82 per maand op grond van de volgens [eiser] ‘verplichte toepassing van het Woningwaarderingsstelsel per 1 juli 2025’. Kennelijk ervoer [gedaagde] de totale huurprijs die hij betaalde tot dan toe niet als onredelijk en zag hij geen aanleiding, anders dan [eiser], om de relatie op scherp te zetten. Omdat [eiser] bijzonder veel nadruk gelegd heeft op de weigering van [gedaagde] tot mediation, geeft de kantonrechter het volgende in overweging. Ter zitting leek [gedaagde] niet onwelwillend om de praktijk zoals die in de jaren 2018 tot 2025 was (jaarlijkse huurverhoging vanuit het startpunt € 600,00 kale maandhuur en laatstelijk een maandelijks voorschot van € 448,00 zonder jaarafrekening) voort te zetten, maar gaf hij tevens aan dat dit door de houding van [eiser] mogelijk veranderd is. Wellicht dat partijen elkaar hierin alsnog kunnen vinden.

Ook de door [eiser] gestelde structurele wanverhouding tussen kosten en opbrengsten – wat [gedaagde] overigens (inclusief de beweerdelijke financiële nood van [eiser]) gemotiveerd betwist heeft – kan geen grond vormen voor aanpassing van de huurprijs. Dit kan een rol spelen bij een beëindiging van de huurovereenkomst op grond van dringend eigen gebruik, maar kan niet leiden tot doorbreking van (semi-) dwingendrechtelijke wetgeving met betrekking tot de aanpassing van de huurprijs.

De conclusie is dan ook dat er geen grondslag is voor een aanpassing van de (kale) huurprijs. Dit betekent dat de primaire vorderingen in conventie onder a. tot en met d. worden afgewezen. Ook de vordering onder e. wordt afgewezen, aangezien toewijzing zou leiden tot een ingrijpen in de huurstructuur waarvoor de instemming van de huurder nodig is. Deze instemming ontbreekt, zoals ook volgt uit de door [gedaagde] ingestelde vordering in reconventie om het voorschot te bepalen voor de in de huurovereenkomst overeengekomen bijkomende leveringen en diensten van verhuurder. Onvoorziene omstandigheden die meebrengen dat de huurder op dit punt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten zijn niet gesteld of gebleken. De primaire vordering onder f. wordt ook afgewezen, gelet op wettelijke bepalingen ter zake. De artikelen 7:259 en verder van het Burgerlijk Wetboek (BW) de (on)mogelijkheden bepalen met betrekking tot (het verstrekken van) de afrekening van de servicekosten. Een verhuurder dient elk jaar, uiterlijk zes maanden na het verstrijken van een kalenderjaar, een overzicht te verstrekken van de in rekening gebrachte kosten. Indien over de betalingsverplichting geen overeenstemming bereikt wordt, kan een huurder tot uiterlijk vierentwintig maanden hierna de Huurcommissie verzoeken om hierover uitspraak te doen.

De vordering van [eiser] om de puntentelling van de woning vast te stellen op 192 punten conform het WWS-rapport wordt afgewezen. Ter onderbouwing heeft [eiser] het WWS-rapport (de puntentelling van Renewable Partners B.V. van 20 februari 2026) overgelegd, waarin dit puntenaantal wordt genoemd voordat de WOZ-cap daarop is toegepast. [eiser] miskent echter dat het WWS-systeem op grond waarvan de punten van een woning kunnen worden vastgesteld een abstract geheel is en dat ook toepassing van de WOZ-cap daarvan een onderdeel is. De woning is volgens het WWS-rapport gewaardeerd op 186 punten. Een verhuurder kan niet naar believen, althans niet zonder redelijk belang bepaalde onderdelen van die woningwaardering eruit lichten en vaststelling daarvan in rechte vorderen. [eiser] heeft niet onderbouwd welk belang zij bij haar vordering heeft. De vordering onder g. wordt dan ook afgewezen. De vordering om de huurprijs vast te stellen op minimaal € 1.000,00 per maand zal worden afgewezen, omdat hiervoor al is geoordeeld dat er geen grondslag is voor aanpassing van de overeengekomen huurprijs. Het voorgaande betekent dat ook de vordering onder h. zal worden afgewezen.

Aan de voorwaardelijke vordering in reconventie van [gedaagde] om de huurprijs te splitsen wordt niet toegekomen, omdat hiervoor is geoordeeld dat de huurprijs bij aanvang van de huur is gesplitst in een kale huurprijs en een voorschot op de servicekosten. Van een all-in huurprijs is dan ook geen sprake. Wel zal het subsidiair gevorderde in reconventie worden toegewezen. Op 31 mei 2024 heeft [eiser] de kale huur met ingang van 1 augustus 2024 verhoogd naar € 748,66 per maand. De kale huur wordt dan ook met ingang van 1 augustus 2024 vastgesteld op € 748,66 per maand en het voorschot servicekosten, zoals onder 4.5. overwogen, met ingang van 1 maart 2019 op € 448,00 per maand.

Servicekosten

[eiser] heeft haar vorderingen tijdig bij de kantonrechter ingediend, dat wil zeggen binnen acht weken nadat de uitspraak van de Huurcommissie aan haar is verzonden. Door de bij de kantonrechter ingestelde vordering vervalt de uitspraak van de Huurcommissie en zijn partijen niet meer aan die uitspraak gebonden. Het meer subsidiair gevorderde onder i. om de uitspraken van de Huurcommissie van 10 november 2025 terzijde te leggen wordt dan ook afgewezen wegens gebrek aan belang; dit volgt immers al uit de wet.

Over de vordering om de betalingsverplichting voor de servicekosten over 2022 en 2023 opnieuw vast te stellen conform de opgave van [eiser], wordt als volgt geoordeeld. [eiser] stelt dat er een te laag bedrag is meegenomen voor de signaallevering, terwijl zij voldoende heeft aangetoond welke kosten hiervoor zijn gemaakt. Verder heeft de Huurcommissie volgens [eiser] ten onrechte een dubbele aftrek meegenomen voor de tegemoetkoming in de energiekosten.

De Huurcommissie is wat betreft de signaallevering uitgegaan van een forfaitair bedrag omdat [eiser] alleen e-mails heeft verstrekt van KPN en geen facturen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] de kosten voor signaallevering voldoende heeft onderbouwd. Daarvoor is van belang dat [eiser] over het jaar 2023 in de procedure bij de Huurcommissie naast de e-mails wel degelijk ook facturen heeft overgelegd, die gericht zijn aan het adres van de woning. Het bedrag over het eerste deel van 2023 is gelijk aan het bedrag dat [eiser] in het tweede deel van 2022 gefactureerd kreeg (€ 60,59), en nagenoeg gelijk aan het bedrag voor signaallevering in het eerste deel van 2022 (€ 59,03). Daarmee heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat zij deze kosten over 2022 en over 2023 heeft gemaakt voor signaallevering te behoeve van de woning van [gedaagde]. Deze kosten zullen dan ook meegenomen worden in de berekening van de servicekosten.

Verder stelt [eiser] dat de Huurcommissie ten onrechte de tegemoetkoming energiekosten in 2022 dubbel in rekening heeft gebracht. Met het bedrag van -/- € 131,71 aan leveringskosten voor elektriciteit was dit bedrag volgens [eiser] al verrekend. De Huurcommissie heeft daar ten onrechte nog € 380,00 op in mindering gebracht. In haar uitspraak van 10 november 2025 heeft de Huurcommissie toegelicht dat zij afwijkt van de berekening in het onderzoeksrapport omdat op de jaarnota’s van de energieleverancier een post verminderde energiebelasting in mindering is gebracht en dat dit niet hetzelfde is als de tegemoetkoming energiekosten (de Tijdelijke overbruggingsregeling tegemoetkoming energieprijzen kleinverbruikers 2022). Die regeling hield in dat in november en december 2022 huishoudens een korting van € 190,00 op de energierekening via de energieleverancier kregen. Dit kon de energieleverancier doen door uitbetaling van deze bedragen of door verrekening met de termijnbedragen. Met de Huurcommissie is de kantonrechter van oordeel dat, anders dan [eiser] onder verwijzing naar het onderzoeksrapport stelt, uit de jaarnota 2022 niet blijkt dat deze tegemoetkoming door de leverancier verrekend is met de termijnbedragen in november en december 2022 of anderszins op de jaarnota in mindering is gebracht. Dit bedrag is dan ook terecht door de Huurcommissie in mindering gebracht op de elektriciteitskosten.

De overige posten heeft [eiser] niet (onderbouwd) betwist, zodat de kantonrechter daarvoor uitgaat van de bedragen die de Huurcommissie heeft vastgesteld. [eiser] heeft haar zienswijze en verdere correspondentie met de Huurcommissie overgelegd, maar op de onder 4.13. hierboven punten uitgezonderd na in de dagvaarding niet concreet aangegeven op welke punten zij het niet eens is met de uitspraak van de Huurcommissie. Een eiser dient zijn vordering in de dagvaarding te onderbouwen, zodat de gedaagde daarop kan reageren, en kan daarbij niet volstaan met (louter) de stukken uit een eerdere procedure te overleggen. Het is de kantonrechter ook niet toegestaan om zelf argumenten af te leiden uit overgelegde stukken en op die wijze ‘mee te procederen’. [gedaagde] heeft nog aangegeven het niet eens te zijn met een bedrag voor de koelkast, aangezien dit een inbouwkoelkast betreft en daarvoor geen vergoeding in rekening gebracht mag worden. Zoals [gedaagde] zelf al aangeeft is, omdat door [eiser] een lager bedrag voor de kosten voor stoffering en meubilering is opgegeven dan door de Huurcommissie als maximaal redelijk is aangemerkt, door de Huurcommissie de opgave van [eiser] aangehouden zodat een correctie met betrekking tot de inbouwkoelkast niet tot een andere servicekostenafrekening zal leiden. In de onderhavige procedure heeft [eiser] dit niet onderbouwd betwist, zodat de kantonrechter ook wat de stoffering en meubilering aansluiting zoekt bij het bedrag dat de Huurcommissie hiervoor heeft vastgesteld.

De kantonrechter stelt de betalingsverplichting van [gedaagde] voor de servicekosten dan ook als volgt vast:

Over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022:

Gas € 900,23

Elektriciteit -/- € 496,45

Water € 162,36

Signaallevering € 717,72

Stoffering/meubilering € 60,00

Totaal: € 1.343,86

Over de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023:

Gas € 1.120,96

Elektriciteit € 106,30

Water € 172,95

Signaallevering € 746,88

Stoffering/meubilering € 60,00

Totaal: € 2.207,09

Onbetwist is gebleven dat [gedaagde] over 2022 en 2023 een bedrag van € 5.376,00 per jaar aan voorschotten heeft betaald. Hij was verschuldigd een bedrag van € 1.343,86 respectievelijk € 2.207,09. Dit betekent dat [gedaagde] onverschuldigd heeft betaald een bedrag van in totaal (€ 10.752,00 -/- € 3.550,95 = ) € 7.201,05. Dit bedrag moet [eiser] aan [gedaagde] terugbetalen.

Proceskosten in conventie

[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

86,00

(2 punten × € 43,00)

- nakosten

€

21,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

107,50

Proceskosten in reconventie

[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

360,00

(2 punten × factor 0,5 × € 360,00)

Totaal

€

360,00

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

stelt de servicekosten over 2022 vast op € 1.343,86 en over 2023 op € 2.207,09,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 107,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 7.201,05,

stelt met ingang van 1 augustus 2024 de kale huurprijs vast op € 748,66 per maand en het te betalen voorschot op de servicekosten met ingang van 1 maart 2019 op € 448,00 per maand,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.

57327

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand