ECLI:NL:RBAMS:2026:9513

ECLI:NL:RBAMS:2026:9513

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 13/348304-25 (zaak A) en 13/159391-25 (zaak B)
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een forse mishandeling van zijn moeder, waardoor zij letsel heeft opgelopen. Daarnaast heeft verdachte een medewerkster van de zorginstelling waar hij voor zijn behandeling was opgenomen, mishandeld, waarbij ook zij letsel heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde in zaak A in verminderde mate aan verdachte dient te worden toegerekend. Het bewezenverklaarde in zaak B kan verdachte in het geheel niet worden toegerekend, waardoor verdachte in deze zaak zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank zal de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege aan verdachte opleggen. Een voorwaardelijk kader, zoals tbs met voorwaarden of een zorgmachtiging, blijken onvoldoende toereikend om het recidiverisico te beperken. Ook wordt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/348304-25 (zaak A) en 13/159391-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13/220788-23

Datum uitspraak: 23 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP adres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.M. Feenstra, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Daarnaast zijn [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, en [psychiater] , psychiater, als deskundigen gehoord.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:

ten aanzien van zaak A

primair: poging tot doodslag op [slachtoffer 1] op 20 december 2025;

subsidiair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 20 december 2025;

meer subsidiair: mishandeling van [slachtoffer 1] op 20 december 2025;

ten aanzien van zaak B

mishandeling van [slachtoffer 2] op 12 maart 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit in zaak A wettig en overtuigend kan worden bewezen. Gelet op het feit dat moeder [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar keel dicht kneep, dat zij geen lucht kreeg, bang was om dood te gaan en een uur na het incident nog altijd een pijnlijke keel had, moet dit met behoorlijke kracht gebeurd zijn. Het op deze wijze dichtdrukken van de keel, waarbij iemand geen lucht krijgt, levert een aanmerkelijke kans op de dood op.

Ten aanzien van het tenlastegelegde feit in zaak B heeft de officier van justitie zich eveneens op het standpunt gesteld dat dit wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van de stukken in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van zaak A heeft de raadsvrouw verzocht verdachte vrij te spreken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Volgens de raadsvrouw kan niet worden vastgesteld dat sprake was van (voorwaardelijk) opzet, omdat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde onder zaak A en het tenlastegelegde onder zaak B heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting het

volgende vast.

Op 20 december 2025 heeft aangeefster [slachtoffer 1] , de moeder van verdachte, aangifte gedaan tegen haar zoon. Zij heeft verklaard dat verdachte op die datum haar arm heeft vastgepakt en deze in de richting van haar heup heeft gedraaid. Vervolgens heeft hij haar met beide handen bij de keel gegrepen en daarin geknepen, waardoor zij geen lucht meer kreeg, waarna verdachte haar meerdere keren in het gezicht heeft geslagen.

Op 23 december 2025 is aangeefster medisch onderzocht. Daarbij zijn in haar hals een krasverwonding en een onderhuidse bloeduitstorting waargenomen.

Verdachte heeft op de terechtzitting van 9 september 2026 verklaard dat hij zijn moeder heeft vastgepakt, haar in het gezicht heeft geslagen en haar bij de keel heeft gegrepen.

Vrijspraak poging tot doodslag en zware mishandeling (primair en subsidiair)

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de primair en subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag en zware mishandeling. De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van deze feiten vereist is dat komt vast te staan dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van aangeefster in het leven heeft geroepen en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard.

Onder omstandigheden kan het dichtknijpen van de keel zwaar lichamelijk letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, maar dat is niet zonder meer het geval. In dit geval blijkt uit de inhoud van het dossier onvoldoende hoe lang en met welke kracht en intensiteit verdachte de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen. De aangifte en het bij aangeefster waargenomen letsel geven hierover onvoldoende uitsluitsel. Ook het medisch onderzoek verschaft geen nader inzicht in de precieze kracht waarmee verdachte in de keel van aangeefster heeft geknepen en de hieruit volgende (mogelijke) lichamelijke gevolgen.

Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel van aangeefster in het leven heeft geroepen en dat verdachte deze ook bewust heeft aanvaard. Ook het draaien van de arm van aangeefster en het slaan tegen haar hoofd bieden daarvoor onvoldoende grond.

Bewezenverklaring mishandeling (meer subsidiair)

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde handelingen wel kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling van zijn moeder en acht het meer subsidiair tenlastegelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van zaak B

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] .

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

1. De bekennende verklaring die verdachte op de terechtzitting van 9 september 2026 heeft afgelegd;

2. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] met nummer PL1300-2025076411-2 van 31 maart 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina’s 8 tot en met 11;

3. Een geschrift, zijnde een letselrapportage van 11 april 2025, doorgenummerde pagina’s 38 tot en met 41.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 en in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van zaak A

op 20 december 2025 te Amsterdam [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door- zijn, verdachtes, handen te plaatsen op de keel en/of hals van die [slachtoffer 1] en- gedurende enige tijd de keel en/of hals van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en- meermalen die [slachtoffer 1] in/tegen het hoofd en/of het gezicht te slaan en - de arm van die [slachtoffer 1] op de heup te draaien,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn moeder;

ten aanzien van zaak B

op 12 maart 2025 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] in de arm te bijten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, gelet op de inhoud van de rapportages van de gedragsdeskundigen, op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van zaak A verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard. Ten aanzien van zaak B heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de strafbaarheid van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van [psychiater] , psychiater, en mw. [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, van 25 maart 2026. Daaruit blijkt – kort samengevat – het volgende.

Bij verdachte was ten tijde van zowel het tenlastegelegde in zaak A als het tenlastegelegde in zaak B sprake van een autismespectrumstoornis, schizofrenie met katatonie en een stoornis in het gebruik van cannabis.

Ten aanzien van het tenlastegelegde in zaak A was bij verdachte sprake van een instabiel psychiatrisch toestandsbeeld, met aanhoudende psychotische kwetsbaarheid, katatone kenmerken en matig cannabisgebruik, in combinatie met een belastende psychosociale context. Het cannabisgebruik kan de psychotische ontregeling en de problematiek op het gebied van emotieregulatie hebben versterkt. Vanuit de autismespectrumstoornis waren bij verdachte beperkingen aanwezig in de sociale informatieverwerking, alsmede rigiditeit en problemen in de emotieregulatie, mogelijk mede gekleurd door achterdochtige interpretaties. Dit heeft geleid tot spanningsopbouw en impulsief agressief handelen. De gedragskeuzevrijheid van verdachte wordt als beperkt beschouwd en de gedragsdeskundigen adviseren om het tenlastegelegde in zaak A in ten minste verminderde mate toe te rekenen aan verdachte.

Ten aanzien van het tenlastegelegde in zaak B was bij verdachte sprake van een floride psychotisch toestandsbeeld, gekenmerkt door paranoïde wanen, hallucinaties en katatone ontregeling. Verdachte werd volledig in beslag genomen door zijn psychotische belevingswereld, waarbij sprake was van angst, wantrouwen en agitatie. De gedragskeuzevrijheid van verdachte wordt als volledig opgeheven beschouwd vanwege deze ernstige psychotische ontregeling en de gedragsdeskundigen adviseren om het tenlastegelegde in zaak B niet toe te rekenen aan verdachte.

De rechtbank heeft geen reden om aan de conclusies van de gedragsdeskundigen te twijfelen en neemt het advies over. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bewezenverklaarde in zaak A in verminderde mate aan verdachte dient te worden toegerekend. Het bewezenverklaarde in zaak B kan verdachte in het geheel niet worden toegerekend, vanwege de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Verdachte is ten aanzien van zaak B dan ook niet strafbaar en zal daarvoor worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert dat aan verdachte in zaak A een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van het voorarrest, wordt opgelegd.

De officier van justitie vordert ook dat aan verdachte in zaak A de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging wordt opgelegd. Volgens de officier van justitie brengen de aard en ernst van de problematiek van verdachte mee dat langdurige behandeling evident noodzakelijk is ter voorkoming van recidive en ter maximale beveiliging van de samenleving tegen recidive. Volgens de officier van justitie behoort behandeling in een andere setting dan tbs met verpleging van overheidswege niet tot de mogelijkheden gelet op de Pro Justitia rapportage van 25 maart 2026 en de aanvullende Pro Justitia rapportage van 2 september 2026.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht geen tbs met dwangverpleging op te leggen, vanwege het ontbreken van de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij. Hierbij spelen onder andere de relatief geringe ernst van de feiten, het ontbreken van een veelheid aan eerdere veroordelingen en het nauwelijks aanwezig zijn van een eerder forensisch kader waarin behandeling plaatsvond een rol. Verdachte stabiliseerde al binnen twee maanden bij Mentrum en is medicatietrouw.

Tbs met voorwaarden is volgens de raadsvrouw een goed alternatief. Omdat verdachte gemotiveerd is voor een behandeling, er enig ziektebesef is en verdachte zijn medicatie inneemt, kan de effectiviteit van de behandeling volgens de raadsvrouw ook middels bijzondere voorwaarden worden gerealiseerd.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen maatregel en straf zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een forse mishandeling van zijn moeder, waardoor zij letsel heeft opgelopen. Daarmee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De rechtbank rekent het verdachte aan dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen, en typeert deze mishandeling als huiselijk geweld.

Daarnaast heeft verdachte een medewerkster van de zorginstelling waar hij voor zijn behandeling was opgenomen, mishandeld, waarbij ook zij letsel heeft opgelopen. Daarmee heeft verdachte wederom een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Werknemers met een zorgtaak moeten hun werkzaamheden in een veilige omgeving kunnen verrichten en dienen daarbij gevrijwaard te blijven van dergelijk agressief gedrag.

Persoon van verdachte

Uittreksel Justitiële Documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling. Daarmee is sprake van recidive en dat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

Pro Justitia rapportage

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van [psychiater] , psychiater, en [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, van 25 maart 2026 en de aanvullende Pro Justitia rapportage van 2 september 2026 alsmede de toelichting van de deskundigen op de terechtzitting. Daaruit blijkt – samengevat – het volgende.

Gelet op de aanwezigheid van een psychotische stoornis met katatonie, een autismespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, in combinatie met een langdurige voorgeschiedenis van agressief en grensoverschrijdend gedrag en een gebrekkige respons op eerdere interventies, wordt het risico op gewelddadige recidive bij het wegvallen van toezicht en structuur als hoog ingeschat. Psychotische ontregeling, middelengebruik en beperkingen vanuit de autismespectrumstoornis, zoals rigiditeit en emotieregulatieproblemen, leiden in combinatie met stressvolle contextuele factoren tot verhoogde spanning en een verhoogde kans op agressief gedrag. Het ontbreken van beschermende factoren en externe structuur maakt dat deze vicieuze cirkel onvoldoende wordt doorbroken, waardoor het recidiverisico verder toeneemt.

Gelet op het hoge recidiverisico op geweld, de ernst van de psychiatrische problematiek en het beloop van eerdere behandeltrajecten, is een langdurige klinische behandeling binnen een hoogbeveiligde forensisch-psychiatrische setting, gericht op psychiatrische stabilisatie en risicoreductie, aangewezen. Continuïteit en optimalisatie van antipsychotische medicatie zijn daarbij essentieel, mede gezien het eerder gebleken positieve effect op psychotische symptomen en katatonie. Binnen de behandeling dient aandacht te zijn voor psychotische symptomatologie, autismespectrumproblematiek, met nadruk op structuur en prikkelreductie, emotieregulatie en agressieregulatie en middelenabstinentie.

Verdachte is sterk afhankelijk van structuur, toezicht en directe interventiemogelijkheden. Voorwaardelijke kaders, zoals een voorwaardelijke straf of tbs met voorwaarden, worden als ontoereikend beoordeeld vanwege het ontbreken van ziekte-inzicht, behandelmotivatie en therapietrouw. Ook een zorgmachtiging wordt niet passend geacht, gezien eerdere ontregeling en agressie binnen dit kader en de beperkte mogelijkheden om het forensisch recidiverisico afdoende te beheersen.

Alles overwegend wordt tbs met dwangverpleging als meest passend en noodzakelijk geacht, gezien het benodigde beveiligingsniveau en de mogelijkheid tot langdurige, intensieve behandeling.

In voormelde aanvullende Pro Justitia rapportage is nadrukkelijk overwogen dat bij verdachte sprake is van een positieve ontwikkeling: het psychiatrische toestandsbeeld is verbeterd en verdachte functioneert momenteel rustiger en stabieler. De deskundigen zien echter geen aanleiding om het eerdere advies te heroverwegen en te wijzigen in een minder dwingend kader. De deskundigen achten onvoldoende gebleken dat verdachte de voor risicobeheersing noodzakelijke behandeling en voorwaarden ook vanuit voldoende eigen ziektebesef, behandelmotivatie en therapietrouw duurzaam kan volhouden. Hoewel verdachte momenteel rustiger en stabieler functioneert, is deze ontwikkeling nog relatief kortdurend en wordt deze ontwikkeling vooral gerelateerd aan de sterk gestructureerde omgeving van een PI waarin hij verblijft. Daarbij wijzen de deskundigen op de langdurige kwetsbaarheid van verdachte voor gedragsontregeling en agressief of grensoverschrijdend gedrag. Ook hebben de deskundigen onvoldoende vertrouwen op een duurzame medewerking van verdachte aan de behandeling en voorwaarden die nodig zijn om het recidiverisico te beheersen. Medicatie wordt op dit moment ingenomen onder drang en toezicht. Eerdere medicatieontrouw, weigering, niet nagekomen toezeggingen over medicatiegebruik en de eerdere noodzaak tot dwangmedicatie maken dat onvoldoende kan worden vertrouwd op duurzame medicatietrouw wanneer externe sturing afneemt. Ook onderschrijft verdachte de noodzaak van verschillende behandel- en risicobeheersende interventies, waaronder medicatie en middelenabstinentie, slechts beperkt. Gelet op de langdurige gedrags- en aanpassingsproblemen en het complexe samenspel van autismespectrumproblematiek, psychotische kwetsbaarheid en middelenproblematiek, wordt verwacht dat het resocialisatietraject moeizaam en kwetsbaar zal zijn. Het risico op hernieuwde spanningsopbouw, psychiatrische en/of gedragsmatige ontregeling en agressief of grensoverschrijdend gedrag wordt daarom te groot geacht om binnen tbs met voorwaarden verantwoord te kunnen beheersen.

Ook de optie van een aanvullende zorgmachtiging, al dan niet naast een voorwaardelijk strafrechtelijk kader, neemt deze bezwaren onvoldoende weg. Hoewel daarmee verplichte zorg, waaronder medicamenteuze behandeling, mogelijk kan zijn, is bij verdachte meer nodig dan het waarborgen van medicatie. Langdurige structuur, toezicht, begrenzing en beveiliging zijn noodzakelijk, evenals zorgvuldig gefaseerde uitbreiding van vrijheden en een resocialisatietraject. Verdachte is tijdens eerdere behandeling binnen een gedwongen civielrechtelijk kader ontregeld en heeft agressief gedrag vertoond, waarbij intensieve beheersmaatregelen noodzakelijk waren.

De deskundigen blijven dan ook bij hun eerdere advies tot oplegging van tbs met dwangverpleging.

Reclasseringsadvies

Ten slotte heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 17 juni 2026. Hieruit blijkt – kort samengevat – het volgende.

Bij verdachte is sprake van complexe pathologie, een gebrek aan ziektebesef en -inzicht, een gebrekkige impulscontrole en een gebrek aan emotie-, spannings- en agressieregulatie. Dit maakt verdachte kwetsbaar voor ontregeling en uit zich bij hem in ernstig grensoverschrijdend gedrag, dat zich niet alleen manifesteert in de vrije maatschappij, maar ook binnen een sterk gestructureerde en beveiligde setting. Het risico op recidive en letsel wordt zonder de inzet van interventies als hoog ingeschat. De reclassering acht verdachte bovendien onvoldoende in staat om zich aan voorwaarden te conformeren.

Gezien het hoge risico op (gewelds)recidive, de ernst en complexiteit van de bij verdachte vastgestelde psychopathologie en het negatieve verloop van eerdere (behandel)trajecten, is de reclassering van mening dat het niet verantwoord is om verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding te laten terugkeren in de maatschappij. Het zwaartepunt dient te liggen bij een intensieve, langdurige klinische behandeling binnen een strikt en gestructureerd kader, zonder tijdsdruk.

Een behandel- en begeleidingstraject binnen een setting waar expertise aanwezig is op zowel het gebied van forensische scherpte als de bij verdachte vastgestelde pathologie, met een hoog beveiligingsniveau en direct aansluitend op de huidige detentieperiode, is geïndiceerd. Dit traject dient primair gericht te zijn op verdere psychiatrische stabilisatie, waarbij continuïteit en optimalisatie van de antipsychotische medicatie essentieel zijn, de bij de autismespectrumstoornis passende beperkingen, emotie- en agressieregulatie, het abstinent blijven van middelen en nader diagnostisch onderzoek naar het cognitieve en persoonlijkheidsfunctioneren. Secundair dient het traject ertoe om binnen een veilige en stabiele context te kunnen toetsen of verdachte profiteert van de ingezette interventies, om vervolgens de resocialisatie van verdachte, onder strikte voorwaarden, verder gestalte te kunnen geven.

Een dergelijk traject kan niet worden vormgegeven binnen het kader van een tbs met voorwaarden. Het kader van een tbs met voorwaarden heeft een sterk resocialiserend karakter, waarbij vanuit behandelperspectief binnen afzienbare tijd resultaat dan wel gedragsverandering wordt verwacht en een groot beroep wordt gedaan op de responsiviteit en verantwoordelijkheid van de tbs-gestelde. Een klinisch behandeltraject binnen het kader van een tbs met voorwaarden is te kort om een grote verandering te kunnen bewerkstelligen, omdat een dergelijk traject gericht is op resocialisatie, het relatief snel opbouwen van verloven en het toewerken naar uitstroom. In het kader van recidivebeperking ziet de reclassering geen mogelijkheden om een resocialisatieplan met passende (behandel)interventies op te stellen, voorwaarden te concretiseren en uitvoering te geven aan effectief toezicht.

Op te leggen straf en maatregel

Adolescentenstrafrecht

Omdat verdachte ouder is dan 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, kan

volgens de wet het adolescentenstrafrecht (ASR) toegepast worden. Hierbij kunnen straffen

of maatregelen uit het jeugdstrafrecht worden opgelegd, indien daar aanleiding toe bestaat.

Uit voormelde Pro Justitia rapportage van 25 maart 2026, blijkt dat er geen indicaties worden gezien voor de toepassing van het adolescentenstrafrecht. Hoewel verdachte een belaste ontwikkeling kent en nog een jonge leeftijd heeft, weegt dit onvoldoende op tegen de ernst en persistentie van de problematiek en het ontbreken van pedagogische aanknopingspunten De deskundigen adviseren om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Ook de reclassering heeft geen indicaties gezien voor de toepassing van het jeugdstrafrecht.

Gelet op bovenstaande conclusies ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen en zal het volwassenenstrafrecht worden toegepast.

Tbs met dwangverpleging

De rechtbank neemt, ook ten aanzien van de op te leggen straf of maatregel, de adviezen van de deskundigen over en concludeert dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met verpleging van overheidswege en dat aan de formele voorwaarden voor oplegging van die maatregel in zaak A is voldaan. De rechtbank heeft op basis van de deskundigenrapporten vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde sprake was van een autismespectrumstoornis, schizofrenie met katatonie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Het bewezenverklaarde in zaak A is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts vereist de veiligheid van anderen het opleggen van die maatregel, gelet op het hoge recidiverisico indien verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij. Een voorwaardelijk kader, zoals tbs met voorwaarden, of een zorgmachtiging blijken onvoldoende toereikend om dit recidiverisico te beperken. De rechtbank zal daarom de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege aan verdachte opleggen.

Ongemaximeerde tbs

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat het bewezenverklaarde in zaak A een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot vier jaren.

Gevangenisstraf

De ernst van het bewezenverklaarde in zaak A rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het strafblad van verdachte, naast het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, de oplegging van een gevangenisstraf. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, de oplegging van tbs met dwangverpleging en de duur van het reeds ondergane voorarrest, acht de rechtbank het echter niet opportuun om een gevangenisstraf op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis overschrijdt. Alles afwegend zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 450,- aan immateriële schade gevorderd. Zij stelt dat zij als gevolg van het onder zaak B tenlastegelegde feit een wond aan haar arm heeft opgelopen en voert aan dat daar nog steeds een verdikking voelbaar is en dat de tandafdrukken nog zichtbaar zijn. Daarnaast stelt zij dat zij zich als gevolg van het feit onveilig en kwetsbaar heeft gevoeld.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering redelijk is en dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat verdachte ten tijde van het plegen van het feit geheel ontoerekeningsvatbaar was. Volgens de raadsvrouw is toewijzing van de vordering onder die omstandigheden niet billijk.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van deze schade, omdat sprake is van lichamelijk letsel.

De rechtbank acht de vordering voldoende onderbouwd en billijk, mede gelet op de ernst van het letsel en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte staat aan toewijzing van de vordering niet in de weg (zie artikel 6:165 van het Burgerlijk Wetboek). De gevorderde schadevergoeding van € 450,- zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2025.

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek

van Strafrecht opleggen.

9. Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/220788-23

De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 3 juni 2024 van de kinderrechter van deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 13/220788-23. Verdachte is in deze zaak onder meer veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 54 uren met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 uren voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde straf in geen enkel geval nog enig doel dient.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, omdat aan verdachte, naast een gevangenisstraf, tbs met dwangverpleging wordt opgelegd en de rechtbank toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in dat licht niet opportuun acht.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder primair en subsidiair tenlastegelegde in zaak A niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde in zaak A levert op:

- mishandeling, begaan tegen zijn moeder

Het bewezenverklaarde in zaak B levert op:

- mishandeling

Verklaart het in rubriek 4 in zaak A en zaak B bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , voor het in zaak B bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging terzake daarvan.

Verklaart verdachte, [verdachte] , voor het in zaak A bewezene strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Bepaalt dat de totale duur van de maatregel tbs met dwangverpleging niet gemaximeerd is.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 450,- (vierhonderdvijftig euro). Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 maart 2025.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 450,- (vierhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 12 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 4 (vier) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 3 juni 2024 opgelegd voorwaardelijk strafdeel van 30 (dertig) uren werkstraf in de zaak met parketnummer 13/220788-23.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en Q.M.J.A. Crul, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.E. Hoogendijk

Griffier

  • mr. J. de Groot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand