ECLI:NL:RBAMS:2026:9512

ECLI:NL:RBAMS:2026:9512

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 13/167861-26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben en het verkopen van harddrugs. Aan verdachte wordt de ISD-maatregel opgelegd voor de duur van 2 jaren. Zonder oplegging van de ISD-maatregel bestaat het risico dat verdachte opnieuw in zijn vreemdelingrechtelijke, perspectiefloze situatie terechtkomt en doorgaat met het plegen van strafbare feiten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/167861-26

Datum uitspraak: 23 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Z.L. Moezel, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is mevrouw [persoon 1] , medewerkster van GGZ Reclassering Inforsa, als deskundige gehoord.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich op 10 juni 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:

feit 1

het verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne;

feit 2

het aanwezig hebben van cocaïne.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op basis van de processen-verbaal van verbalisanten die een overdracht waarnemen en hetgeen de koper [persoon 2] hen heeft verteld bij aanhouding.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit 1 wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Er zijn drie verschillende verklaringen (van verdachte, van vermeende koper [persoon 2] en een verbalisant) voorhanden die niet met elkaar verenigbaar zijn. Daarnaast ontbreekt ieder objectief bewijs voor de vermeende aankoop, omdat er geen bolletje cocaïne bij verdachte is aangetroffen en onduidelijk is welke coupures briefgeld in beslag zijn genomen bij verdachte.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne.

Op 10 juni 2026 nam een verbalisant in Amsterdam waar dat verdachte een handgebaar maakt naar [persoon 2] , een bij de politie bekende drugsgebruiker die regelmatig verdovende middelen koopt van straatdealers, waarna [persoon 2] naar verdachte toe fietst. Vervolgens ziet de verbalisant dat [persoon 2] een bankbiljet van € 10,- aan verdachte overhandigt en verdachte een bolletje met een op cocaïne gelijkende stof aan [persoon 2] geeft. [persoon 2] bevestigt de waarneming van de verbalisant en verklaart diezelfde dag dat hij crack heeft gekocht voor € 10,- en dat hij het bolletje op straat heeft weggegooid toen hij werd aangehouden. In een later verhoor verklaart [persoon 2] dat hij verslaafd is aan crack, verdachte kent als dealer en dat hij, toen hij langs de dealer liep, naar hem knipoogde, hem geld gaf en vervolgens drugs van hem kreeg. Ook verklaart [persoon 2] dat hij € 6,- voor het bolletje heeft betaald en dat hij het bolletje heeft weggegooid net voordat hij werd aangehouden. De rechtbank acht de waarnemingen van de verbalisant, in combinatie met de verklaring van [persoon 2] , voldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Hoewel het bolletje niet is aangetroffen bij [persoon 2] en de inhoud daarvan niet is onderzocht, ziet de rechtbank in het geheel van de omstandigheden geen aanleiding om ervan uit te gaan dat het om een andere stof dan cocaïne gaat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verbalisant een bolletje met een op cocaïne gelijkende stof heeft waargenomen en dat [persoon 2] een bij de politie bekende harddrugsgebruiker is, verdachte als dealer kent en uit eigen wetenschap heeft verklaard dat hij crack van verdachte heeft gekocht.

Dat de verklaringen van de verbalisant en [persoon 2] verschillen bevatten over het exacte aankoopbedrag, het moment waarop [persoon 2] het bolletje heeft weggegooid en de wijze van ontmoeting, leidt niet tot een ander oordeel. Deze verschillen zien op ondergeschikte details en doen niet af aan de kern van deze verklaringen, die op de wezenlijke punten met elkaar overeenkomen: [persoon 2] heeft op 10 juni 2026 geld aan verdachte overhandigd en heeft vervolgens van verdachte cocaïne ontvangen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van 0,23 gram cocaïne.

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

1. De bekennende verklaring die verdachte op de terechtzitting van 9 september 2026 heeft afgelegd;

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026148813-11 van 10 juni 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] , [opsporingsambtenaar 2] , [opsporingsambtenaar 3] , [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 5] , pagina’s 9 tot en met 12;

3. Een kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing met nummer PL1300-2026148813-5, pagina 49;

4. Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, met bijlage, met nummer 260612-1092-403 van 16 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 6] , [opsporingsambtenaar 7] en [opsporingsambtenaar 8] , pagina’s 2 tot en met 5.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 en in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

feit 1

op 10 juni 2026 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2

op 10 juni 2026 te Amsterdam al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 0,23 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren dient te worden opgelegd. Volgens de officier van justitie biedt deze maatregel verdachte de mogelijkheid om hulp te krijgen voor zijn verslavingsproblematiek en te werken aan zijn terugkeer naar [geboorteland] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht geen ISD-maatregel op te leggen, maar te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de ISD-maatregel in deze zaak niet opportuun en proportioneel is, mede gelet op de aard van de tenlastegelegde feiten. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het doel dat met de ISD-maatregel wordt nagestreefd, namelijk de terugkeer van verdachte naar [geboorteland] , ook kan worden bereikt door vreemdelingenbewaring.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de ISD-maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren, zodat verdachte nog een laatste mogelijkheid krijgt om Nederland te verlaten.

Meer subsidiair heeft zij verzocht de ISD-maatregel voor de duur van een (half)jaar op te leggen, met een tussentijdse toetsing na zes maanden.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben en het verkopen van harddrugs. Handel in harddrugs dient krachtig bestreden te worden, omdat het gebruik daarvan gevaar oplevert voor de gezondheid van gebruikers en kan leiden tot verslaving. Het gebruik van en de handel in drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en vormt zo een bron van overlast voor de samenleving. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Kennelijk heeft verdachte alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, zonder stil te staan bij de nadelige consequenties van zijn gedrag voor anderen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De persoon van verdachte

In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 20 juli 2026 (hierna: strafblad), waaruit blijkt dat verdachte al meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 3 september 2026, opgesteld door mevrouw [persoon 1] . Dit advies houdt - zakelijk weergegeven – het volgende in.

Verdachte heeft problemen op alle leefgebieden. Hij beschikt niet over huisvesting, werk, inkomen of een geldig legitimatiebewijs. Daarnaast is sprake van schuldenproblematiek en zijn er aanwijzingen voor verslavingsproblematiek. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Verdachte heeft tot op heden geen gebruik gemaakt van professionele hulpverlening en staat daar niet voor open.

Verdachte heeft geen verblijfsrecht in Nederland. Op 16 juli 2026 is aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd, alsmede een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen.

De reclassering adviseert om bij een veroordeling aan verdachte de ISD-VRIS-maatregel voor de duur van twee jaren onvoorwaardelijk op te leggen. Verdachte voldoet volgens de reclassering aan de harde en zachte criteria voor oplegging van deze maatregel. De ISD-VRIS-maatregel draagt enerzijds bij aan de maatschappelijke bescherming en beveiliging, doordat het delictgedrag en de daarmee gepaard gaande overlast direct worden beëindigd. Anderzijds biedt de maatregel de mogelijkheid om de gedwongen terugkeer naar [geboorteland] te realiseren, waarbij kan worden onderzocht welke interventies gericht op repatriëring kunnen worden ingezet en welke hulpverlening in [geboorteland] beschikbaar is. Mogelijk kan verdachte daar aanspraak maken op sociale voorzieningen, waarmee zijn problematiek kan worden beheerst. Dit biedt het meest reële toekomstperspectief voor verdachte en de grootste kans op het terugdringen van recidive. Indien verdachte zich niet ontvankelijk opstelt voor de inzet van interventies, zal met de ISD-VRIS-maatregel in ieder geval het primaire doel worden bereikt, namelijk het beëindigen van het delictgedrag in Nederland en de repatriëring naar het land van herkomst.

De deskundige, mevrouw [persoon 1] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd.

Oplegging van de ISD-maatregel

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Ook eist de veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal soortgelijke feiten die door verdachte zijn gepleegd. Tot slot blijkt uit het strafblad van verdachte dat is voldaan aan de eisen van de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie, aangezien over een periode van vijf jaren tegen verdachte processen-verbaal zijn opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden voorafgaand aan de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.

De rechtbank concludeert dat ook is voldaan aan de ‘zachte’ ISD-criteria en neemt daarbij in aanmerking dat, gelet op de vreemdelingrechtelijke status van verdachte, begeleiding door de reclassering buiten de ISD-VRIS niet uitvoerbaar wordt geacht. Tegelijkertijd is sprake van problematiek waarvoor verdachte hulp en begeleiding nodig heeft. Binnen de ISD-VRIS-maatregel kan gewerkt worden aan terugkeer naar [geboorteland] met een ‘zachte landing’ en aan het vergroten van de motivatie van verdachte daartoe, maar ook kan er gewerkt worden aan de (verslavings)problematiek van verdachte zodat de kans op recidive in de toekomst (al dan niet in het buitenland) verminderd wordt. Als verdachte hieraan meewerkt, zal van een kale detentie geen sprake zijn. Mocht verdachte niet meewerken aan de geboden interventies dan zal de ISD-maatregel enkel dienen ter bescherming van de maatschappij. Dat geen sprake kan zijn van resocialisatie in de Nederlandse samenleving brengt aldus niet mee dat van oplegging van de ISD-maatregel moet worden afgezien.

Zonder oplegging van de ISD-maatregel bestaat het risico dat verdachte opnieuw in zijn vreemdelingrechtelijke, perspectiefloze situatie terechtkomt en doorgaat met het plegen van strafbare feiten. Hoewel verdachte ter zitting heeft aangegeven vrijwillig naar [geboorteland] te willen terugkeren, heeft de rechtbank geen vertrouwen in vrijwillig vertrek door verdachte. Verdachte heeft tegenover de reclassering immers verklaard liever in Nederland te willen blijven. Hij heeft daarbij aangegeven dat [geboorteland] hem niets te bieden heeft en dat hij daar geen sociaal netwerk heeft waarop hij kan terugvallen, waardoor hij verwacht daar dakloos te zullen raken. Daarbij komt dat eerdere pogingen om verdachte naar [geboorteland] te laten terugkeren niet tot resultaat hebben geleid, omdat verdachte zich daartegen heeft verzet. Ook bestraffing in de vorm van een gevangenisstraf heeft tot nu toe niet geleid tot het voorkomen van recidive of terugkeer naar het land van herkomst.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de ISD-maatregel dient te worden opgelegd. Het is van groot belang dat er voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De maatschappij dient optimaal te worden beschermd en er moet worden bijgedragen aan een oplossing voor de problematiek van verdachte, mogelijkerwijs in [geboorteland] . Ook is er voldoende tijd nodig om een verantwoorde terugkeer naar het land van herkomst alle kans te geven. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen. Bij een eventuele repatriëring wordt de ISD-maatregel door de minister van Justitie en Veiligheid opgeheven. De snelheid waarmee een dergelijke repatriëring met zachte landing kan worden georganiseerd is mede afhankelijk van de mate waarin verdachte ontvankelijk is voor de geboden interventies. Verdachte heeft daarmee invloed op de duur van zijn maatregel. De rechtbank ziet geen aanleiding om een tussentijdse toetsing te bevelen dan wel de maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen.

8. Beslag

Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een deel van de in beslag genomen Britse ponden, ter waarde van € 10,-, verbeurd dient te worden verklaard. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat bij straatdeals regelmatig gebruik wordt gemaakt van buitenlandse coupures en dat deze coupures daarom moeten worden aangemerkt als opbrengst van de bewezenverklaarde drugshandel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de Britse ponden aan verdachte dienen te worden teruggegeven, omdat volgens de verbalisant de drugs met euro’s zouden zijn aangekocht.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de beslaglijst volgt dat het in beslag genomen Nederlandse geld is teruggegeven en de verdovende middelen zijn vernietigd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat daarop geen beslag meer rust.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de Britse ponden verbeurd te verklaren en zal deze coupures aan verdachte teruggeven. Het dossier geeft er namelijk geen blijk van dat de betaling van de drugs met Britse ponden heeft plaatsgevonden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek

4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd en spreekt

verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Gelast de teruggave aan verdachte als redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon van:

29,14 euro (Omschrijving: 25,00 Britse pond) (G6825617).

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en Q.M.J.A. Crul, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2026.

[...]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.E. Hoogendijk

Griffier

  • mr. J. de Groot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand