RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-188587-26
Datum uitspraak: 9 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 10 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 juni 2026 door de onderzoeksrechter van het Kantongerecht (Amtsgericht) Dresden, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëist persoon],
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] (Nigeria),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Kantongerecht (Amtsgericht) Dresden van
9 juni 2026 met kenmerk 271 Gs 3101/26.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rol van de opgeëiste persoon bij het plegen van de strafbare feiten onvoldoende duidelijk omschreven is. Het EAB is ongenoegzaam. De overlevering moet worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De rol van de opgeëiste persoon is duidelijk omschreven in het EAB. De opgeëiste persoon zou in de criminele organisatie vermoedelijk hebben gefungeerd als middle man of chairman. Daarnaast is in het kader van de verdenking omschreven dat de opgeëiste persoon geld op zijn rekening zou hebben ontvangen en dit zou hebben doorgesluisd. Bovendien hoeft de verdenking nog niet volledig uitgekristalliseerd te zijn, omdat het gaat om een vervolgings-EAB. Het specialiteitsbeginsel is dan ook gewaarborgd. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank is van oordeel dat het EAB in deze zaak genoegzaam is. In onderdeel e) van het EAB vermeldt de uitvaardigende justitiële autoriteit onder meer het volgende: “De beklaagde kan worden gekwalificeerd als Middleman, zo niet als Chairman. Hij zorgde ervoor dat, parallel aan de fraudedelicten de respectievelijk genoemde rekeningen ter beschikking werden gesteld, zodat de bendeleden die met de gedupeerden chatten, deze rekeningen als begunstigden konden opgeven. Daarbij nam hij geld van de gedupeerden zelf in ontvangst”. Met deze omschrijving van de feiten is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, zal later in Duitsland moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Artikel 2 OLW staat niet aan overlevering in de weg.
5. Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
witwassen van opbrengsten van misdrijven; informaticacriminaliteit; oplichting.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Duitsland een maximale vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, OLW kan de overlevering worden geweigerd indien het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat is gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW niet van toepassing is. Weliswaar zouden de feiten vermoedelijk deels buiten het terrein van de uitvaardigende lidstaat zijn gepleegd, maar er zouden ook Duitse slachtoffers zijn gemaakt. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB vast dat de strafbare feiten vermoedelijk gedeeltelijk buiten de uitvaardigende lidstaat zijn gepleegd. Het EAB vermeldt echter ook dat sprake is van meerdere slachtoffers in de uitvaardigende lidstaat. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat sprake is van strafbare feiten die - mede - gepleegd zijn op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Hierdoor is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zodat die bepaling in dit geval toepassing mist.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëist persoon] aan de onderzoeksrechter van het Kantongerecht (Amtsgericht) Dresden, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.