RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 25-008610
datum : 8 april 2025
heropeningsbeslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van de artikelen 98, vierde lid, juncto 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1962,
woonplaats kiezende op zijn kantooradres
[adres] ,
hierna te noemen: klager.
Feiten
Door de FIOD is onder de naam Charlton een strafrechtelijk onderzoek gestart naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen in de periode 1 juni 2022 tot en met 31 december 2023. [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), met middellijk bestuurder [naam] (hierna: [naam] ) worden ervan verdacht contracten te hebben afgesloten met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: het COA) voor het bemiddelen in tijdelijke opvanglocaties voor asielzoekers tussen het COA en de [tak] van het [concern] .
Verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) zou hierbij middels zijn verdachte bedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), de contactpersoon namens de [tak] zijn geweest.
Op 22 juli 2024 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris, met het oog op de opsporing beoordeelt of tussen de, bij een derde, - door het OM - gevorderde stukken geheimhoudersstukken zaten. Dit betreft stukken die zijn ingebracht in een civielrechtelijke procedure waarin [verdachte] werd bijgestaan door klager.
Bij zijn beslissing van 11 december 2024 heeft de rechter-commissaris ten aanzien van een deel van de stukken uit die civielrechtelijke procedure – te weten het door klager opgestelde verzoekschrift met bijgevoegde producties en bepaalde producties bij het verweerschrift - de opdracht gegeven om die vanwege geheimhoudersinformatie ontoegankelijk te maken. Ten aanzien van het door mr P.S. Jonker namens [verweerder] opgestelde verweerschrift met de overige daarbij gevoegde producties heeft de rechter-commissaris besloten dat deze kunnen worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam.
Procedure
Het beklag is op 24 december 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De officier van justitie heeft op 20 februari 2025 haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
Klager heeft bij email van 24 maart 2025 gereageerd op het standpunt van de officier van justitie.
De rechtbank heeft op 25 maart 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager en de officier van justitie op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt primair tot vernietiging van de beslissing van de rechter-commissaris, gedateerd 11 december 2024, en tot beslissing dat het verweerschrift van mr. P.S. Jonker en de daarbij gevoegde producties niet mogen worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam.
Door klager is aangevoerd dat de civielrechtelijke procedure is geëindigd met de intrekking van het verzoekschrift, vóór de inhoudelijke behandeling en nadat partijen een minnelijke regeling overeengekomen waren. Deze minnelijke regeling is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 30 oktober 2023.
Bij deze vaststellingsovereenkomst zijn partijen strikte geheimhouding overeengekomen. De beëindiging van de arbeidsrelatie tussen de heer [verdachte] en [verweerder] maakte onderdeel uit van een bredere schikking die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van eerdere datum, namelijk van 4 augustus 2023 (productie 1 bij het verweerschrift). Ook die overeenkomst bevat een geheimhoudingsbepaling.
De advocaat heeft zich bij de hantering van zijn verschoningsrecht te richten naar de instructies en belangen van zijn cliënten. De geheimhoudingsverplichting die [verdachte] met [verweerder] is overeengekomen brengt daarom mee dat klager niet anders kan dan zich ten aanzien van de processtukken op zijn verschoningsrecht te beroepen.
Voor mr. Jonker geldt, als raadsman van [verweerder] , hetzelfde. Mr. Jonker heeft zich niet op zijn verschoningsrecht beroepen. De rechter-commissaris heeft overwogen dat het niet aan hem is te beoordelen of mr. Jonker met zijn standpunt tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt. Door aldus te overwegen is de rechter-commissaris ten onrechte voorbijgegaan aan het gegeven dat het standpunt van mr. Jonker onjuist is en dat de onjuiste opstelling van mr. Jonker leidt tot een omzeiling van het verschoningsrecht van klager.
Gezien de betrokken belangen, de aard van het verschoningsrecht en de bijzondere
verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris bij de waarborging van dat recht, had het op de weg van de rechter commissaris gelegen een en ander nader te onderzoeken. Dat hij dat heeft nagelaten maakt zijn beslissing onjuist.
Bij het verweerschrift van mr. Jonker zitten ook stukken van andere advocaten, waaronder in ieder geval advocaten van JPR en Avizor. Uit de beslissing van de rechter-commissaris volgt niet dat deze advocaten bekend waren met zijn beslissing en dat om hun standpunt is gevraagd, zodat er een reëel risico is dat er geheimhoudersinformatie wordt vrijgegeven aan het onderzoeksteam. Klager geeft de rechtbank in overweging om alsnog een standpunt van JPR en Avizor op te vragen, alvorens op het klaagschrift te beslissen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat in het klaagschrift het verschoningsrecht van andere advocaten wordt opgeworpen. Op grond van de jurisprudentie is duidelijk dat het aan de betrokken verschoningsgerechtigde is om daarover te klagen. Anderen dan de betrokken verschoningsgerechtigde zijn niet-ontvankelijk.
De officier van justitie heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen aanhouding van de beslissing op het klaagschrift voor het door klager verzochte aanvullende onderzoek, omdat onduidelijk is of alle betrokken verschoningsgerechtigden voorafgaand aan zijn beslissing door de rechter-commissaris zijn geraadpleegd.
De officier van justitie heeft voorts verklaard haar aanvankelijk primair ingenomen standpunt dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hij geen verschoningsgerechtigde is, niet te handhaven. Dit standpunt werd ingegeven doordat werd aangenomen dat [klager] het klaagschrift op volmacht namens zijn cliënt [verdachte] had ingediend. Ter zitting is echter duidelijk geworden dat [klager] het klaagschrift namens zichzelf heeft ingediend.
Beoordeling
Vast staat dat klager een verschoningsrecht heeft en dat hij dit verschoningsrecht ook heeft ingeroepen.
Bij een procedure als de onderhavige is het aan de rechtbank om te onderzoeken of andere mogelijke verschoningsgerechtigden op de hoogte zijn gesteld van het voornemen van de rechter-commissaris om een stuk waar hun verschoningsrecht op kan rusten, aan het onderzoeksteam vrij te geven.
Alvorens te kunnen beslissen op het klaagschrift acht de rechtbank het van belang om nadere informatie te verkrijgen over de vraag of er naast klager en mr. Jonker, zoals klager stelt, nog andere verschoningsgerechtigden naar voren komen in de vrij te geven stukken zoals bijvoorbeeld JPR en Avizor. Indien dit het geval is dan wenst de rechtbank te vernemen of die verschoningsgerechtigden geïnformeerd zijn door de rechter-commissaris van zijn beslissing van 11 december 2024, en of zij zich al dan niet op hun verschoningsrecht hebben beroepen.
De rechtbank zal daarom in afwachting van deze nadere informatie de beslissing op het klaagschrift aanhouden.
Beslissing
De rechtbank heropent de behandeling van het klaagschrift en houdt de zaak voor onbepaalde tijd aan.
De rechtbank verzoekt de rechter-commissaris om de rechtbank te informeren omtrent de hiervoor bij het kopje ‘beoordeling’ genoemde punten.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mr. G. Oldekamp en mr. M.F.A.M. Smeets, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2025.