PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01246
Datum 25 september 2026
Onderwerp/tijdvak Douanerechten 2013
Nr. Gerechtshof 23/1189
Nr. Rechtbank 19/1003
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X] B.V. (de entrepothouder of belanghebbende)
tegen
staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris)
1. Inleiding
Clusters over biodiesel
In oktober 2013 is biodiesel aan boord van een schip vervoerd van de haven van Barcelona naar die van Rotterdam. Hier is een gedeelte van de lading ingeslagen als biodiesel van oorsprong uit de VS. Deze zaken gaan niet daarover maar over het resterende gedeelte van de lading (het relevante gedeelte). Dit gedeelte is aangegeven voor het vrije verkeer van de Unie als biodiesel van preferentiële oorsprong uit Indonesië.
Dat gedeelte is van de eigenaar; zij is belanghebbende in de samenhangende zaak met nr. 25/01237. Op haar verzoek heeft een ander opdracht gegeven het gedeelte in, op en uit te slaan. Deze ander is de zuster, die belanghebbende is in de samenhangende zaak met nr. 25/01240. Die opdrachten zijn verstrekt aan de derde van wie het entrepot is: de entrepothouder. Zij beschikt over een vergunning voor het beheer van een zogenoemd ‘douane-entrepot type E’ en heeft de zendingen geplaatst in haar entrepot. Zij is belanghebbende in de zaak met nr. 25/01246.
De Inspecteur heeft uitnodigingen tot betaling van douanerechten, antidumpingrechten en compenserende rechten (utb’s) uitgereikt aan de eigenaar, de zuster en de entrepothouder want volgens hem is het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS.
De drie zaken van de eigenaar, de zuster en de entrepothouder vormen een cluster dat deel uitmaakt van nog twee clusters van telkens drie zaken van dezelfde belanghebbenden. Het tweede cluster gaat over vele zendingen van biodiesel uit de VS, Indonesië, Maleisië en Argentinië, het derde cluster over een zending van biodiesel uit de VS. In al deze zaken neem ik conclusie. Bij die conclusies gaat een gemeenschappelijke bijlage (Bijlage). Voor een overzicht van de zaken verwijs ik naar onderdeel 1 van de Bijlage.
Samenhang tussen de Bijlage en deze conclusies
Alle zaken gaan dus over zendingen van biodiesel uit (onder meer) de VS. Er zijn definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de VS. In alle zaken was bij de feitenrechters en is in cassatie in geschil of de verordening tot instelling van het definitieve antidumpingrecht geldig is: verordening (EG) nr. 599/2009 (de Definitieve AD-verordening). In de Bijlage onderzoek ik of deze verordening geldig is aan de hand van de klachten die daartegen worden aangevoerd in alle zaken (zie onderdeel 2 van de Bijlage).
In deze conclusie onderzoek ik de resterende klachten van de entrepothouder in haar zaak.
Bestreden oordelen, klachten en beoordeling
Naar het oordeel van het Hof is de Definitieve AD-verordening geldig. Het betoog van belanghebbende dat zij ongeldig is, steunt op gronden die de Commissie heeft verworpen in de preambule van de verordening tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS. Daarom heeft het Hof dit betoog verworpen.
Het Hof acht aannemelijk dat het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is. Dit volgt uit overzichten van tankmutaties voor het laden van het schip in de haven van Barcelona. De biodiesel afkomstig uit de haventanks is onderling fysiek gescheiden gehouden, zowel aan boord van het schip als tijdens het lossen in de haven van Rotterdam.
Het Hof is veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat het relevante gedeelte is vervoerd van Spanje naar Nederland met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer. Daarvan uitgaande, heeft het geoordeeld dat dit gedeelte niet is onttrokken aan het toezicht van de Spaanse douaneautoriteiten. Dat gedeelte heeft ononderbroken onder toezicht gestaan. Een onttrekking vindt niet plaats alleen al doordat de summiere aangifte voor uitgang ten onrechte “Indonesia-España-Paies Bajos” als routebeschrijving.
Belanghebbende komt tegen de uitspraak van het Hof op met drie middelen. Middel 1 verwijt het Hof niet te zijn ingegaan op de stelling van belanghebbende dat de derde de biodiesel afkomstig uit tanks [001] en [002] heeft mogen aanmerken als van oorsprong uit Indonesië met toepassing van de faciliteit van gezamenlijke opslag als bedoeld in art. 534(2) UCDW (hierna: de regeling voor gezamenlijke opslag). Middel 2 betoogt dat het relevante gedeelte is onttrokken aan het douanetoezicht of op onregelmatige wijze is binnengebracht, telkens door de onjuiste vermelding in de summiere aangifte voor uitgang. Middel 3 betoogt dat de Definitieve AD-verordening niet geldig is, althans dat haar geldigheid niet buiten redelijke twijfel is.
Ik begin bij middel 3. Voor zover dit middel betoogt dat de Definitieve AD-verordening in strijd is met het verbod op cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten, meen ik dat het faalt. Dat verbod geldt voor één en dezelfde situatie die is ontstaan door dumping of uitvoeringsubsidiëring. In navolging van de Commissie is het Hof ervan uitgegaan dat zo’n situatie zich hier niet voordoet. Gelet op de gronden waarop dit oordeel berust, acht ik het niet onbegrijpelijk. Voor het overige klaagt middel 2 dat de dumpingmarge ten onrechte is vastgesteld zonder correctie voor een zekere subsidie op biodiesel van oorsprong uit de VS. Deze klacht faalt want de desbetreffende subsidie heeft geen gevolg voor de dumpingmarge.
Ik vervolg met de overige middelen. Middel 1 berust op de opvatting dat naar believen is te kiezen welke niet-communautaire oorsprong gezamenlijk opgeslagen goederen hebben. Zij is onjuist. De regeling voor gezamenlijke opslag biedt een keuze tussen communautaire of niet-communautaire oorsprong en niet een keuze voor welke niet-communautaire oorsprong dan ook. Daarom faalt middel 1. Voor zover middel 2 veronderstelt dat het relevante gedeelte is vervoerd met toepassing van de regeling voor extern communautair douanevervoer, meen ik dat het faalt. In zoverre is dit gedeelte niet onttrokken aan het douanetoezicht alleen al door een onjuiste routebeschrijving in de summiere aangifte voor uitgang. Voor zover middel 2 het tegendeel veronderstelt, vraagt het eerst in cassatie om feitelijk onderzoek of het relevante gedeelte is vervoerd zonder toepassing van die regeling. Ook in zoverre faalt het dus.
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Deze zaak gaat over een gedeelte van de lading van het schip ‘[B]’ (het schip) die het heeft vervoerd in de periode van 3 oktober tot en met 10 oktober 2013. Het schip is geladen in de haven van Barcelona vanuit tanks [001] en [002] van een entrepot van [A] S.A. (de derde).
Volgens een overzicht van tankmutaties afkomstig van de derde zat 312 liter aan biodiesel in tank [001] op 1 oktober 2013. Op deze datum is 9.393.369 liter aan biodiesel van oorsprong uit de VS toegevoegd aan dezelfde tank. Twee dagen later, op 3 oktober 2013, is 7.979.901 liter aan biodiesel uit diezelfde tank geladen aan boord van het schip.
Volgens eenzelfde overzicht zat 1.400.835 liter aan biodiesel in tank [002] op 1 oktober 2013. Deze biodiesel is deels van oorsprong uit de VS en deels van oorsprong uit Indonesië. Op die datum is 1.550.496 liter aan biodiesel van oorsprong uit de VS toegevoegd aan dezelfde tank. Op 3 oktober 2013 is nog 800.000 liter aan biodiesel overgepompt uit tank [001] naar tank [002]. Op dezelfde dag is 3.890.875 liter aan biodiesel uit tank [002] geladen aan boord van het schip.
Op 10 oktober 2013 is het schip gelost in de haven van Rotterdam. Aan boord van het schip is de biodiesel afkomstig uit tanks [001] en [002] onderling fysiek gescheiden gehouden. Dit is ook gebeurd bij het lossen van het schip.
Een gedeelte van de lading is ingeslagen als biodiesel van oorsprong uit de VS. Deze zaak gaan niet over dit gedeelte. Op 22 oktober 2013 is het resterende gedeelte aangegeven voor het vrije verkeer van de Unie als biodiesel van preferentiële oorsprong uit Indonesië. Dat gedeelte is 7.983.409 liter. Deze zaak gaan over 7.149.750 liter daarvan (het relevante gedeelte), dat van de eigenaar is.
De entrepothouder heeft in de haven van Rotterdam een tankopslagbedrijf voor vloeibare bulkgoederen, zoals biodiesel. Zij verzorgt opslag- en expeditiewerkzaamheden voor onder anderen de eigenaar, die een aantal van haar tanks huurt. Voor die werkzaamheden beschikt de entrepothouder over een aantal vergunningen, waaronder een vergunning voor het beheer van een type E douane-entrepot.
Het relevante gedeelte is geplaatst in tanks van dit entrepot. De entrepothouder heeft het in-, op- en uitgeslagen op eigen naam en voor eigen rekening. Dit is dus gebeurd in opdracht van de zuster en na een daartoe strekkend verzoek van de eigenaar aan haar.
Op 13 oktober 2016 heeft de Inspecteur een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt aan de entrepothouder. Volgens hem is de biodiesel die is aangegeven voor het vrije verkeer, niet geheel van oorsprong uit Indonesië. In plaats daarvan is deze biodiesel gedeeltelijk of zelfs geheel van oorsprong uit de VS. Dit standpunt is gegrond op bevindingen van OLAF, die onderzoek heeft verricht naar onder meer de lading die is betrokken in de utb’s.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de utb. Hangende het bezwaar heeft de Inspecteur haar ambtshalve kwijtschelding verleend van € 19.921,25. Bij uitspraak op bezwaar van 5 februari 2019 heeft hij haar bezwaar ongegrond verklaard.
Geschil
Voor zover in cassatie nog van belang, valt het geschil bij de feitenrechters uiteen in drie vragen. Ten eerste, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het relevante gedeelte niet van oorsprong uit Indonesië is maar van oorsprong uit de VS? Zo nee, dan is in het geheel geen douaneschuld ontstaan. Ten tweede, als dit aannemelijk is, is het relevante gedeelte onttrokken aan het douanetoezicht alleen al doordat een onjuiste oorsprong is vermeld in de summiere aangifte voor uitgang en de aangifte voor de regeling extern communautair douanevervoer? Zo ja, dan is een eerdere douaneschuld ontstaan. Ten derde, is de Definitieve AD-verordening geldig?
Rechtbank Noord-Holland
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank). Bij uitspraak van 1 september 2023 heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard.
Naar haar oordeel heeft de Inspecteur met het overleggen van onder meer de overzichten van tankmutaties voor tanks [001] en [002] aannemelijk gemaakt dat het relevante gedeelte niet van oorsprong uit Indonesië is maar van oorsprong uit de VS. Dit wordt niet anders doordat hij slechts deze overzichten heeft verstrekt en niet de onderliggende administratie van de derde zelf. Het wordt ook niet anders doordat de lading wordt aangeduid als transshipment in een e-mailbericht van de eigenaar aan de entrepothouder. Het Unierecht voorziet namelijk niet erin dat goederen van oorsprong uit de VS kunnen worden aangegeven voor het vrije verkeer als waren ze van oorsprong uit Indonesië. De regeling voor gezamenlijke opslag voorziet net zo min daarin.
De Rechtbank heeft de stelling van belanghebbende verworpen dat de biodiesel uit tanks [001] en [002] is verwisseld vóór het laden van het schip, in die zin dat het relevante gedeelte wél van oorsprong uit Indonesië is. Zij acht deze stelling ongeloofwaardig.
Naar haar oordeel is het relevante gedeelte niet onttrokken aan het douanetoezicht alleen al doordat een onjuiste oorsprong is vermeld in de summiere aangifte voor uitgang. Die onjuiste vermelding vormt geen onttrekking in de zin van art. 203 CDW want het relevante gedeelte is vertrokken uit Spanje en binnengebracht in Nederland telkens als niet-communautair goed en heeft steeds onder toezicht gestaan van de douaneautoriteiten. Bovendien hoeft het land van oorsprong niet te worden vermeld in een summiere aangifte voor uitgang. Daarom is niet een eerdere douaneschuld ontstaan voor het relevante gedeelte.
Voor de Rechtbank heeft belanghebbende betoogd dat de Definitieve AD-verordening ongeldig is want antidumpingrechten en compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de VS cumuleren ten onrechte voor één en dezelfde situatie die is ontstaan door dumping of uitvoersubsidiëring. Volgens haar zijn beide rechten ingesteld naar aanleiding van een blender’s credit, een subsidie op de uitvoer van biodiesel uit de VS. De Rechtbank heeft ook dit betoog verworpen. Zij heeft de blender’s credit niet aangemerkt als een uitvoersubsidie want de subsidie wordt verleend voor het mengen van biodiesel, niet voor de uitvoer ervan.
Niettemin heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard. Dit is gebeurd op voorspraak van de Inspecteur, die eerst ervan is uitgegaan dat een groter gedeelte dan het relevante gedeelte niet van oorsprong uit Indonesië is maar van oorsprong uit de VS. Hangende het beroep heeft hij aanvaard dat het verschil van oorsprong uit Indonesië is. Dit verschil komt overeen met een bedrag van € 103.528,22 aan compenserende rechten, antidumping- en douanerechten. Daarom heeft de Rechtbank de utb verlaagd met hetzelfde bedrag.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam (het Hof). Bij uitspraak van 25 februari 2025 heeft het Hof haar beroep ongegrond verklaard.
Ook naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is. Uit de overzichten van tankmutaties voor tanks [001] en [002], die kennelijk afkomstig zijn van de derde, volgt genoegzaam dat van de lading van het schip hoogstens 833.659 liter aan biodiesel van oorsprong uit Indonesië kan zijn. Daaruit blijkt eveneens dat de biodiesel afkomstig uit tanks [001] en [002] onderling fysiek gescheiden is gehouden. Dit geldt aan boord van het schip. Het geldt ook voor het lossen daarvan. Er is hoe dan ook geen gezamenlijke opslag geweest van communautaire en niet-communautaire biodiesels.
Het kan belanghebbende worden toegegeven dat in tank [002] biodiesel van oorsprong uit de VS is vermengd met biodiesel van oorsprong uit Indonesië (want op 1 oktober 2013 zat een gezamenlijke hoeveelheid van 1.400.835 liter aan beide biodiesels in deze tank; zie 2.3). Maar de Inspecteur heeft deze vermenging ondervangen door alle biodiesel waarvan bewijs van oorsprong uit de VS mist, aan te merken als van oorsprong uit Indonesië. Hetzelfde geldt voor het residu van 312 liter dat zat in tank [001] op 1 oktober 2013 (zie 2.2). Vervolgens heeft hij al die biodiesel toegerekend aan dat wat is geladen uit tank [002] aan boord van het schip. Daarmee heeft hij ruimhartig rekening gehouden met diezelfde vermenging.
Het Hof is veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat het relevante gedeelte is vervoerd vanuit Spanje naar Nederland met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer. Voor het Hof zijn partijen namelijk uitgegaan daarvan, al heeft het Hof niet kunnen afleiden uit de stukken van het geding of hun uitgangspunt juist is. Daarvan uitgaande, heeft het Hof geoordeeld dat het relevante gedeelte niet eerder is onttrokken aan de regeling; integendeel, dit gedeelte heeft ononderbroken onder toezicht gestaan vanaf het moment van aanbrengen in Spanje tot dat van aangeven in Nederland. Een onttrekking vindt niet plaats alleen al doordat de summiere aangifte voor uitgang ten onrechte vermeldt “Indonesia-España-Paies Bajos” als routebeschrijving want die vermelding beperkt de Spaanse douaneautoriteiten niet in de uitoefening van hun toezicht. Voor het overige heeft belanghebbende evenmin aannemelijk gemaakt dat eerder een douaneschuld is ontstaan in Spanje.
Ook voor het Hof heeft belanghebbende betoogd dat antidumpingrechten ten onrechte cumuleren met compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de VS. Daaraan heeft zij opnieuw ten grondslag gelegd dat de blender’s credit een uitvoersubsidie is. Het Hof heeft dit betoog verworpen op de gronden waarop de blender’s credit niet is aangemerkt als een uitvoersubsidie in de preambule van de Definitieve AD-verordening.
3. Het geding in cassatie
Belanghebbende heeft op regelmatige wijze en ook tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft afgezien van een conclusie van dupliek.
Beroepschrift in cassatie
Belanghebbende stelt drie middelen voor. Middel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof over het bewijs van oorsprong van het relevante gedeelte. Het middel verwijt het Hof niet te zijn ingegaan op de stelling van belanghebbende dat de derde de biodiesel afkomstig uit tanks [001] en [002] heeft mogen aanmerken als van oorsprong uit Indonesië met toepassing van de regeling voor gezamenlijke opslag, ook al is deze biodiesel feitelijk van oorsprong uit de VS. Aangezien het Hof niet is ingegaan op deze stelling, berust zijn oordeel op een onjuiste rechtsopvatting dan wel een ontoereikende motivering.
Middel 2 keert zich tegen het oordeel van het Hof dat niet eerder een douaneschuld is ontstaan en valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 veronderstelt dat het relevante gedeelte is wél is vervoerd met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer. Dit onderdeel betoogt dat dit gedeelte is onttrokken in Spanje door de onjuiste vermelding in de summiere aangifte voor uitgang. Onderdeel 2 veronderstelt het tegendeel: het relevante gedeelte is níet vervoerd met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer. Dat onderdeel betoogt dat dit gedeelte op onregelmatige wijze is binnengebracht in Nederland door die onjuiste vermelding in de summiere aangifte voor uitgang.
Middel 3 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de Definitieve AD-verordening geldig is en valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 betoogt dat deze verordening in strijd is met het verbod op cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten. Dit verbod geldt voor eenzelfde situatie, aldus onderdeel 1, ongeacht of ze is ontstaan door dumping of uitvoersubsidiering. Vervolgens betoogt onderdeel 2 dat de dumpingmarge is vastgesteld zonder correctie voor de blender’s credit. Deze subsidie is ten onrechte niet in mindering gebracht op de uitvoerprijs, waarmee de normale waarde wordt vergeleken ter bepaling van de dumpingmarge.
Verweerschrift in cassatie
Volgens de Staatssecretaris faalt middel 1 want het Hof heeft afgeleid uit de gedingstukken dat de regeling voor gezamenlijke opslag niet is toegepast. Integendeel, daaruit heeft het afgeleid dat de betrokken partijen steeds zich ertoe hebben ingezet de inhoud van de tanks fysiek gescheiden te houden. Dit is een feitelijk oordeel, dat in cassatie niet kan worden onderzocht op juistheid. Daarvan uitgaande, heeft het Hof aannemelijk kunnen en mogen achten dat het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is.
De Staatssecretaris brengt tegen middel 2 in dat het Hof veronderstellenderwijs is uitgegaan van extern communautair douanevervoer van Spanje naar Nederland en heeft geoordeeld dat het relevante gedeelte niet is onttrokken maar ononderbroken onder douanetoezicht heeft gestaan. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 1 faalt dus. Daarnaast betoogt onderdeel 2 dat het relevante gedeelte op onregelmatige wijze is binnengebracht in Nederland als extern communautair douanevervoer niet heeft plaatsvonden. Die stelling is niet aangevoerd voor het Hof. Zij vergt feitelijk onderzoek, waarvoor in cassatie geen plaats is. Daarom faalt onderdeel 2 eveneens.
De Staatssecretaris acht de Definitieve AD-verordening geldig. De dumpingmarge volgt uit een vergelijking tussen de normale waarde en uitvoerprijs van een goed. De Commissie heeft vastgesteld dat de blender’s credit beschikbaar is op dezelfde wijze en voor hetzelfde bedrag bij zowel binnenlandse verkoop als uitvoer. Daarom meent de Staatssecretaris dat deze subsidie geen gevolgen heeft voor de dumpingmarge: het prijsverschil verandert niet, ongeacht of die subsidie is betrokken in de vergelijking. Om dezelfde reden meent hij dat de antidumpingrechten en compenserende rechten niet zijn ingesteld voor eenzelfde situatie, waartegen het verbod op cumulatie van beide rechten zich richt. Het oordeel van het Hof is dus juist. Dit oordeel behoeft evenmin nadere motivering. Ook middel 3 faalt dus.
Conclusie van repliek
De repliek beperkt zich tot middel 3. Bij middel 3 repliceert belanghebbende dat niet de Commissie maar het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) bevoegd is te beoordelen of de Definitieve AD-verordening geldig is, zodat deze vraag moet worden voorgelegd aan het HvJ.
4. Middel 3: is de Definitieve AD-verordening (on)geldig?
Ik begin ermee of de Definitieve AD-verordening geldig is. Deze vraag gaat namelijk vooraf aan de vraag of een douaneschuld is ontstaan. In onderdeel 2 van de Bijlage concludeer ik dat geen van de klachten die belanghebbende aanvoert tegen deze verordening, terecht is voorgesteld. Dit betekent dat bij de beoordeling van die klachten mij geen omstandigheden of feiten zijn gebleken die haar geldigheid kunnen aantasten. Het betekent ook dat ik geen aanleiding zie een prejudiciële vraag over haar geldigheid voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie punt 2.40 Bijlage).
Meer specifiek concludeer ik dat antidumpingrechten en compenserende rechten uitsluitend niet mogen cumuleren voor één en dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiëring en dus wél mogen cumuleren buiten zo’n situatie. Onderdeel 1, dat ervan uitgaat dat cumulatie is verboden ongeacht of de situatie is ontstaan door uitvoersubsidiëring of dumping, is dus onjuist (zie punten 2.14-2.15 Bijlage).
De vervolgvraag is of de blender’s credit al dan niet is aan te merken als een uitvoersubsidie. Deze vraag vergt uitleg van de vreemdrechtelijke regeling waarop die subsidie berust. Dit betekent dat de Hoge Raad slechts kan toetsen of het Hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven daaraan. Zijn uitleg lijkt mij overigens niet onbegrijpelijk (zie punt 2.20 Bijlage).
Evenmin heeft de blender’s credit gevolg voor de uitvoerprijs van biodiesel (uit de VS) want deze subsidie is – op niet onbegrijpelijke gronden – niet aangemerkt als een uitvoersubsidie. Daarom faalt onderdeel 2 (zie punt 2.35 Bijlage).
Daarmee strandt middel 3 geheel.
5. Middel 1: is voorbijgegaan aan stelling over oorsprong van biodiesel?
Volgens middel 1 is het Hof ten onrechte niet ingegaan op een stelling van belanghebbende bij de beoordeling of het relevante gedeelte van oorsprong uit de VS is. Deze stelling komt erop neer dat de biodiesel afkomstig uit tanks [001] en [002] weliswaar van oorsprong uit de VS is, maar dat de derde die biodiesel heeft kunnen aanmerken als van oorsprong uit Indonesië met toepassing van de regeling voor gezamenlijke opslag. Daarmee berust het middel op de opvatting dat naar believen is te kiezen welke niet-communautaire oorsprong gezamenlijk opgeslagen goederen hebben.
Die opvatting is onjuist. Degene die de regeling voor gezamenlijke opslag toepast, kan ervoor kiezen gezamenlijk opgeslagen goederen aan te merken als communautaire dan wel niet-communautaire goederen wanneer diegene ze aangeeft voor een douanebestemming. Dit staat met zoveel woorden in art. 534(3) UCDW (zie punt 3.13 Bijlage). Het keuzerecht is dus beperkt tot een keuze tussen communautaire of niet-communautaire oorsprong; het strekt zich niet uit tot een keuze voor welke niet-communautaire oorsprong dan ook, zoals tussen Amerikaanse of Indonesische oorsprong.
Daarop stuit middel 1 geheel af.
6. Middel 2: is eerder (g)een douaneschuld ontstaan?
Middel 2 strekt ertoe dat een douaneschuld is ontstaan waarvoor belanghebbende niet is aan te merken als schuldenaar. Daartoe betoogt onderdeel 1 dat het relevante gedeelte is onttrokken aan het toezicht van de Spaanse douaneautoriteiten alleen al door de onjuiste vermelding in de summiere aangifte voor uitgang. Daardoor onderscheidt dit geval zich niet van de zaak die heeft geleid tot Papismedov, aldus het onderdeel.
Papismedov gaat over een container met 738 dozen. Alle dozen zijn binnengebracht als kookgerei, terwijl slechts 29 dozen kookgerei bevatten. De andere 709 dozen bevatten elk 10.000 sigaretten. De verwijzende rechter wenst te vernemen of goederen, waarvoor een summiere aangifte was ingediend en een document voor extern communautair douanevervoer geldig was gemaakt, op regelmatige wijze zijn binnengebracht, ook wanneer ze zijn vermeld onder een onjuiste benaming in de douanedocumenten (kookgerei in plaats van sigaretten). Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) beslist van niet. Dan zijn goederen namelijk niet vermeld in de douanedocumenten, zodat ze op onregelmatige wijze zijn binnengebracht:
“31 Wanneer overeenkomstig artikel 40 van het douanewetboek goederen bij de douane worden aangeboden en tegelijkertijd een summiere aangifte of een aangifte voor een douaneregeling met een niet met de werkelijkheid strokende beschrijving van het soort goederen wordt ingediend, ontbreekt bijgevolg de mededeling aan de douaneautoriteiten van de aankomst van de goederen in de zin van artikel 4, punt 19, van hetzelfde wetboek. In deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat alleen door de overlegging van bepaalde documenten de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens aan genoemde autoriteiten zijn verstrekt. Het is immers ook vereist dat de verklaringen in de documenten die bij de aanbieding van de goederen aan de douane zijn overgelegd, juist zijn. Wanneer in deze verklaringen geen melding wordt gemaakt van een groot deel van de bij de douane aangeboden goederen, moet worden aangenomen dat deze op onregelmatige wijze zijn binnengebracht.
32 Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat bij de douane aangebrachte goederen waarvoor een summiere aangifte is ingediend en een document van extern communautair douanevervoer is geldig gemaakt, niet op regelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht wanneer de goederen in de aan de douaneautoriteiten overgelegde documenten onder een onjuiste benaming zijn opgegeven.”
Het Hof heeft de zaak die heeft geleid tot Papismedov, onderscheiden van dit geval op twee gronden. De eerste is dat het daar gaat om binnenkomende goederen en hier om uitgaande goederen. De tweede grond is dat het daar wél maar hier níet gaat om een onjuiste benaming van goederen. Dezelfde GN-code (3826 0010) geldt voor zowel biodiesel van oorsprong uit Indonesië als die van oorsprong uit de VS (zie r.o. 4.10 van de bestreden uitspraak).
Wat er ook zij van de eerste grond, ik meen dat de tweede steek houdt. Immers, het gaat hier slechts om een onjuiste routebeschrijving in een douanedocument. Ik zie niet hoe zij de Spaanse autoriteiten al dan niet tijdelijk heeft kunnen beletten in de uitoefening van hun douanetoezicht. De vergelijking die onderdeel 1 trekt met de onjuiste goederenomschrijving in Papismedov, gaat mijns inziens dan ook mank.
Hoewel dit geval is te onderscheiden van Papismedov, meen ik dat het wel is te vergelijken met Schenker. Dat arrest gaat over tabak die is vervoerd van Slovenië naar Hongarije met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer. De tabak is binnengebracht als ongestripte tabak (GN-code 2401 10 35) maar blijkt rooktabak van fijne snede te zijn (GN-code 2403 10 9000). Volgens de verwijzende rechter staan in de summiere aangifte voor tijdelijke opslag de juiste gegevens ter identificatie van de tabak; uitsluitend de GN-code is onjuist. Hij wenst te vernemen of de tabak kan vallen onder een douaneschorsingsregeling. Ter beantwoording van deze vraag onderscheidt het HvJ de voorliggende zaak van die welke heeft geleid tot Papismedov:
“107 In dit verband volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de summiere aangifte in het hoofdgeding, anders dan aan de orde was in de situatie die is beoordeeld in het arrest van 3 maart 2005, Papismedov e.a. (…), alle voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevatte. Volgens de verwijzende rechter zijn de goederen namelijk onder een juiste benaming aangegeven – enkel de tariefonderverdeling was onjuist – en zijn de goederen op juiste wijze geïdentificeerd wat betreft de soort, de hoeveelheid en de verpakking.
108 In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de goederen in het hoofdgeding op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht in de zin van artikel 202 van het douanewetboek. Zij konden bij aankomst in Slovenië dus rechtsgeldig onder een „douaneschorsingsregeling” in de zin van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 worden geplaatst, aangezien geen invoer in de zin van artikel 2, onder b), van die richtlijn had plaatsgevonden en de accijns dus niet verschuldigd was geworden.”
Zelfs de GN-code is juist in dit geval, anders dan in Schenker. Het enige onjuiste gegeven is de routebeschrijving. Het was voor het Hof niet in geschil, en ook onderdeel 1 betoogt niet, dat enig ander gegeven in de summiere aangifte onjuist is. Gelet op Schenker, zie ik dus te minder hoe een onjuiste routebeschrijving de Spaanse autoriteiten al dan niet tijdelijk heeft kunnen beletten in de uitoefening van hun douanetoezicht.
Daarom faalt onderdeel 1.
Anders dan onderdeel 1, veronderstelt onderdeel 2 dat het relevante gedeelte is vervoerd zonder toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer. Die veronderstelling is nieuw in cassatie. Het Hof heeft namelijk de processtukken van partijen aldus uitgelegd dat ze ervan uitgaan dat het relevante gedeelte is vervoerd met toepassing van diezelfde regeling (zie r.o. 4.11 van de bestreden uitspraak). Onderdeel 2 klaagt niet over deze uitleg door het Hof en ook niet dat belanghebbende een tegengesteld uitgangspunt heeft aangevoerd bij (één van) de feitenrechters.
Daarmee vraagt onderdeel 2 vergeefs – want: eerst in cassatie – om feitelijk onderzoek naar de vraag of het relevante gedeelte is vervoerd zonder toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer.
Middel 2 faalt dan ook in beide onderdelen.
7. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal