ECLI:NL:PHR:2026:978

ECLI:NL:PHR:2026:978

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 25/01243
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Bijlage: ECLI:NL:PHR:2026:982 Douanerechten. Art. 534 UCDW; regeling voor gezamenlijke opslag; ook voor opslag in verschillende tanks van hetzelfde douane-entrepot? Verordening (EG) nr. 599/2009; geldige instelling van definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS?

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01243

Datum 25 september 2026

Onderwerp/tijdvak Douanerechten 2013-2016

Nr. Gerechtshof 23/1188

Nr. Rechtbank 19/831

CONCLUSIE

C.M. Ettema

In de zaak van

[X] B.V. (de entrepothouder of belanghebbende)

tegen

staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris)

1. Inleiding

Clusters over biodiesel

Van juni 2013 tot en met april 2016 zijn vele zendingen van biodiesel uit de VS, Indonesië, Maleisië en Argentinië geplaatst in tanks van een entrepot in de haven van Rotterdam. De biodiesel is van de eigenaar; zij is belanghebbende in de samenhangende zaak met nr. 25/01234. Op haar verzoek heeft een ander opdracht gegeven de zendingen in, op en uit te slaan. Deze ander is de zuster, die belanghebbende is in de samenhangende zaak met nr. 25/01239. Die opdrachten zijn telkens verstrekt aan de derde van wie het entrepot is: de entrepothouder. Zij beschikt over een vergunning voor het beheer van een zogenoemd ‘douane-entrepot type E’ en heeft de zendingen geplaatst in haar entrepot. Zij is belanghebbende in de zaak met nr. 25/01243.

Deze niet-communautaire biodiesel is fysiek gescheiden gehouden van communautaire biodiesel, die is opgeslagen in andere tanks van hetzelfde entrepot. Vervolgens is de niet-communautaire biodiesel uitgeslagen als communautair goed en verscheept naar afnemers in de Unie, terwijl de communautaire biodiesel is uitgeslagen als niet-communautair goed en verscheept naar afnemers buiten de Unie. De Inspecteur heeft uitnodigingen tot betaling van douanerechten, antidumpingrechten en compenserende rechten (utb’s) uitgereikt aan de eigenaar, de zuster en de entrepothouder want volgens hem is de niet-communautaire biodiesel in het vrije verkeer gebracht zonder aangifte voor dit verkeer.

De drie zaken van de eigenaar, de zuster en de entrepothouder vormen een cluster dat deel uitmaakt van nog twee clusters van telkens drie zaken van dezelfde belanghebbenden. Het tweede cluster gaat over een deel van een zending van biodiesel uit de VS en Indonesië, het derde cluster over een zending van biodiesel uit de VS. In al deze zaken neem ik conclusie. Bij die conclusies gaat een gemeenschappelijke bijlage (Bijlage). Voor een overzicht van de zaken verwijs ik naar onderdeel 1 van de Bijlage.

Samenhang tussen de Bijlage en deze conclusie

Alle zaken gaan dus over zendingen van biodiesel uit (onder meer) de VS. Er zijn definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de VS. In alle zaken was bij de feitenrechters en is in cassatie in geschil of de verordening tot instelling van het definitieve antidumpingrecht geldig is: verordening (EG) nr. 599/2009 (de Definitieve AD-verordening). In de Bijlage onderzoek ik of deze verordening geldig is aan de hand van de klachten die daartegen worden aangevoerd in alle zaken (zie onderdeel 2 van de Bijlage).

Dit cluster van drie zaken gaat over niet-communautaire en communautaire biodiesels die zijn opgeslagen in hetzelfde entrepot maar in verschillende tanks daarvan. In dit cluster was bij de feitenrechters en is in cassatie in geschil of faciliteit van gezamenlijke opslag als bedoeld in art. 534(2) UCDW (hierna: de regeling voor gezamenlijke opslag) toepassing vindt. Deze regeling staat toe – kort gezegd – gezamenlijk opgeslagen goederen naar keuze aan te geven als niet-communautaire of communautaire goederen voor een opvolgende douanebestemming. In de Bijlage onderzoek ik of die regeling zich uitstrekt tot een geval als dit, waarin de biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden (zie onderdeel 3 van de Bijlage).

In deze conclusie onderzoek ik de resterende klachten van de entrepothouder in haar zaak.

Bestreden oordelen, klachten en beoordeling

Naar het oordeel van het Hof is de Definitieve AD-verordening geldig. Het betoog van belanghebbende dat zij ongeldig is, steunt op gronden die de Commissie heeft verworpen in de preambule van de verordening tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de VS. Daarom heeft het Hof dit betoog verworpen.

Het Hof acht buiten twijfel dat de regeling voor gezamenlijke opslag niet zo ver strekt dat zij het mogelijk maakt niet-communautaire biodiesel aan te merken als gezamenlijk te zijn opgeslagen met communautaire biodiesel wanneer beide biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Daarom mist deze regeling toepassing. Zij wordt niet alsnog van toepassing door het beroep van belanghebbende op het Handboek Douane. Ook dit handboek voorziet niet erin dat die regeling van toepassing is wanneer biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Zelfs als het wel zou voorzien daarin, kan belanghebbende zich niet met vrucht op dat handboek beroepen, gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe). Evenmin kan zij zich beroepen op een eventuele uitvoeringspraktijk van de douaneautoriteiten die stoelt op hetzelfde handboek, gelet op Baltic Container Terminal.

Belanghebbende komt tegen de uitspraak van het Hof op met drie middelen. Middel 1 betoogt dat het Hof zonder toereikende motivering of onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Middel 2 betoogt subsidiair dat de regeling voor gezamenlijke opslag zich uitstrekt tot een geval als dit. Middel 3 betoogt dat de Definitieve AD-verordening niet geldig is, althans dat haar geldigheid niet buiten redelijke twijfel is.

Ik begin bij middel 3. Voor zover dit middel betoogt dat de Definitieve AD-verordening in strijd is met het verbod op cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten, meen ik dat het faalt. Dat verbod geldt voor één en dezelfde situatie die is ontstaan door dumping of uitvoeringsubsidiëring. In navolging van de Commissie is het Hof ervan uitgegaan dat zo’n situatie zich hier niet voordoet. Gelet op de gronden waarop dit oordeel berust, acht ik het niet onbegrijpelijk. Voor het overige klaagt middel 3 dat de dumpingmarge ten onrechte is vastgesteld zonder correctie voor een zekere subsidie op biodiesel van oorsprong uit de VS. Deze klacht faalt want de desbetreffende subsidie heeft geen gevolg voor de dumpingmarge.

Ik vervolg met de overige middelen. Ik meen dat middel 1 feitelijke grondslag mist. Met het Hof ben ik van oordeel dat de regeling voor gezamenlijke opslag zich niet uitstrekt tot een geval als dit. Voor zover middel 2 uitgaat van het tegendeel, faalt het. Voor het overige behelst middel 2 een beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel. Ook dit beroep faalt, gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe).

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

2. De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

Deze zaken gaan over diverse zendingen van biodiesel uit de VS, Indonesië, Maleisië en Argentinië in de periode van juni 2013 tot en met april 2016. De zendingen zijn van de eigenaar.

Belanghebbende heeft in de haven van Rotterdam een tankopslagbedrijf voor vloeibare bulkgoederen, zoals biodiesel. Zij verzorgt opslag- en expeditiewerkzaamheden voor onder anderen de eigenaar, die een aantal van haar tanks huurt. Voor die werkzaamheden beschikt belanghebbende over een aantal vergunningen, waaronder een vergunning voor het beheer van een type E douane-entrepot. Haar vergunning geldt zowel voor goederen die onder het stelsel van douane-entrepots worden opgeslagen als voor goederen die niet onder dat stelsel worden opgeslagen en staat toe dat gezamenlijke opslag van goederen met een verschillende douanestatus plaatsvindt.

De zendingen van niet-communautaire biodiesel van de eigenaar zijn geplaatst in tanks van dit entrepot. De entrepothouder heeft de biodiesel in-, op- en uitgeslagen op eigen naam en voor eigen rekening.

Daarnaast zijn zendingen van communautaire biodiesel opgeslagen in andere tanks van hetzelfde entrepot. Het Hof heeft – in cassatie bestreden – vastgesteld dat de niet-communautaire biodiesel fysiek gescheiden is gehouden van de communautaire biodiesel. Vervolgens is – in cassatie bestreden – vastgesteld dat de niet-communautaire biodiesel is uitgeslagen als communautair goed en verscheept naar afnemers in de Unie, terwijl de communautaire biodiesel is uitgeslagen als niet-communautair goed en verscheept naar afnemers buiten de Unie.

Op 10 oktober 2016 heeft de Inspecteur een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt. Volgens hem is de niet-communautaire biodiesel onttrokken aan het douanetoezicht want deze biodiesel is uit het douane-entrepot van belanghebbende beland in de Unie zonder betaling van douane- en antidumpingrechten. Dit standpunt is gegrond op bevindingen van OLAF, die onderzoek heeft verricht naar onder meer de zendingen die zijn betrokken in de utb.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de utb. Hangende het bezwaar heeft de Inspecteur haar ambtshalve kwijtschelding verleend van € 13.766.940,71.Bij uitspraak op bezwaar van 21 december 2018 heeft hij haar een verdere vermindering verleend van € 316.045,59. Er resteert een bedrag van € 25.806.534,84. Dit bedrag is opgebouwd als volgt:

Douanerechten

€ 5.117.929,50

Definitieve antidumpingrechten

€ 8.706.201,95

Definitieve compenserende rechten

€ 11.982.403,39

Totaal

€ 25.806.534,84

Geschil

Voor zover in cassatie nog van belang, valt het geschil bij de feitenrechters uiteen in twee vragen. Ten eerste, strekt de regeling voor gezamenlijke opslag zich uit tot een geval als dit, waarin biodiesels zijn geplaatst in verschillende tanks van hetzelfde entrepot? Zo ja, dan is in het geheel geen douaneschuld ontstaan. Ten tweede, is de Definitieve AD-verordening geldig?

Rechtbank Noord-Holland

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank). Bij uitspraak van 1 september 2023 heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Naar haar oordeel strekt de regeling voor gezamenlijke opslag zich niet uit tot een geval als dit. Volgens art. 534(2) van de verordening die strekt tot uitvoering van het CDW (UCDW) kunnen de douaneautoriteiten gezamenlijke opslag toestaan wanneer het niet mogelijk is de douanestatus van elke soort goederen te allen tijde vast te stellen. Dat vereist dat goederen daadwerkelijk – fysiek met elkaar – gezamenlijk zijn opgeslagen; het volstaat niet wanneer ze fysiek gescheiden van elkaar zijn opgeslagen, zoals in verschillende tanks. Dit wordt niet anders doordat de vergunning van belanghebbende vereist dat de biodiesel administratief moet zijn te volgen. Het wordt evenmin anders doordat goederen in een type E douane-entrepot niet altijd hoeven te worden opgeslagen in een daartoe goedgekeurde plaats.

Voor de Rechtbank heeft belanghebbende betoogd dat de Definitieve AD-verordening ongeldig is want antidumpingrechten en compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de VS cumuleren ten onrechte voor één en dezelfde situatie die is ontstaan door dumping of uitvoersubsidiëring. Volgens haar zijn beide rechten ingesteld naar aanleiding van een blender’s credit, een subsidie op de uitvoer van biodiesel uit de VS. De Rechtbank heeft ook dit betoog verworpen. Zij heeft de blender’s credit niet aangemerkt als een uitvoersubsidie want de subsidie wordt verleend voor het mengen van biodiesel, niet voor de uitvoer ervan.

Gerechtshof Amsterdam

Belanghebbend heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam (het Hof). Bij uitspraak van 25 februari 2025 heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Het lijdt naar het oordeel van het Hof geen twijfel dat de regeling voor gezamenlijke opslag niet zo ver strekt dat zij het mogelijk maakt niet-communautaire biodiesel administratief aan te merken als gezamenlijk te zijn opgeslagen met communautaire biodiesel wanneer beide biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Daarom mist die regeling toepassing in deze zaken.

Het tegendeel volgt voor deze zaken niet uit het Handboek Douane. Daartoe wijst het Hof vooral erop dat de biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Zelfs als het tegendeel wel daaruit zou volgen, kan belanghebbende zich niet met vrucht beroepen daarop, gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe). Evenmin kan zij zich met vrucht beroepen op een eventuele onjuiste uitvoeringspraktijk van de douaneautoriteiten die is gebaseerd op dit handboek, gelet op Baltic Container Terminal.

Ook voor het Hof heeft belanghebbende betoogd dat antidumpingrechten ten onrechte cumuleren met compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de VS. Daaraan heeft zij opnieuw ten grondslag gelegd dat de blender’s credit een uitvoersubsidie is. Het Hof heeft dit betoog verworpen op de gronden waarop de blender’s credit niet is aangemerkt als een uitvoersubsidie in de preambule van de Definitieve AD-verordening.

3. Het geding in cassatie

Belanghebbende heeft op regelmatige wijze en ook tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft afgezien van dupliek.

Beroepschrift in cassatie

Belanghebbende stelt drie middelen voor. Middel 1 bestrijdt de vaststelling van het Hof dat de niet-communautaire en communautaire biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Het middel klaagt onder meer dat het Hof met deze vaststelling is getreden buiten de grenzen van het geschil. Voor die vaststelling is het Hof uitgegaan van een reconstructie van fysieke in- en uitslagen die de Inspecteur heeft ontleend aan de administratie van belanghebbende, in plaats van een rapport dat zij heeft laten opmaken van haar administratie door een derde. Het middel klaagt dat die keuze van het Hof toereikende motivering mist of onbegrijpelijk is.

Middel 2 richt zich tegen het oordeel van het Hof over de regeling voor gezamenlijke opslag en valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 betoogt dat dit oordeel berust op een onjuiste uitleg van die regeling. Het komt erop aan of communautaire en niet-communautaire goederen zich bevinden in een douane-entrepot als bedoeld in art. 98(2) CDW, zoals hier een type E entrepot. Dit entrepot is een terminal en strekt zich uit tot alle tanks die daartoe behoren. In dat entrepot zijn de biodiesels gezamenlijk opgeslagen geweest, ongeacht of ze zich hebben bevonden in dezelfde tank dan wel in verschillende tanks. Daarom is het andersluidende oordeel van het Hof onjuist dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Subsidiair betoogt onderdeel 2 met een beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel dat de regeling voor gezamenlijke opslag van toepassing is. Daartoe wijst het onderdeel op onderdeel 15.50.00 Handboek Douane: gezamenlijke opslag wordt toegestaan wanneer communautaire en niet-communautaire goederen zich bevinden in verschillende tanks. Dit beleid is niet overduidelijk in strijd met de wettelijke bepalingen die gezamenlijke opslag regelen. Daarom heeft het Hof ten onrechte dan wel zonder toereikende motivering het beroep op dit vertrouwensbeginsel afgewezen.

Middel 3 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de Definitieve AD-verordening geldig is en valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 betoogt dat deze verordening in strijd is met het verbod op cumulatie van antidumpingrechten en compenserende rechten. Dit verbod geldt voor eenzelfde situatie, aldus onderdeel 1, ongeacht of ze is ontstaan door dumping of uitvoersubsidiering. Vervolgens betoogt onderdeel 2 dat de dumpingmarge is vastgesteld zonder correctie voor de blender’s credit. Deze subsidie is ten onrechte niet in mindering gebracht op de uitvoerprijs, waarmee de normale waarde wordt vergeleken ter bepaling van de dumpingmarge.

Verweerschrift in cassatie

Volgens de Staatssecretaris faalt middel 1. Het Hof heeft de reconstructie van de Inspecteur in plaats van het rapport van de derde ten grondslag kunnen leggen aan zijn oordeel dat de biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Het rapport richt zich op de administratieve verantwoording op het niveau van de terminal (dus: alle tanks). De reconstructie richt zich daarentegen op de daadwerkelijk fysieke bewegingen van beide biodiesels. Voor het overige is dat oordeel verweven met waarderingen van feitelijke aard, die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht.

Volgens de Staatssecretaris faalt middel 2 in beide onderdelen. Onderdeel 1 faalt want het miskent de opbouw en doelstelling van art. 534 UCDW, dat een onderscheid maakt tussen identificeerbare goederen (in het eerste lid) en niet-identificeerbare goederen (in het tweede lid). Eerst staat het tweede lid gezamenlijke opslag toe. Vervolgens staat het derde lid toe goederen na gezamenlijke opslag aan te merken als communautaire of niet-communautaire goederen naar keuze van de aangever. Dit keuzerecht geldt dus niet voor identificeerbare goederen, behalve in buitengewone omstandigheden die hier niet zijn gesteld of gebleken. Er is ook geen reden dat keuzerecht te bieden voor zulke goederen. Daarom is het buiten redelijke twijfel dat identificeerbare goederen niet zijn aan te merken als communautaire goederen naar keuze van de aangever.

Onderdeel 2 faalt reeds omdat het Hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden die het Handboek Douane stelt voor gezamenlijke opslag doordat de communautaire en niet-communautaire biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Als zij desondanks zou voldoen daaraan, gaat het Handboek regelrecht in tegen art. 534(2) UCDW. Ook dan kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. Ook daarom faalt onderdeel 2.

De Staatssecretaris acht de Definitieve AD-verordening geldig. De dumpingmarge volgt uit een vergelijking tussen de normale waarde en uitvoerprijs van een goed. De Commissie heeft vastgesteld dat de blender’s credit beschikbaar is op dezelfde wijze en voor hetzelfde bedrag bij zowel binnenlandse verkoop als uitvoer. Daarom meent de Staatssecretaris dat deze subsidie geen gevolgen heeft voor de dumpingmarge: het prijsverschil verandert niet, ongeacht of die subsidie is betrokken in de vergelijking. Om dezelfde reden meent hij dat de antidumpingrechten en compenserende rechten niet zijn ingesteld voor eenzelfde situatie, waartegen het verbod op cumulatie van beide rechten zich richt. Het oordeel van het Hof is dus juist. Dit oordeel behoeft evenmin nadere motivering. Ook middel 3 faalt dus.

Conclusie van repliek

Bij middel 1 repliceert belanghebbende dat de reconstructie van de Inspecteur zich niet richt op de daadwerkelijk fysieke bewegingen van de biodiesels. De andersluidende opmerking van de Staatssecretaris is dus onjuist. Het rapport van de derde concludeert daarentegen dat de fysieke in- en uitslagen geheel losstaan van de administratieve verantwoording en dat ze zijn niet anders op elkaar aan te sluiten dan in totalen. Daaraan is het Hof ten onrechte voorbijgegaan.

Bij middel 2 repliceert belanghebbende dat het niet ertoe doet of communautaire en niet-communautaire biodiesels zich bevinden in dezelfde tank of verschillende tanks. Het doet slechts ertoe of de administratieve in- en uitslagen onderling aansluiten. Immers, het gaat hier om een type E entrepot, waarbij alleen administratief en niet fysiek is te onderscheiden of biodiesel een niet-communautaire dan wel communautaire douanestatus heeft.

Bij middel 3 repliceert belanghebbende dat niet de Commissie maar het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) bevoegd is te beoordelen of de Definitieve AD-verordening geldig is, zodat deze vraag moet worden voorgelegd aan het HvJ.

4. Middel 3: is de Definitieve AD-verordening (on)geldig?

Ik begin ermee of de Definitieve AD-verordening geldig is. Deze vraag gaat namelijk vooraf aan de vraag of een douaneschuld is ontstaan. In onderdeel 2 van de Bijlage concludeer ik dat geen van de klachten die belanghebbende aanvoert tegen deze verordening, terecht is voorgesteld. Dit betekent dat bij de beoordeling van die klachten mij geen omstandigheden of feiten zijn gebleken die haar geldigheid kunnen aantasten. Het betekent ook dat ik geen aanleiding zie een prejudiciële vraag over haar geldigheid voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie punt 2.40 Bijlage).

Meer specifiek concludeer ik dat antidumpingrechten en compenserende rechten uitsluitend niet mogen cumuleren voor één en dezelfde situatie die ontstaat door dumping of uitvoersubsidiëring en dus wél mogen cumuleren buiten zo’n situatie. Onderdeel 1, dat ervan uitgaat dat cumulatie is verboden ongeacht of de situatie is ontstaan door uitvoersubsidiëring of dumping, is dus onjuist (zie punten 2.14-2.15 Bijlage).

De vervolgvraag is of de blender’s credit al dan niet is aan te merken als een uitvoersubsidie. Deze vraag vergt uitleg van de vreemdrechtelijke regeling waarop die subsidie berust. Dit betekent dat de Hoge Raad slechts kan toetsen of het Hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven daaraan. Zijn uitleg lijkt mij overigens niet onbegrijpelijk (zie punt 2.20 Bijlage).

Evenmin heeft de blender’s credit gevolg voor de uitvoerprijs van biodiesel (uit de VS) want deze subsidie is – op niet onbegrijpelijke gronden – niet aangemerkt als een uitvoersubsidie. Daarom faalt onderdeel 2 (zie punt 2.35 Bijlage).

Daarmee strandt middel 3 geheel.

5. Middelen 1 en 2: is (niet-)communautaire biodiesel gezamenlijk opgeslagen?

Middel 1: fysiek gescheiden opslag?

Ik vervolg met de vaststelling van het Hof dat de niet-communautaire en communautaire biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden. Deze vaststelling berust blijkens (punt 4.4 van) de bestreden uitspraak op zowel de vaststaande feiten als de toelichtingen van partijen. Het komt mij voor dat het Hof met ‘toelichtingen van partijen’ doelt op zowel de reconstructie die de Inspecteur heeft gemaakt als het rapport dat belanghebbende heeft laten maken door een derde. Beide – dus: reconstructie én rapport – zijn ontleend aan de administratie van belanghebbende. Dit is vastgesteld in (punten 2.11-2.12 van) de bestreden uitspraak. Het wordt in cassatie niet bestreden.

Het is ook logisch dat die vaststelling berust op beide. Immers, het Hof heeft vastgesteld dat de communautaire biodiesel is uitgevoerd tot een gelijke hoeveelheid (“ter compensatie”) als de niet-communautaire biodiesel die in het vrije verkeer is gebracht. Dit is in navolging van het rapport, dat concludeert dat de administratieve totalen aan ingeslagen hoeveelheden van (niet-)communautaire biodiesel aansluiten op de administratieve totalen aan uitgeslagen hoeveelheden daarvan (punt 2.11 van de bestreden uitspraak). Tegelijkertijd heeft het Hof vastgesteld dat wat administratief is aangemerkt als wederuitvoer van niet-communautaire biodiesel daadwerkelijk afkomstig is uit de Unie, terwijl dat wat administratief is aangemerkt als gezamenlijk opgeslagen met communautaire biodiesel, daadwerkelijk afkomstig is uit Argentinië, Indonesië, Maleisië en de VS. Dat is in navolging van de reconstructie, die komt tot dezelfde slotsom (punt 2.12 van de bestreden uitspraak).

Voor zover middel 1 klaagt over een keuze van het Hof tussen de reconstructie en het rapport, meen ik dan ook dat het middel feitelijke grondslag mist. Het Hof heeft niet gekozen daartussen; integendeel, het heeft beide gebezigd ter vaststelling dat de biodiesels (níet administratief maar wél) fysiek gescheiden zijn gehouden. Het is overigens voorbehouden aan het Hof als feitenrechter om beide daartoe te bezigen. Dit lijkt mij niet onbegrijpelijk.

Voor het overige klaagt middel 1 dat het Hof met deze vaststelling is getreden buiten de grenzen van het geschil. Dit ontgaat mij. Voor het Hof betoogde belanghebbende dat de niet-communautaire biodiesel niet is onttrokken aan het douanetoezicht, hoewel deze biodiesel in het vrije verkeer is gebracht zonder aangifte voor dit verkeer. Daartoe voerde zij aan dat een gelijke hoeveelheid van de communautaire biodiesel is aangegeven voor wederuitvoer en dat beide biodiesels vallen onder de regeling voor gezamenlijk opslag (punten 4.1-4.2 van de bestreden uitspraak). Daartegenover betoogde de Inspecteur dat de niet-communautaire biodiesel wel is onttrokken aan het douanetoezicht, los van de wederuitvoer van de communautaire biodiesel. Hij voerde aan dat beide biodiesels niet vallen onder de regeling voor gezamenlijke opslag (punt 4.3 van de bestreden uitspraak). Het valt onmiskenbaar binnen de grenzen van dat geschil dat het Hof heeft vastgesteld dat de biodiesels (niet administratief maar wel) fysiek gescheiden zijn gehouden.

Daarom faalt middel 1.

Middel 2: desondanks gezamenlijke opslag?

Ik besluit met de vraag of communautaire en niet-communautaire biodiesel in aanmerking komen voor de regeling voor gezamenlijke opslag, ongeacht of ze zich bevinden in dezelfde tank dan wel in verschillende tanks. In onderdeel 3 van de Bijlage heb ik deze vraag onderzocht. Aangezien in cassatie vergeefs is bestreden dat de biodiesels fysiek gescheiden zijn gehouden, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat hun douanestatus bepaalbaar is gebleven. Daarvan uitgaande, concludeer ik dat het Hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat ze niet in aanmerking komen voor gezamenlijke opslag (zie punten 3.18-3.20 Bijlage). Daarom faalt onderdeel 1.

Het beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel kan belanghebbende niet baten. Zelfs als ik ervan uitga dat het Handboek Douane voor gezamenlijke opslag niet vereist dat goederen een bepaalbare douanestatus missen, dan is dit Handboek in strijd met art. 534(2) UCDW. Dit artikellid maakt zowel op zichzelf als in samenhang met art. 534(3) UCDW duidelijk dat goederen alleen dan in aanmerking komen voor gezamenlijke opslag als ze een bepaalbare douanestatus missen (en dezelfde GN-code, handelskwaliteit en technische kenmerken delen). Gelet op Sony Supply Chain Solutions (Europe), heeft dat Handboek geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken bij belanghebbende. Ook onderdeel 2 faalt dus.

Daarmee strandt middel 2 in beide onderdelen.

6. Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/2118 Viditax (FutD) 2026100915
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand