ECLI:NL:PHR:2026:963

ECLI:NL:PHR:2026:963

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer 24/04041
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Profijtontneming. Falende klacht dat betrokkene uit in strafzaak bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen (art. 10 lid 4 Opiumwet) geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Slagende klacht over overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

Nummer24/04041 P

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 17 oktober 2024 (parketnr. 20-003508-19) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 43.632,00 en de betrokkene ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 39.268,00.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Geklaagd wordt dat het oordeel dat de betrokkene uit het in de strafzaak bewezen verklaarde feit wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten niet zonder meer begrijpelijk is.

4. Daartoe wordt aangevoerd dat het enkele voorhanden hebben van de chemicaliën geen voordeel genereert, terwijl uit de bewezenverklaring niet zonder meer kan worden afgeleid dat de betrokkene de bestellingen in de periode tussen 17 augustus 2015 en 12 januari 2016 in vereniging met anderen heeft (door)verkocht.

De strafzaak

5. In de strafzaak waarvan de ontnemingszaak een uitvloeisel is, is de betrokkene door de rechtbank Oost-Brabant bij vonnis van 20 april 2018 onder meer veroordeeld voor (feit 1), gekwalificeerd als:

“medeplegen van om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, een ander middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”.

6. Ten laste van de betrokkene is onder feit 1, voor zover van belang, bewezen verklaard dat hij:

“op tijdstippen in de periode van 17 augustus 2015 tot en met 12 januari 2016 in België en in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine en of mefedron, zijnde middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens

- een of meer anderen heeft bewogen om dat/die feit(en) mede te plegen,

- een of meer anderen middelen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft/hebben verschaft en

- vervoermiddelen en stoffen voorhanden heef hebben gehad, waarvan verdachte en zijn mededader(s) wisten dat die bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en), (…)”.

Het bestreden oordeel in de ontnemingszaak

7. Het arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeling

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 20 april 2018 onder parketnummer 01/993335-15 onder meer veroordeeld ter zake van feit 1:

“medeplegen van om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, een ander middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd".

Kort gezegd komt de veroordeling ter zake feit 1 er op neer dat verdachte in vereniging met een ander of anderen in de periode van 17 augustus 2015 tot en met 12 januari 2016, zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalige handel in chemische stoffen die gebruikt kunnen worden voor de productie dan wel de bewerking of verwerking van synthetische drugs.

De wettelijke grondslag

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Waarbij uit het dossier en het strafvonnis van de rechtbank (zie hierna) voldoende aanwijzingen zijn af te leiden dat betrokkene niet alleen de chemische stoffen ten behoeve de productie van drugs bestelde en vervoerde maar deze ook verkocht waarmee door betrokkene voordeel werd behaald.

Geen soortgelijke feiten

De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis niet alleen voordeel ontnomen uit de bewezenverklaarde feiten maar eveneens uit andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door betrokkene zijn begaan, te weten het bestellen en verkopen van chemische stoffen ten behoeve van de drugsproductie in de periode van 15 juni 2015 tot 17 augustus 2015.

Met de verdediging en anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank zal het hof deze andere feiten niet in de voordeelsberekening betrekken nu uit het dossier van onvoldoende aanwijzingen blijkt dat deze feiten door betrokkene zijn begaan. De door de rechtbank aan deze andere feiten ten grondslag gelegde overzichtslijsten uit de bedrijfsadministratie van de firma [A] waar de chemische stoffen werden besteld zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om als een dergelijke aanwijzing te dienen.

Schatting van het voordeel

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene enkel als tussenpersoon en chauffeur heeft gefungeerd. Betrokkene kreeg van anderen een lijstje mee met chemische stoffen die hij bij de firma [A] in België moest ophalen, heeft deze bestellingen opgehaald en vervolgens aan anderen afgegeven. De rol van betrokkene is geen andere geweest dan die van chauffeur waarvoor betrokkene een vergoeding heeft ontvangen, aldus de verdediging.

Het hof gaat aan dit standpunt voorbij onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in de strafzaak van betrokkene heeft overwogen (pagina 22 van het strafvonnis):

"Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de grootschalige handel in chemische stoffen die kunnen worden gebruikt voor de productie dan wel de bewerking of verwerking van synthetische drugs. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat verdachte de spil was bij de voorbereidingshandelingen. Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer vijf maanden al dan niet met gebruikmaking van een tussenpersoon grote hoeveelheden chemicaliën van de firma [A] te [plaats] afgenomen en leverde deze een aantal malen door aan derden. In totaal is betrokkenheid van verdachte bij elf transporten van chemicaliën bewezen.

Verdachte heeft met voornoemd handelen weliswaar niet zelf synthetische drugs geproduceerd, maar was wel een onmisbare schakel in het productieproces.”

De rol die de betrokkene heeft vervuld is naar het oordeel van de strafrechter – waaraan de ontnemingsrechter is gebonden – van een geheel andere orde geweest dan enkel het optreden als chauffeur. In het licht van wat de strafrechter over de rol van betrokkene heeft overwogen is het aannemelijker dat betrokkene de chemische stoffen niet alleen bestelde maar deze ook doorverkocht waarmee door hem winsten werden behaald. Het hof volgt derhalve niet het standpunt van de verdediging dat betrokkene enkel als tussenpersoon heeft geopereerd en daarvoor een vergoeding heeft ontvangen.

(…)

De schatting

Uit de bewezenverklaring in de strafzaak blijkt van de navolgende bestellingen:

-Periode 17 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015:

990 liter zwavelzuur

120 liter mierenzuur

600 liter aceton

-op 25 augustus 2015

500 kg mierenzuur

-op 22 september 2015

2160 kg. zoutzuur

990 liter aceton

990 liter methanol

1254 kg. mierenzuur

1000 kg. caustic soda

-omstreeks 2 oktober 2015

2160 kg. zoutzuur

990 liter methanol

2775 kg. zwavelzuur

100 liter dimethylformamide

-omstreeks 8 oktober 2015

4000 kg. caustic soda

2160 kg. Zoutzuur

-periode van 29 oktober 2015 tot en met 30 oktober 2015

2790 liter aceton

1380 liter methanol

1850 kg. zwavelzuur

2356 kg. mierenzuur

1836 kg. Zoutzuur

-periode van 9 december 2015 tot en met 10 december 2015

een grote hoeveelheid zoutzuur

216 liter - (Schriftelijk bescheid, proces-verbaal van de Federale Gerechtelijke Politie te Luik (pag. 2964)

- op 7 januari 2016

1000 kg. caustic soda

- op 12 januari 2016

935 kg zwavelzuur

81 kg zoutzuur

380 kg mierenzuur

500 kg caustic soda

-12 januari 2016

300 liter zoutzuur

400 liter zwavelzuur

Totaal: 34.813 kg/ltr bestelde (hof: en (door)verkochte hoeveelheden.

Inkoopprijs totaal: 34.813 kg/ltr x € 0,70= € 24.369,10

Verkoopprijs: € 24.369,10 x € 4,90,-= € 119.408,59.

Brutowinst: (€ 119.408,59 -/- € 24.369,10=) € 95.039,49.

Transportkosten:

Chauffeursvergoeding: 34.813 kg/ltr gedeeld door 1000 x € 200,-= € 6.962,60

Huur vrachtwagen: 34.813 kg/ltr gedeeld door 3000 kg/ltr x € 70,-= € 812,30 +

Totaal: € 7.774,90

Resume

Samenvattend wordt het voordeel geschat op (€ 95.039,49 -/- € 7.774,90=) € 87.264,59.

Toerekening

Het hof heeft hiervoor overwogen dat betrokkene – gelet op de bewezenverklaring in de onderliggende strafzaak – bij de bestellingen in ieder geval met een ander heeft gehandeld.

Gelet hierop zal het hof het voordeel ponds-pondsgewijs toerekenen en aan betrokkene als voordeel toerekenen een bedrag van (€ 87.264,59 gedeeld door 2=) € 43.632 ,- (afgerond) en het voordeel daarop vaststellen.”

De bespreking van het eerste middel

Een nadere omschrijving van de klacht

8. De stellers van het middel betogen dat het hof heeft miskend dat het enkele voorhanden hebben van chemicaliën geen voordeel genereert en dat uit de bewezenverklaring niet kan volgen dat de verdachte de chemicaliën heeft (door)verkocht. In dat verband stel ik het volgende voorop.

De taakverdeling tussen strafrechter en ontnemingsrechter

9. De aard en omvang van het onderzoek dat in een ontnemingszaak dient plaats te vinden, worden omlijnd door de wettelijke taakverdeling tussen enerzijds de rechter die oordeelt op de grondslag van de tenlastelegging (de strafrechter) en anderzijds de rechter die – in een afsplitsing van deze strafzaak – oordeelt naar aanleiding van de vordering tot ontneming (de ontnemingsrechter).

10. Voor wat betreft de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv is de ontnemingsrechter gebonden aan het oordeel van de strafrechter. De ontnemingsrechter is zodoende gebonden aan oordelen van de strafrechter die (naar aanleiding van de eerste vraag van artikel 350 Sv) betrekking hebben op (i) de bewezenverklaring (dan wel de vrijspraak) van de in de strafzaak ten laste gelegde gedragingen, (ii) de betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen waarop de (eventuele) bewezenverklaring steunt, en (iii) alle andere verweren die zich richten tegen het bewijs van het ten laste gelegde. Zo staat in de voorliggende ontnemingszaak daardoor vast welke misdrijven ten laste van de betrokkene zijn bewezen en dat de aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegde bewijsmiddelen voldoende betrouwbaar zijn. Over deze kwesties kan in de ontnemingszaak niet meer met vrucht worden geklaagd.

11. Aan de ontnemingsrechter komt een zelfstandig oordeel toe over (i) het al dan niet begaan van andere dan de bewezen verklaarde strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, (ii) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat, en (iii) alle verweren die (specifiek) op het voorgaande betrekking hebben.

Het voordeelbegrip van artikel 36e lid 2 Sr

12. Artikel 36e lid 2 Sr heeft betrekking op “voordeel (...) verkregen door middel van of uit de baten van" een strafbaar feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld. Onder dergelijk voordeel kan ook worden begrepen daadwerkelijk genoten voordeel ingeval het strafbare feit op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, maar kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren.

De bespreking van het middel

13. Het hof heeft vastgesteld dat de strafrechter op basis van door hem betrouwbaar geachte bewijsmiddelen bewezen heeft geacht dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan de grootschalige handel in chemische stoffen die kunnen worden gebruikt voor de productie dan wel de bewerking of verwerking van synthetische drugs. Uit het dossier komt naar het oordeel van de strafrechter het beeld naar voren dat de betrokkene de spil was bij de voorbereidingshandelingen. Hij heeft gedurende een periode van ongeveer vijf maanden al dan niet met gebruikmaking van een tussenpersoon grote hoeveelheden chemicaliën van de firma [A] te [plaats] afgenomen en leverde deze een aantal malen door aan derden. In totaal is betrokkenheid bij elf transporten van chemicaliën bewezen. Aan deze vaststellingen van de strafrechter is het hof als ontnemingsrechter gebonden.

14. Verder ligt in ’s hofs oordeel besloten dat de bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen ertoe strekten en geëigend waren om voordeel te genereren. Uit de door het hof gegeven becijfering van dat voordeel (die in cassatie op zichzelf niet wordt aangevochten) blijkt dat de betrokkene in verband met die voorbereidingshandelingen daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

15. Hierop stuiten de klachten af. Het middel faalt.

Het tweede middel

16. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat het hof de stukken van het geding niet binnen de voorgeschreven inzendtermijn aan de Hoge Raad heeft toegezonden.

17. Het cassatieberoep is namens de verdachte op 31 oktober 2024 ingesteld. De stukken van het geding zijn op 10 oktober 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden, terwijl deze overschrijding niet meer kan worden gecompenseerd met een voortvarende afdoening. Dit dient te leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

18. Het middel slaagt.

Slotsom

19. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. Het tweede middel slaagt.

20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand