Nummer24/03666
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 1 oktober 2024 (parketnr. 22-003265-21) door het gerechtshof Den Haag wegens "feitelijke aanranding van de eerbaarheid", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen, een en ander als nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.S. Nan, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat een motiveringsklacht over het oordeel dat is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv. Daartoe wordt aangevoerd dat de bewezenverklaring in de kern berust op de verklaring van de aangeefster en dat de overige bewijsmiddelen onvoldoende zelfstandige steun bieden voor de door haar meegedeelde feiten en omstandigheden.
4. In het bijzonder wordt geklaagd over het oordeel dat het WhatsAppgesprek, waarin de aangeefster tijdens het incident verslag doet van hetgeen volgens haar gebeurt, als steunbewijs kan gelden omdat haar uitingen volgens het hof vergelijkbaar zijn met audio- of visueel materiaal.
De bewijsmotivering
5. Het hof heeft ten aanzien van het bewijs als volgt overwogen:
“Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verklaringen van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Daartoe heeft de raadsman (samengevat) het volgende aangevoerd:
- de diverse door de aangeefster afgelegde verklaringen zijn onderling tegenstrijdig;
- de door de aangeefster beschreven handelingen, die door de verdachte zouden zijn verricht, zijn praktisch niet uitvoerbaar, en
- het is zeer wel mogelijk dat aangeefster een reden had om haar beschuldigingen jegens de verdachte te verzinnen.
De aangeefster heeft op 21 oktober 2019 een informatief gesprek zeden gehad, waarna zij op 2 november 2019 aangifte heeft gedaan van aanranding door de verdachte. Dat verhoor is audiovisueel geregistreerd en op 14 januari 2021 woordelijk uitgewerkt. Vervolgens is de aangeefster op verzoek van de verdediging in het bijzijn van de raadsman van de verdachte op 4 februari 2021 bij de rechter-commissaris gehoord, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De raadsman heeft in zijn pleitnota een overzicht opgenomen waarin hij aangeeft op welke punten de door de aangeefster afgelegde verklaringen niet (geheel) overeenkomen. Het hof overweegt dat de inhoud van dat overzicht op zichzelf niet onjuist is, maar dat de enkele omstandigheid dat door één en dezelfde persoon omtrent een bepaalde gebeurtenis verklaringen worden afgelegd die niet woordelijk overeenstemmen, nog niet met zich brengt dat die verklaringen daarom als geheel als onbetrouwbaar hebben te gelden. Waar het op aankomt, is of die verklaringen op de punten waar het om gaat in essentie met elkaar overeenstemmen. Dat is voor wat betreft de verklaringen van de aangeefster volgens het hof zeker het geval. Daarbij hecht het hof met name waarde aan het feit dat de aangeefster over de chronologie van de handelingen die door de verdachte zouden zijn gepleegd en de momenten op de route waarop dat is gebeurd consistent heeft verklaard. Dat de aangeefster dat soms in (iets) andere bewoordingen heeft gedaan (zoals bijvoorbeeld: het strelen over de wang en een aaibeweging over de wang, het wrijven over haar been en het met zijn hand aan haar been zitten) doet niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. Bovendien vind(t) (en) die (chronologie van) handelingen bevestiging in de door de aangeefster ten tijde van het incident verzonden WhatsApp berichten aan haar vriendin [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ).
Met betrekking tot de door de verdediging gestelde praktische (on)uitvoerbaarheid van de door de aangeefster beschreven handelingen (in haar broek) overweegt het hof als volgt. Tijdens de rit en het stilstaan met de bus zat de verdachte op de bestuurdersstoel, en de aangeefster op de bijrijdersstoel, dus naast de verdachte. Uit de verklaringen van de aangeefster volgt dat de verdachte haar al rijdend betastte en dat hij, terwijl de bus stilstond, op enig moment zijn eigen gordel losmaakte en vervolgens met zijn hand in haar broek en onderbroek ging. Onder deze omstandigheden is de stelling van de verdediging niet aannemelijk geworden dat het praktisch onmogelijk is geweest om de verweten handelingen te verrichten. Het hof betrekt hierbij dat geenszins aannemelijk is geworden dat de broek van de (zittende) aangeefster te strak was om een hand in te steken.
Dat de aangeefster de verweten handelingen zou hebben verzonnen, bijvoorbeeld om een verklaring te kunnen geven voor haar late thuiskomst, doet het hof bij gebreke van concrete onderbouwing af als speculatie. Het hof acht het onaannemelijk dat aangeefster ter plekke haar vriendin [getuige 1] zou hebben gewhatsappt en haar live locatie met haar zou hebben gedeeld, enkel en alleen om een geloofwaardig verhaal te fabriceren voor haar late thuiskomst. In dat verband heeft de advocaat-generaal overigens terecht opgemerkt dat de aangeefster niet thuis werd verwacht, nu zij aanvankelijk de nacht bij een vriendin zou doorbrengen.
Volgens de raadsman is het tot slot bevreemdend dat de aangeefster ten tijde van de gestelde handelingen door de verdachte, de politie of 112 niet heeft gebeld. De aangeefster heeft tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 4 februari 2021 echter verklaard dat zij niet durfde te bellen omdat de verdachte naast haar zat en ze niet wist wat hij zou doen als zij de politie zou bellen. Het hof ziet, gelet op deze verklaring, in het niet bellen van de politie geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.
Slotsom omtrent de betrouwbaarheid
Nu alle aan het betrouwbaarheidsverweer ten grondslag gelegde stellingen ongenoegzaam zijn bevonden, merkt het hof de verklaring van de aangeefster aan als betrouwbaar zodat die kan dienen tot het bewijs van het tenlastegelegde feit.
Verdere overwegingen omtrent het bewijs
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep verder op het standpunt gesteld dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende steun vindt in ander (steun)bewijs. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.- De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
De Hoge Raad stelt de eis dat sprake moet zijn van bijkomend bewijs dat voldoende steun biedt. Daarbij is niet nodig dat ieder onderdeel van de tenlastelegging die voldoende steun heeft, maar de tenlastelegging in haar geheel moet die steun krijgen. Het komt er op neer dat de bevestiging die het bijkomend bewijs moet bieden, in een relatie van betekenis moet staan tot het tenlastegelegde. Dit gaat niet zo ver dat het bijkomend bewijs het strafbare van het handelen in de kern moet bevestigen of dat het bijkomend bewijs een deel van de tenlastelegging zelfstandig moet kunnen dragen. Er moet sprake zijn van objectieve gegevens waaruit kan worden afgeleid dat het verantwoord is de bewezenverklaring voornamelijk op de verklaring (en) van één getuige, in de onderhavige zaak van de aangeefster, te baseren.
Whatsappgesprek
Het dossier bevat screenshots van een whatsappgesprek dat de aangeefster heeft gevoerd met [getuige 1] en wel op het moment dat zij zich in de bestelbus met verdachte bevond. In dit gesprek komen onder meer de volgende passages voor:
Aangeefster (03:19-03:27 uur): Ik zit in een [A] bus. Met een Turk.
[getuige 1] (03:28 uur): WAT. [bijnaam benadeelde] . DOE NORMAAL.
Aangeefster (03:28 uur): Ja hij zat aan me. Net.
[getuige 1] (03:28 uur): Nee meen je niet. Waar rijd die nu. Hoezo ben je ingestapt.
Aangeefster deelt haar live locatie (03:30 uur).
[getuige 1] (03:30 uur): [bijnaam benadeelde] godver.
Aangeefster (03:30 uur): Ben zo bang. Hij kuste. […] . Wat moet ik doen.
[getuige 1] (03:32 uur): Ik ga anders politie bellen. Als je niet reageerd. Sta je stil. Ik ga echt politie bellen.
Aangeefster (03:33 uur): Ja bel. Nu. De politie.
[getuige 1] (03:35 uur): Nog steeds 112? Rij je nu naar huis?
Aangeefster (03:38 uur): Ik weetni man. Ven zoo bangg.
Het whatsappgesprek zoals dat hierboven is gerelateerd ondersteunt de verklaring van de aangeefster en kan derhalve gelden als steunbewijs. Daaraan doet niet af dat de uitingen in het gesprek afkomstig zijn van de aangeefster zelf. Die uitingen hebben een zodanig verslagleggend karakter dat zij vergelijkbaar zijn met andere vastleggingen zoals audio- of visueel materiaal.
Reisbewegingen
Het hof stelt voorts vast dat de verklaring van de aangeefster omtrent het verloop van de rit overeenstemt met een geschrift getiteld 'Bewegingen Rapport' waarin de reisbewegingen van de bestelbus (kennelijk) via plaatsbepaling zijn vastgelegd. Onder meer blijkt uit dit geschrift dat de bestelbus om 03:28 uur heeft stilgestaan in [plaats] . In haar aangifte heeft de aangeefster gesteld dat de verdachte inderdaad in [plaats] is gestopt. In een whatsapp-gesprek met [getuige 1] stuurt de aangeefster om 03:34 daarnaast de tekst 'hij stopt nu’, wat uit nader onderzoek naar de reisbewegingen van de bestelbus exact blijkt te kloppen.
Getuigenverklaringen [getuige 1] ( [getuige 1] ) en [getuige 2]
De verklaring van de aangeefster wordt voorts ondersteund door de verklaringen van haar vriendin [getuige 1] en diens moeder [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), die de aangeefster nadat zij uit de bestelbus was gestapt, hebben opgehaald. [getuige 1] verklaart dat de aangeefster haar direct in de armen vloog en heel hard moest huilen. De aangeefster was volgens [getuige 1] helemaal in paniek en vertelde toen dat de verdachte haar had geprobeerd te vingeren en haar op haar lippen heeft gezoend. [getuige 2] heeft eveneens verklaard dat de aangeefster in paniek was en samen met [getuige 1] op de achterbank heeft zitten huilen. De aangeefster herhaalde, volgens [getuige 2] , steeds dat die man aan haar had gezeten en dat ze dat niet wilde. De man had haar geprobeerd te zoenen en de aangeefster was heel bang. Beide getuigen hebben bij de rechter-commissaris, bijna drie jaar later, in grote lijnen hetzelfde verklaard als bij de politie.
Deze verklaringen, meer in het bijzonder de daaruit blijkende waarnemingen van de emotionele toestand van de aangeefster direct nadat zij de bestelbus had verlaten, ondersteunen de verklaring van de aangeefster en schetsen een authentiek beeld van de toestand waarin de aangeefster werd aangetroffen na het verlaten van de bestelbus, terwijl voor die toestand geen andere reden is gebleken dan het ondergaan van de door de aangeefster beschreven handelingen, gepleegd door de verdachte.
Slotsom omtrent het bewijs
Het hof acht op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, te weten de verklaring van de aangeefster bij de politie en bij de rechter-commissaris, het whatsappgesprek, het Bewegingen Rapport en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.”
6. Deze overwegingen komen samengevat op het volgende neer. Het hof heeft de verklaring van de aangeefster betrouwbaar geacht en geoordeeld dat deze voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de aangeefster tijdens het incident via WhatsApp aan haar vriendin verslag deed van hetgeen gebeurde en tevens haar live-locatie deelde, dat haar verklaring over het verloop van de rit overeenstemde met de vastgelegde reisbewegingen van de bestelbus en dat twee getuigen haar direct na afloop in paniek en geëmotioneerd aantroffen. Op grond van deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, heeft het hof het ten laste gelegde bewezen verklaard.
De bespreking van het middel
7. Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.
8. De vraag die het middel hier concreet aan de orde stelt is of het WhatsAppgesprek als steunbewijs kan gelden – hoewel de daarin opgenomen uitingen afkomstig zijn van de aangeefster zelf – omdat deze uitingen volgens het hof door hun vastleggende karakter vergelijkbaar zijn met audio- of visueel materiaal.
9. De steller van het middel wijst overigens – terecht – op HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:686, waarin de Hoge Raad oordeelde:
“2.4. Het hof heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden waarover de aangeefster heeft verklaard, in voldoende mate steun vinden in de andere gebruikte bewijsmiddelen, die daarbij in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Dat oordeel is echter om de volgende redenen niet zonder meer begrijpelijk. De in bewijsmiddel 2 opgenomen transcriptie van de WhatsApp-berichten die de aangeefster heeft verstuurd naar haar huisgenoot, bevat in de kern niet meer dan een verslag van de aangeefster zelf over het in de tenlastelegging bedoelde voorval in de massagesalon. Daarnaast houden de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen slechts in (i) dat de verdachte heeft verklaard dat hij als masseur werkt in de massagesalon en dat uit het klantensysteem is gebleken dat hij de aangeefster op de in de tenlastelegging genoemde datum een massage heeft gegeven, en (ii) dat de huisgenoot enkele jaren na die datum heeft waargenomen dat de aangeefster tijdens gesprekken over het voorval “zichtbaar minder zelfverzekerd” was, dat de huisgenoot aan de aangeefster kon zien dat het voorval haar bezig hield en dat aangeefster er, ook naar eigen zeggen, veel over piekerde.”
10. De verwijzing naar dat arrest leidt m.i. niet tot een slagende klacht. In die zaak bestond het overige bewijsmateriaal, naast de door de aangeefster verzonden WhatsAppberichten, uit gegevens over de omstandigheid dat de verdachte als masseur werkzaam was en de aangeefster op de betreffende datum een massage had gegeven, alsmede uit de verklaring van de huisgenoot over haar gesteldheid enkele jaren na het voorval. Tegen die achtergrond achtte de Hoge Raad het oordeel dat de verklaring van de aangeefster voldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal niet zonder meer begrijpelijk. In de onderhavige zaak heeft het hof daarentegen, naast het live WhatsAppgesprek, gewezen op de met de verklaring van de aangeefster overeenstemmende reisbewegingen van de bestelbus en op de toestand waarin zij kort na het incident door twee getuigen is aangetroffen.
11. Ook het beroep op HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:643, leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak had het hof naast de verklaring van het slachtoffer verklaringen van twee getuigen voor het bewijs gebruikt omtrent hetgeen het slachtoffer hun had verteld en de emoties die zij daarbij hadden waargenomen. De Hoge Raad achtte het oordeel dat aan het bewijsminimum was voldaan niet zonder meer begrijpelijk, mede omdat de verdediging een mogelijke andere oorzaak voor het vertrek van het slachtoffer en de bij haar waargenomen emoties had aangevoerd en het hof daarop niet was ingegaan. In de onderhavige zaak heeft het hof zijn oordeel niet uitsluitend gebaseerd op de door getuigen waargenomen emoties van de aangeefster, maar tevens op haar tijdens het incident gevoerde WhatsAppgesprek en op de met haar verklaring overeenstemmende reisbewegingen van de bestelbus. Bovendien zijn de reisbewegingen en de waarnemingen van de getuigen niet afkomstig van de aangeefster zelf.
12. Tegen deze achtergrond kon het hof in redelijkheid betekenis toekennen aan het feit dat de aangeefster tijdens het incident via WhatsApp verslag deed van hetgeen haar overkwam. Anders dan bij een verklaring die eerst achteraf wordt afgelegd, gaat het hier om uitingen die tijdens het incident zelf en kennelijk spontaan tegenover een derde zijn gedaan en waarvan het tijdstip en de inhoud zijn vastgelegd. Dat de inhoud van deze uitingen van de aangeefster zelf afkomstig is, staat er m.i. niet aan in de weg daaraan als steunbewijs betekenis toe te kennen.
13. De vergelijking die het hof daarbij maakt met audio- of visueel materiaal, moet naar ik meen aldus worden begrepen dat ook bij die vormen van vastlegging, het tijdstip waarop de vastlegging plaatsvindt en de onmiddellijke registratie van hetgeen zich voordoet, van betekenis kunnen zijn voor de bewijswaardering. De omstandigheid dat het WhatsAppgesprek, anders dan een audio- of visuele opname, geen rechtstreekse registratie bevat van hetgeen zich tijdens het incident heeft afgespeeld, maakt de door het hof gemaakte vergelijking daarom niet onbegrijpelijk.
14. Daarbij komt dat het hof zijn oordeel niet uitsluitend op het WhatsAppgesprek heeft gebaseerd. Het heeft tevens betekenis toegekend aan de live-locatie van de aangeefster, de overeenstemming tussen haar verklaring over het verloop van de rit en de vastgelegde reisbewegingen van de bestelbus en de omstandigheid dat twee getuigen haar kort na afloop in paniek en geëmotioneerd aantroffen. Het hof heeft deze bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien. Tegen deze achtergrond is het oordeel dat de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal niet onbegrijpelijk.
15. Het middel faalt.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
16. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren nadat op 2 oktober 2024 het cassatieberoep is ingesteld. Daarmee is de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden.
Slotsom
17. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
18. Anders dan hetgeen ik onder 16 heb overwogen, heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG