PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03381
Zitting 2 oktober 2026
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
Samsung SDI Co. Ltd. (hierna: ‘Samsung’)
tegen
Itautec S.A. – Grupo Itautec (hierna: ‘Itautec’)
In deze procedure staan twee wereldwijde kartels op de markten voor kathodestraalbuizen voor televisieschermen en computerschermen centraal. Itautec, een producent en verkoper van televisietoestellen en computerschermen, heeft, als afnemer van kathodestraalbuizen op de Braziliaanse markt, diverse karteldeelnemers aangesproken, waaronder Samsung en Samsung SDI Brasil Ltda. (hierna: ‘Samsung Brasil’). De rechtbank heeft de vordering van Itautec naar Braziliaans recht beoordeeld, en heeft Samsung en Samsung Brasil veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding nader op te maken bij staat. De rechtbank heeft het verweer van Samsung en Samsung Brasil, dat de vordering van Itautec naar Braziliaans recht zou zijn verjaard, verworpen.
Bij afzonderlijke dagvaardingen heeft Samsung in de ene zaak en hebben Samsung, Samsung SDI (HK) Ltd. (hierna: ‘Samsung China’) en Samsung SDI America Inc. (hierna: ‘Samsung Amerika’) (als rechtsopvolgers van Samsung Brasil) in een andere zaak hoger beroep ingesteld. Het hof heeft in deze twee zaken uitspraak gedaan in één arrest, en heeft kort gezegd de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daarbij, in navolging van de rechtbank, het verjaringsverweer verworpen.
Vervolgens is door Samsung respectievelijk Samsung, Samsung China en Samsung Amerika bij afzonderlijke procesinleidingen cassatieberoep ingesteld van het arrest van het hof. De klachten in beide cassatiezaken (de onderhavige zaak met zaaknummer 25/03381 en de zaak met zaaknummer 25/03382) zijn inhoudelijk identiek, en stellen het oordeel van het hof dat het verjaringsverweer niet slaagt, ter discussie.
In deze cassatiezaken neem ik inhoudelijk gelijkluidende conclusies. Aangezien Samsung enerzijds, en Samsung, Samsung China en Samsung Amerika anderzijds, in de procedure in feitelijke aanleg hun standpunten gezamenlijk hebben ingenomen en in beide cassatiezaken dezelfde klachten zijn geformuleerd, zal ik hen bij de beoordeling van de klachten steeds, ook in deze zaak, aanduiden als Samsung c.s.
1. Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
De Europese Commissie heeft bij beschikking van 5 december 2012 twee afzonderlijke inbreuken op art. 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: ‘VWEU’) en art. 53 van de EER-Overeenkomst in de sector voor kathodestraalbuizen vastgesteld. Het betrof twee wereldwijde kartels op de markten voor respectievelijk kathodestraalbuizen voor televisieschermen, ook wel genoemd Colour Picture Tubes (hierna: ‘CPT’s’ en ‘het CPT-kartel’) en kathodestraalbuizen voor computerschermen, ook wel genoemd Colour Display Tubes (hierna: ‘CDT’s’ en ‘het CDT-kartel’). Het CPT-kartel heeft geduurd van 3 december 1997 tot 15 november 2006. Het CDT-kartel heeft geduurd van 23 november 1996 tot 14 maart 2006. De karteldeelnemers hebben zich schuldig gemaakt aan verboden afspraken over prijzen, marktaandelen, klanten en productie, en hebben vertrouwelijke informatie uitgewisseld over deze onderwerpen. Eén van de ondernemingen waartegen de beschikking van de Europese Commissie is gericht is Samsung.
Het CPT-kartel en het CDT-kartel zijn eveneens onderzocht door de Braziliaanse mededingingsautoriteit Conselho Administrativo de Defesa Económica (hierna: ‘CADE’). Het onderzoek van CADE heeft zich onder meer gericht op Samsung en Samsung Brasil. Samsung en Samsung Brasil hebben op 12 december 2008 zogenoemde clementieovereenkomsten (leniency agreements) gesloten met de Braziliaanse autoriteiten in verband met hun deelname aan beide kartels. Op grond van deze overeenkomsten hebben zij informatie over de kartels aan CADE verstrekt, waarop CADE ervan heeft afgezien aan hen geldboetes op te leggen.
Op 11 februari 2015 heeft CADE bekend gemaakt dat hij schikkingen heeft getroffen met Philips en LG met betrekking tot hun deelname aan het CPT-kartel en het CDT-kartel en de effecten daarvan op de Braziliaanse markt (zogenoemde Consent Decrees of Termos de Compromisso de Cessação (TCC’s)). In deze schikkingen hebben deze ondernemingen bepaalde feiten met betrekking tot de kartels toegegeven en zijn zij met CADE overeengekomen nadere informatie te verstrekken. Ter voorkoming van boetes hebben Philips en LG toegezegd respectievelijk 24 miljoen Braziliaanse reaal en 17 miljoen Braziliaanse reaal aan een Braziliaans staatsfonds te betalen.
Op 22 augustus 2018 heeft CADE eindbeslissingen vastgesteld met betrekking tot het CPT-kartel en het CDT-kartel. In deze eindbeslissingen heeft CADE aan enkele karteldeelnemers geldboetes opgelegd. Aan Samsung, Samsung Brasil en andere Samsung vennootschappen zijn geen geldboetes opgelegd omdat zij de clementieovereenkomsten zijn nagekomen die zij met CADE hadden gesloten. Aan Philips en LG zijn naast de reeds door deze ondernemingen toegezegde betalingen aan het Braziliaanse staatsfonds geen boetes opgelegd, omdat zij de TCC’s zijn nagekomen.
Itautec houdt zich bezig met de productie en verkoop van consumentenelektronica, waaronder televisietoestellen en computerschermen, hoofdzakelijk voor de Braziliaanse markt. Zij heeft daarvoor CPT’s en CDT’s ingekocht, en computerschermen waarin CDT’s waren verwerkt.
Op 29 november 2019 hebben Samsung, Samsung China en Samsung Amerika, die gezamenlijk alle aandelen hielden in Samsung Brasil, het besluit genomen om Samsung Brasil te ontbinden. Naar Braziliaans recht hebben Samsung, Samsung China en Samsung Amerika daarmee te gelden als rechtsopvolgers van Samsung Brasil.
2. Procesverloop
Eerste aanleg
Itautec heeft bij dagvaarding van 3 december 2015 bij de rechtbank Oost-Brabant vorderingen ingesteld tegen Samsung en Samsung Brasil, en ook tegen andere karteldeelnemers. Itautec heeft na wijziging van eis samengevat gevorderd i) een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Itautec geleden schade als gevolg van het CPT-kartel en het CDT-kartel, verminderd met de plicht tot bijdragen van de overige karteldeelnemers, en ii) gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door Itautec geleden schade als gevolg van het CPT-kartel en het CDT-kartel, verminderd met de plicht tot bijdragen van de overige karteldeelnemers, inclusief inflatiecorrectie en wettelijke rente, nader op te maken bij staat.
Ook twee andere Braziliaanse ondernemingen, Cemaz Indústria Eletrônica Da Amazonia S.A. en IGB Eletrônica S.A. (hierna: ‘Cemaz’ en ‘IGB’), hebben Samsung en Samsung Brasil, samen met andere karteldeelnemers, in afzonderlijke procedures gedagvaard. Zij hebben vergelijkbare vorderingen ingesteld met dien verstande dat zij, in plaats van een schadevergoeding nader op te maken bij staat, ook een concrete schadevergoeding hebben gevorderd. De rechtbank heeft de behandeling van de drie procedures gevoegd.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 29 november 2017 het preliminaire verweer van de verschenen gedaagden, inhoudende dat Itautec, Cemaz en IGB niet aan hun stelplicht zouden hebben voldaan, verworpen.
In het vonnis van 12 oktober 2022 (hierna ook: ‘het tweede tussenvonnis’) is de rechtbank inhoudelijk op de vorderingen van Itautec, Cemaz en IGB (hierna samen ook: ‘Cemaz c.s.’) ingegaan.
Daarbij heeft de rechtbank ook geoordeeld over het verjaringsverweer van Samsung c.s., en heeft zij samengevat het volgende overwogen.
- Partijen zijn het erover eens dat de vraag of de vorderingen van Cemaz c.s. zijn verjaard dient te worden beantwoord naar Braziliaans recht, en dat de duur van de verjaringstermijn, die volgt uit art. 206 lid 3 onder V Código Civil Brasileiro (door de rechtbank aangeduid als Brazilian Civil Code (hierna: ‘BCC’)), drie jaren bedraagt. De rechtbank is het op beide punten met partijen eens. (rov. 4.12.)
- Partijen verschillen van mening over de vraag wanneer de verjaringstermijn van drie jaren is aangevangen en hoe art. 189 BCC uitgelegd moet worden. De Engelse vertaling van de tekst van art. 189 BCC luidt als volgt: “The violation of a right creates a claim in the holder of the right, which is extinguished by prescription, on expiry of the time periods referred to in articles 205 and 206.” Bij lezing van dit wetsartikel valt op dat niet expliciet is bepaald wanneer de verjaringstermijn begint te lopen. Volgens Samsung c.s. volgt hieruit dat het aanvangsmoment is het moment van het ontstaan van de claim. Daarin heeft de rechtbank Samsung c.s. niet gevolgd; zij is van oordeel dat voor aanvang van de verjaring van de onderhavige vorderingen uit onrechtmatige daad naar Braziliaans recht bepalend is wanneer Cemaz c.s. bekend waren met alle elementen van hun vordering, waaronder het feit dat zij schade hebben geleden, alsmede of er in het licht van de feiten waarmee Cemaz c.s. op voor de verjaring relevante momenten bekend mochten worden geacht, sprake is geweest van “negligent inactivity” (nalatig stilzitten) aan de zijde van Cemaz c.s. ten aanzien van het nemen van rechtsmaatregelen tegen Samsung c.s. (rov. 4.15.)
- De rechtbank heeft de jurisprudentie van de hoogste ter zake bevoegde Braziliaanse rechtscolleges (het Braziliaanse Superior Tribunal de Justiça (hierna: ‘STJ’) en het Supremo Tribunal Federal (hierna: ‘STF’)) van belang geacht, alsmede gezaghebbende wetenschappelijke literatuur op dit punt. In de door partijen overgelegde opinies, de processtukken en het verhandelde ter zitting wordt een groot aantal (vertalingen van) uitspraken aangehaald van het STJ, en een (kleiner) aantal uitspraken van het STF, waarin wordt beslist over de verjaring van vorderingen uit onrechtmatige daad. Partijen (en hun deskundigen) zijn het er niet over eens wat op grond van deze rechtspraak als de heersende leer heeft te gelden. (rov. 4.16.)
- Bij gebreke aan een bestendige eenduidige lijn in de jurisprudentie van de hoogste ter zake bevoegde rechtscolleges heeft de rechtbank zich vrij geacht om het relevante Braziliaanse recht uit te leggen en toe te passen op de wijze die in de omstandigheden van het onderhavige geval, alles afwegende en rekening houdende met de door de deskundigen geschetste doelstellingen achter het leerstuk van de verjaring naar Braziliaans recht, het meest voor de hand liggend en passend voorkomt. Bij die uitleg is “vanzelfsprekend” meegewogen of daarvoor voldoende steun kan worden gevonden in de relevante (recente) jurisprudentie en de aan de rechtbank overgelegde opinies van deskundigen. (rov. 4.18.)
- Van belang is dat volgens het Oi-arrest uit 2020 er inmiddels, in bepaalde zaken met betrekking tot niet-contractuele aansprakelijkheid (zoals ook de onderhavige), in ieder geval door meerdere panels van het STJ om redenen van rechtvaardigheid (die dan in zekere mate prevaleert boven de rechtszekerheid), voor de aanvang van de verjaring doorslaggevend belang wordt gehecht aan de bekendheid van de gelaedeerde met de schade, de onrechtmatige daad en de daarvoor aansprakelijke persoon. De rechtbank heeft ook andere passages uit de jurisprudentie van het STJ daarvoor van belang geacht. (rov. 4.19. en 4.20.)
- Dat voor de aanvang van de verjaring in zaken als de onderhavige bekendheid van de gelaedeerde met alle elementen van de aansprakelijkheid vereist is, omdat anders het niet instellen van een vordering niet kan worden aangemerkt als (het voor verjaring vereiste) nalatig stilzitten, vindt ook steun in verschillende opinies van door partijen geraadpleegde deskundigen. (rov. 4.21. tot en met 4.24.)
- Wat betreft de vereiste aard en mate van bekendheid zijn deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] het erover eens (mede op basis van de door hen besproken jurisprudentie van het STJ) dat voor het aanvangen van de verjaring sprake moet zijn van “unequivocal” (onmiskenbare, ondubbelzinnige) bekendheid met de genoemde vier elementen (onrechtmatige gedraging, schade, causaal verband en aansprakelijke persoon). Anders dan Cemaz c.s. (en [deskundige 1] ), stelt [deskundige 2] , één van de door Cemaz c.s. ingeschakelde deskundigen, dat aan de “average man standard’’ betekenis toekomt bij de beoordeling of sprake is van de vereiste bekendheid. (rov. 4.24.)
- Samsung c.s. hebben gesteld dat voor aanvang van de verjaring in ieder geval niet vereist is dat de precieze omvang van de schade vaststaat. Cemaz c.s. hebben dit erkend, maar hebben erop gewezen dat naar Braziliaans recht een partij alleen een vordering tot schadevergoeding kan instellen indien deze schade heeft geleden, en dat de vereiste bekendheid dus wel (mede) ziet op het bestaan van schade (daargelaten de precieze omvang). Dit standpunt wordt onder meer bevestigd door [deskundige 2] , die erop wijst dat een schadevergoedingsvordering vrij onbeperkt kan worden ingesteld maar alleen succesvol kan zijn wanneer alle elementen van aansprakelijkheid (waaronder schade) bekend en bewezen zijn. Dat uitgangspunt komt de rechtbank gelet op de door haar besproken jurisprudentie en rechtsgeleerde opinies juist voor. (rov. 4.25.)
- De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de voor aanvang van de verjaring vereiste bekendheid rusten naar Braziliaans recht op Samsung c.s. (rov. 4.26.)
Vervolgens heeft de rechtbank het volgende overwogen en geoordeeld dat het verjaringsverweer van Samsung c.s. faalt:
“4.27. Toegepast op de feiten van deze zaak leiden de hiervoor uiteengezette uitgangspunten tot het oordeel dat de vorderingen van Cemaz c.s. naar Braziliaans recht niet zijn verjaard, omdat voor aanvang van de verjaringstermijn op de door Samsung c.s. gestelde momenten vereist is dat Cemaz c.s. op die momenten, naar objectieve maatstaven bekend was met zowel de onrechtmatige daad (het gestelde kartel), de aansprakelijke persoon (Samsung SDI c.s.), de schade (de overcharge en/of umbrella damages) en het causaal verband tussen die schade en de onrechtmatige gedraging, en Samsung SDI c.s. hun stellingen te dien aanzien onvoldoende hebben onderbouwd. Wat er ook zij van de (door Cemaz c.s. gemotiveerd betwiste) stelling van Samsung SDI c.s. dat Cemaz c.s. op de hoogte waren, althans volgens de “average man standard” hadden moeten zijn, van de persberichten van 7 oktober 2009, 13 september 2010 en 18 maart 2011 waarop Samsung SDI c.s. hun verjaringsverweer subsidiair baseren, kan op basis van die publicaties naar het oordeel van de rechtbank sowieso niet worden geoordeeld dat Cemaz c.s. op (één van) die momenten reeds bekend was met het feit dat Samsung SDI c.s. een onrechtmatige daad hadden gepleegd naar Braziliaans recht, laat staan dat zij als gevolg daarvan schade hadden geleden. De betreffende persberichten bevatten slechts zeer algemene informatie over (uitkomsten van) onderzoeken van buitenlandse mededingingsautoriteiten en Brazilië wordt daarin kennelijk niet genoemd. De rechtbank wijst in dit verband ook op de (door Cemaz c.s. terecht geconstateerde) tegenstrijdigheid in de argumenten van Samsung SDI c.s., die in deze zaak enerzijds stellen dat als gevolg van elk van de aangehaalde persberichten van buitenlandse mededingingsautoriteiten Cemaz c.s. voldoende bekend had moeten doen zijn met alle relevante elementen van haar schadevordering en anderzijds stellen dat het feit dat de Braziliaanse mededingingsautoriteit CADE onderzoek heeft gedaan naar het kartel, Technical Notes heeft gepubliceerd en schikkingen en clementieovereenkomsten is aangegaan (dat laatste pas in februari 2015, dus ver na de door Samsung SDI c.s. gestelde aanvang van de verjaringstermijn) onvoldoende is om een inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht vast te stellen. In dit verband is ook relevant dat niet in geschil is dat Cemaz c.s. vanaf 2013 tevergeefs pogingen hebben ondernomen om meer te weten te komen over het onderzoek van CADE en dat zij naar aanleiding van de publicatie over het besluit van de Commissie, nog voor de publicatie van de Commitment Agreements door CADE in februari 2015, Oxera opdracht hebben gegeven om te onderzoeken of zij als gevolg van het door de Europese Commissie geconstateerde wereldwijde kartel schade hadden geleden. Pas toen zij het Oxera-rapport ontvingen moeten zij (bij gebrek aan gedetailleerde informatie over de werking en reikwijdte van het zorgvuldig geheim gehouden kartel, waardoor het bestaan van schade niet zomaar met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kon worden aangenomen) geacht worden te hebben geweten dat er (volgens Oxera) daadwerkelijk sprake was (geweest) van een overcharge voor hen als Braziliaanse afnemers als gevolg van het kartel, en waren zij dus bekend met het (laatste) element van hun vordering, de schade.
Dat vóór 3 december 2012 (drie jaar voor datum dagvaarding) bij Cemaz c.s. de vereiste bekendheid bestond en dat bij haar (dus) sprake was van “negligent inactivity” door niet eerder een schadevergoedingsvordering in te stellen jegens Samsung SDI c.s. is kortom naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan. Het beroep op verjaring faalt.”
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat Samsung c.s. onrechtmatig hebben gehandeld naar Braziliaans recht door deel te nemen aan het CPT- en het CDT-kartel (rov. 4.29.-4.41.), dat het verweer van Samsung c.s. dat schuld voor toerekenbaarheid een constitutief vereiste is wordt verworpen (rov. 4.42.-4.46.) en – ten aanzien van Itautec – dat de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt toegewezen voor de door haar geleden directe en indirecte schade. Daaronder valt ook schade wegens zogenoemde “umbrella overcharge” doordat Itautec gedurende de kartelperiode ook te hoge prijzen heeft betaald voor kathodestraalbuizen die zij bij derde partijen heeft afgenomen, omdat die spelers hun prijzen zullen hebben aangepast aan het hogere prijsniveau in de markt (rov. 4.62., 4.67.). Het verweer van Samsung c.s. dat Itautec de eventuele meerprijs heeft doorberekend aan haar eigen klanten en dus geen vergoeding van de meerprijs kan vorderen (doorberekeningsverweer), heeft de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd verworpen (rov. 4.63.-4.65.). Voor zover Itautec ook immateriële schadevergoeding heeft gevorderd, heeft de rechtbank deze afgewezen omdat Itautec niet heeft voldaan aan de stelplicht (rov. 4.68.). Het verweer van Samsung c.s. ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid heeft de rechtbank afgewezen (rov. 4.88.-4.96.).
Bij eindvonnis van 15 maart 2023 heeft de rechtbank, onder verwijzing naar haar beslissingen in het tweede tussenvonnis, de vorderingen van Itautec grotendeels toegewezen.
Hoger beroep
Door zowel de rechtsopvolgers van Samsung Brasil (als gezegd: Samsung, Samsung China en Samsung Amerika) als door Samsung is van de vonnissen van 29 november 2017, 12 oktober 2022 en 15 maart 2023 hoger beroep ingesteld bij het hof ’s-Hertogenbosch. Deze zaken zijn gevoegd op de rol.
Bij arrest van 17 juni 2015 (hierna: ‘het bestreden arrest’) heeft het hof Samsung c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep tegen het vonnis van 29 november 2017, en heeft het hof de vonnissen van 22 oktober 2022 en 15 maart 2023 bekrachtigd. Ten aanzien van het beroep op verjaring heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen en geoordeeld.
Het hof heeft in rov. 6.7 overwogen dat op grond van art. 206 lid 3 onder V BCC de verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding drie jaar bedraagt. Vervolgens is het hof ingegaan op de vraag wanneer die verjaringstermijn gelet op art. 189 BCC aanvangt. Daarbij heeft het hof in rov. 6.8 eerst het standpunt van Samsung c.s. weergegeven, dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zonder dat enige vorm van bekendheid met het schadeveroorzakende feit vereist is (het zogenoemde actio nata-beginsel). In rov. 6.9 heeft het hof het standpunt van Itautec weergegeven, dat onderscheid gemaakt moet worden tussen contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid, en dat bij vorderingen uit onrechtmatige daad een gesubjectiveerd actio nata-beginsel geldt, waarbij de verjaringstermijn aanvangt op het moment dat de benadeelde bekend raakt met de schade, de onrechtmatige daad en de daarvoor aansprakelijke persoon. In rov. 6.10 heeft het hof opgemerkt dat de rechtbank het standpunt van Itautec heeft gevolgd. In rov. 6.11 heeft het hof vervolgens overwogen dat zowel Itautec als Samsung c.s. de inwerkingtreding van een nieuwe wet in Brazilië (hierna: ‘de Handhavingswet’), waarbij is bepaald dat de verjaringstermijn voor vorderingen tot vergoeding van schade veroorzaakt door inbreuken op het mededingingsrecht vijf jaar bedraagt, en begint te lopen op het moment van “unequivocal knowledge of the unlawful act”, beide zien als bevestiging van hun gelijk.
In rov. 6.12 heeft het hof besproken dat de rechtbank bij haar oordeel dat het standpunt van Itautec juist is, heeft verwezen naar rechtspraak van het STJ en naar door Itautec ingeschakelde deskundigen [deskundige 2] , [deskundige 3] en [deskundige 1] , oud-rechters uit het Braziliaanse federale hooggerechtshof (STF), die in hun opinies bevestigen dat dit de heersende leer is in Brazilië en naar de door de Samsung c.s. ingeschakelde [deskundige 4] die dit heeft onderschreven in zijn boek over verjaring. Vervolgens heeft het hof in rov. 6.13 overwogen dat het STJ na het tweede tussenvonnis vier uitspraken heeft gedaan over verjaring in het geval van vorderingen tot vergoeding van schade veroorzaakt door inbreuken op het mededingingsrecht, en dat het STJ ook in die uitspraken heeft gewezen op het onderscheid tussen verjaring bij contractuele aansprakelijkheid en verjaring bij niet-contractuele aansprakelijkheid.
Vervolgens is het hof in rov. 6.14 tot en met 6.21 ingegaan op het onderscheid dat het STJ maakt tussen zogenoemde follow-on vorderingen en standalone vorderingen. Het hof heeft geoordeeld dat in dit geval onmiskenbaar sprake is van een follow-on vordering en niet van een standalone vordering. Volgens het hof is de verjaringstermijn hierdoor gaan lopen op het moment dat CADE op 22 augustus 2018 zijn beslissing over het CPT-kartel en het CDT-kartel bekend maakte en is de verjaring tijdig gestuit doordat de procedure tegen Samsung c.s. reeds in 2015 aanhangig is gemaakt. Het hof heeft dat als volgt onder woorden gebracht:
“6.14 Met betrekking tot het moment waarop de verjaringstermijn aanvangt, maakt het STJ een onderscheid tussen zogenoemde follow-on en standalone vorderingen. Onder follow-on vorderingen verstaat het STJ vorderingen waarbij “(…) the victim bases its claim on evidence and decisions produced by the authority responsible for verifying the existence of the cartel.” Standalone vorderingen zijn vorderingen waarbij “(…) the victim itself presents evidence of the alleged act, as well as of the damage suffered”.
Het STJ licht het onderscheid in het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn bij beide typen vorderingen als volgt toe (alles volgens de Engelse vertaling):
“Such distinction, derived from the manner in which the claim is presented to the Courts, entails a difference in the identification of the starting day of the statutory period. For the first aforementioned type of action [standalone vorderingen, toevoeging hof], in which the anti-competition practice has not even been examined by CADE, it is understood as the moment on which the harmed party became aware of the behavior it claims to be unlawful. As for the second (follow on), it is understood that the statutory period only begins with the final decision rendered by the authority responsible for investigating competition wrongdoings.”
Naar het oordeel van het hof is de vordering van Itautec onmiskenbaar een follow-on vordering. De vordering van Itautec is immers gebaseerd op bewijs en beslissingen van CADE. Itautec heeft de vordering ingesteld naar aanleiding van het onderzoek van CADE, en alle elementen van de vordering (de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke onderneming) zijn ontleend aan CADE’s onderzoek.
Het hof beschouwt de onderbouwing van Samsung c.s. voor hun stelling dat het gaat om een standalone vordering, als gekunsteld. Volgens Samsung c.s. is uitsluitend sprake van een follow-on vordering als er een beslissing is van CADE waarin een inbreuk is vastgesteld, of een schikkingsovereenkomst (TCC) waarin de desbetreffende onderneming de inbreuk erkent, en de procedure is ingesteld als direct gevolg van (dus na) de beslissing of de overeenkomst. Volgens Samsung c.s. is de vordering van Itautec daarom geen follow-on vordering, want zij is ingesteld vóór de beslissing van CADE waarbij de inbreuk is vastgesteld. Deze redenering zou betekenen dat als Itautec zou hebben gewacht met het instellen van haar vordering tot ná de beslissing van CADE van 22 augustus 2018 waarbij de inbreuk is vastgesteld, de vordering van Itautec tijdig zou zijn ingesteld. Dat een eiser zou moeten wáchten met het instellen van zijn vordering om te voorkomen dat deze verjaart, strookt niet met de vereiste rechtszekerheid die aan de regeling van de verjaring in het Braziliaanse recht ten grondslag ligt. Deze consequentie van de redenering van Samsung c.s. acht het hof dan ook zó onlogisch dat alleen al daarom deze redenering niet kan worden gevolgd. Verder miskennen Samsung c.s. dat de essentie van een follow-on vordering is dat deze is gebaseerd op onderzoek van de mededingingsautoriteit. Dat is bij de vordering van Itautec het geval. Door het moment waarop de vordering is ingesteld als doorslaggevend aan te merken, gaan Samsung c.s. daaraan voorbij.
Samsung c.s. stellen verder dat de TCC’s van Philips en LG niet als aanknopingspunt voor een follow-on vordering kunnen worden gezien, omdat (i) Philips en LG in deze TCC’s uitsluitend bepaalde feiten en geen inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht erkennen, en (ii) als deze TCC’s al een erkenning van een inbreuk zouden inhouden, die erkenning alleen betrekking heeft op het handelen van Philips en LG, en niet op dat van Samsung c.s. Deze stelling verwerpt het hof op grond van het volgende. Wat het eerste argument betreft: ook als Philips en LG niet met zoveel woorden in de TCC’s erkennen dat zij inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht hebben gemaakt, is die inbreuk een gegeven op grond van de feiten die Philips en LG in de TCC’s hebben erkend. [deskundige 1] heeft er terecht op gewezen dat op grond van artikel 185 van CADE’s reglement een TCC een erkenning van deelneming in het onderzochte gedrag moet inhouden. Dat gedrag moet inbreuk hebben gemaakt op het mededingingsrecht; anders zou er geen aanleiding zijn geweest voor de betaling van aanzienlijke bijdragen door Philips en LG aan het Braziliaanse staatsfonds, als substituut voor boetes. Bovendien acht het hof relevant dat, met zoveel woorden, in de Technical Note staat met betrekking tot deze TCC dat het een kartel betrof: “In the present case, the purported conduct under investigation, that is, the practice of a cartel, (…)”. Hetzelfde geldt voor de Technical Note met betrekking tot de TCC van Philips, waarin onder meer het volgende staat: “In the History of the Conduct, the Applicants [i.e., Philips, toevoeging hof] explained in detail the practices and operation of the CPT and CDT cartels (…) with a factual description of the cartels’ activities in Europe, Asia, and Brazil and the corresponding evidence”. Ook het tweede argument van Samsung c.s. gaat niet op, omdat de TCC’s van Philips en LG een erkenning inhielden van een inbreuk waarbij ook Samsung c.s. betrokken waren.
Het hof gaat er daarom vanuit dat de vordering van Itautec naar Braziliaans recht als een follow-on vordering moet worden aangemerkt. Daarvan uitgaande geldt dat de verjaringstermijn volgens de recente uitspraken van het STJ in de Gas-, Cement- en Wapeningsstaal-kartels pas is gaan lopen op het moment dat CADE op 22 augustus 2018 haar beslissing in de CPT- en CDT-kartels bekend maakte, en dat Itautec de verjaring van haar vordering tijdig heeft gestuit door de procedure tegen Samsung c.s. reeds in 2015 aanhangig te maken.
Aan deze overwegingen doen de uitspraken van het STJ in de Sinaasappelsap-zaak niet af. In de beslissing in speciaal beroep nr. 1.971.316 heeft het STJ de vorderingen tot schadevergoeding die sinaasappeltelers hadden ingesteld tegen producenten van sinaasappelsap aangemerkt als standalone vorderingen, op grond van de overweging dat het gewraakte gedrag van de producenten niet was aangemerkt als de vorming van een kartel door CADE, en dat de producenten een TCC waren aangegaan met CADE onder de voorwaarde dat de procedure zou worden opgeschort. De procedure is uiteindelijk beëindigd omdat de producenten de voorwaarden in de TCC hebben nageleefd. Er was dus geen eindbeslissing waarin het bestaan van een kartel was vastgesteld. De rechter-rapporteur onderbouwde deze beslissing als volgt:
“However the present case (…) is of a standalone action, since the cause of the action is not the formation of the cartel.
Indeed, in the case being judged, there is neither a decision by CADE recognizing the existence of a cartel, nor a confession by the appellee company with respect to this fact.
In the case under examination, the ordinary decisions inform that the defendant company executed a Consent Decree with the investigating administrative authority as condition for the suspension of the administrative proceedings filed against it, which would have been subsequently extinct in view of compliance with the obligations stipulated in that instrument.
Therefore, as I understand it, the beginning of the statutory period in such events cannot be the date of the convicting decision issued by CADE, simply because there is no such convicting decision”.
Samsung c.s. verwijzen ook tevergeefs naar een andere uitspraak in de Sinaasappelsap-zaak, in speciaal beroep nr. 2424934. Ook uit de samenvatting van die beslissing blijkt het verschil tussen de Sinaasappelsap-zaak en de onderhavige zaak (“Final CADE decision did not declare the cartel existence, nor did the defendant confess but merely executed the Consent Decree”). In de Sinaasappelsap-zaak konden de telers hun vorderingen dus niet baseren op een beslissing van CADE waarin een inbreuk op het kartelverbod was vastgesteld. De vorderingen van de telers waren daarom geen follow-on maar standalone vorderingen.
Omdat de vorderingen van de telers in de Sinaasappelsap-zaak geen follow-on vorderingen waren, kon bij deze vorderingen de datum van de beslissing van CADE niet gelden als aanvangstijdstip voor de verjaringstermijn. Voor standalone vorderingen hanteert het STJ als aanvangstijdstip voor de verjaringstermijn het tijdstip waarop de benadeelde bekend was met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke persoon. In de beslissing in speciaal beroep nr. 1.971.316 heeft het STJ als aanvangstijdstip van de verjaringstermijn genomen het moment waarop de telers de sinaasappels aan de producenten hadden verkocht, omdat de telers toen al bekend waren met de schade. In hun klacht hadden zij immers gesteld dat zij bij die verkopen gedwongen waren de lage prijzen van de producenten, die niet eens de kosten van de telers dekten, te accepteren. In de beslissing in speciaal beroep nr. 2424934 heeft het STJ het beroep tegen de beslissing van het gerechtshof van São Paulo verworpen. Het gerechtshof had daar als aanvangstijdstip voor de verjaringstermijn genomen het moment van opening van het onderzoek, waaraan uitgebreid aandacht was besteed in de media. In beide gevallen gold dus als aanvangstijdstip van de verjaring de bekendheid (“unequivocal knowledge”) met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke persoon.”
Vervolgens heeft het hof in rov. 6.22 overwogen dat, nu sprake is van een follow-on vordering, het niet (meer) nodig is om vast te stellen wanneer Itautec “unequivocal knowledge” kon hebben gehad van de kartels en de schade. Ten overvloede heeft het hof overwogen dat ook als uitgegaan zou worden van “unequivocal knowledge”, Itautec de verjaring van de vorderingen tijdig heeft gestuit. Het hof heeft dat in rov. 6.23 tot en met 6.29 als volgt toegelicht:
“6.23 In het geding in eerste aanleg hebben Samsung c.s. gesteld dat Itautec het bestaan van de kartels en de schade had kunnen afleiden uit persberichten van de Japanse en Tsjechische mededingingsautoriteiten van 7 oktober 2009 en 13 september 2010 en een persbericht van Reuters over het onderzoek van de Amerikaanse mededingingsautoriteiten van 18 maart 2011. De rechtbank heeft dit standpunt verworpen (rechtsoverweging 4.27 van het tweede tussenvonnis). In de memorie van grieven hebben Samsung c.s. gesteld dat van Itautec als “prudent en geïnformeerde commerciële onderneming” verwacht mag worden dat zij bekend was met deze persberichten. Zij gaan echter niet in op de overweging van de rechtbank dat deze persberichten slechts zeer algemene informatie over de (uitkomsten van) onderzoeken van de desbetreffende mededingingsautoriteiten bevatten, op grond waarvan geen bekendheid van Itautec kan worden verondersteld met betrekking tot een onrechtmatige daad naar Braziliaans recht en daardoor veroorzaakte schade.
In het vervolg van de procedure (in de nadere memorie en tijdens de mondelinge behandeling) zijn Samsung c.s. niet meer op deze persberichten teruggekomen, en hebben zij gesteld dat de verjaring is aangevangen met de publicatie van het CADE-besluit tot het openen van de inbreukprocedure in de Braziliaanse Staatscourant van 22 maart 2010, dan wel met een artikel in een Braziliaanse krant, Valor Economico, van 28 februari 2012 waarin over het onderzoek van CADE werd bericht. De parallel die Samsung c.s. in dit verband trekken met het hiervoor genoemde oordeel van het STJ in speciaal beroep nr. 2424934, gaat echter niet op, omdat de feiten in die zaak anders liggen. De telers waren al bij de verkoop van hun sinaasappels bekend met de onrechtmatige daad (de te lage inkoopprijzen van de producenten) en de schade die zij daardoor leden (de verlieslatende verkoop van hun sinaasappels). Bovendien was het onderzoek van CADE naar aanleiding van klachten van de telers ingesteld. In die omstandigheden is het redelijk om de verjaringstermijn (uiterlijk) bij de bekendmaking van het onderzoek naar die praktijken te laten aanvangen. In het onderhavige geval valt uit het bericht van de opening van het onderzoek van 22 maart 2010 weinig op te maken. Het bericht vermeldt slechts dat inbreukprocedures worden geopend tegen onder meer Samsung SDI Co. Ltd. “to investigate possible antitrust acts”. Daar heeft Itautec niet uit kunnen afleiden dat zij schade had geleden als gevolg van de CPT- en CDT-kartels. En in het artikel in de Valor Economico stond:
“In the computer tube sector, the SDE is investigating two different cartels: one concerns sales of glass components for cathode ray tubes (CRTs) and the other concerns tubes for color displays”.
Deze informatie is deels onjuist (het onderzoek had geen betrekking op CRT’s maar op CPT’s) en overigens zo beperkt dat op grond daarvan evenmin bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden verondersteld.
Als de vorderingen van Itautec als standalone vorderingen zouden moeten worden aangemerkt, zou naar het oordeel van het hof het eerste aanvangsmoment voor de verjaring kunnen zijn de bekendmaking van de TCC’s met Philips en LG. Dat is ook het moment waarop Itautec in het onderzoek van CADE is betrokken, doordat CADE vragen aan Itautec heeft gesteld. Deze TCC’s en de daarbij behorende Technical Notes geven voldoende inzicht in het functioneren van de kartels en de schadelijke gevolgen daarvan om van een benadeelde te kunnen verlangen dat hij kenbaar maakt dat hij schade heeft geleden en daarvoor vergoeding eist. CADE heeft de TCC’s gepubliceerd op 11 februari 2015, zodat ook in dit geval de vorderingen van Itautec in deze procedure tijdig zijn ingesteld.
Samsung c.s. hebben gesteld dat in het bericht van CADE van 22 maart 2010 inzake de opening van de inbreukprocedure wordt verwezen naar Technical Notes, en deze Technical Notes reeds voldoende informatie bevatten om bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke ondernemingen bij Itautec te veronderstellen. De Technical Notes waren weliswaar pas vanaf 2015 digitaal voor eenieder toegankelijk, maar volgens Samsung c.s. had Itautec de Technical Notes als belanghebbende bij CADE kunnen opvragen naar aanleiding van het bericht inzake de opening van de procedure. Hiervoor heeft het hof echter vastgesteld dat het bericht inzake de opening van de procedure onvoldoende informatie bevat op grond waarvan Itautec had kunnen concluderen dat zij schade had geleden als gevolg van de CPT- en CDT-kartels. Daarmee vormde dit bericht ook onvoldoende aanleiding voor Itautec om te veronderstellen dat zij belanghebbende was, en de Technical Notes bij CADE op te vragen.
Volgens Samsung c.s. kan uit de invoering van de Handhavingswet worden afgeleid dat vóór de inwerkingtreding van deze wet bekendheid met de schade geen vereiste was voor de intrede van de verjaringstermijn. Dit argument verwerpt het hof ook, omdat de uitspraken van het STJ over de toepassing van het verjaringsleerstuk bij vorderingen tot schadevergoeding naar aanleiding van een schending van het mededingingsrecht deels dateren van vóór de inwerkingtreding van deze wet, en voor zover zij van latere datum zijn, de Handhavingswet in die zaken niet van toepassing was. De Handhavingswet geldt immers niet voor vorderingen die zijn ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet, en in al deze zaken van het STJ waren de vorderingen ingesteld voordat de wet in werking was getreden. Dus het STJ heeft zijn oordeel dat bij niet-contractuele aansprakelijkheid bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke persoon vereist is voor het ingaan van de verjaringstermijn, niet gebaseerd op de Handhavingswet maar op het daarvóór geldende recht.
Verder kan in het midden blijven of bij de vaststelling van bekendheid moet worden uitgegaan van de positie van de eiser of van een ‘gemiddelde persoon’. Ook als van het laatste moet worden uitgegaan, is de vordering van Itautec niet verjaard, zelfs als de vordering van Itautec zou moeten worden gezien als een standalone vordering. Uitgaande van een ‘gemiddelde persoon’ kan immers geen bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke persoon worden verondersteld op basis van de beperkte informatie in de persberichten genoemd door Samsung c.s. of het bericht van CADE inzake de opening van de procedure. Die bekendheid kan voor het eerst worden aangenomen bij de bekendmaking van de TCC’s van Philips en LG in februari 2015. Aangezien voor dat laatste voldoende is aangevoerd, kan eveneens in het midden blijven wie naar toepasselijk Braziliaans recht de stelplicht en bewijslast heeft.
Ten slotte doet ook de uitspraak van het gerechtshof van São Paulo van 6 februari 2024 in de Petrobras-zaakniet af aan het voorgaande. In die uitspraak heeft het gerechtshof overwogen dat de rechtbank van São Paulo terecht het actio nata beginsel heeft toegepast op een vordering van Petrobras tegen een aantal banken wegens kartelvorming, aangezien de bewuste gedragingen van de banken uitgebreid in de pers waren besproken meer dan drie jaar voordat Petrobras haar vordering had ingesteld (p. 27 van de uitspraak, in de Engelse vertaling[)]:
“(…)
In fact, the three-year limitation period was correctly applied by the lower court, which adopted the objective theory of actio nata (art. 189 of the Civil Code), in other words, the claim arose with the violation of the right, and not with the Plaintiff’s knowledge of the unlawful act.
It is a well-known fact and has been sufficiently demonstrated in the case file that the acts imputed to the financial institutions, referring to alleged anti-competitive conduct, have been widely publicized in the media and date back to at last 2013
(…)”.
Het is de vraag of het gerechtshof van São Paulo de uitspraak van de rechtbank van São Paulo terecht heeft gezien als een toepassing van het actio nata beginsel, aangezien in de uitspraak het moment waarop over de gedragingen in de pers werd geschreven als aanvangstijdstip voor de verjaring is gehanteerd, en niet het moment waarop die gedragingen hebben plaatsgevonden en de “violation of the right” zich voordeed. Aldus bezien lijkt deze uitspraak naar het oordeel van het hof meer te passen in de lijn van de uitspraken van het STJ waarin bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke persoon als aanvangstijdstip voor verjaring bij niet-contractuele aansprakelijkheid wordt gehanteerd. Het gerechtshof verwijst ook naar uitspraken van het STJ in de Sinaasappelsap-zaak, waarin dat uitgangspunt is gehanteerd. Wat daarvan zij, het gaat hier om een uitspraak van een lagere rechter waartegen beroep bij het STJ aanhangig is. Deze uitspraak kan niet afdoen aan de conclusies die uit de hiervoor besproken uitspraken van het STJ kunnen worden getrokken.”
Het hof is tot de slotsom gekomen dat de vordering van Itautec niet is verjaard en dat grief 2 van Samsung c.s. faalt. Ook de grieven van Samsung c.s. die gericht waren tegen andere schakels in het oordeel van de rechtbank (onder meer die hiervoor in randnummer 2.7 zijn genoemd) hebben geen doel getroffen. Uiteindelijk heeft het hof Samsung c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep tegen het vonnis van 29 november 2017, en heeft het hof de vonnissen van 22 oktober 2022 en 15 maart 2023 bekrachtigd (randnummer 2.10 hiervoor).
Cassatie
Samsung heeft op 16 september 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld van het arrest van het hof van 17 juni 2025. Itautec heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Samsung heeft gerepliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
De procesinleiding bevat een aantal genummerde paragrafen. Het cassatiemiddel is opgenomen onder paragraaf 6. Het vangt aan met een inleiding (paragraaf 6.1), een samenvatting van de klachten van onderdeel 1 (paragraaf 6.2) en onderdeel 2 (paragraaf 6.3) en een opsomming van de feiten (paragraaf 6.4). Het cassatiemiddel vervolgt met paragrafen 6.5 tot en met 6.12 waarin drie genummerde onderdelen zijn opgenomen. De onderdelen 1 en 2 zijn onderverdeeld in meerdere genummerde subonderdelen. Onderdeel 1 stelt het oordeel van het hof aan de orde dat sprake is van een follow-on vordering en dat Itautec de verjaring van haar vordering tijdig heeft gestuit. Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat ook als uitgegaan zou worden van “unequivocal knowledge” en als sprake zou zijn van een standalone vordering deze niet is verjaard. Onderdeel 3 bevat een voortbouwklacht. Dit betekent dat het cassatieberoep uitsluitend gericht is tegen beslissingen van het hof over het verjaringsverweer, en ertoe strekt om die beslissingen en daarop voortbouwende beslissingen onderuit te halen. Andere inhoudelijke thema’s komen in cassatie niet aan de orde.
Ik merk nu reeds op dat de door onderdelen 1 en 2 bestreden oordelen beide zelfstandig het oordeel van het hof dat het beroep van Samsung c.s. op verjaring niet slaagt, dragen. Voor een succesvol cassatieberoep is het dan ook nodig dat Samsung c.s. beide gronden met succes bestrijden.
Omdat in deze zaak bij de beoordeling van het verjaringsverweer Braziliaans recht is toegepast, zal ik eerst ingaan op de vraag in hoeverre er in cassatie ruimte is om de toepassing van buitenlands recht te beoordelen (randnummers 3.4-3.16). Daarna zal ik ook nog in kaart brengen welke onderzoeken, besluiten en schikkingen in deze kartelzaak en het verjaringsvraagstuk een rol hebben gespeeld, nu deze in de processtukken niet steeds op dezelfde wijze worden aangeduid (randnummers 3.17-3.23). Vervolgens kom ik toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachten (randnummer 3.25 e.v.).
Toetsing buitenlands recht
Uitgangspunt is dat de rechter op grond van art. 10:2 BW ambtshalve het toepasselijke buitenlandse recht moet toepassen. Dit betekent dat de rechter uit eigen beweging en onafhankelijk van de standpunten van partijen onderzoek dient te doen naar het buitenlandse recht, en de inhoud daarvan dient vast te stellen. Ook brengt dit mee dat de rechter het buitenlandse recht niet als feit door procespartijen kan laten bewijzen. Niettemin staat het de rechter vrij om zich bij de vaststelling van de inhoud van buitenlands recht te laten voorlichten door procespartijen (of door getuigen en deskundigen). Gelet op de zelfstandige taak van de rechter is hij aan die voorlichting echter niet gebonden. Wat betreft de uitleg en toepassing van het buitenlandse recht geldt dat deze op dezelfde wijze dient te gebeuren als in het betrokken land geschiedt, met inbegrip van rechtspraak en literatuur en van de aldaar heersende rechtsopvattingen. Het hof heeft één en ander overigens ook in rov. 6.4 van het bestreden arrest vooropgesteld.
De mogelijkheden om een oordeel van de feitenrechter over de uitleg en toepassing van buitenlands recht in cassatie te bestrijden zijn beperkt. Uw Raad mag op grond van art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO een arrest immers niet vernietigen wegens schending van het recht van een vreemde staat. Het is een bewuste keuze van de wetgever geweest om toetsing door Uw Raad aan buitenlands recht niet toe te staan. Daarbij heeft niet alleen een rol gespeeld dat zo’n toetsing een omvangrijke en tijdrovende bezigheid zou zijn en de vrees was dat Uw Raad zwaar zou worden belast, maar ook dat uitspraken van Uw Raad over buitenlands recht geen betekenis hebben voor de vorming van dat recht en evenmin voor de eenheid van dat recht, en uitspraken over de inhoud van buitenlands recht dus niet met het normale gezag kunnen worden gedaan. De juistheid van het oordeel van de feitenrechter over de uitleg en toepassing van buitenlands recht kan in cassatie dus niet ter discussie worden gesteld.
Het voorgaande neemt niet weg dat Uw Raad zo’n oordeel wél – zoals hierna nog zal blijken beperkt – op begrijpelijkheid kan beoordelen en vanwege een motiveringsgebrek kan vernietigen. Aangenomen wordt dat voor het slagen van een dergelijke klacht aan dezelfde eisen moet worden voldaan als voor het slagen van een ‘gewone’ motiveringsklacht. Maar wat betekent dat voor een rechter die buitenlands recht toepast? Allereerst dat die bij de vaststelling en de uitleg van buitenlands recht voldoende inzicht dient te geven in de door hem gevolgde gedachtegang en dat zijn motivering duidelijk en concludent moet zijn. Daarnaast betekent dit dat de rechter niet zonder meer voorbij mag gaan aan door procespartijen ingenomen standpunten ten aanzien van de vaststelling en uitleg van buitenlands recht.
In het algemeen geldt dat hoe uitvoeriger het partijdebat is geweest, des te beter de rechter zijn beslissing zal moeten motiveren. Als een rechter zijn oordeel over de inhoud van buitenlands recht motiveert en daarbij verwijst naar een bepaalde bron, zal de betreffende bron het oordeel over die inhoud ook moet kunnen dragen en dus niet in een geheel andere richting mogen wijzen. Ook zal een rechter, als hij een regel van buitenlands recht op een bepaald punt weergeeft en vervolgens toch een andere (met die weergave strijdige) beslissing neemt, moeten verklaren waarom hij op dat punt een andere beslissing neemt.
Een oordeel over de vaststelling en uitleg van buitenlands recht kan echter, zoals gezegd, ook onvoldoende begrijpelijk zijn als de rechter in zijn motivering onvoldoende is ingegaan op andersluidende essentiële standpunten van partijen. Daarbij kan het gaan om stellingen van partijen zelf, maar bijvoorbeeld ook om door hen (ter onderbouwing van hun standpunt) ingebrachte legal opinions. Zo oordeelde Uw Raad bijvoorbeeld al eens dat het hof niet zonder nadere motivering voorbij mocht gaan aan een door de Raad voor de Kinderbescherming overgelegde brief van de vicepresident van een rechtbank in Gdansk waarin mededeling werd gedaan van een andere inhoud van het Poolse recht dan die door het hof werd vastgesteld.
Hoewel het oordeel van een rechter over de vaststelling en uitleg van buitenlands recht op begrijpelijkheid kan worden getoetst, kent dit wel een belangrijke beperking. Dit houdt ermee verband dat toetsing door Uw Raad aan buitenlands recht niet is toegestaan, terwijl het bij de beoordeling van veel motiveringsklachten toch vaak nodig is om ook de juistheid van het oordeel van de lagere rechter omtrent de inhoud en uitleg van buitenlands recht te beoordelen. Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat zulke motiveringsklachten niet beoordeeld kunnen worden. Voorkomen moet worden dat via motiveringsklachten alsnog verkapte rechtsklachten over buitenlands recht door Uw Raad beoordeeld worden, nu art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO die nu juist beoogt uit te sluiten.
Om wat voor gevallen gaat het wanneer motiveringsklachten niet beoordeeld kunnen worden zonder ook de juistheid van het oordeel van de rechter omtrent de inhoud en de uitleg van het buitenlandse recht te betrekken? Op basis van de rechtspraak van Uw Raad is dat niet eenvoudig te duiden, omdat daarin veelal wordt volstaan met de overweging dat bij de beoordeling van de motiveringsklachten ook de juistheid van het oordeel van de rechter omtrent de inhoud en de uitleg van buitenlandse recht betrokken diende te worden. Ik noem hierna een aantal voorbeelden uit de rechtspraak van Uw Raad:
In het Srebrenica-arrest betrof het motiveringsklachten die zich keerden tegen de beoordeling door het hof van het optreden dat Dutchbat aan de hand van het nationale recht van Bosnië-Herzegovina. Volgens Uw Raad konden dergelijke klachten zich in dit geval niet laten beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof omtrent de inhoud en de uitleg van dat recht te betrekken.
In de Diag/Tsjechië-beschikking ging het om motiveringsklachten gericht tegen de wijze waarop het hof aan de hand van het Tsjechische recht had beoordeeld welke betekenis de Resolution had voor de rechtskracht van een door arbiters gewezen Final Award. Ook ging het om de motiveringsklacht dat het hof had verzuimd acht te slaan op de overige door Diag gestelde omstandigheden die ertoe strekten dat de Resolution niet de rechtskracht aan de Final Award had ontnomen en heeft kunnen ontnemen. Volgens Uw Raad konden dergelijke klachten zich in dit geval niet laten beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof omtrent de inhoud en de uitleg van dat recht te betrekken.
In het Central Bank of Iraq/Siemens-arrest had het hof geoordeeld dat het renteplafond van art. 174 Burgerlijk Wetboek van Irak waarop de Central Bank of Iraq zich had beroepen, op grond van ‘commercial rules and usage’ niet geldt, en werd geklaagd dat het oordeel van het hof berust op een onvoldoende gemotiveerde uitleg en toepassing van de Banking Law van Irak en art. 174 Burgerlijk Wetboek van Irak. Uit de conclusie van A-G Vlas maak ik op dat er onder meer over geklaagd werd dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd was in het licht van de stellingen van Siemens die verwezen naar bronnen waaruit volgt dat de wettelijke rente naar het recht van Irak vanaf een ander moment zou gaan lopen. Hoewel deze klacht lijkt op de gevallen die hiervoor zijn omschreven in het slot van randnummer 3.7, oordeelde Uw Raad dat deze motiveringsklacht zich niet laat beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof omtrent de inhoud en de uitleg van het Iraakse recht te betrekken.
In het Russische Federatie/HVY-arrest betrof het motiveringsklachten tegen de overwegingen van het hof over de vraag of het Russische recht een grondslag biedt voor een vorm van geschilbeslechting zoals in art. 26 Energy Charter Treaty is voorzien. Uw Raad volstond met de overweging dat deze klachten zich niet laten beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof omtrent de inhoud en de uitleg van dat recht te betrekken.
In Krimmusea/Staat Oekraïne en Universiteit van Amsterdam ging het om motiveringsklachten die zich keren tegen de wijze waarop het hof in de bestreden rechtsoverwegingen het Oekraïense recht heeft toegepast. Uit de conclusie van A-G Vlas maak ik op dat onder meer geklaagd werd dat door het hof inhoudelijk niet zou zijn ingegaan op het juridische betoog van de Krimmusea dat de wezenlijke beperking van hun genotsrecht door een ministeriële ‘interne instructie’ naar Oekraïens recht ongeoorloofd en daarom onverbindend is wegens een gebrek aan een formeel wettelijke grondslag. Hoewel ook deze klacht lijkt op de gevallen die hiervoor zijn omschreven in het slot van randnummer 3.7, oordeelde Uw Raad dat de motiveringsklachten, die zich keerden tegen de wijze waarop het hof in de bestreden rechtsoverwegingen het Oekraïense recht heeft toegepast, zich in dit geval niet lieten beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof over de inhoud en de uitleg van dat recht te betrekken.
In Airgas USA/Universal Africa Lines werd geklaagd dat het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd door het beroep dat Airgas heeft gedaan op art. 1304(3) United States Carriage of Goods by Sea Act (hierna: ‘US Cogsa’) niet (kenbaar) in zijn beoordeling te betrekken, terwijl dit wel tot de conclusie kan leiden dat artikel 20 van de cognossementsvoorwaarden nietig is. Omdat het hof dit beroep van Airgas op art. 1304(3) US Cogsa had beoordeeld en had geoordeeld dat artikel 20 van de cognossementsvoorwaarden geldig is, vergde beoordeling van de motiveringsklacht volgens Uw Raad ook een beoordeling van de juistheid van het inhoudelijke oordeel van het hof.
Uit deze rechtspraak kan in ieder geval de conclusie worden getrokken dat Uw Raad vrij snel aanneemt dat het nodig is om bij de beoordeling van een motiveringsklacht ook de juistheid van het oordeel van het hof over buitenlands recht te betrekken. Ook Vermeulen trekt die conclusie, maar levert ook kritiek op deze koers van Uw Raad. Hij betoogt dat het er de schijn van heeft “dat de Hoge Raad in elk geval de laatste jaren een (zeer) terughoudend beleid voert en ook bij volledig legitieme motiveringsklachten als ware het een geconditioneerde reflex wijst op de restrictie van art. 79 lid 1 onder b RO dat vreemd recht in cassatie niet wordt getoetst”. Volgens hem schiet het huidige terughoudende beleid van Uw Raad tekort, en is het de vraag of deze cassatiereserve tegenover vreemd recht het belang van bevestiging en vergroting van het gezag van Uw Raad wel bevordert. Dit belang wordt wat hem betreft juist gediend door het bieden van een behoorlijke rechtsbescherming, waarmee “het buitenland” zijn recht erkend vindt door de hoogste Nederlandse rechter. Het risico op onjuiste uitspraken over buitenlands recht acht hij beheersbaar, en aspecten als kosten en tijdsverloop leggen wat hem betreft onvoldoende gewicht in de schaal. Vermeulen ziet dus meer ruimte om dergelijke oordelen over buitenlands recht in cassatie te toetsen, ook via een meer indringende motiveringscontrole.
Ook Jessurun d’Oliveira heeft betoogd dat Uw Raad oordelen over buitenlands recht (meer) zou moeten kunnen toetsen. Hij heeft echter ook kritiek geuit op het onderscheid dat gemaakt wordt tussen motiveringsklachten die wél en niet beoordeeld kunnen worden (gelet op de restrictie van art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO). Hij richt zich daarbij in het bijzonder op de gevallen waarin Uw Raad een beoordeling van een motiveringsklacht in cassatie wél mogelijk achtte. Zo heeft hij, onder verwijzing naar HR april 2024, ECLI:NL:HR:2024:587, opgemerkt dat, ook in gevallen waarin Uw Raad wél een motiveringsklacht gegrond heeft bevonden (en van niet toegelaten toetsing van de juistheid van het oordeel van het hof over buitenlands recht kennelijk geen sprake was) Uw Raad toch “kennisneemt van de vreemde wetsbepaling en daar een zekere uitleg aan verleent”.
In de door Jessurun d’Oliveira genoemde zaak heeft Uw Raad het volgende geoordeeld:
“3.4.2 Deze klacht slaagt. Het hof heeft in rov. 6.14 van het eindarrest vastgesteld dat art. 923 GBW bepaalt (in de Engelse vertaling): “Whoever has the supervision of a person under age or of a person placed under judicial assistance is liable for the damage that such persons unlawfully cause to a third party, unless he proves that he has exercised properly the duty of supervision or that the damage could not have been avoided” (zie hiervoor in 2.4). In het licht van deze bepaling is onbegrijpelijk de overweging van het hof dat [slachtoffer en moeder], voor zover zij een ander standpunt aan de vordering ten grondslag zouden hebben gelegd, dat standpunt, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [moeder/curator], onvoldoende hebben onderbouwd. Daarmee is het hof immers klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat het op grond van art. 923 GBW aan [slachtoffer en moeder] was om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de mishandeling had kunnen worden voorkomen.”
Volgens Jessurun d’Oliveira kan zonder zelfstandige beoordeling van het buitenlandse recht (in het door hem genoemde voorbeeld ging het om de vraag op wie, op grond van art. 923 Grieks BW, de stelplicht en bewijslast rustte) in die gevallen niet de conclusie worden getrokken dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen die interpretatie en het ‘uitleggende handelen’ van de rechter. Anders gezegd: bij het vaststellen van een tegenstrijdigheid is het óók altijd nodig om het buitenlandse recht te interpreteren. Hij noemt daarom het onderscheid tussen wel en niet toegelaten motiveringsklachten flinterdun. Het instrument van de motiveringsklacht kan een uitlaatklep zijn bij het verbod van toetsing van buitenlands recht door de feitenrechter, welke uitweg beschikbaar is in duidelijke gevallen van tegenstrijdigheid, maar kan, aldus Jessurun d’Oliveira, óók aangedreven en geïnspireerd zijn door ongemak over de materiële uitkomst van het geding. De voorwaarden voor de inzet van het instrument van de motiveringsklacht zijn echter niet helder oftewel een kwestie van beleid, in de woorden van Jessurun d’Oliveira, ‘van nogal freies Ermessen’.
De vraag of Uw Raad ruimte zou moeten hebben om een oordeel van een rechter over de inhoud van buitenlands recht op juistheid te toetsen, heeft de wetgever bewust negatief beantwoord (hiervoor randnummer 3.5). Uitgaande van die keuze – die dus niet zonder kritiek is gebleven – begrijp ik goed dat Uw Raad een terughoudende benadering kiest bij de toetsing van een dergelijk oordeel op begrijpelijkheid. In veel gevallen zal het immers nodig zijn, zoals ook uit het zojuist besproken betoog van Jessurun d’Oliveira blijkt, bij die beoordeling óók de juistheid van het oordeel van de feitenrechter omtrent de inhoud en de uitleg van het buitenlandse recht te betrekken. Hoewel toegegeven moet worden dat het niet altijd eenvoudig is om te bepalen of het om een in cassatie toegestane motiveringsklacht gaat, lijkt het in het licht van de keuze van de wetgever om oordelen over buitenlands recht niet in cassatie te toetsen, nog steeds van belang verkapte rechtsklachten te voorkomen. Gelet daarop ligt een koerswijziging van Uw Raad naar mijn mening niet in de rede.
Het verbaast tegen de achtergrond van het voorgaande niet dat door Samsung c.s. wordt betoogd dat de aangevoerde motiveringsklachten in het licht van de rechtspraak van Uw Raad in cassatie beoordeeld kunnen worden, terwijl door Itautec juist de stelling wordt betrokken dat sprake is van motiveringsklachten waarvan de beoordeling vergt dat ook de juistheid van het oordeel van de rechter omtrent de inhoud en de uitleg van buitenlandse recht bij de beoordeling wordt betrokken. Bij de bespreking van de verschillende klachten zal ik waar nodig afzonderlijke aandacht besteden aan de vraag of beoordeling in cassatie mogelijk is.
Onderzoeken, besluiten en schikkingen
Omdat in deze procedure verschillende onderzoeken, besluiten en beschikkingen voorbijkomen en soms door elkaar lopen, zal ik voordat ik aan een inhoudelijke beoordeling van de klachten toekom eerst een overzicht geven van de onderzoeken, besluiten en schikkingen die in deze cassatiezaak van belang zijn. Een en ander deels in overlap met de hiervoor al weergegeven feiten.
De Europese Commissie heeft een onderzoek ingesteld naar kartels in de sector voor kathodestraalbuizen op de markten voor CPT’s en CDT’s. Dit onderzoek had betrekking op verboden (concurrentiebeperkende) afspraken op de Europese markt. Bij beschikking van 5 december 2012 heeft de Europese Commissie twee afzonderlijke inbreuken vastgesteld op art. 101 VWEU en art. 53 van de EER-Overeenkomst. Ook door andere instanties zijn onderzoeken ingesteld naar het CPT-kartel en het CDT-kartel.
Voor wat betreft de Braziliaanse markt is een onderzoek ingesteld door de Braziliaanse mededingingsautoriteit CADE. Op 12 december 2008 is door Samsung en Samsung Brasil met CADE een clementieovereenkomst gesloten in verband met hun deelname aan beide kartels. Deze clementieovereenkomst wordt in de processtukken ook wel aangeduid als schikking of leniency agreement. In de procesinleiding wordt deze overeenkomst uit 2008 ook wel – enigszins verwarrend – aangeduid als Clementieovereenkomst (2018), omdat deze overeenkomst in 2018 is gepubliceerd.
CADE heeft op 22 maart 2010 inbreukprocedures ingesteld tegen onder meer Samsung, en heeft daarbij verwezen naar Technical Notes. Het besluit daartoe wordt in de processtukken ook wel aangeduid als het CADE-besluit of bericht van de opening van het onderzoek van 22 maart 2010. In de procesinleiding wordt ook wel gesproken van de Openingsbeslissing (2010). De Technical Notes zijn vanaf 2015 digitaal beschikbaar. Voornoemd besluit werd bevestigd door de beslissing van de superintendent van CADE, die op 22 augustus 2022 werd gepubliceerd.
CADE heeft op 11 februari 2015 schikkingsovereenkomsten (ook wel aangeduid als Consent Decrees of TCC’s) gesloten met Philips en LG met betrekking tot hun deelname aan het CPT-kartel en het CDT-kartel en de effecten daarvan op de Braziliaanse markt. Ook daarbij behoorden Technical Notes.
Itautec is vanaf begin 2015 in het onderzoek van CADE betrokken, doordat CADE vragen aan Itautec heeft gesteld.
Op 22 augustus 2018 heeft CADE beslissingen gepubliceerd met betrekking tot het CPT-kartel en het CDT-kartel, waarin hij inbreuken op de Braziliaanse markt heeft vastgesteld. Deze beslissingen worden in de processtukken ook wel, zowel in enkelvoud als in meervoud, aangeduid als eindbeslissing(en) of inbreukbeslissing(en). Als onderdeel van deze Eindbeslissingen (2018) werd, wat Samsung c.s. betreft, een clementieovereenkomst uit 2008 gepubliceerd (die in de procesinleiding wordt aangeduid als Clementieovereenkomst (2018), hiervoor randnummer 3.19).
Hiermee ben ik nu toegekomen aan een bespreking van de klachten.
Onderdeel 1
Onderdeel 1 stelt, als gezegd (randnummer 3.1 hiervoor), het oordeel van het hof aan de orde dat sprake is van een follow-on vordering en dat Itautec de verjaring van haar vordering tijdig heeft gestuit. Het valt uiteen in een drietal subonderdelen (kopjes) waarin de uiteindelijke klachten zijn te vinden. De eerste twee subonderdelen bestaan op hun beurt weer uit verschillende subonderdelen.
Subonderdeel 1.1.1 is gericht tegen rov. 6.16. Volgens het hof is de onderbouwing van Samsung c.s. van hun stelling dat het gaat om een standalone vordering gekunsteld. Het hof heeft in rov. 6.16, die ik hierbij nogmaals citeer, als volgt overwogen:
“6.16 Het hof beschouwt de onderbouwing van Samsung c.s. voor hun stelling dat het gaat om een standalone vordering, als gekunsteld. Volgens Samsung c.s. is uitsluitend sprake van een follow-on vordering als er een beslissing is van CADE waarin een inbreuk is vastgesteld, of een schikkingsovereenkomst (TCC) waarin de desbetreffende onderneming de inbreuk erkent, en de procedure is ingesteld als direct gevolg van (dus na) de beslissing of de overeenkomst. Volgens Samsung c.s. is de vordering van Itautec daarom geen follow-on vordering, want zij is ingesteld vóór de beslissing van CADE waarbij de inbreuk is vastgesteld. Deze redenering zou betekenen dat als Itautec zou hebben gewacht met het instellen van haar vordering tot ná de beslissing van CADE van 22 augustus 2018 waarbij de inbreuk is vastgesteld, de vordering van Itautec tijdig zou zijn ingesteld. Dat een eiser zou moeten wáchten met het instellen van zijn vordering om te voorkomen dat deze verjaart, strookt niet met de vereiste rechtszekerheid die aan de regeling van de verjaring in het Braziliaanse recht ten grondslag ligt. Deze consequentie van de redenering van Samsung c.s. acht het hof dan ook zó onlogisch dat alleen al daarom deze redenering niet kan worden gevolgd. Verder miskennen Samsung c.s. dat de essentie van een follow-on vordering is dat deze is gebaseerd op onderzoek van de mededingingsautoriteit. Dat is bij de vordering van Itautec het geval. Door het moment waarop de vordering is ingesteld als doorslaggevend aan te merken, gaan Samsung c.s. daaraan voorbij.”
Het subonderdeel haakt aan bij het oordeel van het hof dat de redenering van Samsung c.s. zou betekenen dat, als Itautec zou hebben gewacht met het instellen van haar vordering tot ná de eindbeslissingen van CADE van 22 augustus 2018, de vordering van Itautec tijdig zou zijn ingesteld. Volgens het subonderdeel veronderstelt dit oordeel dat door Samsung c.s. is aangevoerd dat Itautec kon en mocht wachten met het instellen van haar vordering tot na de eindbeslissingen van CADE van 22 augustus 2018 en dat de vordering dan niet zou verjaren.
Geklaagd wordt dat dit oordeel, in het licht van stellingen van Samsung c.s. in feitelijke instanties, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Die stellingen van Samsung c.s. houden in dat de vorderingen van Itautec standalone vorderingen zijn en dat de eindbeslissingen van CADE daar geen verandering in kunnen brengen. Standalone vorderingen kunnen naar Braziliaans recht door publicatie van de eindbeslissingen van CADE niet van kleur verschieten, in ieder geval niet als de standalone vordering reeds is verjaard en niet meer bestaat en Itautec geen tweede kans had. Als het hof voornoemde stellingen van Samsung c.s. zo heeft uitgelegd dat een eiser, die bekendheid heeft met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke persoon, mag wachten met het instellen van een vordering totdat CADE een beslissing neemt of een schikking treft, ook al is de vordering op dat moment verjaard, dan heeft het hof zijn oordeel gebaseerd op een onbegrijpelijke uitleg van die feitelijke stellingen, aldus het subonderdeel.
Het subonderdeel stelt via motiveringsklachten in wezen de oordelen van het hof ter discussie dat naar Braziliaans recht óók sprake kan zijn van een follow-on vordering – waarvoor geldt dat de verjaringstermijn gaat lopen vanaf de eindbeslissing van CADE – als de vordering al ruim voor de eindbeslissing van CADE is ingesteld en dat naar Braziliaans recht gewacht kan en mag worden met het instellen van een vordering als later een eindbeslissing van CADE wordt genomen. Ik zie niet goed dat deze motiveringsklachten beoordeeld kunnen worden zonder daarbij de juistheid van het oordeel van het hof omtrent de inhoud en de uitleg van het Braziliaanse recht te betrekken. Dit betekent dat deze motiveringsklachten afstuiten op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO.
Overigens gaan de klachten wat mij betreft niet op.
Wat betreft de eerste hiervoor genoemde klacht (randnummer 3.28 hiervoor) geldt dat het hof het standpunt van Samsung c.s., dat geen sprake kan zijn van een follow-on vordering als de vordering reeds is ingesteld voor een eindbeslissing van CADE (of voor een schikkingsovereenkomst (TCC) waarin de desbetreffende onderneming de inbreuk erkent), wel degelijk in zijn beoordeling heeft betrokken en gemotiveerd heeft verworpen. Het hof heeft immers overwogen dat het de redenering van Samsung c.s. onlogisch vindt, gelet op de omstandigheid dat als Itautec had gewacht met het instellen van een vordering, de vordering tijdig zou zijn ingesteld. Dat is bovendien niet de enige motivering die het hof heeft gegeven. Het heeft namelijk ook van belang geacht dat de essentie van een follow-on vordering is dat deze is gebaseerd op onderzoek van de mededingingsautoriteit, dat dit bij de vordering van Itautec het geval is en dat Samsung c.s. daaraan voorbij zijn gaan door het moment waarop de vordering is ingesteld als doorslaggevend aan te merken. Gelet op die onderbouwing zie ik niet in waarom het oordeel van het hof, in het licht van de stellingen van Samsung c.s., onvoldoende gemotiveerd zou zijn.
Wat betreft de tweede hiervoor genoemde klacht (randnummer 3.28 hiervoor) geldt dat deze is aangevoerd in de veronderstelling dat het hof de stellingen van Samsung c.s. zo heeft uitgelegd dat zij zouden hebben aangevoerd dat Itautec kon en mocht wachten met het instellen van haar vordering tot na de eindbeslissingen van CADE van 22 augustus 2018 en dat de vordering dan niet zou verjaren. Die veronderstelling ligt naar mijn mening niet in het oordeel van het hof besloten. Weliswaar is het hof er inderdaad van uitgegaan dat naar Braziliaans recht gewacht kan worden met het instellen van een vordering, maar dit betekent niet dat het hof dit ook in de stellingen van Samsung c.s. heeft gelezen. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
Het subonderdeel richt ook nog een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat als een eiser zou moeten wachten met het instellen van zijn vordering om te voorkomen dat deze verjaart, sprake is van strijd met de ‘vereiste’ rechtszekerheid die aan de regeling van de verjaring in het Braziliaanse recht ten grondslag ligt. Dit oordeel zou zonder nadere toelichting niet te begrijpen zijn. Daarbij onderkent het subonderdeel dat als het mogelijk is om op de eindbeslissing van de betrokken mededingingsautoriteit of een TCC te wachten, het inderdaad in strijd kan komen met de rechtszekerheid als de eiser zou moeten wachten. Maar als het, zoals door Samsung c.s. is aangevoerd, niet mogelijk is te wachten met het instellen van een vordering, dan brengen de stellingen van Samsung c.s. mee dat het rechtszekerheidsbeginsel de belangen van de gedaagde juist beschermt. Het zou in strijd zijn met de rechtszekerheid als een ingestelde vordering naar Braziliaans recht is verjaard, maar zou herleven omdat een eindbeslissing van de betrokken mededingingsautoriteit of een TCC wordt gepubliceerd.
Ook deze klacht stuit naar mijn mening af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO (hiervoor randnummer 3.29). Bovendien geldt dat de klacht feitelijke grondslag mist. De klacht veronderstelt dat het naar Braziliaans recht niet mogelijk is om te wachten met het instellen van een vordering (zoals door Samsung c.s. is aangevoerd), terwijl het hof er juist van uit is gegaan dat het naar Braziliaans recht wel mogelijk is te wachten met het instellen van een vordering tot door CADE een eindbeslissing is genomen of een schikkingsovereenkomst (TCC) is gesloten. Ook gelet daarop kan de klacht niet slagen.
Subonderdeel 1.1.2 is ook gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.16 dat sprake is van een follow-on vordering. Het klaagt dat de beslissing innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk is in het licht van de door het hof in rov. 6.14 weergegeven definitie van een follow-on vordering: “(…) the victim bases its claim on evidence and decisions produced by the authority responsible for verifying the existence of the cartel.” Uit die definitie volgt logischerwijs dat het bewijs en de beslissingen op grond waarvan een follow-on vordering wordt ingesteld moeten bestaan vóórdat de vordering wordt ingesteld. Immers, op een beslissing die niet bestaat, kan men geen vordering baseren, aldus het subonderdeel.
In het spoor van voorgaand subonderdeel wordt geklaagd dat het hof niet is ingegaan op het betoog van Samsung c.s. dat enkel sprake kan zijn van een follow-on procedure nadat (i) een besluit door CADE wordt genomen waarin een inbreuk is vastgesteld, (ii) een clementieovereenkomst is gepubliceerd in een CADE-inbreukbeslissing of (iii) een schikkingsovereenkomst (TCC) is gesloten waarin de desbetreffende onderneming de inbreuk erkent. Volgens het subonderdeel had het op de weg van het hof gelegen hierop in te gaan, omdat hieruit het tegendeel blijkt van wat het hof heeft geoordeeld in rov. 6.16, en is het oordeel van het hof in het licht van voormelde stellingen zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Ook voor deze motiveringsklachten gelden de beperkingen die art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO met zich brengt. In wezen wordt hier immers ook het oordeel van het hof ter discussie gesteld over de vraag of naar Braziliaans recht sprake is van een follow-on vordering.
Voor zover er wel ruimte is om deze klachten te beoordelen, meen ik dat deze klachten niet kunnen slagen. Het hof heeft gemotiveerd waarom het standpunt van Samsung c.s. – dat de vordering van Itautec geen follow-on vordering is omdat zij is ingesteld vóór de eindbeslissing van CADE waarbij de inbreuk is vastgesteld – niet opgaat. Daarbij heeft het hof betrokken dat de essentie van een follow-on vordering is dat deze gebaseerd is op onderzoek van de mededingingsautoriteit, en dat dit bij de vordering van Itautec het geval is. Van tegenstrijdigheid met de door het hof zelf weergegeven definitie van de term follow-on vordering, die het overigens aan het STJ heeft ontleend, is geen sprake.
Subonderdeel 1.1.3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.19 en 6.20 dat de uitspraken van het STJ in de Sinaasappelsap-zaak niet aan zijn eerdere overwegingen kunnen afdoen. Volgens het hof konden de telers in die zaak hun vorderingen niet baseren op een beslissing van CADE waarin een inbreuk op het kartelverbod was vastgesteld, en waren de vorderingen van de telers daarom geen follow-on vorderingen maar standalone vorderingen. Voor het gemak citeer ik de betreffende rechtsoverwegingen nogmaals (nu met weglating van voetnoten in het bestreden arrest):
“6.19 Aan deze overwegingen doen de uitspraken van het STJ in de Sinaasappelsap-zaak niet af. In de beslissing in speciaal beroep nr. 1.971.316 heeft het STJ de vorderingen tot schadevergoeding die sinaasappeltelers hadden ingesteld tegen producenten van sinaasappelsap aangemerkt als standalone vorderingen, op grond van de overweging dat het gewraakte gedrag van de producenten niet was aangemerkt als de vorming van een kartel door CADE, en dat de producenten een TCC waren aangegaan met CADE onder de voorwaarde dat de procedure zou worden opgeschort. De procedure is uiteindelijk beëindigd omdat de producenten de voorwaarden in de TCC hebben nageleefd. Er was dus geen eindbeslissing waarin het bestaan van een kartel was vastgesteld. De rechter-rapporteur onderbouwde deze beslissing als volgt:
“However the present case (...) is of a standalone action, since the cause of the action is not the formation of the cartel.
Indeed, in the case being judged, there is neither a decision by CADE recognizing the existence of a cartel, nor a confession by the appellee company with respect to this fact.
In the case under examination, the ordinary decisions inform that the defendant company executed a Consent Decree with the investigating administrative authority as condition for the suspension of the administrative filed against it, which would have been subsequently extinct in view of compliance with the obligations proceedings stipulated in that instrument.
Therefore, as I understand it, the beginning of the statutory period in such events cannot be the date of the convicting decision issued by CADE, simply because there is no such convicting decision”.
Samsung c.s. verwijzen ook tevergeefs naar een andere uitspraak in de Sinaasappelsap- zaak, in speciaal beroep nr. 2424934. Ook uit de samenvatting van die beslissing blijkt het verschil tussen de Sinaasappelsap-zaak en de onderhavige zaak (“Final CADE decision did not declare the cartel existence, nor did the defendant confess but merely executed the Consent Decree”). In de Sinaasappelsap-zaak konden de telers hun vorderingen dus niet baseren op een beslissing van CADE waarin een inbreuk op het kartelverbod was vastgesteld. De vorderingen van de telers waren daarom geen follow-on maar standalone vorderingen.”
Het subonderdeel klaagt dat deze overwegingen onbegrijpelijk zijn, althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen van Samsung c.s. in feitelijke instanties. Door Samsung c.s. is aangevoerd dat op het moment dat in de onderhavige zaak de vorderingen werden ingesteld nog geen sprake was van een eindbeslissing van CADE, waardoor de vorderingen dus niet zijn ingediend naar aanleiding van, of volgend op, de eindbeslissingen uit 2018 of enige TCC waarin schuld wordt erkend. Ook is aangevoerd dat het hier gaat om een op zichzelf staande vordering die volledig losstaat van het latere CADE-besluit. In zoverre zou de onderhavige zaak dus weldegelijk overeenkomen met de genoemde Sinaasappelsap-zaak en is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Net als bij de voorgaande subonderdelen, wordt met deze motiveringsklacht in wezen het oordeel van het hof ter discussie gesteld of naar Braziliaans recht sprake is van een follow-on vordering. Ook voor deze klacht geldt daarom dat deze afstuit op de beperkingen die art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO met zich brengt.
Overigens geldt, zoals hiervoor in randnummer 3.31 al is opgemerkt, dat het hof het standpunt van Samsung c.s., dat alleen sprake kan zijn van een follow-on vordering als al een eindbeslissing door CADE is genomen waarin de inbreuk is vastgesteld, gemotiveerd heeft verworpen. Naar het oordeel van het hof kan naar Braziliaans recht óók sprake zijn van een follow-on vordering als de vordering al voor de eindbeslissing van CADE is ingesteld. In dat licht is het oordeel van het hof, dat uitspraken van het STJ in de Sinaasappelsap-zaak niet aan zijn eerdere overwegingen kunnen afdoen, niet onbegrijpelijk. Het verschil tussen de Sinaasappelsap-zaak en de onderhavige zaak is immers, zoals het hof ook heeft vastgesteld, dat in de Sinaasappelsap-zaak de telers hun vorderingen niet konden baseren op een beslissing van CADE waarin een inbreuk op het kartelverbod was vastgesteld, terwijl de vordering van Itautec wél is gevolgd door een eindbeslissing van CADE waarin een inbreuk werd vastgesteld.
Subonderdeel 1.2.1 is gericht tegen rov. 6.17, waar het hof de stelling van Samsung c.s. heeft verworpen dat de TCC’s van Philips en LG niet als aanknopingspunt voor een follow-on vordering kunnen worden gezien. Geklaagd wordt dat het hof niet, althans niet voldoende begrijpelijk, is ingegaan op de essentiële stelling van Samsung c.s. dat de TCC’s uit 2015 en de daarbij behorende Technical Notes geen basis kunnen zijn voor een follow-on vordering jegens Samsung c.s., omdat Samsung c.s. geen partij zijn bij de TCC’s en deze ook geen derdenwerking hebben. Samsung c.s. wijzen daarbij ook op de stellingen dat een TCC slechts een bilaterale overeenkomst tussen CADE en de bewuste onderneming is, dat een TCC onder Braziliaans recht geen erga omnes werking heeft en slechts tussen partijen werkt, dat ook uit de Braziliaanse rechtspraak niet blijkt dat het mogelijk is dat derden worden gebonden aan een TCC en dat Itautec dat ook niet heeft aangevoerd.
Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof ook onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat uit de tekst van de TCC’s volgt dat deze geen derdenwerking hebben en uit het door het hof in rov. 6.19 aangehaalde citaat van de Sinaasappelsap-zaak van het STJ (“confession by the appellee company”) volgt dat van een follow-on vordering slechts sprake kan zijn als de TCC met Samsung c.s. is gesloten.
Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat Samsung c.s. wél te beschouwen zijn als “appellee company”, klaagt het subonderdeel er nog over dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van het betoog van Samsung c.s. dat zij niet zijn aan te merken als “appellee company”, en dat het hof in strijd met art. 24 en 149 Rv buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden nu dit niet door Itautec is aangevoerd. Volgens het subonderdeel ligt in rov. 6.16 en 6.17 geen begrijpelijke motivering van de verwerping van het standpunt van Samsung c.s. besloten.
Deze klachten kunnen naar mijn mening niet slagen. Het oordeel van het hof dat de vordering van Itautec moet worden aangemerkt als een follow-on vordering is namelijk niet uitsluitend gebaseerd op het oordeel van het hof in rov. 6.17 dat de TCC’s van Philips en LG als aanknopingspunt voor een follow-on vordering kunnen worden gezien. Sterker nog, de andere overwegingen van het hof in rov. 6.15 en 6.16 dragen naar mijn mening reeds zelfstandig het oordeel dat sprake is van een follow-on vordering, zodat niet van belang is in hoeverre het hof is ingegaan op de stellingen van Samsung c.s. dat zij geen partij zijn bij de TCC’s (en niet zijn te beschouwen als “appellee company”) en deze geen derdenwerking hebben. Het hof heeft in rov. 6.15 immers van belang geacht dat de vordering is gebaseerd op bewijs en beslissingen van CADE en is ingesteld naar aanleiding van “het onderzoek van CADE”. En in rov. 6.16 heeft het hof geoordeeld dat hoewel er op het moment van het instellen van de vordering in 2015 nog geen eindbeslissing van CADE was waarin een inbreuk werd vastgesteld, of een schikkingsovereenkomst (TCC) met Samsung c.s. waarin de desbetreffende onderneming(en) de inbreuk erkent (erkennen), niettemin sprake was van een follow-on vordering. Samsung c.s. hebben gelet hierop geen belang bij deze klachten.
Bovendien wordt met deze motiveringsklachten in wezen het oordeel van het hof ter discussie gesteld dat naar Braziliaans recht de TCC’s van LG en Philips een aanknopingspunt kunnen bieden voor een follow-on vordering. Ook voor deze klachten geldt dus dat deze afstuiten op de beperkingen die art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO met zich brengt.
Inhoudelijk merk ik nog op dat het hof slechts heeft geoordeeld dat ten aanzien van Philips en LG de inbreuk een gegeven is, en dat de TCC’s van LG en Philips een erkenning inhielden van een inbreuk, waarbij ook Samsung c.s. betrokken waren. In zoverre kunnen de TCC’s ook (vrij) bewijs opleveren in de verhouding tot Samsung c.s. Ik lees hierin niet dat het hof geoordeeld heeft dat Samsung c.s. partij waren bij de TCC’s van LG en Philips, dat de TCC’s derdenwerking hadden in die zin dat Samsung c.s. ook aan de erkenning van LG of Philips gebonden waren, of dat Samsung c.s. zijn aan te merken als de “appellee company”. De klachten missen in zoverre dan ook feitelijke grondslag.
Subonderdeel 1.2.2 klaagt dat als in het oordeel van het hof besloten ligt dat een TCC naar Braziliaans recht ook als aanknopingspunt voor een follow-on vordering kan worden gezien jegens derden die geen partij zijn bij die overeenkomst, het hof heeft miskend dat deze regel van Braziliaans recht, althans de toepassing daarvan, terzijde moet worden gesteld omdat deze onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Een dergelijke regel, althans de toepassing daarvan door het hof is volgens het subonderdeel in strijd met fundamentele rechtsbeginselen, waaronder het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM), de contractsvrijheid en de partijautonomie, alsook het recht op ongestoord genot van eigendom (art. 1 EP EVRM).
Ook deze klacht kan niet slagen gelet op hetgeen ik hiervoor in randnummers 3.46 tot en met 3.48 heb opgemerkt.
Inhoudelijk merk ik nog op dat het hof met zijn oordeel dat de TCC’s van Philips en LG uit 2015 als aanknopingspunt voor de follow-on vordering kunnen worden gezien, dus niet heeft geoordeeld dat die TCC’s derdenwerking hebben (hiervoor randnummer 3.48). Ook volgt hieruit niet dat de follow-on vordering is aangenomen op grond van die TCC’s. Het hof heeft slechts geoordeeld dat de TCC’s als aanknopingspunt voor een follow-on vordering kunnen worden gezien, waarmee niet meer gezegd is dan dat aan de TCC’s enige betekenis toekomt (in het kader van verjaring). Dat is niet onbegrijpelijk gelet op de omstandigheid dat (in ieder geval in 2018 bleek dat) ook Samsung bij het kartel betrokken was. Uiteindelijk heeft het hof de eindbeslissing van CADE van 22 augustus 2018, waarin hij zijn beslissing in de CPT- en CDT-kartels bekend maakte (rov. 6.16), van doorslaggevend belang geacht. Volgens het hof is vanaf dat moment de verjaringstermijn gaan lopen (rov. 6.18).
Overigens zie ik niet in waarom het in strijd zou zijn met de genoemde fundamentele rechtsbeginselen dat de door LG en Philips ten aanzien van een kartel gesloten TCC’s als aanknopingspunt worden genomen voor een follow-on vordering, als ook uit andere omstandigheden blijkt dat Samsung (mogelijk) bij dat kartel betrokken waren (zie hierna ook randnummer 3.55).
Subonderdeel 1.2.3 richt zich tegen de verwerping door het hof van het argument van Samsung c.s., dat als de TCC’s uit 2015 al een erkenning van een inbreuk zouden inhouden, die erkenning alleen betrekking heeft op het handelen van Philips en LG, en niet op dat van Samsung c.s. Het hof heeft in rov. 6.17 overwogen dat dit argument niet opgaat, omdat de TCC’s uit 2015 een erkenning inhielden van een inbreuk waarbij ook Samsung c.s. betrokken waren, waarbij het hof heeft verwezen naar de opinie van [deskundige 3] .
Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de gedingstukken. Volgens het subonderdeel wordt het argument van Samsung c.s. hiermee niet voldoende begrijpelijk verworpen. Uit de TCC’s uit 2015 en de bijbehorende Technical Notes zou, nu Samsung c.s. daarin niet worden genoemd, niet volgen dat Samsung c.s. bij de kartels betrokken waren en inbreuk maakten op het Braziliaans mededingingsrecht. Dat dit wel uit de TCC’s kon worden opgemaakt, volgt volgens het subonderdeel ook niet uit de passages uit de opinie van [deskundige 3] , en evenmin uit de passages uit de eindbeslissing van CADE uit 2018, waarnaar het hof heeft verwezen. Daarin wordt juist bevestigd dat de betrokkenheid van Samsung c.s. bij de kartels pas in 2018 bij “CADE’s final decision” (de eindbeslissing) is vastgesteld en dus niet al in de TCC’s.
Ook deze klacht kan niet slagen gelet op hetgeen ik hiervoor in randnummer 3.46 e.v. heb opgemerkt. Bovendien mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat alleen uit de TCC’s uit 2015 en de bijbehorende Technical Notes volgt dat Samsung c.s. bij de kartels betrokken waren. Het heeft immers óók verwezen naar de opinie van [deskundige 3] , waarin wordt verwezen naar de eindbeslissing van CADE uit 2018, en op basis daarvan de conclusie getrokken dat Samsung c.s. ook bij de kartels betrokken waren. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de TCC’s van LG en Philips als aanknopingspunt voor een follow-on vordering kunnen worden gezien. Dat de betrokkenheid van Samsung c.s. pas in 2018 door de eindbeslissing van CADE (en publicatie in dat jaar van de clementieovereenkomst uit 2008) is vastgesteld, doet hieraan niet af.
In lijn met het voorgaande betoogt het subonderdeel tevens dat het oordeel van het hof in rov. 6.25 en 6.28, dat het eerste aanvangsmoment voor de verjaring van een standalone vordering zou kunnen zijn de bekendmaking van de TCC’s met Philips en LG in februari 2015, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Nu uit de TCC’s en de Technical Notes niet blijkt van betrokkenheid van Samsung c.s. bij de kartels, kan uit de TCC’s onmogelijk bekendheid met de aansprakelijke persoon blijken en ook niet met de onrechtmatige daad en de schade. De TCC’s en de Technical Notes zouden de verjaringstermijn dus niet hebben kunnen doen aanvangen, aldus het subonderdeel.
De klacht is dus gericht tegen het oordeel van het hof dat als de vorderingen van Itautec als standalone vorderingen zouden moeten worden aangemerkt, bekendmaking van de TCC’s een aanvangsmoment van de verjaring kan zijn. Het hof acht niet alleen die bekendmaking van belang, maar ook dat het moment van bekendmaking ook het moment is waarop Itautec in het onderzoek van CADE is betrokken, doordat CADE vragen aan Itautec heeft gesteld. Dat hieruit volgens het hof voldoende bekendheid kan voortvloeien (het hof heeft niet geoordeeld dat hieruit daadwerkelijk voldoende bekendheid voortvloeit) is niet onbegrijpelijk, ook als Samsung c.s. niet met zoveel woorden in de TCC’s en Technical Notes zijn genoemd. Ook deze klacht kan dus niet slagen.
Subonderdeel 1.3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.15 dat de vordering van Itautec onmiskenbaar een follow-on vordering is, omdat deze is gebaseerd op “bewijs en beslissingen van CADE” en dat Itautec de vordering heeft ingesteld naar aanleiding van “het onderzoek van CADE”.
Volgens het subonderdeel kan dit oordeel vanwege het slagen van een of meer van de klachten van subonderdelen 1.1 en 1.2 niet in stand blijven. Voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op andere stukken van CADE dan de eindbeslissing uit 2018 en de TCC’s en/of de Technical Notes uit 2015, klaagt het subonderdeel dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat het op die andere documenten van CADE niet kenbaar is ingegaan.
Indien het hof zijn oordeel dat sprake is van een follow-on vordering heeft gebaseerd op de openingsbeslissing van CADE van 22 maart 2010 (inzake de opening van het onderzoek, hiervoor randnummer 3.20) en/of de Technical Notes uit 2010, dan is hof daarmee volgens het subonderdeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Itautec heeft immers niet op basis van die documenten betoogd dat sprake was van een follow-on vordering. Bovendien zou dit oordeel innerlijk tegenstrijdig zijn met de weergave door het hof van de rechtspraak van het STJ waaruit volgt dat sprake moet zijn van ‘evidence’ van CADE dan wel ‘onderzoek’, waarvan nog geen sprake was op het moment dat het onderzoek in 2010 werd geopend.
Voor zover het oordeel van het hof dat sprake is van een follow-on vordering gebaseerd is op de clementieovereenkomst die in 2018 is gepubliceerd, is dat oordeel in de woorden van het subonderdeel om dezelfde redenen als uiteengezet in de voorgaande subonderdelen onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Nu aan het slot wordt opgemerkt dat voor de clementieovereenkomst, die is gepubliceerd na de eindbeslissing, mutatis mutandis hetzelfde geldt als voor de eindbeslissing wordt daarmee kennelijk gedoeld op de klachten die betrekking hebben op de eindbeslissing.
Het subonderdeel gaat ervan uit dat het oordeel van het hof dat sprake is van een follow-on vordering gebaseerd is op andere stukken van CADE dan de eindbeslissing uit 2018 en de TCC’s en/of de Technical Notes, waaronder de openingsbeslissing van CADE en bijbehorende Technical Notes uit 2010, en de in 2018 gepubliceerde clementieovereenkomst. Uit de betrokken rechtsoverwegingen valt niet af te leiden dat het hof zijn beslissing, dat sprake was van een follow-on vordering, op andere stukken heeft gebaseerd of dat het hof bij zijn beslissing die stukken impliciet heeft meegenomen. Deze klacht mist dan ook feitelijke grondslag.
Het voorgaande betekent dat de klachten van onderdeel 1 niet slagen. Omdat onderdeel 1 en onderdeel 2 ieder gericht zijn tegen een oordeel dat de slotsom van het hof dat de vordering van Itautec niet is verjaard zelfstandig kan dragen (hiervoor randnummer 3.2), hebben Samsung c.s. geen belang bij onderdeel 2. Niettemin zal ik hierna ingaan op onderdeel 2.
Onderdeel 2
Onderdeel 2 richt zich, als gezegd (randnummer 3.1 hiervoor), tegen het oordeel van het hof dat ook als sprake zou zijn van een standalone vordering deze niet is verjaard. Het valt uiteen in een drietal subonderdelen (kopjes) waarin de uiteindelijke klachten zijn te vinden. Het tweede subonderdeel bestaat op zijn beurt weer uit verschillende subonderdelen.
Subonderdeel 2.1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.25 en 6.28 dat als de vordering van Itautec een standalone vordering zou zijn, de verjaringstermijn (van de standalone vordering) pas aanving met de publicatie van de TCC’s in 2015. Geklaagd wordt dat dit oordeel om de redenen vermeld in subonderdeel 1.2 niet in stand kan blijven. Onder verwijzing naar subonderdeel 1.2.1 wordt geklaagd dat het hof niet is ingegaan op de essentiële stelling dat de TCC’s uit 2015 Samsung c.s. niet binden en hieruit onmogelijk bekendheid met de aansprakelijke persoon kan blijken. Daarnaast wordt onder verwijzing naar subonderdeel 1.2.2 geklaagd dat het oordeel van het hof onjuist is, omdat de openbare orde zich ertegen verzet dat een verjaringstermijn aanvangt tegen een (rechts)persoon op basis van een overeenkomst waarbij die geen partij is.
Gelet op hetgeen ik hiervoor ten aanzien van subonderdeel 1.2 heb uiteengezet kan deze klacht niet slagen.
Subonderdeel 2.2.1 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 6.23 dat Samsung c.s. in hoger beroep niet zijn ingegaan op de overweging van de rechtbank in het tweede tussenvonnis dat een drietal persberichten slechts zeer algemene informatie over de (uitkomsten van) onderzoeken van de desbetreffende mededingingsautoriteiten bevatten, op grond waarvan geen bekendheid van Itautec kan worden verondersteld met betrekking tot een onrechtmatige daad naar Braziliaans recht en daardoor veroorzaakte schade.
Geklaagd wordt dat het oordeel, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is doordat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op essentiële stellingen van Samsung c.s. en het hof is uitgegaan van een onbegrijpelijke lezing van de memorie van grieven van Samsung c.s. Het subonderdeel wijst in dat kader op het betoog van Samsung c.s. onder randnummers 90. tot en met 100. van de memorie van grieven, waarin Samsung c.s. onder meer hebben gesteld dat het oordeel van de rechtbank onjuist is i) omdat van een prudent en geïnformeerde commerciële onderneming zoals Itautec verwacht mag worden dat zij het nieuws uit de markt waarin zij haar activiteiten verricht volgt, en dus bekend is met de persberichten, en ii) omdat in de persberichten wordt gesproken over een ‘worldwide conspiracy’ en ‘wereldwijde’ afspraken over prijs en productie en omdat het gaat om een bericht van de Braziliaanse mededingingsautoriteit CADE en in de Valor Economico, de grootste Braziliaanse krant.
Op de door Samsung c.s. genoemde vindplaatsen is allereerst verwezen naar de memorie van grieven, randnummers 91. tot en met 93. Op die plek hebben Samsung c.s. aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank, dat drie persberichten van buitenlandse mededingingsautoriteiten slechts zeer algemene informatie over de (uitkomsten van) onderzoeken van de buitenlandse mededingingsautoriteiten bevatten, onbegrijpelijk en onjuist is. Samsung c.s. hebben vervolgens gesteld dat Itautec als grote onderneming met specialistische kennis geacht moet worden bekend te zijn met de persberichten, en dat in de persberichten gesproken wordt van een worldwide conspiracy. Vervolgens zijn Samsung c.s. vooral ingegaan op andere berichten dan de drie persberichten van buitenlandse mededingingsautoriteiten, namelijk van de Braziliaanse mededingingsautoriteit CADE en in de Valor Economico, de grootste Braziliaanse krant. Ook hebben Samsung c.s. nog verwezen naar stellingen in hun nadere memorie, pleitaantekeningen in hoger beroep en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep. Daar hebben Samsung c.s. niet bestreden dat de drie genoemde persberichten van buitenlandse mededingingsautoriteiten – kort gezegd – slechts zeer algemene informatie bevatten. Op die vindplaatsen is wel het betoog te lezen dat de (pers)berichten van de Braziliaanse mededingingsautoriteit CADE en in de Valor Economico meebrengen dat Itautec bekend was met de aspecten die van belang zijn voor de aanvang van de verjaringstermijn.
Hoewel Samsung c.s. in de memorie van grieven hebben aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank onjuist en onbegrijpelijk is, volgt uit de aangevoerde stellingen niet dat zij gemotiveerd het oordeel van de rechtbank hebben bestreden dat de drie persberichten slechts zeer algemene informatie over de (uitkomsten van) onderzoeken van de desbetreffende mededingingsautoriteiten bevatten, en dat op grond daarvan geen bekendheid van Itautec kan worden verondersteld met betrekking tot een onrechtmatige daad naar Braziliaans recht en daardoor veroorzaakte schade. Met de wel door Samsung c.s. ingenomen stellingen, dat Itautec als grote onderneming met specialistische kennis geacht moet worden bekend te zijn met de persberichten, en dat in de persberichten gesproken wordt van een worldwide conspiracy, wordt het oordeel van de rechtbank dat de persberichten slechts zeer algemene informatie bevatten immers niet gemotiveerd bestreden. Dit verweer van Samsung c.s. houdt in dat Itautec geacht moet worden bekend te zijn met de persberichten en dat daarin gesproken wordt van een worldwide conspiracy, maar zegt niets over de vraag of de persberichten algemene informatie bevatten. Samsung c.s. zijn in hun verweer vooral ingegaan op andere berichten (die van de Braziliaanse mededingingsautoriteit CADE en in de Valor Economico), waaruit de voor aanvang van de verjaringstermijn vereiste bekendheid zou volgen. Gelet op het voorgaande is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat Samsung c.s. in hoger beroep niet zijn ingegaan op de overweging van de rechtbank ten aanzien van de inhoud van de drie persberichten. De klacht faalt dus.
Naast het voorgaande geldt nog dat de vraag wanneer sprake is van de voor de aanvang van de verjaringstermijn vereiste bekendheid naar Braziliaans recht beoordeeld dient te worden. Eén en ander betekent dat in cassatie al snel aangelopen wordt tegen de beperkingen die art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO met zich brengt.
Volgens subonderdeel 2.2.2 ligt in rov. 6.28 ook geen begrijpelijke verwerping van het betoog van Samsung c.s. in randnummers 90. tot en met 100. van de memorie van grieven besloten. Daarbij gaat het kennelijk om het oordeel van het hof in rov. 6.28 dat in het midden kan blijven of bij de vaststelling van bekendheid moet worden uitgegaan van de positie van de eiser of van een ‘gemiddelde persoon’. Het hof heeft overwogen dat uitgaande van een ‘gemiddelde persoon’ de vordering van Itautec niet is verjaard, zelfs als de vordering moet worden gezien als een standalone vordering, omdat geen bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke persoon kan worden verondersteld op basis van de beperkte informatie in de persberichten genoemd door Samsung c.s. of het bericht van CADE inzake de opening van het onderzoek.
Vervolgens wordt in het subonderdeel geklaagd, althans zo begrijp ik, dat dit oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, gelet op het betoog van Samsung c.s. onder randnummers 90. tot en met 100. van de memorie van grieven, en meer in het bijzonder gelet op het betoog van Samsung c.s. “dat een ‘gemiddeld persoon’ niet ‘in abstracto’ kan worden beoordeeld, maar moet worden bepaald aan de hand van wat een ‘gemiddeld persoon’ zou vinden” en dat in dit geval die gemiddelde persoon een grote commerciële onderneming met specialistische kennis van de markt is waarvan als prudent en geïnformeerde commerciële onderneming mag worden verwacht dat zij het nieuws uit de markt waarin zij haar activiteiten verricht volgt en van haar dus mag worden verwacht dat zij bekend is met de drie persberichten. Volgens het subonderdeel heeft het hof in rov. 6.28 niet verduidelijkt wat het onder een ‘gemiddeld persoon’ verstaat, en of het hieronder ook verstaat ‘een grote commerciële onderneming met specialistische kennis van de markt’.
Het hof heeft in rov. 6.8 het verweer van Samsung c.s. ten aanzien van het aanvangsmoment van de verjaring van een standalone vordering als volgt weergegeven:
“(…) Subsidiair betogen Samsung c.s. dat als enige vorm van bekendheid met het schadeveroorzakende feit vereist zou zijn, het dan gaat om objectieve bekendheid. Daarvan is sprake als de ‘gemiddelde persoon’ bekend moet worden geacht met schadeveroorzakende feit. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van die bekendheid rusten volgens Samsung c.s. op de benadeelde.”
Waar het hof vervolgens in rov. 6.28 de term ‘gemiddeld persoon’ heeft gehanteerd, heeft het daarmee kennelijk gedoeld op het betoog van Samsung c.s. dat de ‘gemiddelde persoon’ een grote commerciële onderneming betreft. De beperkte informatie in de perspublicaties (waaronder dus ook de drie persberichten) heeft het hof, net als overigens de rechtbank, onvoldoende geacht om ook in dat geval bekendheid aan te nemen. Dit veronderstelt dus ook dat Itautec kennis heeft genomen van de drie persberichten. Van een verwerping van het betoog van Samsung c.s. dat van Itautec als grote onderneming verwacht mocht worden dat zij bekend was met de drie persberichten is dus geen sprake. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.
Overigens geldt hier ook hetgeen ik hiervoor in randnummer 3.71 heb opgemerkt ten aanzien van art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO.
Volgens subonderdeel 2.2.3 ligt in rov. 6.24 evenmin een begrijpelijke verwerping van het betoog van Samsung c.s. in randnummers 90. tot en met 100. van de memorie van grieven besloten. In rov. 6.24 heeft het hof overwogen dat Samsung c.s. in het vervolg van de procedure niet meer op de persberichten zijn teruggekomen, en dat zij hebben gesteld dat de verjaring is aangevangen met de publicatie van het CADE-besluit tot het openen van de inbreukprocedure in de Braziliaanse Staatscourant van 22 maart 2010, dan wel met een artikel in de Braziliaanse krant Valor Economico van 28 februari 2012 waarin over het onderzoek van CADE werd bericht.
Vervolgens klaagt het subonderdeel dat, voor zover in het oordeel van het hof in rov. 6.24 besloten ligt dat Samsung c.s. daarmee hun standpunt omtrent de persberichten hebben prijsgegeven, dit oordeel onjuist is, althans berust op een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken. Het hof zou hebben miskend dat voor het prijsgeven van een grief, stelling of verweer vereist is dat een dergelijke afstand ondubbelzinnig is. En het hof zou zijn oordeel in ieder geval onvoldoende hebben gemotiveerd om dit controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Bovendien zou het oordeel onbegrijpelijk zijn, omdat Samsung c.s. ook na indiening van de memorie van grieven hebben betoogd dat de verjaringstermijn eerder aanving dan Itautec heeft gesteld in het licht van de berichten daarover in de internationale pers.
Ook deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat Samsung c.s. hun standpunt omtrent de persberichten hebben prijsgegeven. Het hof heeft slechts geconstateerd dat Samsung c.s. in hoger beroep verder niets meer over de drie persberichten hebben gesteld (ter bestrijding van het oordeel van de rechtbank dat deze persberichten slechts algemene informatie bevatten), en dat Samsung c.s. zich in hoger beroep in het bijzonder op het standpunt hebben gesteld dat de verjaring is aangevangen met de publicatie van het CADE-besluit dan wel met het artikel in de Valor Economico. Dat het hof niet geoordeeld heeft dat Samsung c.s. hun standpunt hebben prijsgegeven, volgt ook uit de omstandigheid dat het hof in het vervolg van zijn arrest in rov. 6.28 ‘de persberichten’ in zijn beoordeling heeft betrokken. De klacht faalt.
Ook klaagt het subonderdeel over het oordeel van het hof in rov. 6.24 dat de parallel die Samsung c.s. trekken met het oordeel van het STJ in de Sinaasappelsap-zaak (speciaal beroep nr. 2424934) niet opgaat, omdat – kort gezegd – de feiten in die zaak anders liggen. Dit oordeel van het hof houdt in dat de telers al bij de verkoop van hun sinaasappels bekend waren met de onrechtmatige daad (de te lage inkoopprijzen van de producenten) en de schade die zij daardoor leden (de verlieslatende verkoop van hun sinaasappels), en dat het onderzoek van CADE bovendien naar aanleiding van klachten van de telers ingesteld. In het onderhavige geval heeft Itautec volgens het hof uit het bericht van CADE uit 2010 inzake de opening van het onderzoek niet kunnen afleiden dat zij schade heeft geleden, en is het bericht in de krant Valor Economico onjuist en overigens zo beperkt dat op grond daarvan geen bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke persoon kan worden verondersteld.
Dit oordeel zou zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn, gelet op de door Samsung c.s. ingenomen stellingen. Samsung c.s. verwijzen daarbij allereerst naar het betoog van Samsung c.s. in randnummers 90. tot en met 100. van de memorie van grieven en de stelling dat de positie van Itautec niet te vergelijken is met die van de ‘kleine sinaasappelproducenten’ in die zaak. Ook verwijzen Samsung c.s. naar hun stellingen dat zij hebben aangevoerd dat in de openingsbeslissing van CADE van 22 maart 2010 (inzake de opening van het onderzoek, hiervoor randnummer 3.20) de constitutieve elementen van de vorderingen staan vermeld, namelijk wie en wat werd onderzocht, en dat hieruit ook de mogelijkheid van schade blijkt, en dat door deze beslissing in combinatie met de internationale persberichten Itautec als professionele onderneming, bekend werd met de schade, de aansprakelijke persoon en de onrechtmatige daad en de vorderingen toen had kunnen en moeten instellen.
Het hof is ervan uitgegaan dat de positie van Itautec niet te vergelijken is met die van de kleine sinaasappelproducenten, nu het hof heeft aangenomen dat de omstandigheden in de onderhavige zaak anders liggen. Het is niet zo dat het hof voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat Itautec, anders dan de kleine sinaasappelproducenten, een grote onderneming is, gelet op hetgeen ik hiervoor bij subonderdeel 2.2.2 heb opgemerkt. Daarnaast valt volgens het hof uit het bericht van de opening van het onderzoek van 22 maart 2010 weinig op te maken, en kon Itautec daaruit niet afleiden dat zij schade had geleden. Ook het bericht in de krant Valor Economico was volgens het hof zo beperkt dat op grond daarvan evenmin bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden verondersteld. Dat betreft een feitelijke beoordeling door het hof.
Overigens geldt ook voor dit subonderdeel dat beoordeling van de klachten een beoordeling vergt van de juistheid van het oordeel van het hof naar Braziliaans recht op het punt van de vraag wanneer sprake is van de voor de aanvang van de verjaringstermijn vereiste bekendheid.
Subonderdeel 2.2.4 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 6.24 dat de informatie in de perspublicatie in de Valor Economico deels onjuist is (het onderzoek had geen betrekking op CRT’s (“Cathode Ray Tubes”), maar op CPT’s (“Colour Picture Tubes”)) en overigens zo beperkt is dat op grond daarvan evenmin bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden verondersteld.
Volgens het subonderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk en tegenstrijdig met de vaststellingen in rov. 3.1 en 3.2, omdat volgens de eigen definitie van het hof CRT’s zowel CPT’s als CDT’s (“Colour Display Tubes”) omvatten. Bovendien zou niet in te zien zijn dat met de in het persbericht genoemde ‘cathode ray tubes’ (CRT’s) en ‘tubes for color displays’ iets anders is bedoeld dan kathodestraalbuizen voor computerschermen (CDT’s). Ook zou niet voldoende gemotiveerd zijn waarom die verschillen van zodanige aard waren dat zij de conclusie van het hof rechtvaardigen dat het persbericht zo beperkt was dat daaruit – al dan niet in samenhang met de openingsbeslissing van CADE van 22 maart 2010 (inzake de opening van het onderzoek, hiervoor randnummer 3.20) en de Technical Notes – evenmin bekendheid met de onrechtmatige daad, schade en aansprakelijke persoon kon worden verondersteld.
Ook klaagt het subonderdeel dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van het feit dat in het artikel in de Valor Economico wordt vermeld dat Samsung c.s. betrokken zijn, dat bedrijven in Brazilië die door het kartel zijn benadeeld om schadevergoeding kunnen vragen en dat gelaedeerden wordt aangeraden de aldaar genoemde partij(en) op te roepen en op de hoogte te stellen van een mogelijke claim. In ieder geval zouden de bestreden overwegingen van het hof geen voldoende gemotiveerde respons zijn op het betoog van Samsung c.s., dat Itautec als professionele onderneming op grond van het artikel in de Valor Economico (in combinatie met andere internationale persberichten) bekend werd met de schade, aansprakelijke persoon, en onrechtmatige daad om een vordering te kunnen instellen.
In de Nederlandse vertaling van het overgelegde artikel in de Valor Economico is ten aanzien van de CRT’s, CPT’s en CDT’s onder meer het volgende vermeld:
“In de sector computerbuizen onderzoekt SDE twee verschillende kartels: een betreffende de verkoop van glazen componenten voor kathodestraalbuizen (CRT’s) en het andere van buizen voor kleurendisplays (CDT’s).
Ondanks het feit dat monitorbuizen weinig meer worden gebruikt omdat ze worden vervangen door platte beeldschermen, is SDE met name [bezorgd] over kartelvorming met betrekking tot deze producten omdat die nog steeds worden gekocht door consumenten met een laag inkomen en door openbare scholen.”
Volgens het hof bevat dit bericht deels onjuiste informatie, omdat het onderzoek geen betrekking had op CRT’s maar op CPT’s. Het subonderdeel wijst er terecht op dat de term CRT, die een afkorting is voor “Cathode Ray Tubes”, een overkoepelende term is voor kathodestraal buizen. En dat ook in de door het hof zelf in rov. 3.1 en 3.2 gegeven definitie CPT’s (“Colour Picture Tubes”) en CDT’s (“Colour Display Tubes”) daaronder vallen. Hoewel in het bericht de CPT’s niet met zoveel woorden werden genoemd, is de vermelding van de – overigens minder specifieke – CRT’s in het bericht dus niet onjuist. Dat betekent dat de klacht in zoverre slaagt, maar zoals hierna zal blijken niet tot cassatie kan leiden. Daarbij merk ik wel gelijk op dat Itautec er onder meer op gewezen heeft dat door haar is aangevoerd dat in het artikel is verwezen naar een kartel in de sector CRT-glas, die een andere sector zou zijn dan die van de verkoop van CPT’s. Mogelijk dat het hof derhalve voor ogen heeft gehad dat het artikel deels onjuiste informatie bevatte omdat het ging over een kartel met betrekking tot de glascomponenten voor CRT’s. Eén en ander blijkt echter niet uit de gegeven motivering.
Het oordeel van het hof is echter niet uitsluitend gebaseerd op de omstandigheid dat het artikel deels onjuiste informatie bevatte (omdat ten onrechte CRT’s zijn genoemd in plaats van CPT’s). Het oordeel van het hof houdt namelijk ook in dat de inhoud van het artikel zo beperkt is, dat op grond daarvan evenmin (naar Braziliaans recht) bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden verondersteld. Dit oordeel van het hof hangt nauw samen met een waardering van feitelijke aard, en is niet onbegrijpelijk.
Het subonderdeel klaagt ten slotte nog dat het hof verzuimd heeft om in te gaan op de stelling van Samsung c.s. dat de verjaringstermijn in ieder geval is aangevangen op 22 augustus 2012, zijnde het moment dat de onderzoekseenheid van CADE een nieuw besluit publiceerde waarin de openingsbeslissing werd bevestigd (hiervoor randnummer 3.20).
In de memorie van grieven hebben Samsung c.s. het standpunt ingenomen dat door de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de publicatie op 22 augustus 2012 van het nieuwe besluit van de onderzoekseenheid van CADE. Dit betrof, zoals door Samsung c.s. is aangevoerd in hun randnummer 358. onder b van hun gezamenlijke conclusie van antwoord en waarnaar in de procesinleiding ook wordt verwezen, een bevestiging van de eerdere besluiten tot het openen van administratieve inbreukprocedures met betrekking tot de CDT markt en de CPT-markt (hiervoor 3.20 en voetnoot 70).
Aangezien door Samsung c.s. niet is onderbouwd welke informatie hieruit nog meer zou volgen dan de bevestiging van het eerdere CADE-besluit van 22 maart 2010, meen ik dat het hof hier niet ook nog afzonderlijk op hoefde in te gaan.
Subonderdeel 2.2.5 is gericht tegen rov. 6.26. Het hof heeft daar gereageerd op het betoog van Samsung c.s. dat de Technical Notes reeds voldoende informatie bevatten om bekendheid met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke ondernemingen bij Itautec te veronderstellen, en dat Itautec deze Technical Notes, die weliswaar pas vanaf 2015 digitaal voor een ieder toegankelijk waren, als belanghebbende wel bij CADE had kunnen opvragen naar aanleiding van het openingsbericht van CADE van 22 maart 2010 inzake de opening van het onderzoek. Het hof heeft zijn oordeel herhaald dat dit openingsbericht onvoldoende informatie bevat op grond waarvan Itautec had kunnen concluderen dat zij schade had geleden als gevolg van de CPT- en CDT-kartels. Volgens het hof vormde dit bericht dan ook onvoldoende aanleiding voor Itautec om te veronderstellen dat zij belanghebbende was, en de Technical Notes bij CADE op te vragen.
Volgens het subonderdeel is dit oordeel, in het licht van het betoog van Samsung c.s. in randnummers 90. tot en met 100. van de memorie van grieven, onbegrijpelijk. Daarbij heeft het subonderdeel erop gewezen dat het slagen van een of meer klachten van subonderdeel 2.2.1 tot en met 2.2.4 meebrengt dat dit oordeel van het hof niet in stand kan blijven.
Aangezien de subonderdelen 2.2.1 tot en met 2.2.4 niet slagen, deelt de klacht van dit subonderdeel hetzelfde lot.
Subonderdeel 2.3 klaagt dat het onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig is dat het hof in rov. 6.25 en 6.28 heeft geoordeeld dat de TCC’s uit 2015 en de Technical Notes voldoende inzicht geven in het functioneren van de kartels en de schadelijke gevolgen daarvan om van een benadeelde te kunnen verlangen dat hij kenbaar maakt dat hij schade heeft geleden en daarvoor vergoeding eist, maar anderzijds in rov. 6.23, 6.24, 6.26 en 6.28 heeft geoordeeld dat dit niet het geval is voor de internationale persberichten, het bericht van CADE inzake de opening van het onderzoek en het artikel in de Valor Economico uit 2012. Ook in de TCC’s uit 2015 en de Technical Notes uit 2015 zou immers geen concrete schade worden genoemd, terwijl die wel voldoende inzicht gaven in het functioneren van de kartels en de schadelijke gevolgen daarvan om van een benadeelde te kunnen verlangen dat hij kenbaar maakt dat hij schade heeft geleden en daarvoor schadevergoeding eist.
Het hof heeft in rov. 6.25 geoordeeld dat, indien sprake is van een standalone vordering, de bekendmaking van de TCC’s op 11 februari 2015 het eerste aanvangsmoment van de verjaringstermijn zou kunnen zijn, en dat dit ook het moment is waarop Itautec betrokken is in het onderzoek van CADE en aan Itautec vragen zijn gesteld. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de TCC’s uit 2015 en de daarbij behorende Technical Notes voldoende inzicht geven in het functioneren van de kartels en de schadelijke gevolgen daarvan om van een benadeelde te kunnen verlangen dat hij kenbaar maakt dat hij schade heeft geleden en daarvoor vergoeding eist. In de TCC’s hebben LG en Philips feiten erkend en is – zoals het hof al in rov. 6.17 had overwogen – op grond daarvan de inbreuk (door Philips en LG) een gegeven. Dit betrof een inbreuk waarbij ook Samsung c.s. betrokken waren. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat het hof ten aanzien van de TCC’s uit 2015 en de daarbij behorende Technical Notes wél concludeerde dat deze voldoende inzicht gaven om de verjaringstermijn (van de standalone vordering) te doen aanvangen.
Het subonderdeel betoogt voorts dat door Samsung c.s. is aangevoerd dat uit de genoemde Sinaasappelsap-zaak met nummer 2424934 zou volgen dat bekendheid met de mogelijkheid van schade voldoende is voor de aanvang van de verjaringstermijn, en dus niet de zekerheid over het bestaan van schade of de omvang daarvan. Als het hof dit standpunt van Samsung c.s. heeft verworpen in rov. 6.21, heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat het niet is ingegaan op dit betoog van Samsung c.s.
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden, nu deze afstuit op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. Het onderdeel stelt in wezen de vraag aan de orde welke vereisten naar Braziliaans recht gelden voor het aanvangsmoment van de verjaring. Voor een beoordeling van deze klacht is het nodig daarbij de juistheid van het oordeel van het hof omtrent de inhoud en de uitleg van het Braziliaans recht te betrekken.
3.100 Daarnaast geldt nog het volgende. Het hof heeft in rov. 6.21 overwogen dat uit de Sinaasappelsap-zaak met nummer 1.971.316 volgt dat de telers al bekend waren met de schade, omdat zij gedwongen waren de lage prijzen van de producenten, die niet eens de kosten van de telers dekten, te accepteren. Ten aanzien van de Sinaasappelsap-zaak met nummer 2424934 heeft het hof nog overwogen dat het STJ het beroep tegen de beslissing van het gerechtshof van São Paulo – dat als aanvangstijdstip voor de verjaringstermijn het moment van opening van het onderzoek, waaraan uitgebreid aandacht was besteed in de media, heeft genomen – heeft verworpen. Volgens het hof gold in beide gevallen dus als aanvangstijdstip van de verjaring de bekendheid (“unequivocal knowledge”) met de onrechtmatige daad, de schade en de aansprakelijke persoon. Daarmee heeft het hof inderdaad, mede op basis van de Sinaasappelsap-zaak met nummer 2424934 het standpunt van Samsung c.s. verworpen dat, wat de schade betreft, de mogelijkheid van schade voldoende zou zijn voor aanvang van de verjaringstermijn. Dit oordeel van het hof acht ik in het licht van de stellingen van Samsung c.s. niet onbegrijpelijk, nu het hof heeft onderbouwd waarom van een andere opvatting uitgegaan moet worden. Daarbij acht ik ook van belang dat door het hof ten aanzien van de Sinaasappelsap-zaak met nummer 2424934 in rov. 6.25 is overwogen dat in die zaak de telers bij de verkoop van hun sinaasappels bekend waren met de onrechtmatige daad (de te lage inkoopprijzen van de producenten) en de schade die zij daardoor leden (de verlieslatende verkoop van hun sinaasappels).
3.100 Het voorgaande betekent dat ook de klachten van onderdeel 2 niet slagen. Daarmee komt ook het belang aan onderdeel 1 te ontvallen (hiervoor randnummers 3.2 en 3.63).
Onderdeel 3
3.102 Onderdeel 3 bevat de voortbouwklacht dat het slagen van een of meerdere van de voorgaande klachten tot gevolg heeft dat niet in stand kunnen blijven de conclusie van het hof in rov. 6.30 dat de vorderingen niet zijn verjaard en dat grief 2 van Samsung c.s. faalt, en het dictum, waarin het hof de vonnissen van 12 oktober 2022 en 15 maart 2023 heeft bekrachtigd.
3.102 Deze voortbouwklacht deelt het lot van de overige klachten.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G