ECLI:NL:PHR:2026:935

ECLI:NL:PHR:2026:935

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 25/05071
Rechtsgebied Civiel recht

Samenvatting

Beslag- en executierecht. Art. 474g Rv Curaçao. Nietigheid beslag(exploot). Concordantiebeginsel. Art. 66 Rv NL. Onderhandse of openbare executoriale verkoop aandelen. Opbrengstmaximalisatie. Beoordelingsvrijheid van de rechter.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/05071

Zitting 2 oktober 2026

CONCLUSIE

S.E. Bartels

In de zaak

[de man]

tegen

1. [de vrouw]

2. Tidewell Corporation N.V.

3. Ducat SLS B.V.

4. Intertrust (Curaçao) B.V.

Partijen worden hierna gemakshalve verkort aangeduid als de man respectievelijk de vrouw (verweerster in cassatie onder 1). Verweersters in cassatie onder 2, 3 en 4 zullen afzonderlijk worden aangeduid als Tidewell, Ducat en Intertrust.

1. Inleiding

In het kader van de echtscheiding tussen partijen is de man door een Engelse rechter veroordeeld om de vrouw circa £ 65 miljoen te betalen. De vrouw heeft vervolgens executoriaal beslag gelegd op door de man gehouden aandelen in een Curaçaose kapitaalvennootschap waarin via andere vennootschappen Portugese onroerende zaken zijn ondergebracht. Deze zaak draait om de toepassing van art. 474g Rv Curaçao (vgl. art. 474g Rv Nederland). Net als het gerecht in eerste aanleg heeft het hof op grond daarvan, op verzoek van de vrouw, bepaald dat zij kan overgaan tot openbare verkoop van de aandelen. Het hof ziet geen heil in de door de man voorgestelde onderhandse verkoop van vermogensbestanddelen van de Curaçaose kapitaalvennootschap en overweegt onder andere dat de man de verdenking op zich laadt dat hij zich laat leiden door onwil om tot betaling over te gaan. De man komt mijns inziens zonder succes tegen de beschikking van het hof op.

2. Feiten

In cassatie kan worden uitgaan van de volgende feiten, met enkele redactionele aanpassingen ontleend aan r.o. 3.1 t/m 3.6 van de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 2 december 2025 (hierna: het hof respectievelijk de beschikking).

De man en de vrouw waren met elkaar gehuwd. Bij onherroepelijke beslissing van 12 oktober 2016 van de High Court of Justice is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van £ 64,8 miljoen.

Na uitblijven van voldoening door de man en ter verzekering van verhaal van haar vordering heeft de vrouw na rechterlijk verlof op 15 november 2021 conservatoir beslag laten leggen op de aandelen van de man in Tidewell (hierna: de aandelen).

Tidewell is een Curaçaose offshore company, waarvan de man minderheidsaandeelhouder is. Van 4 maart 2010 tot 8 december 2023 was Intertrust enig bestuurder van Tidewell. Sinds 16 juli 2024 is Ducat bestuurder van Tidewell. In de tussenliggende periode stond er geen bestuurder van Tidewell ingeschreven in het handelsregister en was er ook geen kantooradres bekend.

Tidewell houdt aandelen in een aantal deelnemingen, onder meer in Companhia Agricola da Apostiça C.A.A (hierna: Apostiça) en in Sotéis Sociedade Internacional de Turismo S.A (hierna: Sotéis). Sotéis heeft een onroerende zaak in Lissabon (Portugal) in eigendom, bestaande uit een perceel grond waarop zich een hotel bevindt (het Marriott Hotel). Apostiça is eigenaar van percelen grond van 3.700 hectare in Sesimbra, Portugal.

Bij vonnis van 31 oktober 2022 heeft het gerecht in eerste aanleg beslist dat de Engelse beslissing van 12 oktober 2016 in Curaçao voor erkenning in aanmerking komt en is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van £ 61.559.339. Dit vonnis is op 8 oktober 2024 door het hof bevestigd. Tegen het vonnis van het hof heeft de man cassatieberoep ingesteld. Op 19 september 2025 heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad een conclusie genomen. Aan de feiten ontleend aan de beschikking van het hof kan worden toegevoegd dat de Hoge Raad het cassatieberoep inmiddels heeft verworpen.

De vrouw heeft het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van 31 oktober 2022 betekend, op 6 augustus 2024 aan de man en op 7 augustus 2024 aan Tidewell.

3. Procesverloop

In eerste aanleg

Op 9 augustus 2024 heeft de vrouw bij het gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het gerecht in eerste aanleg) een verzoekschrift ingediend. Zij heeft, primair en subsidiair, verschillende verzoeken geformuleerd met betrekking tot de executoriale verkoop van de aandelen. Het primaire verzoek is – kort gezegd – gericht op onderhandse verkoop binnen één jaar vanaf de te geven beschikking, en het subsidiaire verzoek op openbare verkoop. Daarnaast is onder andere verzocht, primair en subsidiair, om [deurwaarder] aan te wijzen als verkopend dan wel veilend deurwaarder. Het petitum bevat ter uitwerking van de gang van zaken nog andere verzoeken, die nu geen nadere aandacht behoeven.

De man heeft een verweerschrift ingediend.

Op 22 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Namens partijen zijn spreekaantekeningen overgelegd.

Bij beschikking van 13 december 2024 heeft het gerecht – samengevat – bepaald dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 kan overgaan tot uitwinning van de beslagen aandelen door openbare verkoop daarvan, uiterlijk op 31 december 2027, en [deurwaarder] aangewezen als veilend deurwaarder, met bijkomende beslissingen ter uitwerking.

In hoger beroep

Bij beroepschrift van 3 januari 2025 heeft de man hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van het gerecht. Bij aanvullend beroepschrift van 24 januari 2025 heeft hij zijn beroepsgronden aangevoerd.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

Op 14 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Namens partijen zijn spreekaantekeningen overgelegd.

In de beschikking heeft het hof de beschikking van het gerecht bevestigd. Daaraan heeft het hof voor zover in cassatie van belang onder andere het volgende ten grondslag gelegd:

“het beslag is geldig (beroepsgrond 1)

De man heeft in de procedure bij het Gerecht aangevoerd dat het beslag nietig moet worden verklaard, omdat niet aan een aantal formele vereisten is voldaan. In hoger beroep heeft hij zich beperkt tot het verweer dat de vrouw het Gerecht niet heeft verzocht om publicatie in een door het Gerecht aangewezen dagblad, maar zelf tot publicatie is overgegaan.

Vast staat dat betekening van het beslag heeft plaatsgevonden op de wijze zoals bepaald in artikel 5 lid 7 Rv (openbare betekening, omdat de man geen woon- of verblijfplaats in Curaçao heeft). Publicatie van het beslagexploot heeft op 16 november 2021 plaatsgevonden in de Extra (een hier te lande verschijnend dagblad) en op 19 november 2021 in de Landscourant. Dit blijkt uit door de man overgelegde producties. Het enkele feit dat de vrouw zelf heeft gekozen voor publicatie in de Extra in plaats van af te wachten of het Gerecht dit bepaalt leidt, gelet op artikel 93 Rv, niet tot nietigheid van het beslag. De man is door dit verzuim niet in zijn verdediging benadeeld en heeft dus geen belang om zich hierop te beroepen. Hetzelfde geldt voor het verzuim dat de naam van de gemachtigde van de man niet is vermeld in de publicatie.

(…)

uitgangspunten bij de verkoop van aandelen in het algemeen

De taak van de rechter (in hoger beroep: het Hof) bij een verzoek tot verkoop van aandelen van een vennootschap is het vaststellen van de wijze waarop en de termijn waarbinnen die verkoop moet plaatsvinden. De wetgever heeft de rechter de vrije hand gelaten om in ieder individueel geval te bepalen op welke manier en onder welke voorwaarden dit moet gebeuren. Uitgangspunt daarbij is het binnen een redelijke termijn verzekeren van een maximale verkoopopbrengst in een efficiënte procedure, met inachtneming van de statutaire voorschriften, zoveel als mogelijk is.

achtergronden van dit geval

Dit betreft een geschil tussen ex-echtgenoten, waarbij de man door de Engelse rechter in 2016 is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van hetgeen haar in het kader van de afwikkeling van het huwelijk toekomt. Tot op heden (ruim 9 jaar later) voldoet de man niet aan deze betalingsverplichting en is verhaal (behalve door verkoop van de aandelen van Tidewell) volgens de vrouw niet goed mogelijk.

De man heeft erkend (in het aanvullend beroepschrift in 2.8) dat hij niet vrijwillig zal overgaan tot betaling. Vast staat dat de man beschikt over een substantieel percentage van de aandelen van Tidewell (volgens de vrouw 21%, de man heeft dit in feite niet betwist). De vrouw heeft dus belang bij executie door verkoop van de aandelen van Tidewell en haar verzoek is daarom in beginsel toewijsbaar. De man heeft ook dat niet betwist. In hoger beroep verzet hij zich in de kern slechts tegen executie door middel van openbare verkoop, omdat dit volgens hem niet leidt tot een maximale opbrengst en dus niet de geëigende wijze van verkoop is van aandelen in een holding die indirect vermogensbestanddelen van honderden miljoenen euro’s bezit.

onderhandse of openbare verkoop (beroepsgrond 3)

Het kan zo zijn, zoals de man betoogt, dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap in het algemeen tot een hogere verkoopopbrengst leidt en ook dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap als Tidewell (met familieleden en langdurige zakenpartners van de man als aandeelhouders) in het algemeen te verkiezen is boven een openbare verkoop. Een efficiënte onderhandse verkoop van de aandelen van een vennootschap als deze (met substantiële vermogensbestanddelen in een ander land) is zonder constructief overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap echter niet goed mogelijk. Uit de verklaringen van de gemachtigden ter zitting in hoger beroep is gebleken dat dit overleg tot nu toe niet of nauwelijks heeft plaatsgevonden, ondanks het feit dat het Gerecht partijen daarvoor ruim een jaar de tijd heeft gegeven. De man laadt de verdenking op zich dat zijn gebrek aan medewerking aan dit overleg voortvloeit uit zijn onwil om tot betaling over te gaan.

Weliswaar heeft de man tijdens de zitting in hoger beroep aangevoerd dat hij in overleg is getreden met de overige aandeelhouders in Tidewell en dat Tidewell bereid zou zijn de Apostiça-landpercelen te verkopen en apart daarvan ook de aandelen in Sotéis. Dit betreft echter verkoop van de onderliggende vermogensbestanddelen van Tidewell en niet de verkoop van de aandelen van deze vennootschap. Die verkoop van vermogensbestanddelen zou uiteindelijk kunnen leiden tot het uitkeren van dividend aan de aandeelhouders, waaronder de man. Een efficiënte manier om binnen redelijke termijn verhaal te krijgen voor de vordering van de vrouw is het niet. Evenmin is in voldoende mate te verwachten dat de opbrengst bij die aanpak veel hoger zal zijn dan bij een openbare verkoop, aangezien ook na openbare verkoop de vermogensbestanddelen te gelde gemaakt kunnen worden en er uitkering van dividend kan volgen. Daarvoor is constructief overleg nodig, maar dat geldt evenzeer voor de door de man bepleite aanpak.

Dit betekent dat ook het Hof bij deze stand van zaken van oordeel is dat het betoog van de man niet in de weg staat aan een openbare verkoop van de aandelen.

voorwaarden voor de openbare verkoop en aanwijzing deurwaarder (beroepsgrond 4)

Zoals hiervoor overwogen heeft de rechter de vrijheid om in ieder individueel geval te bepalen op welke manier en onder welke voorwaarden de verkoop moet plaatsvinden. Het Gerecht heeft de randvoorwaarden opgesteld en de termijn waarbinnen een openbare verkoop moet plaatsvinden. Het Hof verenigt zich daarmee. Niet in te zien valt dat artikel 474g Rv in dit geval meer dan dat vereist. De door de man geschetste alternatieve manieren waarop in andere zaken voorwaarden zijn opgesteld (met een uitonderhandelde SPA, een waardering van de aandelen door een deskundige of de benoeming van een notaris om de verkoop te begeleiden) zijn natuurlijk opties. De man had daar in het afgelopen jaar het initiatief toe kunnen nemen en kan dit nog steeds doen als hij zich zorgen maakt over maximalisatie van de opbrengst.

De man heeft voorts nog aangevoerd dat de deurwaarder die door het Gerecht is aangewezen ongeschikt zou zijn om het verkoopproces te begeleiden, maar motiveert zijn bezwaren onvoldoende. De deurwaarder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard bereid en in staat te zijn de aan hem opgelegde taak te vervullen. Het Hof ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.”

In cassatie

Bij procesinleiding van 31 december 2025 (hierna: de oorspronkelijke procesinleiding) heeft de man – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking. Daarin wordt vermeld dat de man ten tijde van de indiening van de procesinleiding nog niet beschikte over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 14 oktober 2025 en dat hij zich het recht voorbehoudt om de cassatieklachten aan te vullen en/of te wijzigen, voor zover de inhoud van het proces-verbaal daartoe aanleiding geeft.

Op 21 januari 2026 heeft de man het proces-verbaal ontvangen. Het proces-verbaal is door de griffie van het hof toegezonden aan de griffie van de Hoge Raad.

Op 4 februari 2026 heeft de man een aanvullende procesinleiding (hierna: de aanvullende procesinleiding) ingediend.

Namens de vrouw is nadien een verweerschrift ingediend.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel in de oorspronkelijke procesinleiding bestaat uit zes onderdelen, waarvan de eerste twee uit meerdere subonderdelen bestaan. Die eerste twee onderdelen zien op de verkoopopbrengst, het derde onderdeel op de geschiktheid van de aangewezen deurwaarder, het vierde gaat over de nietigheid van het beslag en het vijfde over het percentage van het minderheidsbelang in Tidewell. Het zesde en laatste onderdeel betreft een voortbouwklacht. In het cassatiemiddel in de aanvullende procesinleiding wordt een subonderdeel 1.2a toegevoegd.

Ik kies ervoor eerst onderdeel 4, met het opschrift “het beslag is nietig”, te bespreken, nu dat het meest verstrekkende onderdeel is. Immers, zonder geldig beslag is er, behoudens tijdig herstel, geen geldige executie mogelijk.

Het onderdeel bevat een rechtsklacht. De man heeft aangevoerd, aldus onderdeel, dat het beslag nietig is, omdat niet is voldaan aan de vormvoorschriften van art. 474d lid 2 in verbinding met art. 5, aanhef en onder 7°, Rv Curaçao. Volgens die bepalingen moet betekening van beslagexploten aan personen zonder bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Curaçao en zonder bekende woonplaats of werkelijke verblijfplaats in het buitenland plaatsvinden door publicatie in een door de rechter voor wie de vordering is gebracht te bepalen dagblad, met vermelding van de naam van de gemachtigde, indien deze bekend is. Op grond van art. 91 en 92 Rv Curaçao moeten deze voorschriften op straffe van nietigheid in acht worden genomen, aldus het onderdeel. Volgens het onderdeel getuigt de redenering in r.o. 5.4 dat gelet op art. 92 Rv Curaçao geen nietigheid volgt omdat de man door de verzuimen niet in zijn verdediging is benadeeld van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 93 Curaçao niet van toepassing is op beslagexploten, ook niet overeenkomstig. Het concordantiebeginsel, zo besluit het onderdeel, brengt ook niet mee dat art. 93 Rv Curaçao moet worden uitgelegd conform art. 66 Rv Nederland en de rechtspraak van de Hoge Raad over deze laatste bepaling.

Het onderdeel slaagt niet, gelet op het volgende.

De relevante Curaçaose bepalingen – die overigens ten dele wezenlijk verschillen van soortgelijke bepalingen in Nederland – luiden, voor zover relevant, als volgt:

– art. 474d Rv Curaçao:

“1. De deurwaarder zal van het gelegde beslag onverwijld, zo mogelijk op dezelfde dag, schriftelijk mededeling doen aan de geëxecuteerde.

2. Daarenboven moet, op straffe van verval van het beslag, een afschrift van het exploot binnen acht dagen na het beslag, aan de geëxecuteerde worden betekend.”

– art. 5, aanhef en onder 7° Rv Curaçao:

“Alle exploten worden gedaan op de volgende wijze:

(…)

7° ten aanzien van degenen die hier te lande geen bekende woonplaats hebben, ter plaatse van hun werkelijk verblijf;

indien degenen die hier te lande niet een woonplaats hebben, daar ook niet een bekend werkelijk verblijf bezitten en hun woonplaats of werkelijk verblijf in het buitenland onbekend is (…) wordt het exploot gepubliceerd in ten minste één hier te lande verschijnend, door de rechter voor wie de vordering gebracht is of aanhangig is, te bepalen dagblad en wordt een afschrift overgegeven, in Curaçao (…), aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij die rechter (…), die het oorspronkelijke voor gezien tekent; daarenboven wordt het gedane exploot aangekondigd in het nieuwsblad, waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst; (…)”

– art. 91 Rv Curaçao:

“Een exploot of akte van rechtspleging wordt slechts nietig verklaard, indien de nietigheid daarvan uitdrukkelijk bevolen is.”

– art. 92 lid 1 Rv Curaçao:

“De voorschriften in de artikelen 1, 2, 4, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 15 en 17 voorgeschreven, worden op straffe van nietigheid in acht genomen.”

– art. 93 Rv Curaçao:

“1. Indien de gedaagde op de oproeping verschijnt en de nietigheid van het exploot inroept, is de rechter bevoegd om die exceptie te verwerpen, indien het verzuim of de overtreding van dien aard wordt bevonden, dat de gedaagde daardoor in zijn verdediging niet is benadeeld, en er om die reden geen belang bij heeft zich op de nietigheid te beroepen.

2. De rechter beveelt echter in die gevallen, zo daartoe gronden zijn, de aanvulling van het verzuim of de verbetering van de onregelmatigheden op kosten van de aanlegger.”

Nogmaals werp ik een blik op r.o. 5.4. Daar heeft het hof als volgt overwogen en geoordeeld:

“Vast staat dat betekening van het beslag heeft plaatsgevonden op de wijze zoals bepaald in artikel 5 lid 7 Rv (openbare betekening, omdat de man geen woon- of verblijfplaats in Curaçao heeft). Publicatie van het beslagexploot heeft op 16 november 2021 plaatsgevonden in de Extra (een hier te lande verschijnend dagblad) en op 19 november 2021 in de Landscourant. Dit blijkt uit door de man overgelegde producties. Het enkele feit dat de vrouw zelf heeft gekozen voor publicatie in de Extra in plaats van af te wachten of het Gerecht dit bepaalt leidt, gelet op artikel 93 Rv, niet tot nietigheid van het beslag. De man is door dit verzuim niet in zijn verdediging benadeeld en heeft dus geen belang om zich hierop te beroepen. Hetzelfde geldt voor het verzuim dat de naam van de gemachtigde van de man niet is vermeld in de publicatie.”

In cassatie staat als onbestreden vast dat de betekening van het beslagexploot niet heeft plaatsgevonden in overeenstemming met art. 5 lid 7 Rv Curaçao, nu publicatie van het beslagexploot niet heeft plaatsgevonden in een door de rechter bepaald dagblad, maar in een door de vrouw gekozen dagblad, en bovendien de naam van de gemachtigde van de man niet is vermeld in de publicatie. Verder staat als onbestreden vast dat de man door deze verzuimen niet (in zijn verdediging) is benadeeld. Het draait in cassatie uitsluitend nog om de rechtsvraag of, anders dan het hof in r.o. 5.4 heeft geoordeeld, op de hiervoor genoemde verzuimen onverbiddelijk de nietigheid van het beslagexploot moet volgen, mede gelet op het toepassingsbereik van art. 93 lid 1 Rv Curaçao.

Duidelijk is dat art. 93 lid 1 Rv Curaçao niet rechtstreeks van toepassing is. Het gaat in die wetsbepaling immers om een ‘gedaagde’ die wordt ‘opgeroepen’ en vervolgens als ‘exceptie’ de nietigheid van het exploot ‘inroept’. Dat ziet inderdaad op oproepingsexploten, enigszins te vergelijken met dagvaardingsexploten in Nederland. De bepaling ziet dus niet rechtstreeks op beslagexploten. Een bepaling gelijkend op art. 66 lid 1 Rv Nederland voor exploten in het algemeen is er bovendien niet in Curaçao.

De voor de hand liggende vraag is vervolgens of art. 93 lid 1 Rv Curaçao dan – zoals het hof gelet op r.o. 5.4 lijkt te hebben gedaan – overeenkomstig kan worden toegepast op beslagexploten, mede in het licht van art. 66 lid 1 Rv Nederland, gelet op art. 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Statuut). Het antwoord luidt wat mij betreft eenduidig ‘ja’. Een onverbiddelijke nietigheid pakt hier mijns inziens excessief formalistisch uit. Het gaat om verzuimen waarvan vaststaat dat zij de man niet hebben benadeeld en die mijns inziens niet tot dramatische gevolgen mogen leiden. Dat betekent wat mij betreft dat r.o. 5.4 standhoudt. Ik werk dat uit.

Art. 93 lid 1 Rv Curaçao is, naar inhoud, niet jong. Zijn oorsprong ligt, via de Nederlandse voorloper in art. 94 Rv Nederland (oud), diep in de negentiende eeuw. Ik meen dat niemand erbij gebaat is als ik zo ver terug ga in de tijd. Het is beter de aandacht te vestigen op wat hier en nu wijsheid is. Dat doe ik wel mede in het licht van wat in Nederland vóór de herziening van 2002 – die leidde tot art. 66 lid 1 Rv Nederland – werd aangenomen voor gebreken aan andere exploten dan dagvaardingsexploten.

Voor art. 94 lid 1 Rv Nederland (oud) werd namelijk, zij het aarzelend, aangenomen dat overeenkomstige toepassing daarvan op andere exploten dan dagvaardingsexploten mogelijk is. De Hoge Raad wilde dat in 1939 niet oordelen, omdat destijds werd aangenomen dat in cassatie niet kan worden geklaagd over het nalaten van “analogische” toepassing van wetsbepalingen. Maar Paul Scholten constateert in zijn NJ-annotatie bij het bedoelde arrest onomwonden dat zo’n analogische toepassing wel degelijk mogelijk is. De lagere rechtspraak lijkt er zuinig mee te zijn geweest, hoewel in een deel van de literatuur werd aangenomen dat analogische toepassing mogelijk én wenselijk was. Dus toen art. 66 lid 1 Rv Nederland in 2002 in werking trad, was dat volgens mij géén complete breuk met het verleden, maar veeleer de vervolmaking van wat (inmiddels) als beginsel van deformalisering werd opgevat. Daarom was het ook geen verrassing dat de Hoge Raad in 2005 het oordeel van het hof dat art. 94 lid 1 Rv Nederland (oud) (overeenkomstig) kon worden toegepast op een exploot van betekening van een dwangbevel, in stand liet, zelfs met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Deformalisering was een vanzelfsprekendheid geworden, en is dat nog steeds, terwijl nietigheid in wezen de uitzondering is geworden. Sprekend in dit verband is dat de Hoge Raad in 2007 ten aanzien van het vóór 2002 geldende recht op basis van recentere kamerstukken overweegt dat het een beginsel is dat nietigheid van een exploot alleen aan de orde is indien degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd. Dat beginsel acht de Hoge Raad ook van toepassing acht op de betekening van een dwangbevel:

“Terecht klaagt het middel niet over de toepassing door het hof van art. 94 lid 1 (oud) Rv. op het onderhavige exploot van betekening. Aan die bepaling (thans art. 122 Rv.) en het huidige art. 66 lid 1 Rv. ligt ten grondslag het beginsel dat indien een exploot lijdt aan een gebrek dat tot nietigheid daarvan leidt, dit rechtsgevolg slechts op zijn plaats is indien en voor zover dat gewenst is in verband met de bescherming van de belangen waarop de geschonden norm betrekking heeft (Memorie van Toelichting op art. 66 (1.6.20) Rv., Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 76). Daarvan is sprake ingeval degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd. Dat beginsel diende en dient ook toepassing te vinden op het geval dat de belastingschuldige op de voet van art. 17 Iw 1990 in verzet komt tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel en zich beroept op de nietigheid van de ingevolge art. 13 en 14 van deze wet verrichte betekeningen.”

Tegen de achtergrond van het voorgaande is het dan het concordantiebeginsel, als bedoeld in art. 39 lid 1 Statuut, dat hier wat mij betreft de doorslag geeft. Niet omdat dat een automatisme is, maar omdat er inhoudelijk géén goede argumenten zijn om hier voor een andere benadering te kiezen dan zou volgen uit art. 66 lid 1 Rv Nederland of – trouwens, buiten het Koninkrijk – art. 17b lid 1 Rv Suriname. Uit niets blijkt dat bij de totstandkoming van (de voorganger van) art. 93 lid 1 Rv Curaçao mede ten grondslag is gelegd dat bij mankementen aan ándere exploten dan oproepingsexploten altijd nietigheid de sanctie moet zijn, ook als degene aan wie een exploot wordt betekend door die verzuimen niet is benadeeld. Van een dergelijke bewust voorziene normatieve lading, die categorisch zou dwingen tot een a-contrario-redenering, blijkt niets. Inhoudelijk bestaan daarvoor mijns inziens ook geen aanknopingspunten. Kortom, net als gold voor art. 94 lid 1 Rv Nederland (oud) moet – minst genomen – voor mogelijk worden gehouden dat art. 93 lid 1 Rv Curaçao overeenkomstig wordt toegepast op andere exploten dan oproepingsexploten. Waarschijnlijk geldt gelet op de genoemde rechtspraak zelfs – nog stelliger – dat art. 93 lid 1 Rv Curaçao overeenkomstig moet worden toegepast op andere exploten dan oproepingsexploten.

Onder de streep betekent dit wat mij betreft dat ’s hofs denklijn in r.o. 5.4 dat nietigheid van het exploot in dit geval alleen aangewezen is voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd, hier de man, door het gebrek onredelijk is benadeeld, standhoudt. In cassatie staat vast dat van zo’n benadeling geen sprake is, zodat onderdeel 4 niet tot cassatie kan leiden. Dat betekent dat ik naar onderdeel 1 kan gaan kijken.

Onderdeel 1 draagt het opschrift “openbare executieverkoop maximale verkoopopbrengst” en bestaat, met inachtneming van de aanvullende procesinleiding, na vooropstellingen onder 1, uit subonderdelen 1.1, 1.2, 1.2a, 1.3, 1.4 en 1.5.

Voordat ik in de subonderdelen duik, bespreek ik eerst wat in het onderdeel onder 1 wordt vooropgesteld over de uitleg van r.o. 5.12 en r.o. 5.15 van de beschikking, en over wat volgens de man rechtens is omtrent de wijze waarop art. 474g lid 3 Rv Curaçao moet worden toegepast. Ik meen namelijk dat het daar al in belangrijke mate misgaat voor het onderdeel. Het onderdeel maakt, kort gezegd, van opbrengstmaximalisatie de heilige graal, waarbij bovendien onderhandse verkoop het uitgangspunt zou zijn. Het doet daarbij onder andere een beroep op de wetsgeschiedenis van art. 474g lid 3 Rv, waarin wordt gesproken van de “beste opbrengst”. In werkelijkheid zijn er, zoals tot uitdrukking komt in de wetsgeschiedenis en zoals het hof heeft onderkend, meer factoren die bepalen langs welke wijze van executie de “beste opbrengst” kan worden verwacht. De rechter kan niet anders dan ‘hier en nu’ – met inachtneming van alle belangen die spelen in het voorliggende geval – een richting aanwijzen en randvoorwaarden bepalen, waarbij onderhandse verkoop doorgaans voor de hand ligt maar openbare verkoop niet is uitgesloten. Bovendien gaat het dan uiteraard om (openbare of onderhandse) verkoop van de beslagen aandelen, niet om – zoals de man in hoger beroep als alternatief heeft voorgesteld – onderhandse verkoop van vermogensbestanddelen van de betreffende vennootschap of dochtervennootschappen. In het cassatiemiddel wordt op dit punt ogenschijnlijk gepoogd om te verdraaien waarover het in hoger beroep ging. Dit was de korte versie, nu de langere.

Art. 474g Rv Curaçao luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Binnen één maand na het exploot van beslag zal de beslaglegger, op straffe van verval van het gelegde beslag, aan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied hij bij het beslagexploot woonplaats heeft gekozen, zo mogelijk onder overlegging van de mededeling bedoeld in het voorgaande artikel en de statuten der vennootschap, verzoeken bij beschikking te bepalen, dat en binnen welke termijn tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen kan worden overgegaan.

(…)

3. De rechter in eerste aanleg zal in zijn beschikking bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de verkoop en overdracht dienen te geschieden.”

Deze bepalingen moeten worden bezien tegen de achtergrond van het algemene uitgangspunt in het wettelijke stelsel dat executoriale verkoop openbaar plaatsvindt. Dit is voor niet-registergoederen bepaald in art. 463 lid 1 Rv Curaçao. De openbaarheid komt onder andere erin tot uitdrukking dat art. 464 Rv Curaçao bekendmaking van de voorgenomen verkoop verlangt. Art. 469 lid 1 Rv Curaçao regelt bovendien dat de verkoop plaatsvindt door middel van een veiling. Art. 474g lid 1 Rv Curaçao biedt de rechter dus, in afwijking hiervan, de mogelijkheid om te bepalen dat de verkoop van aandelen op naam onderhands moet plaatsvinden.

Het onderdeel, nu, betoogt meteen aan het begin, onder 1:

“Op grond van art. 474g lid 3 [Rv Curaçao] zal de rechter in zijn beschikking bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de verkoop en overdracht dienen te geschieden. In rov. 5.12 overweegt het hof dat daarbij uitgangspunt is het binnen een redelijke termijn verzekeren van een maximale verkoopopbrengst in een efficiënte procedure, met inachtneming van de statutaire voorschriften, zoveel als mogelijk is. Dit komt erop neer dat het doel van art. [479g] lid 3 [Rv Curaçao] is het verzekeren van een maximale verkoopopbrengst.”

En verderop onder 1 is te vinden:

“In rov. 5.15 overweegt het hof dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap in het algemeen tot een hogere verkoopopbrengst leidt en dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap als Tidewell in het algemeen te verkiezen is boven een openbare verkoop.”

Is dat nu echt zo? Ik meen dat de overwegingen van het hof op beide punten onjuist worden weergegeven en geduid, en bovendien dat het cassatiemiddel daarop een juridisch betoog bouwt dat slechts deels houdbaar is.

Het hof overweegt in de bewuste passage in r.o. 5.12 in essentie dat het bij de toepassing van art. 479g lid 3 Rv Curaçao gaat om (i) de redelijke termijn, (ii) een maximale opbrengst, (iii) een efficiënte procedure en (iv) de statutaire voorschriften. Dat zijn, volgens het hof dus, vier variabelen, waarbij kan worden geconstateerd dat (i) en (iii) enigszins overlappen. Het onderdeel maakt hiervan dat het bij art. 479g lid 3 Rv Curaçao alleen draait om het verzekeren van een maximale verkoopopbrengst. Maar dat is dus niet wat het hof overweegt, want het hof neemt bij het bepalen van wat in de gegeven omstandigheden kan gelden als een ‘maximale verkoopopbrengst’ dus ook andere variabelen in acht. Het hof hecht ook belang aan voortvarendheid.

In de bewuste passage in r.o. 5.15 staat vervolgens:

“Het kan zo zijn, zoals de man betoogt, dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap in het algemeen tot een hogere verkoopopbrengst leidt en ook dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap als Tidewell (met familieleden en langdurige zakenpartners van de man als aandeelhouders) in het algemeen te verkiezen is boven een openbare verkoop. Een efficiënte onderhandse verkoop van de aandelen van een vennootschap als deze (met substantiële vermogensbestanddelen in een ander land) is zonder constructief overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap echter niet goed mogelijk. Uit de verklaringen van de gemachtigden ter zitting in hoger beroep is gebleken dat dit overleg tot nu toe niet of nauwelijks heeft plaatsgevonden, ondanks het feit dat het Gerecht partijen daarvoor ruim een jaar de tijd heeft gegeven. (…)” (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G)

Hierin lees ik niet, anders dan het cassatiemiddel suggereert, dat het hof zélf overweegt dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap in het algemeen tot een hogere verkoopopbrengst leidt en dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap als Tidewell in het algemeen te verkiezen is boven een openbare verkoop (daargelaten of dat zo is). Nee, dat is wat de man heeft aangevoerd en wat het hof, zo meent het, in het midden kan laten – “Het kan zo zijn (…)” – omdat constructief overleg een voorwaarde is voor een efficiënte onderhandse verkoop en vooralsnog niet blijkt dat dat heeft plaatsgevonden. Het hof ziet geen aanleiding daarop te wachten, zo begrijp ik de passage. Daarbij neemt het hof, zo blijkt nog aan het slot van r.o. 5.15, aan dat de man de verdenking op zich laadt dat zijn gebrek aan medewerking aan overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap voortvloeit uit zijn onwil om tot betaling over te gaan. Kortom, wat het cassatiemiddel in r.o. 5.12 en 5.15 leest over het primaat van opbrengstmaximalisatie, die gediend is met onderhandse verkoop, lees ik daarin niet. Het hof is een slag genuanceerder.

De genuanceerde benadering van het hof lijkt mij terecht. Daarover nu iets meer.

Toegegeven, een zo hoog mogelijke opbrengst is belangrijk voor executant én geëxecuteerde, al lopen hun belangen in dit verband niet zonder meer geheel parallel (zie hierna in nr. 4.25). Opvallend is dat achter het algemene uitgangspunt van openbare verkoop juist ook de veronderstelling schuil gaat dat deze meestal tot een hogere opbrengst leidt dan onderhandse verkoop. In theorie steekt dat logisch in elkaar: meerdere geïnteresseerden kunnen tegen elkaar opbieden. Aan het cassatiemiddel kan in dit verband worden toegegeven dat niet vaststaat of dit in de praktijk doorgaans echt zo uitpakt. Daarom is openbare verkoop, anders dan bij andere goederen, in art. 474g Rv Curaçao niet als uitgangspunt vermeld (net zomin als onderhandse verkoop, overigens). Cruciaal lijkt of geïnteresseerden de gelegenheid krijgen voldoende informatie in te winnen om een accurate inschatting te maken van de aan de onderneming verbonden risico’s en daarmee tot een enigszins accurate waardering te komen, bij gebreke waarvan zij niet of lager zullen bieden. De aspirant-koper zal daartoe onderzoek willen doen naar de vennootschap, en dat kost tijd en heeft haken en ogen, wat doorgaans minder goed past bij een (klassieke) veiling zoals geschetst in art. 469 lid 1 Rv Curaçao en beter past bij een onderhandse verkoop, althans een (langduriger) verkoopproces met besloten kenmerken, waarbij er overigens nog steeds meerdere geïnteresseerden kunnen zijn. Hier staat tegenover dat een onderhandse verkoop van de aandelen vanuit praktisch oogpunt, gelet op de informatiebehoefte van geïnteresseerden, juist ook de medewerking van de geëxecuteerde en de vennootschap zal moeten hebben en dat die er niet zonder meer (ten volle) is.

Hoe dan ook, bij ontrafeling van de relevante aspecten blijkt dat in werkelijkheid niet ten koste van alles naar een maximale opbrengst – in de betekenis van: hoogst mogelijke opbrengst – kán worden gestreefd. De ‘maximale opbrengst’ is in theorie objectief: de rekenkundig hoogste waarde van een variabele. Maar in werkelijkheid kan nooit geweten worden wat in deze zin de maximale opbrengst is, om de eenvoudige reden dat er altijd een kans groter dan nul bestaat dat een andere geïnteresseerde in de toekomst een hogere prijs zal willen betalen. De enige manier om absoluut te voorkomen dat minder dan de maximale opbrengst wordt bereikt, is nog niet verkopen. Maar buiten kijf staat dat het wachten eindig is, en dus is ook het streven naar opbrengstmaximalisatie per definitie niet onbegrensd. De executant hoeft niet eindeloos te wachten en zich aan allerhande ingewikkeldheden te onderwerpen omdat de opbrengst in de toekomst, na meer inspanningen, eventueel hoger zou kunnen zijn. De executant kan op enig moment verlangen dat de executie iets oplevert om de schuld (deels) te delgen, ook al is dat niet de maximale opbrengst die eventueel zou kunnen worden bereikt. Met het beeld van opbrengstmaximalisatie wordt dus platgeslagen wat in werkelijkheid onvermijdelijk meerdere dimensies heeft: opbrengst, voortvarendheid, complexiteit.

Het is nuttig om in dit verband stil te staan bij een onderliggend probleem: een potentiële belangentegenstelling tussen de executant en de geëxecuteerde ten aanzien van de hoogte van de opbrengst. De executant neemt in beginsel genoegen met een zodanig bedrag dat zijn vorderingen (deels) worden voldaan. De executant zal er doorgaans bovendien belang bij hebben dat de executie voortvarend wordt voltooid en daarom de voorkeur geven aan een relatief ongecompliceerde executie, zonder al te veel noodzaak tot overleg met betrokkenen, of andere obstakels. Hoewel het verhaalsrecht ten dienste staat van de executant, zijn bij de effectuering daarvan de belangen van de geëxecuteerde nog steeds relevant. De geëxecuteerde heeft mede belang bij het maximaliseren van het surplus na delging van zijn schuld, omdat dat surplus hem toekomt (als er geen andere beslagleggers zijn). De geëxecuteerde heeft bovendien niet zonder meer hetzelfde belang bij voortvarendheid als de executant, maar heeft juist belang bij waarborgen, die als bijkomend gevolg de executie tijdrovender en gecompliceerder kunnen maken. En soms zal de geëxecuteerde er overigens ronduit belang bij hebben de executie oneigenlijk te vertragen. De rechter zal daar doorheen willen breken. Er moet dus een balans worden gevonden. Dit vindt onder andere steun in het gegeven dat de rechter volgens art. 479g lid 1 Rv Curaçao moet bepalen binnen welke termijn tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen kan worden overgegaan.

Gelet op het voorgaande lijkt het mij niet wenselijk dat de geëxecuteerde altijd het argument achter de hand zou kunnen houden dat een hogere opbrengst kan worden bereikt als met verkoop nog even wordt gewacht en de rechter vervolgens gedwongen zou zijn om daarin mee te gaan, althans tot een uitvoerige motivering wordt gedwongen in het licht van dat argument. Ik zou zeggen: laat de afweging maar bij de rechter. Daarbij draait het mede om de beoordeling van de concrete voorstellen van partijen. De rechter zal aan de hand van de gegevens die concreet voorhanden zijn moeten trachten in te schatten – meer dan dat is niet haalbaar – welke opbrengst (hoog of laag) op welk moment (nu of later) kan worden bereikt en op welke wijze (eenvoudig of complex). Als ik het goed zie, is deze relevantie van meerdere aspecten in de wetsgeschiedenis tot uitdrukking gebracht in het ‘dienen van de betrokken belangen’, de notie van ‘de beste opbrengst’ en in de woorden ‘bevind van zaken’.

Volgens de memorie van toelichting beoogt art. 479g Rv Nederland “te komen tot de vaststelling van een wijze van verkoop waarmee alle betrokken belangen het best gediend zijn.” Vervolgens staat daarin met betrekking tot het derde lid onder meer (met door mij aangebrachte onderstrepingen):

“Het derde lid wil de rechter de mogelijkheid geven om naar bevind van zaken behalve het tijdstip ook de wijze van uitwinning zodanig te bepalen, dat de beste opbrengst wordt verkregen. In ieder geval omvat dit de bevoegdheid te bepalen, dat de verkoop ondershands zal plaatsvinden en door de deurwaarder zal kunnen worden afgesloten.”

Hieruit volgt naar mijn begrip dat met de bepaling is beoogd de rechter een naar eigen inzicht – in het zicht van alle betrokken belangen – te hanteren instrument te geven om te bepalen dat de executoriale verkoop onderhands plaatsvindt. Zo’n onderhandse verkoop van de aandelen kan het bereiken van de “beste opbrengst” bevorderen, zo is de gedachte geweest. De woorden “beste opbrengst” suggereren een evaluatie die kan zien op meerdere variabelen en mede subjectief kan zijn. Een hogere opbrengst die pas na een significant langer tijdsverloop en tegen hogere executiekosten kan worden bereikt en bovendien met onzekerheid is omgeven, is niet zonder meer een betere opbrengst. Of dat zo is, verlangt een afweging, mede gebaseerd op inschattingen over de kansen waarmee verschillende scenario’s zich zullen voltrekken. De rechter geniet daarbij een grote mate van vrijheid. Het kan zo zijn dat een lagere opbrengst die hier en nu met grote zekerheid kan worden verkregen, een betere opbrengst is. Alleen als een van de betrokkenen een concreet onderhands bod kan overleggen, dan zal de rechter zich kunnen buigen over de afweging van enerzijds wat al op tafel ligt, en anderzijds wat misschien nog kan worden bereikt. In zo’n geval zal er van de motivering van de rechter wellicht iets meer mogen worden verlangd. Dit geval is niet zo’n geval.

Hoewel een onderhandse verkoop van aandelen in het algemeen meer voor de hand ligt (zie nr. 4.23 hiervoor), laat art. 474g lid 3 Rv Curaçao toe dat voor openbare verkoop wordt gekozen, al was het maar als stok achter de deur. Zou men deze stok achter de deur weghalen uit het oogpunt van opbrengstmaximalisatie, dan zou dat per saldo wel eens ertoe kunnen leiden dat het verhaalsrecht van de schuldeiser feitelijk illusoir wordt. De wetgever heeft dat dus ook niet gedaan. Het is ook niet nodig om de rechter op het hart te drukken dat opbrengstmaximalisatie een belangrijk streefdoel is. Dat snapt de rechter zelf ook wel, al was het maar omdat de belangen van de executant en de geëxecuteerde in dit opzicht tot op zekere hoogte gelijklopen (zie nr. 4.23 hiervoor).

Tot zover iets over het kader. Dan rest mij hier nog het volgende op te merken over de vooropstellingen onder 1. Wat daar onder iii t/m vi wordt uiteengezet heeft in de kern niet betrekking op executoriale verkoop van de aandelen van de man in Tidewell, maar op verkoop van vermogensbestanddelen van Tidewell. Dat zijn twee heel verschillende dingen, en het is nogal wiedes dat de rechter uit hoofde van art. 474g lid 3 Rv Curaçao geenszins gehouden kan zijn om te bepalen dat niet de beslagen aandelen moeten worden verkocht, maar de vermogensbestanddelen van de vennootschap. Zolang dat geen schuldeisersbenadeling oplevert, staat het de beslagdebiteur-aandeelhouder en de vennootschap natuurlijk vrij om vermogensbestanddelen liquide te maken en (al dan niet na uitkering van dividend) de vordering waarvoor beslag is gelegd, te voldoen. Daarop heeft de voorliggende procedure echter niet betrekking.

Tegen die achtergrond ga ik nu in op de klachten. Gelet op het voorgaande is het geenszins een thriller: van de klachten slaagt er mijns inziens géén.

Subonderdeel 1.1 klaagt – samengevat - als volgt. Op grond van art. 474g lid 3 Rv Curaçao moet de rechter de modaliteiten van verkoop zodanig bepalen dat “de beste (maximale) opbrengst” wordt verkregen. De beslissing moet “beste opbrengst” verzekeren, althans bij de toepassing van art. 474g lid 3 Rv Curaçao komt doorslaggevend gewicht toe aan het belang van het verzekeren van de “beste verkoopopbrengst”. De vrijheid van de rechter wordt hierdoor begrensd. In zoverre heeft de wetgever de rechter dus niet de vrije hand gelaten. Ook het hof neemt dit in r.o. 5.12 klaarblijkelijk – en terecht – tot uitgangspunt. Indien het hof iets anders heeft geoordeeld, dan getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Om de opbrengst te maximaliseren, moet de rechter kiezen voor een onderhandse verkoop in plaats van een openbare verkoop van de aandelen en bij het bepalen van de termijn rekening houden met een redelijke termijn voor de verkoop van de vermogensbestanddelen van de holdingvennootschap waarin “de aandelen” worden gehouden. Een en ander geldt temeer, althans in elk geval, als sprake is van een minderheidsbelang (zonder controle) in een holdingvennootschap (i.e. Tidewell) en alle overige aandeelhouders akkoord zijn met de verkoop van de vermogensbestanddelen van deze holdingvennootschap. Het hof heeft het voorgaande miskend in r.o. 5.15 t/m 5.18, althans zijn oordelen aldaar niet naar behoren gemotiveerd om de in de subonderdelen 1.2 t/m 1.5 uit te werken en mede in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.

Het subonderdeel – daargelaten de vooruitverwijzing naar volgende subonderdelen aan het slot – stuit af op wat ik in nr. 4.22 t/m 4.29 heb uiteengezet. Opbrengstmaximalisatie is niet het enige desideratum en de rechter is niet gehouden om in bepaalde gevallen te bepalen dat de aandelen onderhands moeten worden verkocht. Art. 474g lid 3 Rv Curaçao doet daarentegen een beroep op de wijsheid en het praktische inzicht van de rechter om naar bevind van zaken – in het licht van alle betrokken belangen – recht te doen aan het geval dat voorligt. Een openbare verkoop is in dat verband niet a priori uitgesloten, ook niet in bepaalde categorieën gevallen. Overigens geldt hier ook dat de verkoop van de vermogensbestanddelen van Tidewell iets anders is dan de executoriale verkoop van de aandelen waarvan de rechter uit hoofde van art. 474g lid 3 Rv Curaçao de modaliteit moet bepalen.

Subonderdeel 1.2 bevat – samengevat – het volgende. Partijen hebben beiden aangevoerd dat een onderhandse verkoop van de aandelen te verkiezen is boven een openbare verkoop, omdat dit tot een hogere verkoopopbrengst leidt. In r.o. 5.15 overweegt het hof zelf ook dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap in het algemeen tot een hogere verkoopopbrengst leidt en dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap als Tidewell in het algemeen te verkiezen is boven een openbare verkoop. In cassatie staat dus (in ieder geval veronderstellenderwijs) vast dat een onderhandse verkoop van de aandelen in Tidewell tot de beste verkoopopbrengst zal leiden. De man heeft daarnaast aangevoerd dat een openbare verkoop van de aandelen onvoldoende verhaal zal bieden om de vordering van de vrouw volledig te voldoen. Hiervan uitgaande en gelet op het doel van opbrengstmaximalisatie, zijn de door het hof in r.o. 5.15 genoemde omstandigheden onvoldoende om – bij wijze van uitzondering – niet tot onderhandse verkoop van de aandelen te beslissen. Vervolgens worden in het subonderdeel onder (a) en (b) door het hof in r.o. 5.15 vermelde argumenten voor zijn beslissing besproken.

Het subonderdeel slaagt niet omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, te weten dat de rechter in beginsel moet beslissen dat de aandelen onderhands worden verkocht. Het subonderdeel gaat bovendien uit van een onjuiste lezing van r.o. 5.15, nu het hof daar niet zélf overweegt dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap in het algemeen tot een hogere verkoopopbrengst leidt en dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap als Tidewell in het algemeen te verkiezen is boven een openbare verkoop. Zie nr. 4.21 hiervoor.

Overigens slagen de nadere klachten die onder (a) en (b) worden aangevoerd, die ik zo meteen zal weergeven, ook op zichzelf beschouwd niet. Volgens het subonderdeel noemt het hof in r.o. 5.15 twee omstandigheden: (a) de man laadt de verdenking op zich dat zijn gebrek aan medewerking aan overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap voortvloeit uit zijn onwil om tot betaling over te gaan, en (b) (constructief) overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap heeft niet of nauwelijks plaatsgevonden. Deze overwegingen, aldus het subonderdeel, kunnen het oordeel van het hof niet dragen gelet op het volgende:

(a) Dat de man de verdenking op zich laadt dat zijn gebrek aan medewerking aan overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap voortvloeit uit zijn onwil om tot betaling over te gaan, is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De man heeft aangevoerd dat hij na de beslissing van het gerecht in eerste aanleg van 13 december 2024 in overleg is getreden met de aandeelhouders om “een onderhandse verkoop” mogelijk te maken, en dat hij herhaaldelijk contact heeft gezocht met de vrouw om de beoogde onderhandse verkopen toe te lichten en haar medewerking te verkrijgen, maar dat de vrouw daarna niet meer heeft gereageerd. Verwezen wordt naar de spreekaantekeningen van de man in hoger beroep van 14 oktober 2025, nrs. 3.5, 3.8 t/m 3.10 en 3.15 t/m 3.16 en productieverwijzingen aldaar.

(b) De overweging dat (constructief) overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap niet of nauwelijks heeft plaatsgevonden, kan het oordeel van het hof evenmin dragen. Naar de man heeft aangevoerd, is het enkele feit dat niet of nauwelijks overleg is gevoerd, gegeven het belang bij opbrengstmaximalisatie, niet voldoende om niet tot onderhandse verkoop te beslissen. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist, die het hof niet heeft vastgesteld. Zou dit anders zijn, en zou het enkele feit dat niet of nauwelijks overleg heeft plaatsgevonden over een onderhandse verkoop wél voldoende zijn om tot een openbare verkoop te beslissen, dan zou de beslaglegger een onderhandse verkoop immers kunnen voorkomen door niet te (willen) overleggen met de beslagene, zoals in dit geval ook is gebeurd (zie hiervoor achter a). Dat is onwenselijk.

Interessant is dat het subonderdeel de volgorde die het hof in r.o. 5.15 hanteert, omkeert: eerst het punt van de verdenking, dan pas het ontbreken van overleg. In de bewuste passage staat in werkelijkheid:

“Een efficiënte onderhandse verkoop van de aandelen van een vennootschap als deze (met substantiële vermogensbestanddelen in een ander land) is zonder constructief overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap echter niet goed mogelijk. Uit de verklaringen van de gemachtigden ter zitting in hoger beroep is gebleken dat dit overleg tot nu toe niet of nauwelijks heeft plaatsgevonden, ondanks het feit dat het Gerecht partijen daarvoor ruim een jaar de tijd heeft gegeven. De man laadt de verdenking op zich dat zijn gebrek aan medewerking aan dit overleg voortvloeit zijn onwil om tot betaling over te gaan.”

Anders dan het subonderdeel zie ik hierin niet twee omstandigheden. De kern is, vrij vertaald, dat het vereiste overleg met de vrouw niet uit de verf is gekomen door gebrek aan medewerking van de man. Dat de man daarmee een verdenking op zich laadt voor wat betreft zijn motieven is een gevolgtrekking en is secundair. De “verklaringen van de gemachtigden ter zitting” die het hof op het oog heeft, zijn klaarblijkelijk (onder meer) de volgende uit het proces-verbaal van 14 oktober 2025:

“Mr. Putter:

(...) Er zijn acties geweest aan de zijde van de man om in contact te komen met de vrouw voor overleg over waardering en onderhandse verkoop, maar de man is volledig genegeerd. Ik heb meerdere e-mails gestuurd en zij heeft alle gelegenheid gehad om bij het overleg betrokken te zijn. (...)

Mr. Putter:

(…) Er is ook een uitvoerig telefoongesprek gevoerd met mr. de Groot (de Nederlandse advocaat van de vrouw), dat heb ik net voor de zitting gecheckt. Mr. Barten was ook betrokken bij de mails om tot overleg te komen over onderhandse verkoop. De vrouw heeft sinds de uitspraak van het Gerecht ook niets gedaan. Zij heeft bijna een jaar stilgezeten en niets gedaan om de openbare verkoop te realiseren. (…)

(…)

Mr. van Erpers Roijaards:

Ik heb nog een opmerking over het telefoongesprek waar mr. Putter het over heeft. Het klopt dat mr. Putter contact heeft opgenomen met mr. de Groot. Het gesprek ging over de verkoop van de assets van Tidewell. Dat was eerder in 2021 ook het geval. Het gesprek betrof meer een mededeling dan het verstrekken van inlichtingen. Tijdens dat gesprek heeft mr. de Groot namens de vrouw aangegeven bereid te zijn om mee te werken. Sinds mei 2025 heeft de vrouw echter niets meer vernomen over de verkoop van die assets. De man dient zijn schulden te voldoen.

(…)

Mr. Putter:

Veel aandeelhouders zijn daartoe bereid en behoren tot de tweede generatie van aandeelhouders. Zij willen hun eigen prioriteiten naleven en geen zaken doen met de contacten van hun ouders. Het gaat om Portugal en de situatie ontwikkelt zich daar dagelijks. Vanuit hun eigen overwegingen willen zij van die aandelen af. Dat is ook concreet de bedoeling geweest van het gesprek met de wederpartij.

(…)

Mr. Barten:

Als het om een vrijwillige verkoop gaat, dan moeten alle aandeelhouders daarmee instemmen. Zo simpel is het echter niet: er moet ook een dividendbesluit worden genomen. Ik kan op dit moment niet zeggen op welke manier dit zou moeten gebeuren, omdat ik geen inzicht heb in de vennootschap.

Mr. Putter:

Mr. de Groot zou bij mij terugkomen op mijn voorstel, maar heeft dat niet gedaan. Ik denk dat daar moverende redenen voor zijn.

Mr. Putter:

Het vermogen zit vast in allerlei bestanddelen. De aandeelhouders kunnen een volmacht tekenen om de verkoop van de aandelen door te laten gaan. Er heerst een enorm wantrouwen bij de wederpartij over hoe het proces verloopt.

Mr. Barten:

Het einde van het jaar 2026 is veel te ver weg, gezien de leeftijd van de vrouw.

Mr. Putter:

Volgens de beslissing van het Gerecht gaat het om een periode van twee jaar. 1 januari 2026 geldt als de einddatum van de termijn voor onderhandse verkoop. De onderhandse verkoop op de wijze zoals voorgelegd door de man is concreet. Er is met de vrouw gesproken om te bezien wanneer de verkoop zou kunnen plaatsvinden. Als er een bemiddelaar wordt aangewezen, kan dat het proces mogelijk bespoedigen.

Een opmerking over openbare en onderhandse verkoop. Dat de man dit zou belemmeren, is niet juist. De man wil dat niet doen. Zijn standpunt is duidelijk: de voorwaarden worden door de rechter bepaald. De positionering van de man is duidelijk gericht op het verduidelijken van de verkoopvoorwaarden. (…)”

Het is niet onbegrijpelijk dat er volgens r.o. 5.15 niet of nauwelijks overleg heeft plaatsgevonden over een “efficiënte onderhandse verkoop van de aandelen”. Volgens de inhoud van het proces-verbaal heeft de man de vrouw benaderd in verband met de verkoop van de vermogensbestanddelen van Tidewell, wat juridisch én praktisch iets anders is. Ook in cassatie wordt namens de man gewezen op de mogelijkheid van onderhandse verkoop van vermogensbestanddelen van Tidewell (zie de vooropstellingen bij onderdeel 1), hoewel in klacht (a) met tactische algemeenheid wordt gerept over “een onderhandse verkoop”. De vindplaatsen die in klacht (a) worden aangedragen hebben ook betrekking op een onderhandse verkoop van vermogensbestanddelen van Tidewell. Onderhandse verkoop van vermogensbestanddelen van Tidewell ter delging van de schuld van één van de aandeelhouders verlangt echter optreden van Tidewell, zowel bij die verkoop als, vervolgens, uitkering van dividend. Zo’n transactie is geen executoriale verkoop van de aandelen van de man. Zie nrs. 4.29 en 4.32 hiervoor. Daarop wijst het hof ook in r.o. 5.16. De klacht onder (a) ketst op het voorgaande af.

De klacht onder (b) slaagt al niet omdat zij uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat de rechter in beginsel gehouden is te bepalen dat de verkoop (van de aandelen) onderhands plaatsvindt. Zie nr. 4.21 e.v. hiervoor. Dat volgens de man het gevaar bestaat dat de beslaglegger een onderhandse verkoop kan voorkomen door niet te (willen) overleggen met de beslagene, maakt dat niet anders. De rechter kan dat aspect immers, in voorkomende gevallen, meewegen en juist in dit opzicht voorwaarden bepalen. Wel zullen er dan eerst voldoende aanknopingspunten moeten zijn voor een onderhandse verkoop van de aandelen langs de lijnen van wat de beslagene aandraagt. Als de beslagene een onderhandse verkoop van andere goederen aandraagt, zoals vermogensbestanddelen van de vennootschap waarin de beslagen aandelen worden gehouden, dan zijn die aanknopingspunten afwezig, zoals hier.

Subonderdeel 1.2a, aangevoerd in de aanvullende procesinleiding, klaagt over de overweging van het hof in r.o. 5.15 dat de man de verdenking op zich laadt dat zijn gebrek aan medewerking aan overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap (over “een onderhandse verkoop”) voortvloeit uit zijn onwil om tot betaling over te gaan. Deze overweging is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aldus het subonderdeel. Vervolgens wordt in het subonderdeel uitgebreid uiteengezet wat uit de spreekaantekeningen van de man en het proces-verbaal van 14 oktober 2025 kan worden afgeleid over de wijze waarop de man tevergeefs heeft getracht met de vrouw overleg te voeren.

Het subonderdeel slaagt niet omdat het integraal eraan voorbijziet dat de bewuste overweging van het hof in r.o. 5.15 betrekking heeft op overleg over de onderhandse verkoop van de aandelen in Tidewell, terwijl wat in het subonderdeel wordt aangehaald kennelijk betrekking heeft op de onderhandse verkoop van vermogensbestanddelen van Tidewell. Dat overweegt het hof ook met zo veel woorden in r.o. 5.16.

Subonderdeel 1.3 klaagt – vergaand samengevat – als volgt. De man heeft aangevoerd dat een aanzienlijk hogere verkoopopbrengst van de aandelen kan worden verzekerd als eerst de vermogensbestanddelen van Tidewell (het hotel en de landpercelen) worden verkocht en pas daarna de aandelen van de man in Tidewell (een minderheidsbelang). Dat heeft de man onderbouwd met een memo van deskundigen. In het licht hiervan is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat het hof in r.o. 5.16 oordeelt dat niet in voldoende mate is te verwachten dat de opbrengst bij die (door de man voorgestelde) aanpak veel hoger zal zijn dan bij een openbare verkoop.

Het subonderdeel kan niet tot succes leiden. In r.o. 5.15 oordeelt het hof – kort samengevat – dat een plan voor de onderhandse verkoop van de aandelen niet uit de verf is gekomen. Daar houdt het voor wat betreft de keuze tussen openbare of onderhandse verkoop als bedoeld in art. 474g lid 3 Rv Curaçao al op. Kennelijk voor de volledigheid overweegt het hof in r.o. 5.16 dat de man heeft geopperd dat de vermogensbestanddelen van Tidewell onderhands kunnen worden verkocht. In het kader van art. 474g lid 3 Rv Curaçao kón het hof niet bepalen dat dat de marsroute is (zie nrs. 4.29 en 4.32 hiervoor), en al daarom heeft de man er geen belang bij erover te klagen dat het hof daarin niet meegaat met onder andere de overweging dat “[e]venmin (…) in voldoende mate [is] te verwachten dat de opbrengst bij die aanpak veel hoger zal zijn dan bij een openbare verkoop”.

Voor zover het subonderdeel erop berust dat het betoog van de man eigenlijk erom ging dat de waarde van de aandelen ermee gediend is dat éérst vermogensbestanddelen van Tidewell worden verkocht en daarna – executoriaal – de aandelen van de man in Tidewell, dan geldt dat het hof dat kennelijk niet zo heeft begrepen en dat niet kenbaar wordt verwezen naar vindplaatsen van stellingen die het hof in dát verband over het hoofd zou hebben gezien. In de spreekaantekeningen van de man in hoger beroep van 14 oktober 2025 zie ik zoiets in ieder geval niet duidelijk terug. Integendeel, daar wordt bijvoorbeeld in nr. 3.12 gesproken over een keuze tussen verkoop van het minderheidsbelang van de man en individuele verkopen van onroerende zaken. Voor zover het subonderdeel daar nu van zou willen maken dat ‘én-én’ is bedoeld, vind ik dat niet overtuigend.

Subonderdelen 1.4 en 1.5 klagen in het verlengde van subonderdeel 1.3 over de wijze waarop het hof is omgesprongen met stellingen over, samengevat, de voordelen van een onderhandse verkoop van vermogensbestanddelen in de loop van 2026 ten opzichte van een openbare verkoop van de aandelen op korte termijn.

De subonderdelen slagen niet, gelet op wat hiervoor in nrs. 4.43 en 4.44 aan de orde kwam over subonderdeel 1.3.

Onderdeel 1 kan dus niet tot cassatie leiden.

Onderdeel 2 draagt het opschrift “het hof heeft ten onrechte niet de voorwaarden bepaald die de beste verkoopopbrengst kunnen verzekeren” en bestaat uit subonderdelen 2.1 t/m 2.3.

Enigszins samengevat wordt onder 2 het volgende vooropgesteld. De man heeft uitgewerkt welke voorwaarden de rechter moet bepalen om de opbrengst bij een openbare verkoop als de onderhavige te maximaliseren, te weten:

i. dat een ter zake deskundige een waardering moet opmaken van de aandelen en dat op basis daarvan een minimumprijs wordt gehanteerd;

ii. op welke wijze de veiling wordt aangekondigd en welke termijn daarbij wordt gegeven aan geïnteresseerde bieders;

iii. ten overstaan van welke notaris en op basis van welke voorwaarden veiling zal plaatsvinden;

iv. op welke wijze de overdracht zal geschieden.

De man heeft aangevoerd dat de voorwaarden niet geheel of gedeeltelijk mogen worden overgelaten aan een derde zoals (in dit geval) de deurwaarder zonder dat daarop rechterlijke controle plaatsvindt. In r.o. 5.18 heeft het hof dit betoog verworpen en zich verenigd met de randvoorwaarden die het gerecht in eerste aanleg heeft opgesteld voor de openbare verkoop. Het gaat om de volgende randvoorwaarden: (a) de vrouw kan met ingang van 1 januari 2026 overgaan tot uitwinning van de beslagen aandelen door openbare verkoop daarvan door de deurwaarder, met een door de deurwaarder vast te stellen inzetprijs, welke openbare verkoop uiterlijk op 31 december 2027 zal moeten hebben plaatsgevonden, en (b) de deurwaarder kan (zelfstandig) nadere regels en voorwaarden vaststellen teneinde een ordentelijk verkoopproces en een hoge opbrengst te bewerkstelligen. Volgens het hof valt niet in te zien dat art. 474g Rv Curaçao in dit geval meer dan dat vereist.

Subonderdeel 2.1 bevat de volgende rechtsklacht. Het doel van art. 474g lid 3 Rv Curaçao is het zoveel mogelijk verzekeren van een maximale verkoopopbrengst. De vrijheid van de rechter wordt hierdoor begrensd. In zoverre heeft de wetgever de rechter dus niet de vrije hand gelaten. Dit brengt mee dat de rechter de voorwaarden moet bepalen waaronder de beste verkoopopbrengst wordt verzekerd, althans dat bij de toepassing van art. 474g lid 3 Rv Curaçao doorslaggevend gewicht toekomt aan het belang van het verzekeren van de beste verkoopopbrengst. Dit betekent dat de rechter moet onderzoeken welke voorwaarden moeten worden gesteld om de opbrengst van de verkoop van de beslagen aandelen te maximaliseren en deze voorwaarden moet opnemen in zijn beschikking. Vervolgens wordt in het subonderdeel uitgewerkt waarom het hof dat heeft miskend. Samengevat komt dat betoog erop neer dat het hof in r.o. 5.18 heeft onderkend, althans in het midden gelaten, dat de voorwaarden die de man heeft aangedragen teneinde een maximale opbrengst te verzekeren bij een openbare verkoop van de aandelen van de man “natuurlijk opties” zijn en dat deze voorwaarden kunnen bijdragen aan het verzekeren van een maximale opbrengst bij een openbare verkoop van de aandelen. Het hof, zo vervolgt het subonderdeel, heeft deze echter niet (kenbaar) onderzocht en niet opgenomen in zijn beschikking maar overgelaten aan partijen en de deurwaarder. Gelet op het doel van opbrengstmaximalisatie moest het hof deze voorwaarden in zijn beschikking opnemen.

Het subonderdeel slaagt niet, omdat het is gefundeerd op de onjuiste rechtsopvatting dat (i) het zoveel mogelijk verzekeren van een maximale verkoopopbrengst het doel van art. 474g lid 3 Rv Curaçao is en (ii) de rechter tegen de achtergrond daarvan géén vrijheid heeft om naar bevind van zaken de wijze van verkoop en de voorwaarden te bepalen die hij in het voorliggende geval verstandig acht, in afwijking van wat een partij heeft aangedragen, waaronder door de invulling daarvan deels aan partijen en de deurwaarder over te laten. Uit nr. 4.25 hiervoor volgt dat dit anders ligt.

Overigens geldt ook in algemenere zin, als wordt geabstraheerd van deze onjuiste rechtsopvatting omtrent opbrengstmaximalisatie, niet dat de rechter de voorwaarden van de verkoop als bedoeld in art. 474g lid 3 Rv Curaçao nooit deels zou mogen overlaten aan partijen en de deurwaarder, laat staan dat de rechter de door één van partijen aangedragen voorwaarden in de beschikking moet opnemen. Niet valt in te zien waarom generiek zou gelden dat door partijen aangedragen voorwaarden die kunnen bijdragen aan ‘het verzekeren’ van een maximale opbrengst (daargelaten of een maximale opbrengst kan worden ‘verzekerd’) al daarom in de beschikking moeten worden opgenomen, welk criterium geen begrenzing in hoeveelheid en importantie toelaat. Uit de wet, wetsgeschiedenis of rechtspraak volgt niet dat de rechter daartoe gehouden is. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal de rechter de gekozen oplossing en de gedetailleerdheid daarvan meer of minder indringend moeten motiveren, mede in het licht van wat partijen hebben aangedragen, maar dat is iets anders.

Subonderdeel 2.2 klaagt – samengevat – als volgt. Als het hof het in subonderdeel 2.1 aangevoerde niet heeft miskend, is zijn oordeel dat art. 474g Rv Curaçao in dit geval niet meer vereist dan de randvoorwaarden die het gerecht in eerste aanleg had bepaald, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het hof heeft deze en andere voorwaarden immers niet (kenbaar) onderzocht. Evenmin legt het hof uit waarom de door de man aangedragen voorwaarden, die kunnen bijdragen aan het verzekeren van een maximale opbrengst bij een openbare verkoop van aandelen, in dit geval (desondanks) niet in de beschikking moeten worden opgenomen.

Het subonderdeel bouwt voort op de onjuiste rechtsopvatting die ten grondslag ligt aan subonderdeel 2.1 en slaagt dus, net als dat subonderdeel, niet.

Subonderdeel 2.3 bouwt voort op subonderdelen 1.1 t/m 1.5, 2.1 en 2.2 en slaagt wat mij betreft niet omdat, naar ik meen, geen van die subonderdelen slaagt.

Onderdeel 2 kan dus niet tot cassatie leiden.

Onderdeel 3 draagt het opschrift “de deurwaarder is niet onafhankelijk en niet onpartijdig, ongeschikt”. Geklaagd wordt als volgt. De man heeft aangevoerd dat de door het gerecht in eerste aanleg aangewezen deurwaarder niet onpartijdig en onafhankelijk is en dus ongeschikt is om het verkoopproces te begeleiden. De deurwaarder heeft tegenover de advocaat van de man immers verklaard dat de (advocaten van de) vrouw hem ertoe heeft (hebben) bewogen om, terwijl de procedure voor vonnis stond bij het gerecht in eerste aanleg, namens de vrouw nadere stukken in te dienen die haar eigen advocaten niet meer mochten indienen en vervolgens – in strijd met de waarheid – schriftelijk te ontkennen dat de opdracht daartoe van de (advocaten van de) vrouw kwam. Verwezen wordt naar nrs. 4.11 en 4.12 van de spreekaantekeningen van de man in hoger beroep van 14 oktober 2025, waar verwijzingen naar productie 16 te vinden zijn. In het licht van deze stellingen van de man is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat het hof in r.o. 5.19 oordeelt dat de man dit bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het hof geen aanleiding ziet om te betwijfelen dat de deurwaarder bereid en in staat is de hem opgelegde taak te vervullen, aldus het onderdeel. Dat de deurwaarder dit laatste ter zitting in hoger beroep zelf heeft verklaard, mag zo zijn. Dit enkele feit kan de twijfels echter niet wegnemen en levert dan ook geen begrijpelijke weerlegging op van dit bezwaar van de man, aldus het onderdeel.

Het onderdeel slaagt niet. Ik licht dat toe.

Productie 16 bevat – in verschillende regels van de tabel aldaar – een specificatie van de stellingen van de man omtrent gedragingen van de deurwaarder bestaande uit het indienen van stukken in eerste aanleg namens de (advocaten van de) vrouw en vervolgens de ontkenning door de deurwaarder dat hij de stukken namens de (advocaten van de) vrouw heeft ingediend. Productie 16 verwijst naar e-mails, maar deze zijn niet overgelegd. De productie bevat ook geen andere bewijsstukken. Namens de vrouw is een en ander betwist (proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 14 oktober 2025, p. 5).

Aan de hand van de procesinleiding en de daar vermelde vindplaatsen wordt mij nauwelijks duidelijk waarover het nu precies gaat, maar volgens mij zit het – mede aan de hand van nrs. 4.2 t/m 4.4 van het verweerschrift van de vrouw in cassatie – als volgt. Op 11 november 2024, de datum vermeld in productie 16, dus ná de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 22 oktober 2024, aan het slot waarvan de voorzitter te kennen gaf dat een beschikking zal worden gegeven, heeft de deurwaarder kennelijk stukken aan de rechter gestuurd. Het ging kennelijk om betekeningsstukken die nog niet waren overgelegd en die het gerecht in eerste aanleg kennelijk ook buiten beschouwing heeft gelaten. Dat het gaat om betekeningsstukken is op te maken uit nr. 3.11 van het aanvullend beroepschrift van de man van 24 januari 2025, bij welk processtuk de man deze stukken zélf als producties 5 en 6 heeft overgelegd.

Kennelijk heeft het hof deze kwestie, gelet op de aard van de stukken waarom het ging en het gegeven dat de man deze zelf onderdeel wilde maken van het procesdossier, van onvoldoende gewicht geacht om de stellingen van de man – die ook in productie 16 niet nader zijn gesubstantieerd met stukken – te onderzoeken in het kader van de beantwoording van de vraag of de deurwaarder geschikt is om het verkoopproces te begeleiden. Zo begrijp ik r.o. 5.19. Onbegrijpelijk is dat mijns inziens niet.

Onderdeel 3 kan dus niet tot cassatie leiden.

Onderdeel 5 klaagt nog dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in r.o. 5.14 dat de vrouw heeft gesteld dat de man beschikt over 21% van de aandelen in Tidewell en dat de man dit in feite niet heeft betwist. Dit oordeel van het hof is onbegrijpelijk, aangezien de man heeft gesteld dat hij een minderheidsbelang van 20,8% in Tidewell heeft.

Het onderdeel ontbeert belang. De overweging dat de man een aandelenbelang van 21% (in plaats van 20.8 %) heeft in Tidewell, doet er niet toe voor de toepassing van art. 474g lid 3 Rv op dit geval en heeft ook geen betekenis (dat wil zeggen: gezag van gewijsde) buiten deze procedure.

Onderdeel 5 kan dus niet tot cassatie leiden.

Onderdeel 6 bouwt voort op onderdelen 1 t/m 5, waarvan naar mijn mening geen tot cassatie kan leiden, zodat dit onderdeel evenmin tot cassatie kan leiden.

5. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Ik geef in overweging de zaak af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand