Bewijsoverwegingen feit 1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de Stichting niet, dan wel niet volledig heeft voldaan aan de vorderingen van de POCOB.
Verdachte heeft opzettelijk aan de POCOB medegedeeld dat de Stichting niet beschikte over de door de FIOD in beslag genomen administratie, terwijl hij wist dat de Stichting daar wel over beschikte. Had verdachte die administratie geraadpleegd dan had hij veel volledigere antwoorden kunnen geven op de vordering van de POCOB. Door dit na te laten heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de Stichting onvolledige informatie zou verstrekken aan de POCOB.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:
Tijdens de voorbereidende gesprekken met de landsadvocaat, mr. J. van Uden, is afgesproken dat verdachte de inlichtingen zou verstrekken voor zover hij die op basis van zijn herinnering nog kon herleiden. Tegen die achtergrond heeft verdachte alle mogelijke moeite gedaan om aan de vorderingen te kunnen voldoen. Hij heeft verschillende keren contact met de FIOD opgenomen om de administratie terug te krijgen, boekhouders benaderd, onderzoek in open bronnen gedaan en is aanwezig geweest bij de voorbereidende gesprekken met de POCOB waarin de vorderingen zijn afgebakend.
Hij heeft toestemming gegeven om de stukken op te vragen bij de FIOD en alles gedaan wat hij op grond van de wet verplicht was. De rechtbank heeft ook bevestigd dat de Stichting en haar bestuur voldoende inspanningen hebben verricht om aan de vorderingen te voldoen en hen terecht vrijgesproken.
Oordeel van het hof
Een enquêtecommissie heeft op grond van de Wpe een aantal bevoegdheden om inlichtingen en documenten te vorderen bij elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die in Nederland verblijft of bedrijfsactiviteiten uitvoert. Die bevoegdheden worden begrensd door het door de Tweede Kamer vastgestelde onderwerp van het onderzoek en het evenredigheidsbeginsel: de commissie voert haar bevoegdheden slechts uit voor zover dat naar het redelijk oordeel van de commissie voor de vervulling van haar taak nodig is. Gelet op de formulering van het wetsartikel mag de rechter slechts marginaal toetsen of het noodzakelijk is een bepaalde bevoegdheid uit te oefenen.
De commissie kan medewerking afdwingen: de Wpe bepaalt dat de commissie de rechtbank Den Haag kan verzoeken een bevel tot medewerking met oplegging van een dwangsom of een bevel tot gijzeling te geven. De artikelen 192, 192a tot en met 192d van het Wetboek van Strafrecht stellen het niet meewerken aan de vorderingen van de commissie strafbaar.
In de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) bij de Wpe wordt toegelicht waarom de bevoegdheden van een enquêtecommissie in de Wpe 2008 zijn uitgebreid ten opzichte van de vorige wetsversie. Zo is een bevoegdheid om inlichtingen te vorderen toegevoegd. De MvT stelt daarover (pagina 16):
In een met een specifiek oogmerk op te stellen schriftelijk document zal informatie echter over het algemeen toegankelijker en meer gestructureerd bijeen gebracht kunnen worden dan bij een mondeling verhoor. Hierdoor kan de enquêtecommissie een beter inzicht en overzicht krijgen van feiten of gebeurtenissen.
Bepaalde informatie leent zich echter beter voor een schriftelijke neerlegging, dan voor een mondelinge vertaling. Te denken valt bijvoorbeeld aan het geven van een inzicht in de kosten die bepaalde handelingen in een aantal jaren met zich hebben meegebracht.
Bij het vragen van schriftelijke inlichtingen zullen derden zich er - anders dan bij een verhoor - echter veelal niet op kunnen beroepen dat zij de betreffende informatie niet paraat hebben. Hen zal immers door de enquêtecommissie enige tijd worden gegund om de informatie te verzamelen en te achterhalen. Vanuit het belang van waarheidsvinding door de enquêtecommissie, achten de indieners de mogelijke verzwaring van verplichtingen van burgers en bedrijven als gevolg van deze nieuwe bevoegdheid gerechtvaardigd.
De juridisch adviseur van de POCOB ( [betrokkene 4] ) heeft over de feitelijke gang van zaken bij het opvragen van inlichtingen en documenten bij de Stichting bij de rechter commissaris verklaard:
In zijn algemeenheid, als ik het mij goed herinner, was de vordering datgene dat de FIOD bij de stichting [A] in beslag had genomen. De commissie heeft dat gevorderd bij de FIOD. Volgens mij heeft zij dat ook gekregen, voor zover ik weet.
Zij verklaarde dat de POCOB de FIOD-bescheiden al vóór het verhoor van verdachte had ontvangen. Het belang daarvan relativeerde zij vervolgens als volgt:
Mag ik even verifiëren of het voor iedereen hier duidelijk is dat het wel of niet hebben van de FIOD stukken, niet van belang was voor de commissie in relatie tot de vorderingen die door de commissie aan [A] waren gedaan?
In het algemeen is het zo, dat geldt voor elke commissie, dat je vorderingen doet bij verschillende partijen en dat je dat naast elkaar legt. En daar waar gaten ontstaan, daar ga je nader onderzoek naar doen. Dat is het proces van waarheidsvinding en verificatie daarbinnen. En het is gewoon een feit dat als een actor geen stukken levert, dat je daarmee ook mogelijk niet de hele waarheid boven tafel krijgt.
In het licht van het voorgaande stelt het hof vast dat een enquêtecommissie een zelfstandige bevoegdheid heeft om - ook bij overheidsinstanties en zonder dat daarvoor toestemming is vereist - documenten op te vragen en dat het voor de waarheidsvinding nu juist van belang is om informatie en documenten die uit verschillende bronnen aan de commissie zijn overgelegd, te vergelijken en verifiëren. Daarbij is in de wetsversie van 2008 expliciet de bevoegdheid toegevoegd om inlichtingen te vorderen, zodat informatie toegankelijker en meer gestructureerd wordt aangeleverd.
Het hof overweegt dat het belang van de hierboven genoemde bevoegdheden voor de werkzaamheden van de commissie in de onderhavige zaak helder was. De in beslag genomen FIOD-goederen waren niet alleen omvangrijk, maar ook ongeordend. Zo blijkt bijvoorbeeld uit een proces-verbaal van de Rijksrecherche (pagina 281 van het dossier) dat een harde schijf met gedigitaliseerde administratie van de Stichting 206 documenten bevatte. De verbalisant heeft gerelateerd:
Veel van de pdf-documenten bestonden uit tientallen tot honderden bladzijden. Sommige pdf-documenten bestonden zelfs uit duizenden bladzijden. De grootte van de pdf documenten bemoeilijkte de doorzoekbaarheid.
Op de beslaglijst van de E-goederen (pagina 322 e.v.) staan onder meer:
een schoenendoosje met administratie, een aantal stapels ‘diverse documenten’, ‘een plastic zak met bonnen’, insteekmapjes, een groot aantal ordners en digitale gegevensdragers. Zelfs als de FIOD alle documenten gedigitaliseerd had aangeleverd, kan niet van een enquêtecommissie (met een tijdelijk mandaat) worden verwacht dat zij de gevraagde inlichtingen en documenten uit deze enorme hoeveelheid gegevens zelf zou destilleren.
Naar het oordeel van het hof mocht van de Stichting dus worden verwacht dat zij redelijke inspanningen zou verrichten om op zo volledig mogelijke wijze aan de gevraagde inlichtingen te voldoen. Met de kennis dat de (door de FIOD gedigitaliseerde) bescheiden zich op het vestigingsadres bevonden, was de Stichting verplicht aan de vorderingen te voldoen.
Voorts is nog van belang dat de POCOB van de Stichting inlichtingen en documenten heeft gevorderd over de periode 2010 tot en met 2019. De informatie en documenten die dateren van na de inbeslagneming op 8 september 2016 bevonden zich überhaupt niet onder de FIOD-bescheiden. Ook dit gegeven leidt tot de conclusie dat de Stichting niet aan haar wettelijke verplichtingen heeft voldaan.
Het hof benadrukt dat ook het opzettelijk verstrekken van onvolledige inlichtingen of documenten onder de strafbaarstelling van artikelen 192a en 192b sr valt. Het hof ziet geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de POCOB tijdens de voorbereidingsgesprekken zou hebben toegezegd dat de Stichting niet aan de vorderingen hoefde te voldoen, voor zover de gevraagde informatie te vinden zou zijn in de door de POCOB van de FIOD ontvangen bescheiden. Uit de door de raadsman overgelegde e-mailberichten naar aanleiding van deze besprekingen blijkt dat weliswaar een concept-vaststellingsovereenkomst is opgemaakt, maar ook dat de POCOB niet heeft ingestemd met de door de raadsman voorgestelde aanvullingen met betrekking tot de FIOD-stukken.
Het hof leest de correspondentie zo dat de POCOB de stelling van verdachte dat hij niet over de FIOD-stukken zou beschikken niet voor haar rekening wilde nemen. In zoverre ondersteunt de mailwisseling niet de verklaring van verdachte dat hij naar het oordeel van de POCOB geen informatie of documenten hoefde te leveren die uit de FIOD-stukken was te herleiden.
Dat geen overeenstemming op dit punt was bereikt, wordt overigens ondersteund door de verklaring van de voorzitter van de POCOB. Hij heeft tijdens zijn verhoor bij de rechter commissaris op vragen van de raadsman en de officier van justitie verklaard:
Officier van justitie: Mijn vraag ziet op informatie afkomstig uit onvrije landen. Is er op enig moment tussen de POCOB en [A] een overeenstemming bereikt dat zij stukken of inlichtingen niet hoefden te verstrekken aan de POCOB?
Rog : Naar mijn beste weten hebben wij daar nooit overeenstemming over bereikt.
Boumanjal: dat kan ik beamen. Daar is inderdaad nooit overeenstemming over bereikt.
Mr. Boumanjal: Kunt u zich herinneren, dat in het kader van die onderhandelingen, specifiek over FIOD stukken is gesproken?
Officier van Justitie: En geldt dat ook voor FIOD stukken?
Rog : Naar mijn beste weten hebben wij daar geen overeenstemming over bereikt.
Beoordeling van de vorderingen op onderdelen
Met betrekking tot de in de tenlastelegging als AF-01, AF-04 en AF-12 genummerde vorderingen is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de Stichting opzettelijk onvolledige informatie heeft verstrekt.
Ten aanzien van de vorderingen genummerd AF-02, AF-03 en AF-06 is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en/of overtuigend bewijs bevat dat de door de Stichting verstrekte inlichtingen onvolledig dan wel onjuist zijn.
Bij de vorderingen genummerd AF-07, AF-08, AF-09 en AF-11 worden documenten van de Stichting opgevraagd.
Ten laste is gelegd dat de Stichting geen onderliggende documenten heeft aangeleverd van:
- alle donaties naar Stichting [A] vanuit onvrije en deels onvrije landen (vordering AF-07),
- alle donaties van ten minste 15.000 euro naar Stichting [A] vanuit onvrije en deels onvrije landen (vordering AF-08),
- de aanvragen voor donaties vanuit onvrije en deels onvrije landen (vordering AF-09). Voorts is ten laste gelegd dat de Stichting geen afschrift heeft aangeleverd van de balans en de staat van baten en lasten inclusief toelichting (jaarrekening) van Stichting [A] over de boekjaren 2010 en 2014 (vordering AF-11).
In de brief van de Stichting van 25 maart 2020 is bij deze vorderingen telkens aangegeven dat de Stichting niet over de gevraagde documenten beschikte. Daarbij is (telkens) verwezen naar bescheiden die zich (alleen) bij de FIOD zouden bevinden.
Zoals hierboven is overwogen, heeft de Stichting onvoldoende inspanningen verricht om aan de vorderingen van de POCOB te voldoen. De documenten waren bij de Stichting aanwezig en hadden derhalve aan de POCOB verstrekt moeten worden. De Stichting wist dat deze bescheiden aanwezig waren. De FIOD heeft deze immers aan bestuursleden van de Stichting geretourneerd op het vestigingsadres van de Stichting. Daarmee is sprake van opzettelijk niet voldoen aan de vordering. Het hof is daarom van oordeel dat ten aanzien van de vorderingen AF-07, AF-08, AF-09 en AF-11 wettig en overtuigend is bewezen dat de Stichting opzettelijk niet heeft voldaan aan de vordering van de POCOB tot het verstrekken van (afschrift van) de gevraagde documenten.
Feitelijke leidinggever
De Stichting kan worden aangemerkt als pleger van het strafbare feit. De vordering van de POCOB was aan haar gericht en het toenmalige bestuur van de Stichting heeft in die hoedanigheid namens de Stichting bij brief van 25 maart 2020 op de vorderingen gereageerd. De Stichting was wettelijk verplicht aan de vorderingen te voldoen. De gedraging - het niet (volledig) voldoen aan vorderingen - heeft daarmee in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden en kan daarmee aan de Stichting worden toegerekend. Verdachte was bestuursvoorzitter van de Stichting en heeft in zijn verhoor bij de Rijksrecherche ook verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de gang van zaken binnen de Stichting. Ook heeft verdachte de Stichting tijdens de gehele procedure bij de POCOB vertegenwoordigd. De feitelijke handeling is daarmee verricht door een persoon - de verdachte - die ten behoeve van de rechtspersoon werkzaam was.
Het hof is van oordeel dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de Stichting begaan van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde, voor zover het de vorderingen onder AF-07, AF-08, AF-09 en AF-11 betreft. Het gedrag van verdachte valt onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van dit begrip: verdachte is immers degene die (ook) in feitelijke zin (mede) leiding heeft gegeven aan de gedraging van de Stichting, door namens de stichting bij brief van 25 maart 2020 op de vorderingen te reageren. Gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof omtrent hetgeen verdachte bekend moet zijn geweest over de teruggave van de door de FIOD eerder in beslag genomen goederen, heeft verdachte voorts bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarbij niet (volledig) aan de vorderingen werd voldaan.
Nu het hof verdachte als feitelijke leidinggeven beschouwt, zal het hof verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde (zelf) plegen van het niet (volledig) voldoen aan de vorderingen.
Bewijsoverweging feit 2 en feit 3
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor feit 2 en feit 3 wordt veroordeeld overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte van beide feiten vrij te spreken. Er is geen sprake van valsheid in geschrift. Verdachte had immers geen oogmerk tot misleiding, niet het (voorwaardelijk) opzet op de valsheid van de brief en het niet-verstrekken heeft niet geleid tot enig nadeel voor de POCOB. Verdachte heeft in de brief tot slot expliciet aangegeven dat deze niet volledig zou zijn, omdat de Stichting niet meer over de administratie beschikte.
De vaststelling dat geen sprake is van een vals geschrift impliceert dat ook vrijspraak voor het gebruikmaken van een vals geschrift moet volgen.
Oordeel van het hof
Wat betreft feit 2 en feit 3 kan het hof kan zich verenigen met de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en overwegingen. Het hof maakt deze hieronder cursief weergegeven overwegingen tot de zijne.
De rechtbank constateert allereerst dat de brief van 25 maart 2020 een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. De brief is namelijk opgesteld met de intentie om daarmee te voldoen aan de wettelijke verplichting van (het bestuur van) de Stichting om te voldoen aan de vorderingen die de POCOB aan Stichting [A] had gericht. Kijkend naar de inhoud van de brief komt de rechtbank tot het oordeel dat deze vals is voor zover het gaat om de uitspraken van Stichting, bij monde van haar voorzitter, dat de Stichting geen beschikking heeft over de E-stukken van de FIOD. Anders dan de verdediging stelt, blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte en de stichting [A] wel over de E stukken van de FIOD beschikten.
Door in de brief aan de POCOB op te schrijven dat de Stichting niet over de E-stukken beschikte, terwijl dat wel zo was, heeft verdachte in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Stichting de POCOB opzettelijk op onjuiste wijze geïnformeerd. De rechtbank oordeelt dat verdachte het oogmerk had om de POCOB op dit punt te misleiden en onjuist te informeren; de brief is immers opgesteld om namens de Stichting te voldoen aan de vorderingen van de POCOB. Gelet op de bewijsmiddelen kan het niet anders dan dat verdachte wist dat de relevante FIOD-stukken waren teruggegeven en in het bezit waren van de Stichting.
Dat verdachte namens de Stichting in de brief ook heeft geschreven dat "voor zover wij ons kunnen herinneren nooit enig origineel dan wel kopie [hebben] ontvangen" neemt de valsheid niet weg. Verdachte wist immers wel beter. De vervalsing van het geschrift raakt naar het oordeel van de rechtbank de bewijsbestemming van het geschrift. Er is weliswaar geen bewijs dat verdachte (namens de stichting) de POCOB verkeerd heeft voorgelicht of willen voorlichten wat betreft de gegeven inhoudelijke antwoorden op de vorderingen. Maar de bewering van verdachte namens de stichting dat zij niet beschikte over de FIOD-stukken, maakte minst genomen de inspanningsverplichting die de stichting heeft om te voldoen aan de vorderingen van de POCOB wel kleiner. De verdediging heeft betoogd dat er geen nadeel kan ontstaan uit het gebruik van het vervalste geschrift omdat de inhoud van de brief niet onjuist was en de brief bovendien verwees naar de FIOD-stukken. De verdediging miskent echter dat de valsheid bestond uit het voorwenden dat (het bestuur van) de stichting niet over de FIOD-stukken beschikte en dat de POCOB daardoor genoodzaakt was om via andere weg (namelijk door een vordering aan de FIOD) deze informatie boven water te krijgen. Daarmee is gegeven dat enig nadeel kon ontstaan uit het gebruik van het (op onderdelen) vervalste geschrift.
Het hof voegt op dit punt toe dat de POCOB de gegevens niet alleen nog van de FIOD moest vorderen, maar dat zij de betreffende gegevens - gelet op de omvang en het gebrek aan structuur van deze gegevens - ook nog moest ordenen.
Dit betekent dat de rechtbank tot de conclusie komt dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, voor wat betreft de vorderingen 09 en 11.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde komt de rechtbank eveneens tot het oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen is. Zoals hiervoor is overwogen, is de brief van 25 maart 2020 op specifieke onderdelen vals. De brief is in opdracht van verdachte namens de stichting, op 30 maart 2020 verzonden met de bedoeling om op die manier te voldoen aan de vorderingen die door de POCOB aan stichting [A] zijn gedaan. Daarmee is opzettelijk gebruik gemaakt van het (op onderdelen) vervalste geschrift door verdachte als bevoegd bestuurder van de stichting.
Het hof acht feit 2 ten aanzien van de vorderingen AF-09 en AF-011 en feit 3 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal in relatie tot feit 2 worden vrijgesproken van de valsheid met betrekking tot de overige tenlastegelegde vorderingen.
Bewijsoverweging feit 4
Bevoegdheden van een parlementaire enquêtecommissie
Art. 192 Sr
Het tweede middel
Slotsom
Onder gedachtestreepje 3 en 4 is aan verdachte tenlastegelegd dat hij tegenover de POCOB meinedige verklaringen heeft afgelegd. Daarbij gaat het om de volgende vragen en antwoorden:
3. (a) Vraag van de heer Schonis: U heeft ook geen kennis van een jaarverslag of van de jaarrekening?
Antwoord verdachte: Nee, Nee.
(b) Vraag van de heer Schonis: Die wordt dus niet zo opgesteld dat u daar als voorzitter uw goedkeuring aan moet geven?
Antwoord verdachte: Op dit moment niet, nee. Want sinds de FIOD-inval liggen al onze, bijna al onze documenten ook bij de FIOD.
4. Vraag van voorzitter Rog : Hier stelt u vandaag, onder ede, nog steeds dat [A] niet in het bezit is van de in beslag genomen documenten?
Antwoord verdachte. Ja, zeker.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat de bovengenoemde antwoorden in strijd met de waarheid zijn en dat het tenlastegelegde onder gedachtestreepjes 3 en 4 bewezen kan worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit 4. Verdachte heeft geen verklaringen in strijd met de waarheid afgelegd en zeker geen opzet gehad op het afleggen van valse verklaringen. Hoogstens is sprake van interpretatieverschillen. De antwoorden moeten bovendien gelezen worden in de context waarin zij zijn gegeven; verdachte heeft steeds aangegeven dat hij geen gedetailleerde kennis van de financiën van de Stichting had.
Oordeel van het hof
Met betrekking het derde gedachtestreepje is het hof met de rechtbank van oordeel dat verdachte niet onjuist heeft verklaard.
De rechtbank heeft in dit verband overwogen:
Zoals de officier van justitie terecht aangeeft, vraagt de POCOB met de eerste vraag in de tenlastelegging - gelet op de vragen die aan het ten laste gelegde voorafgaan - niet of verdachte weet dat de jaarrekening en het jaarverslag van de stichting bestaan. De antwoorden zoals verdachte die heeft gegeven en zijn opgenomen in de tenlastelegging kan de rechtbank in dat licht dan ook niet beschouwen als vals. Bovendien geeft verdachte later in het verhoor wel concrete antwoorden op concrete vragen van de commissie over bijvoorbeeld de financiering van het pand van stichting [A] en de ontvangen donaties uit onvrije landen. De rechtbank ziet daarin een contra-indicatie voor het feit dat verdachte de intentie had om de commissie van onwaarheden te voorzien.
Het hof kan zich met deze overweging van de rechtbank verenigen en maakt deze tot de zijne. Het hof acht de betreffende vragen bovendien zo algemeen en de bedoeling zo onduidelijk dat niet kan worden geconcludeerd dat de antwoorden meinedig zijn.
Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het derde gedachtestreepje.
Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje is het hof echter van oordeel dat verdachte de vraag van voorzitter Rog opzettelijk in strijd is met de waarheid heeft beantwoord. Zoals hierboven is overwogen, was de Stichting in het bezit van de in beslag genomen (gedigitaliseerde) documenten en was verdachte daar ook van op de hoogte. Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte wat betreft het vierde gedachtestreepje van feit 4 meineed heeft gepleegd.”
Het eerste middel
12. Het eerste middel betreft de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde opzettelijk niet voldoen aan vorderingen van de parlementaire enquêtecommissie tot het kennisnemen van bepaalde documenten als bedoeld in art. 192a Sr. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.
13. Met de eerste deelklacht wordt geklaagd dat het hof “blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de inspanningsplicht ex art. 192a en/of b Sr te ruim in te vullen en daaraan de eis te verbinden dat, naast een verwijzing naar de plaats waar de benodigde bescheiden zich bevinden, tevens zelfstandig gestructureerd en overzichtelijk antwoord dient te worden gegeven.” In de toelichting wordt opgemerkt dat de inspanningsverplichting, gelet op het evenredigheidsbeginsel, niet verder reikt dan het aanleveren van informatie op de minst belastende wijze. Daarom kon de stichting volgens de stellers van het middel volstaan met een verwijzing naar de locatie waar de administratie zich bevond, te weten de FIOD, omdat daarmee aan het doel van de commissie – de waarheidsvinding – was voldaan. Uit de toelichting op het middel (onder 16) volgt dat de stellers van het middel voorts een motiveringsklacht wensen op te werpen ter bestrijding van het oordeel van het hof dat de stichting niet aan haar wettelijke verplichting tot het voldoen aan vorderingen van een parlementaire enquêtecommissie heeft voldaan.
14. De tweede deelklacht komt op tegen (de motivering van) het oordeel van het hof dat de verdachte “opzettelijk niet aan de vorderingen van de POCOB heeft voldaan (…), enkel op grond van de veronderstelling dat hij op de hoogte moet zijn geweest van de teruggave van de FIOD-stukken en derhalve (meer inhoudelijk) had kunnen en moeten voldoen aan die vorderingen (…).”
15. De strafbaarstelling van art. 192a Sr houdt verband met art. 6 lid 1 Wpe 2008. Voordat ik inga op art. 192a Sr, bespreek ik daarom eerst de bevoegdheden van een enquêtecommissie zoals bedoeld in de Wpe 2008.
16. Op grond van art. 70 van de Grondwet hebben de Eerste en Tweede Kamer, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van enquête. De parlementaire enquête wordt gezien als het zwaarste politieke controle-instrument en heeft waarheidsvinding en het trekken van lessen voor de toekomst als belangrijkste doelen. Een parlementaire enquête vindt plaats op de wijze zoals vastgelegd in de Wpe 2008. Een parlementair onderzoek op grond van de Wpe 2008 kan, naast een parlementaire enquête, de vorm aannemen van een parlementaire ondervraging. De parlementaire ondervraging is een kortlopende parlementaire enquête, ook wel mini-enquête genoemd, waarbij in beginsel geen gebruik wordt gemaakt van het vorderen van schriftelijke stukken en inlichtingen.
17. Een parlementaire enquête wordt uitgevoerd door een commissie van Kamerleden (art. 2 lid 2 Wpe 2008). De commissie heeft diverse bevoegdheden, waaronder het horen van getuigen en deskundigen (art. 9 Wpe 2008), het betreden van plaatsen (art. 7 Wpe 2008) en het vorderen van afschrift van, inzage in of kennisneming van documenten (art. 6 lid 1 Wpe 2008).
18. De enquêtecommissie dient bij het uitoefenen van bevoegdheden een aantal grenzen in acht te nemen. Zo mag de commissie uitsluitend binnen de omschrijving van het onderwerp van de enquête van haar bevoegdheden gebruikmaken. De omschrijving van het onderwerp van de enquête wordt vastgesteld bij de instelling van de enquête (art. 2 lid 3 Wpe 2008). Voor de omvang van de verplichtingen van (rechts)personen is de omschrijving van het onderwerp dus van groot belang. Tevens is de commissie gebonden aan het evenredigheidsbeginsel. Art. 4 lid 2 Wpe 2008 bepaalt dat “[d]e commissie (…) de haar bij deze wet verleende bevoegdheden slechts uit[oefent] voor zover dat naar het redelijk oordeel van de commissie voor de vervulling van haar taak nodig is.” In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat dit beginsel mede inhoudt dat de commissie van haar bevoegdheden op de voor derden minst belastende wijze uitoefent en niet naar willekeur handelt. Subsidiariteit en proportionaliteit waren volgens de initiatiefnemers “vitale begrippen” bij de Wpe 2008. De indieners van het wetsvoorstel meenden dat de beoordeling of de inzet van bevoegdheden evenredig is primair aan de commissie zelf toekomt:
“In de praktijk zal het niet altijd mogelijk zijn scherpe grenzen te trekken of richtlijnen te geven over wat een redelijke bevoegdheidsuitoefening is. Door te bepalen dat de bevoegdheden «naar het redelijke oordeel van de commissie» in plaats van «redelijkerwijs» voor de vervulling van haar taak noodzakelijk dient te zijn, wordt een subjectief element ingebracht. Dit heeft als consequentie dat een rechter die heeft te oordelen over de toepassing van dwangmiddelen of strafrechtelijke vervolging marginaal zal moeten toetsen of het voor de enquête noodzakelijk is dat de enquête commissie een bepaalde bevoegdheid uitoefent. De indieners achten dit passend in de verhouding tussen volksvertegenwoordiging en rechter.”
19. De verplichting om te voldoen aan vorderingen van een parlementaire enquêtecommissie is geregeld in art. 14 lid 1 Wpe 2008:
“1. Elke Nederlander, elke ingezetene van Nederland, elke natuurlijke persoon die in Nederland verblijf houdt, elke rechtspersoon die in Nederland is gevestigd en elke rechtspersoon die haar bedrijfsactiviteiten geheel of gedeeltelijk in Nederland uitoefent, is verplicht de commissie binnen de door haar gestelde termijn alle medewerking te verlenen die deze vordert bij de uitoefening van de haar bij deze wet verleende bevoegdheden, behoudens de mogelijkheid van verschoning overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 24.”
20. De Wpe 2008 voorziet niet in de mogelijkheid voor (rechts)personen aan wie een vordering is gericht, de reikwijdte van de meewerkplicht vooraf door een rechter te laten toetsen. Indien hierover een verschil van inzicht bestaat tussen de commissie en degene aan wie de vordering is gericht, is het aan de enquêtecommissie om te beslissen of de betrokkene medewerking moet verlenen. De enquêtecommissie kan echter niet eigenhandig dwangmiddelen inzetten.
21. Indien een (rechts)persoon weigert medewerking te verlenen, kan de commissie zich wenden tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. De voorzieningenrechter kan op verzoek van de commissie de medewerking bevelen (art. 25 lid 1 Wpe 2008), desnoods op straffe van een dwangsom (art. 26 Wpe 2008) en met ondersteuning van de openbare macht (art. 27 Wpe 2008). Uit art. 25 lid 4 Wpe 2008 volgt dat de rechter het verzoek tot het opleggen van een rechterlijk bevel tot medewerking dient toe te wijzen, tenzij sprake is van een in lid 4 opgenomen uitzonderingsgronden:
“4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, tenzij:
a. het verzoek niet berust op de wet;
b. de betrokken persoon een wettelijke grond tot weigering heeft, of
c. de commissie in redelijkheid niet tot haar oordeel kan komen dat de verlangde medewerking nodig is voor de vervulling van haar taak.”
22. De voorzieningenrechter hanteert een marginale toetsing. De wet gaat uit van een omgekeerde bewijslast: de verweerder zal moeten aantonen dat een van de uitzonderingsgronden van art. 25 lid 4 Wpe 2008 van toepassing is.
Vordering tot kennisneming van documenten als bedoeld in art. 6 Wpe 2008
23. Art. 6 Wpe 2008 verschaft de enquêtecommissie de bevoegdheid om inzage in, afschrift van of kennisneming op andere wijze van documenten te vorderen. Art. 6 Wpe 2008 luidt:
“1. De commissie kan afschrift van, inzage in of kennisneming van documenten vorderen.
2. De commissie kan bepalen op welke wijze afschriften worden verstrekt, inzage wordt gegeven onderscheidenlijk kennisneming wordt verleend.”
24. De bevoegdheid van de enquêtecommissie tot het vorderen van kennisneming van documenten bestaat sinds 1977 en was destijds neergelegd in art. 14a Wet op de parlementaire enquête. Op aandringen van Kamerleden is de bevoegdheid om inzage te vorderen toegevoegd, waarbij werd opgemerkt dat “[d]e indieners (…) met de vragenstellers van mening [zijn] dat het enquêterecht niet veel om het lijf zou hebben zonder deze verplichting.” De inzageplicht uit art. 14a Wpe (oud) bestond echter alleen voor personen die werden opgeroepen als getuige of deskundige. De wet van 1 juli 1991 bracht daar verandering in door het inzagerecht los te koppelen van een verhoor als getuige of deskundige.
25. Met het begrip “documenten” wordt gedoeld op schriftelijke stukken of ander materiaal dat gegevens bevat (art. 1 lid 1 onder c Wpe 2008). Bij ander materiaal dat gegevens bevat, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een harde schijf van een computer. Degene tot wie de vordering op grond van art. 6 Wpe 2008 is gericht, is enkel gehouden de documenten te verstrekken waarover hij of zij zelf beschikt. Het kan daarbij ook gaan om documenten die aan een ander toebehoren.
26. Op grond van art. 6 lid 2 Wpe 2008 kan de enquêtecommissie de wijze bepalen waarop de kennisneming van documenten wordt verleend. De enquêtecommissie kan bijvoorbeeld vorderen dat digitale gegevens worden geprint. In de wetsgeschiedenis wordt hierover het volgende opgemerkt:
“Op grond van het tweede lid kan de enquêtecommissie de wijze waarop de kennisneming wordt verleend bepalen. In bepaalde gevallen zal een enquêtecommissie originele documenten willen inzien, in andere gevallen zullen kopieën van documenten volstaan. Het is in eerste instantie aan de enquêtecommissie om dit te bepalen. Ook hier geldt dat zij met gerechtvaardigde belangen van personen van wie medewerking wordt gevorderd, rekening dient te houden. Zo zal de enquêtecommissie in ogenschouw moeten nemen wat de minst belastende manier is voor de betrokkenen.”
27. Het vorderen van kennisneming van stukken dient te worden onderscheiden van het vorderen van schriftelijke inlichtingen zoals bedoeld in art. 5 Wpe 2008. Art. 6 Wpe 2008 heeft betrekking op reeds bestaande documenten. Indien de enquêtecommissie schriftelijke inlichtingen wenst te verkrijgen, bijvoorbeeld een gestructureerd feitenrelaas, dient zij die op grond van art. 5 Wpe 2008 te vorderen. Bij de invoering van de bevoegdheid van art. 5 Wpe 2008 werd door de initiatiefnemers van de Wpe 2008 opgemerkt dat die bevoegdheid voordelen biedt ten opzichte van een mondeling verhoor. Zo kan informatie over het algemeen toegankelijker en meer gestructureerd bijeen worden gebracht en wordt de gelegenheid geboden om dieper de materie in te duiken en bepaalde details te verstrekken.
28. Art. 192a Sr is onderdeel van Titel VIII “Misdrijven tegen het openbaar gezag” van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Samen met art. 192, art. 192b en 192c Sr waarborgt art. 192a Sr dat wordt voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Wpe 2008.
29. Art. 192a Sr luidt:
“Hij die opzettelijk niet voldoet aan de vordering van een parlementaire enquêtecommissie tot het hebben van inzage in of het nemen van afschrift van of het op andere wijze kennisnemen van documenten wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie.”
30. Art. 192a Sr is ingevoerd bij Wet van 1 juli 1991 tot wijziging van de Wet op de parlementaire enquête en in verband daarmee opnemen van een bepaling in het Wetboek van Strafrecht. Door de indieners van het wetsvoorstel werd wenselijk geacht dat de niet-naleving van de inzageplicht in bescheiden strafbaar werd gesteld, in aansluiting op de strafbaarstelling van het niet verschijnen van getuigen of deskundigen voor een verhoor of hun weigering om informatie te verschaffen strafbaar (art. 192 Sr).
31. Ik heb geen arrest van de Hoge Raad aangetroffen waarin de uitleg van art. 192a Sr aan de orde is gesteld. Ook in de feitenrechtspraak is deze bepaling braakliggend terrein. Datzelfde geldt voor art. 192b Sr (opzettelijk niet voldoen aan een vordering tot het verstrekken van schriftelijke inlichtingen). Voor de nadere duiding van de reikwijdte van de desbetreffende bevoegdheden op grond van de Wpe 2008 kan een blik op verwante bepalingen in het bestuursrecht van betekenis zijn.
Het vorderen van documenten en het evenredigheidsbeginsel in het bestuursrecht
32. Titel 5.2 van de Awb kent bepalingen die vergelijkbaar zijn met art. 4 lid 2 (evenredigheidsbeginsel) art. 6 (het vorderen van kennisneming van documenten) en 14 (medewerkingsplicht) Wpe 2008. In art. 5:17 lid 1 Awb is bepaald dat een toezichthouder bevoegd is inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden. Art. 5:20 lid 1 Awb omvat de medewerkingsplicht: een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Medewerking kan worden afgedwongen door het opleggen van een last onder bestuursdwang (art. 5:20 lid 3 Awb). Het evenredigheidsbeginsel, dat overigens ook tot uitdrukking komt in art. 5:20 lid 1 Awb, is neergelegd in art. 5:13 Awb, waarin is bepaald dat een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruikmaakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Art. 5:13 Awb is een specifieke invulling van het meer algemene evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2. Door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt art. 5:20 lid 1 Awb aldus uitgelegd dat de medewerkingsplicht een inspanningsverplichting behelst en geen resultaatsverplichting. Van de betrokkene kan niet het onmogelijke worden gevergd. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit eveneens voort dat de toezichthouder zijn bevoegdheid op de voor de burger minst belastende wijze dient uit te oefenen.
33. Een bestuursorgaan komt een ruime mate van beleidsvrijheid toe bij de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheden. Het is bijvoorbeeld vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven dat een toezichthouder “in het kader van haar toezichthoudende taken in beginsel vrij [staat] om naar eigen inzicht en los van de wil van de onderzochte haar onderzoek in te richten”. Zo brengt de omstandigheid dat de vordering betrekking heeft op gegevens die ook door een andere toezichthouder zijn gevorderd niet mee dat de vordering daarmee in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In de wetsgeschiedenis bij de Awb is opgemerkt dat een toezichthouder in de regel niet tot uitoefening van een bevoegdheid zal kunnen overgaan als de betrokkene reeds te kennen heeft gegeven vrijwillig medewerking te verlenen.
Beoordeling eerste deelklacht van het eerste middel
34. Met de eerste deelklacht wordt geklaagd dat het hof “blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de inspanningsplicht ex art. 192a en/of b Sr te ruim in te vullen en daaraan de eis te verbinden dat, naast een verwijzing naar de plaats waar de benodigde bescheiden zich bevinden, tevens zelfstandig gestructureerd en overzichtelijk antwoord dient te worden gegeven.” In de toelichting wordt opgemerkt dat de inspanningsverplichting, gelet op het evenredigheidsbeginsel, niet verder reikt dan het aanleveren van informatie op de minst belastende wijze en beperkt is tot gegevens waarover daadwerkelijk wordt beschikt, waarbij telkens het doel van de vorderingen, te weten de waarheidsvinding, voor ogen moet worden gehouden. Het doel van de waarheidsvinding zou “reeds behaald (…) moeten zijn middels de verwijzing naar de FIOD en de bij hen in bezit zijnde administratie.”
35. Ik stel voorop dat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet voldoen aan vorderingen tot het nemen van afschrift van documenten, door geen afschrift van de onderliggende documenten aan te leveren als bedoeld in vordering AF-07, AF-08 en AF-09, en geen afschrift te geven van de jaarrekeningen als bedoeld in vordering AF-11. Daarmee ziet de bewezenverklaring enkel op het niet verstrekken van afschriften van documenten, zoals bedoeld in art. 192a Sr. Van het opzettelijk niet voldoen aan vorderingen tot het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, als bedoeld in art. 192b Sr, heeft het hof de verdachte vrijgesproken. De bewijsoverwegingen van het hof moeten daarom in dat licht worden gelezen. Voor zover het middel uitgaat van een andere lezing, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
36. Hetzelfde geldt voor zover de stellers van het middel in het arrest lezen dat het hof ten aanzien van de verplichting tot het verstrekken van gevorderde documenten in algemene zin de eis stelt dat “zelfstandig gestructureerd en overzichtelijk antwoord dient te worden gegeven”. Een dergelijke algemene rechtsopvatting is in het arrest van het hof niet te lezen. De stellers van het middel verwijzen kennelijk naar de overweging van het hof dat “in de wetsversie van 2008 expliciet de bevoegdheid [is] toegevoegd om inlichtingen te vorderen, zodat informatie toegankelijker en meer gestructureerd wordt aangeleverd.” Verder stelt het hof vast dat de stukken die door de FIOD in beslag waren genomen, “niet alleen omvangrijk, maar ook ongeordend” waren en dat zelfs als de FIOD alle documenten gedigitaliseerd had aangeleverd, het niet van een enquêtecommissie met een tijdelijk mandaat kan worden verwacht dat zij de gevraagde inlichtingen en documenten zelf uit deze enorme hoeveelheid gegevens zelf zou destilleren. Het hof heeft met deze overwegingen en vaststellingen tot uitdrukking gebracht dat de inzet van de bevoegdheid van art. 5 en art. 6 Wpe 2008 tot gevolg heeft dat de informatie toegankelijker en gestructureerder wordt aangeleverd. Dat oordeel van het hof is niet onjuist of onbegrijpelijk.
37. Daarbij komt het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat de POCOB afschriften van documenten heeft gevorderd over de periode 2010 tot en met 2019. Dat betekent dat de vordering van de POCOB zich ook uitstrekt tot afschriften van documenten die dateren van na de inbeslagneming door de FIOD op 8 september 2016. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het gegeven dat de vordering zich ook uitstrekte tot documenten die zich niet bij de FIOD hebben bevonden ook leidt tot de conclusie dat de stichting niet aan haar wettelijke verplichtingen heeft voldaan. Dat heeft tot gevolg dat de klacht reeds om die reden niet kan slagen, omdat deze vaststelling de bewezenverklaring zelfstandig kan dragen, voor zover het gaat om de bewezenverklaring van het niet voldoen aan de vorderingen AF-07, AF-08 en AF-09. Ten aanzien van vordering AF-11 is bewezen verklaard dat geen afschrift is verstrekt van de jaarrekeningen over de jaren 2010 en 2014. Hoewel kan worden betoogd dat de zinsnede AF-11 kan worden geschrapt zonder wezenlijk afbreuk te doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaring, ga ik over tot een verdere inhoudelijke bespreking van het middel.
38. Onder de aanhef ‘beoordeling van de vorderingen op onderdelen’ heeft het hof de diverse onderdelen van het onder 1 ten laste gelegde feit besproken. Het hof heeft overwogen dat bij de vorderingen AF-07, AF-08, AF-09 en AF-11 afschriften van documenten van de stichting [A] werden opgevraagd, terwijl de stichting in de brief van 25 maart 2020 bij deze vorderingen telkens heeft aangegeven dat zij niet over de gevraagde documenten beschikte. Daarbij is verwezen naar bescheiden die zich bij de FIOD zouden bevinden. Het hof heeft vastgesteld dat de gevraagde documenten bij de stichting aanwezig waren en dat de verdachte wist dat de documenten daar aanwezig waren. Daaruit concludeert het hof dat de documenten zoals genoemd in vordering AF-07,AF-08, AF-09 en AF-11 “derhalve aan de POCOB verstrekt [hadden] moeten worden.” De enkele verwijzing naar de FIOD, die ook over de gevorderde documenten zou beschikken, volstaat naar het oordeel van het hof niet.
39. Het oordeel dat de stichting de afschriften van de documenten zelf had moeten verstrekken, en niet kon volstaan met een verwijzing naar de FIOD, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft vastgesteld dat de POCOB de gevraagde documenten zowel van de FIOD als van de stichting zelf wenste te ontvangen. Het hof achtte die vorderingen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daartoe overwoog het hof dat de commissie “een zelfstandige bevoegdheid heeft om – ook bij overheidsinstanties en zonder dat daarvoor toestemming is vereist – documenten op te vragen en dat het voor de waarheidsvinding nu juist van belang is om informatie en documenten die uit verschillende bronnen aan de commissie zijn overgelegd, te vergelijken en verifiëren.” Zoals uit de wetsgeschiedenis naar voren komt, is het aan een parlementaire enquêtecommissie – met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel – om haar taak in te vullen zoals zij dat nodig acht en te bepalen van welke documenten zij kennisneming vordert. Het is niet aan degene tot wie de vordering is gericht een eigen afweging te maken en zijn afweging in de plaats te stellen van die van de parlementaire enquêtecommissie. Een dergelijke invulling van de medewerkingsplicht en het evenredigheidsbeginsel sluit aan bij de uitleg van art. 5:13 en 5:20 Awb, zoals die hiervoor is beschreven. Het hof heeft geoordeeld dat de gevraagde inspanningen van de stichting niet onevenredig zijn. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De eerste deelklacht van het eerste middel faalt.
Beoordeling tweede deelklacht eerste middel
40. De tweede deelklacht van het eerste middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan de vorderingen. In de toelichting op de deelklacht wordt opgemerkt dat “zelfs als ervan uit wordt gegaan dat requirant over de FIOD-stukken beschikte én daarvan op de hoogte was, (…) men, anders dan het hof heeft gedaan, niet zonder meer tot de conclusie” kan komen dat sprake is van opzet.
41. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging niet betwist dat de administratie van de stichting door de FIOD is geretourneerd, maar wel dat de verdachte wist welke goederen zijn teruggegeven en waar die goederen zich bevonden. De verdediging heeft aangevoerd dat er sterke contra-indicaties zijn dat verdachte wist dat de benodigde bescheiden waren teruggegeven.
42. Omdat de vraag of de verdachte over de FIOD-stukken kon beschikken “als een rode draad door de tenlastegelegde feiten heen[loopt]”, heeft het hof – voorafgaand aan de bespreking van de afzonderlijke ten laste gelegde feiten – algemene overwegingen gewijd aan het retourneren van het FIOD-beslag. Het hof heeft vastgesteld dat de in beslag genomen FIOD-stukken bij de stichting aanwezig waren, dat de verdachte wist dat de documenten aanwezig waren en dat hij daarover kon beschikken. Het hof heeft daartoe vastgesteld dat (een kopie van) de administratie van de stichting op 12 januari 2017 door de FIOD is geretourneerd. De teruggave heeft plaatsgevonden aan de toenmalige penningmeester van de stichting [betrokkene 1] , in het bijzijn van de verdachte. [betrokkene 1] heeft de goederen vervolgens in de directiekamer neergezet en heeft verklaard dat hij ervan uitgaat dat hij dit heeft besproken met de verdachte. Het hof heeft overwogen dat voor zover de verdachte de wetenschap van de teruggave niet had op 12 januari 2017, de verdachte die wetenschap in ieder geval had op of kort na de zitting van de meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam op 23 mei 2017. De verdachte was aanwezig bij de zitting en tijdens de zitting is door de officier van justitie en de raadsman aangegeven dat de administratie reeds was geretourneerd. Het hof heeft verder overwogen dat de verklaring van de verdachte dat hij niet over de administratie kon beschikken, niet aannemelijk is geworden. Die stelling van de verdachte wordt volgens het hof niet door enige informatie in het dossier significant ondersteund, terwijl de verdachte voor het mogelijk weggeraakt zijn van de stukken geen concreet scenario heeft aangedragen.
43. De bewezenverklaring van het opzettelijk niet voldoen aan de vorderingen van de POCOB getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De verklaring van de verdachte dat hij niet op de hoogte was van de teruggave van de documenten, heeft het hof als niet aannemelijk terzijde geschoven.
44. Ook de tweede deelklacht van het eerste middel treft geen doel. Daarmee faalt het eerste middel.
45. Het tweede middel behelst de klacht dat hof “onterecht gesteld heeft dat requirant opzettelijk meinedig heeft verklaard alsook valsheid in geschrifte heeft gepleegd enkel en alleen omdat hij zou moeten hebben geweten van de teruggave van de FIOD-stukken.” Ten aanzien van het tweede middel wordt in de toelichting gesteld dat het niet gaat over de wetenschap in 2017, maar over het opzet in 2020. De stellers van het middel schrijven dat het “goed zo [kan] zijn dat requirant na zoveel jaar en zoveel hectiek vergeten is dat de stukken aan hem geretourneerd zijn. Om dan met alle voorhanden zijnde contra-indicaties, waarbij terug wordt verwezen naar het eerste middel, desalniettemin te oordelen dat er sprake is van (opzettelijke) valsheid in geschrifte en meineed, zonder op de specifieke contra-indicaties nauwkeurig in te gaan, maakt dat de overweging van het hof ernstig tekortschiet.”
46. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift heeft het hof de geciteerde overwegingen van de rechtbank tot de zijne gemaakt. De rechtbank had ten aanzien van het opzet overwogen dat door in de brief van 25 maart 2020 aan de POCOB te schrijven dat de stichting niet over de FIOD-stukken beschikte, terwijl dat wel zo was, de verdachte in zijn hoedanigheid van voorzitter van de stichting de POCOB opzettelijk op onjuiste wijze had geïnformeerd. In het licht van de inhoud van de bewijsmiddelen kan het volgens het hof niet anders dan dat de verdachte wist dat de relevante FIOD-stukken in 2017 waren teruggegeven en in bezit waren van de stichting. Gelet op het voorgaande en hetgeen het hof in de daaraan voorafgaande, algemene overwegingen heeft overwogen over het opzet – zoals uiteengezet bij de bespreking van de tweede deelklacht van het eerste middel, waar ik naar verwijs – getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de wetenschap die bij de verdachte in 2017 bestond over de teruggave van de FIOD-stukken, ook nog in 2020 aanwezig was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en tevens voldoende gemotiveerd, mede in het licht van hetgeen hierover door de verdediging ter zitting is aangevoerd.
47. Ten aanzien van het vierde feit is bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, door bevestigend te antwoorden op de vraag of [A] niet in het bezit is van de in beslag genomen documenten. Het hof heeft, onder verwijzing naar de algemene overwegingen over het FIOD-beslag en de retournering daarvan, vastgesteld dat de stichting in het bezit was van de in beslag genomen documenten en dat de verdachte daarvan ook op de hoogte was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Met de overwegingen die het hof heeft gewijd aan het opzet heeft het geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
48. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende formulering.
49. De middelen falen. In elk geval het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende formulering.
50. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
51. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden