Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202402050 – CUR2026H00007
Uitspraak: 29 september 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[Appellant],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
gemachtigden: mrs. J.R. Joemmanbaks en E.E. Palm-Meyer,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
procederende in persoon.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
1. De zaak in het kort
Deze zaak betreft een boedelscheiding nadat partijen in 2007 van echt zijn gescheiden. Het gaat onder meer om de waardering van een woning die op grond van het Land staat.
In dit hoger beroep wijst het Hof een tussenvonnis met bevelen aan partijen.
2. Het verloop van de procedure
Bij op 9 januari 2026 ingekomen akte van appel is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 1 december 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
Bij op 19 februari 2026 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de vrouw vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen, de vorderingen van de man zal afwijzen en die van de vrouw zal toewijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.
Bij op 30 maart 2026 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft de man de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties.
Op 30 juni 2026 hebben partijen pleitnotities ingediend.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
Feiten
In 1989 zijn partijen getrouwd in algehele gemeenschap van goederen.
In 2007 zijn zij gescheiden.
Vorderingen
In dit geding heeft de vrouw (onder meer) verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gevorderd op de wijze als in het inleidend verzoekschrift staat omschreven.
Beslissingen van het Gerecht
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de verdeling aldus vastgesteld dat aan de man wordt toebedeeld:
a. woning [de woning] (hierna: de woning), gewaardeerd op Cg 39.000, overeenkomstig een door de man in het geding gebracht taxatierapport van.[betrokkene 1] van 26 november 2024;
b. inboedel van de woning, gewaardeerd op nihil;
c. uitkering van Guardian Group, vastgesteld op Cg 2.394,79, overeenkomstig een door de man in het geding gebrachte brief van 17 juli 2024;
d. pensioenrechten bij het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao.
Aan de vrouw zijn geen vermogensbestanddelen toebedeeld.
De man is veroordeeld om aan de vrouw te betalen:
- Cg 20.694,70 wegens overbedeling door toedeling van de bestanddelen a en c aan de man, berekend als de helft van het totaal van Cg 39.000 en Cg 2.394,79;
- Cg 931 als het aandeel van de vrouw in bestanddeel d, overeenkomstig een door de man in het geding gebrachte brief van 7 januari 2025, en
- Cg 10.000 als vergoeding voor gebruik van de woning door de man met uitsluiting van de vrouw.
Beoordeling door het Hof
Grieven 1 tot en met 3: waardering van de woning (en het perceel)
In hoger beroep heeft de vrouw aangevoerd dat de grond waarop de woning is gebouwd, erfpachtgrond is. Deze stelling heeft zij onderbouwd door te verwijzen naar het door de man in het geding gebrachte taxatierapport van [betrokkene 1] en naar een door haarzelf in het geding gebracht taxatierapport van 3 februari 2025 van [betrokkene 2].
Inderdaad vermeldt het taxatierapport van [betrokkene 1] (onder “kadastrale gegevens”) dat de grond erfpachtgrond is, maar het rapport vermeldt niet waarop die aanduiding is gebaseerd. Het rapport van [betrokkene 2] vermeldt eveneens (op verschillende plaatsen) dat de grond erfpachtgrond is en het vermeldt onder “geraadpleegde informatie” dat geen eigendomsbewijs is geraadpleegd, maar wel een meetbrief, en dat informatie van Domeinbeheer is verkregen. Bij het taxatierapport is onder meer een kopie van meetbrief [perceel] gevoegd.
De man heeft een brief van het Kadaster van 20 maart 2025 overgelegd, waarin de waarnemend bewaarder van de openbare registers verklaart dat ten name van de man geen onroerende zaken voorkomen op het kantoor van het Kadaster.
De vrouw heeft een uittreksel uit het Kadaster van 12 mei 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat het Land Curaçao perceel [perceel] in eigendom heeft en dat het perceel niet is bezwaard.
Uit het voorgaande volgt met voldoende zekerheid dat op het perceel thans geen recht van erfpacht rust.
De vrouw heeft verder een schriftelijke verklaring van 30 januari 1989 overgelegd waarin iemand verklaart ten behoeve van de man afstand te doen van het aan hem “in huur/erfpacht toegewezen stuk grond” en waarin de man verklaart het perceel “in huur/erfpacht” aan te vragen. Ook heeft zij een kopie van een op 30 januari 1989 ingevuld aanvraagformulier overgelegd waarin de man een “aanvrage domeingrond voor woningbouw” doet.
Uit voorgaande gegevens kan niet worden afgeleid dat de woning enige (perfecte) goederenrechtelijke status heeft die haar onderscheidt van de grond die in volle eigendom is van het Land. Aldus valt noch de woning, noch de grond juridisch als vermogensrechtelijk goed in de huwelijksgoederengemeenschap.
De man heeft niets gesteld over het gebruik van het perceel. Daarom gaat het Hof ervan uit dat de man niet alleen de woning, maar het gehele perceel (als erf bij de woning) gebruikt met uitsluiting van anderen.
Het recht van gebruik van de woning en het perceel is een vermogensrecht dat op geld kan worden gewaardeerd en dat in de huwelijksgoederengemeenschap valt. De waarde van dit vermogensrecht hangt mede af van de vraag hoe sterk dat gebruiksrecht is en jegens wie het kan worden uitgeoefend. Ook kan de waarde van het vermogensrecht mede afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre het kan worden overgedragen aan een derde. Dat is immers van belang voor de marktwaarde van het gebruiksrecht. Uit de hiervoor onder 3.5-3.7 vermelde omstandigheden, in samenhang beschouwd kan weliswaar worden afgeleid dat er een goede kans bestaat dat het Land het woongenot van de man niet zal verstoren als in dit geding het recht van gebruik van de woning en het perceel aan de man wordt toebedeeld (en dat ook verder niemand zijn gebruiksrecht zal betwisten), maar over de overdraagbaarheid van het gebruiksrecht en daarmee over de marktwaarde ervan bestaat meer onzekerheid. Ook is niet zeker welke voorwaarden het Land zou stellen als de man zou trachten alsnog te bewerkstelligen dat het Land het perceel in erfpacht aan hem uitgeeft. Dat hangt mede af van het beleid dat het Land tegenwoordig voert met betrekking tot aan het Land toebehorende percelen. Hoe dit doorwerkt in de marktwaarde van de woning, kan van diverse factoren afhangen. Aannemelijk is dat een deskundige taxateur hiermee rekening zal kunnen houden.
In deze zaak heeft het Gerecht de waardering van de door de man ingeschakelde taxateur gevolgd (Cg 39.000 “exclusief terrein”). De man heeft de door de vrouw ingeschakelde taxateur niet toegelaten tot de woning, zodat deze zich moest beperken tot een geveltaxatie zonder inpandige opname. Deze taxateur waardeert het “object” (“het perceel met daarop de woning”) op een veel hoger bedrag, namelijk een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van Cg 100.000. Het is niet duidelijk of dit verschil uitsluitend is toe te schrijven aan het wel of niet in aanmerking nemen van het terrein bij de woning.
Onder deze omstandigheden kan de taxatie van de taxateur van de man niet zonder meer worden gevolgd. Het Hof zal partijen bevelen gezamenlijk een onafhankelijke taxateur aan te zoeken die een nieuwe taxatie dient te maken. De taxateur dient dat te doen op basis van de uitgangspunten die hiervoor onder 3.10 zijn genoemd. Bij zijn taxatierapport dient hij gemotiveerd in te gaan op de hiervoor onder 3.10 genoemde factoren. De man dient de taxateur in de gelegenheid te stellen de woning inpandig op te nemen. Indien de man onvoldoende meewerkt, kan het Hof daaraan de gevolgtrekking verbinden die geraden voorkomt, waaronder mogelijk de gevolgtrekking dat de taxatie van [betrokkene 2] dient te worden gevolgd. Indien het partijen niet lukt overeenstemming te bereiken over de persoon van de taxateur, kan het Hof een taxateur als deskundige benoemen, maar wellicht zijn partijen dan duurder uit. Indien het niet lukt, dienen partijen daarom bij akte voorstellen te doen over de persoon van de door het Hof te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen. In dat geval dienen partijen bij hun voorgestelde vragen ook aandacht te besteden aan alle hiervoor onder 3.10 genoemde factoren.
Grief 4 - gebruiksvergoeding
De vrouw heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen het bedrag dat het Gerecht heeft vastgesteld als gebruiksvergoeding. Hierover houdt het Hof ieder oordeel aan.
Grief 5 - verder pensioenrecht of levensverzekering bij Guardian Group
Guardian Group heeft bij brief van 17 juli 2024 aan de man bericht dat zijn pensioen reeds is afgekocht sinds 1 augustus 2008 en dat het brutobedrag NAf 2.394,79 was. Volgens de vrouw is deze informatie onvolledig en heeft de man mogelijk nog een bestaand pensioenrecht of een levensverzekering bij Guardian Group ter waarde van Cg 20.000, daterende uit de periode van het huwelijk. Guardian Group wil haar daarover echter geen informatie verschaffen zonder bevel van de rechter. De vrouw verzoekt het Hof om de man of Guardian Group te bevelen deze informatie te verstrekken.
Het Hof zal de man bevelen om Guardian Group te verzoeken onderzoek te doen naar de stelling van de vrouw als hiervoor onder 3.14 vermeld en de uitkomst van dat onderzoek vast te leggen in een brief. De man dient die brief in het geding te brengen. Indien de man onvoldoende meewerkt, kan het Hof daaraan de gevolgtrekking verbinden die geraden voorkomt, waaronder mogelijk de gevolgtrekking dat de stelling van de vrouw als juist moet worden aangenomen.
Slotsom
Het Hof zal de hiervoor omschreven bevelen geven. Het Hof zal de zaak naar de rol verwijzen om partijen in de gelegenheid te stellen zich gelijktijdig bij akte uit te laten over de resultaten van hun inspanningen. Daarna zullen partijen gelijktijdig een antwoordakte kunnen indienen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
beveelt partijen om te doen wat hiervoor onder 3.12 staat vermeld;
beveelt de man om te doen wat hiervoor onder 3.15 staat vermeld;
verwijst de zaak naar de rol van 27 oktober 2026 voor gelijktijdige akten aan beide zijden (zie hiervoor onder 3.16), waarna gelegenheid zal worden geboden voor gelijktijdige antwoordakten aan beide zijden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 29 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.