ECLI:NL:HR:2026:1632

ECLI:NL:HR:2026:1632

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 09-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 19/05853 bis
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2019:9865

Samenvatting

Accijns; art. 66, lid 1, aanhef en letter a, Wet op de accijns; art. 14, lid 1, letter c, Energiebelastingrichtlijn; in bunkertank van binnenvaartschip aangetroffen gasolie met te weinig Solvent Yellow; weigering van de accijnsvrijstelling; niet voldaan aan het formele vereiste voor vrijstelling maar wel aan de materiele voorwaarden; eindarrest na prejudiciële vragen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/05853bis

Datum 9 oktober 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 november 2019, nr. 18/01125, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1. De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:187, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 13 maart 2025, Alsen, C-137/23, ECLI:EU:C:2025:179, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:

“Artikel 15, lid 1, onder f), van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/75/EG van de Raad van 29 april 2004, gelezen in samenhang met artikel 1 van richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden,

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de accijnsvrijstelling voor gasolie die is geleverd voor gebruik als brandstof voor de commerciële vaart op binnenwateren van de Europese Unie wordt geweigerd omdat deze gasolie niet overeenkomstig de vereisten van het Unierecht voor fiscale doeleinden is gemerkt, terwijl, ten eerste, vaststaat dat die gasolie voor dat doel wordt gebruikt en er, ten tweede, geen enkele aanwijzing is die vermoedens van fraude, misbruik of belastingontwijking doet rijzen.”

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het hiervoor in 1.2 bedoelde arrest van het Hof van Justitie. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.

Op 28 maart 2025 heeft belanghebbende verzocht om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op dit verzoek en te kennen gegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad.

2. Nadere beoordeling van de middelen

Middel II is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de accijnsvrijstelling van artikel 66, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de accijns (hierna: de Wet) geen toepassing kan vinden, aangezien de in de bunkertanks van het motortankschip aangetroffen gasolie niet de wettelijk voorgeschreven hoeveelheid Solvent Yellow bevatte.

Uit het hiervoor in 1.2 bedoelde arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2025, Alsen, C-137/23, ECLI:EU:C:2025:179 (hierna: het arrest Alsen) volgt dat het hiervoor in 2.1.1 weergegeven oordeel van het Hof in zoverre blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

In zijn reactie op het arrest Alsen heeft de Staatsecretaris gewezen op de vaststellingen van het Hof dat de in de bunkertanks van het motortankschip aangetroffen gasolie een hoger zwavelgehalte had dan toegestaan en dat niet is komen vast te staan hoe rode gasolie vermengd is geraakt met andere gasolie of hoe het hoge zwavelgehalte van de aangetroffen gasolie is ontstaan. De Staatssecretaris leidt uit de punten 66 tot en met 68 van het arrest Alsen af dat die vaststellingen volstaan om toepassing van de vrijstelling van accijns te weigeren. Deze vaststellingen vormen volgens de Staatssecretaris aanwijzingen die verhinderen dat bij niet-naleving van het vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden ervan kan worden uitgegaan dat het zekere bewijs is geleverd dat aan de materiële voorwaarden voor vrijstelling is voldaan. Onder deze omstandigheden is volgens de Staatssecretaris het achterwege laten van toepassing van de accijnsvrijstelling al gerechtvaardigd.Daarenboven heeft het Hof overigens ook niet feitelijk vastgesteld dat er in deze zaak geen enkele aanwijzing is die vermoedens van fraude of misbruik doet rijzen, aldus nog steeds de Staatssecretaris.

In de punten 66 tot en met 68 van het arrest Alsen heeft het Hof van Justitie het volgende overwogen:

“66 In dit verband vormt het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden zeker een maatregel om de goede werking van de bij richtlijn 2003/96 ingevoerde geharmoniseerde regeling voor de heffing van belasting over energieproducten te waarborgen, doordat de belastingautoriteiten van de lidstaten in staat worden gesteld om erop toe te zien dat deze minerale oliën worden belast volgens het werkelijke gebruik dat ervan wordt gemaakt.

67 Het uit richtlijn 95/60 voortvloeiende vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden kan er evenwel niet toe leiden dat de lidstaten in het kader van de beoordelingsmarge waarover zij krachtens artikel 15, lid 1, onder f), van richtlijn 2003/96 beschikken, de naleving van dit vereiste als voorwaarde mogen stellen voor de vrijstelling of de toepassing van een verlaagd accijnstarief die zij volgens deze bepaling kunnen vaststellen voor met name energieproducten die als brandstof voor de vaart op de binnenwateren van de Unie voor commerciële doeleinden worden gebruikt.

68 Dit zou slechts anders zijn indien de betrokken marktdeelnemer opzettelijk heeft deelgenomen aan belastingfraude en zo de goede werking van de regeling voor de heffing van belasting over energieproducten en elektriciteit in gevaar heeft gebracht, of indien de niet-naleving van het vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden tot gevolg heeft dat wordt verhinderd dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan (zie naar analogie arrest van 20 juni 2018, Enteco Baltic, C108/17, EU:C:2018:473, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”

Het hiervoor in 2.2, eerste alinea, weergegeven betoog van de Staatssecretaris wordt verworpen omdat het – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is – berust op een verkeerde lezing van punt 68 van het arrest Alsen. Bij de zinsnede “indien de niet-naleving van het vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden tot gevolg heeft dat wordt verhinderd dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan” heeft het Hof van Justitie naar analogie gewezen op zijn rechtspraak over btw. In die rechtspraak heeft het Hof van Justitie als regel gegeven dat wanneer de materiële voorwaarden van een belastingvrijstelling zijn vervuld, die belastingvrijstelling moet worden verleend, zelfs wanneer de belastingplichtige niet heeft voldaan aan formele vereisten. Het Hof van Justitie onderscheidt twee gevallen waarin de niet-eerbiediging van een formeel vereiste – waartoe het Hof van Justitie rekent het vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden, gelet op de rechtspraak waarnaar in punt 68 van het arrest Alsen wordt verwezen – kan leiden tot het verlies van het recht op vrijstelling van btw dan wel accijns, te weten het geval waarin de betrokken marktdeelnemer opzettelijk heeft deelgenomen aan belastingfraude en zo de goede werking van de desbetreffende belastingregeling in gevaar heeft gebracht en het geval dat niet-naleving van zo’n formeel vereiste verhindert dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan. Met dit laatste geval heeft het Hof van Justitie bedoeld de situatie dat de belastingautoriteit niet heeft kunnen vaststellen dat aan de materiële vereisten voor vrijstelling is voldaan als gevolg van het niet-voldoen aan het formele vereiste. Wanneer de belastingautoriteit echter over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat aan de materiële vereisten voor vrijstelling is voldaan, mag zij met betrekking tot het recht van de belastingplichtige op vrijstelling geen nadere voorwaarden stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd.

De Inspecteur heeft in deze procedure niet betwist de stelling van belanghebbende dat hij als de eigenaar en de schipper van het motortankschip de in de bunkertanks van dat schip aangetroffen gasolie overeenkomstig het doel van de vrijstelling van artikel 66, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet gebruikt voor de aandrijving van het motortankschip. Dan moet ervan worden uitgegaan dat de Inspecteur geen aanvullende gegevens nodig had om vast te stellen wat het werkelijke gebruik van die gasolie is en moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat het vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden niet is nageleefd, hem niet heeft verhinderd vast te stellen dat aan de materiële voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan.

De hiervoor in 2.2, tweede alinea, weergegeven stelling van de Staatssecretaris bouwt voort op hetgeen het Hof van Justitie in het arrest Alsen voor recht heeft verklaard, te weten dat de accijnsvrijstelling voor gasolie die is geleverd voor gebruik als brandstof voor de commerciële vaart op binnenwateren van de Unie, niet mag worden geweigerd omdat deze gasolie niet overeenkomstig de vereisten van het Unierecht voor fiscale doeleinden is gemerkt, terwijl in de desbetreffende situatie, ten eerste, vaststaat dat die gasolie voor dat doel wordt gebruikt en er, ten tweede, geen enkele aanwijzing is die vermoedens van fraude, misbruik of belastingontwijking doet rijzen. De stelling van de Staatssecretaris berust op de veronderstelling dat er in deze zaak aanwijzingen zijn die vermoedens van fraude of misbruik als bedoeld in deze verklaring voor recht doen rijzen. Over deze hiervoor in 2.2, tweede alinea, weergegeven stelling van de Staatssecretaris wordt het volgende overwogen.

De Hoge Raad heeft in het hiervoor in 1.1 bedoelde arrest van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:187, geoordeeld dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende niet was betrokken bij accijnsfraude, misbruik of ontwijking van accijns ter zake van de in de bunkertanks aangetroffen gasolie. Uit punt 68 van het arrest Alsen volgt dat zo’n marktdeelnemer de vrijstelling niet kan worden geweigerd wanneer vaststaat dat aan de materiële voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling is voldaan. Daarom had de Inspecteur belanghebbende de vrijstelling niet mogen weigeren op de grond dat de in de bunkertanks van het motortankschip aangetroffen gasolie niet de wettelijk voorgeschreven hoeveelheid Solvent Yellow bevatte.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1.2 en 2.4.1 tot en met 2.5.2 is overwogen, slaagt middel II. Dat brengt mee dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De middelen I, III en IV behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De beslissing van de Rechtbank om de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de accijns en in de voorraadheffing, de daarbij gegeven boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente te vernietigen, is juist en zal worden bevestigd.

3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.

In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 23 december 2019. De tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van de hiervoor in 1.2 bedoelde prejudiciële beslissing, bedraagt 25 maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn wat de cassatieprocedure betreft met meer dan 30 maanden, maar minder dan 36 maanden is overschreden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 3.000.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve de beslissing over de vergoeding van proceskosten voor het hoger beroep,

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 3.000,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 259,

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 11.208 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- draagt de Inspecteur op aan het Hof het griffierecht te betalen voor de behandeling van het hoger beroep van € 548.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/2105 NDFR Nieuws 2026/1537 Viditax (FutD) 2026100903
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand