Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 juni 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-705054-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
feit 1: medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2 en feit 3 met betrekking tot 4,2 gram cocaïne:
de eendaadse samenloop vanmedeplegen van, handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbodenmedeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen
feit 3 met betrekking tot 399.995,8 gram en 400 kilogram cocaïne:
medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen
feit 4: medeplegen van het handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5: medeplegen van het handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 6: medeplegen van eenvoudig witwassen;
feit 7: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van het voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met verbetering van de gronden, in die zin dat het hof met betrekking tot de inzet van de politieverkenner zal oordelen dat er geen sprake is van enig onherstelbaar vormverzuim.
De verdediging heeft zich – naar het hof begrijpt – primair op het standpunt gesteld dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde voor zover dat ziet op pallet [pallet 1] . Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging. Meer subsidiair heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit en meest subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Hoewel het hof het beroepen vonnis in zijn geheel vernietigt, kan het hof zich voor een deel vinden in de beslissingen van de rechtbank en in de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde gronden. Voor zover het hof zich in die beslissingen en gronden kan vinden, heeft het hof die hierna overgenomen. Waar nodig heeft het hof die beslissingen en gronden aangevuld en/of verbeterd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 4 september 2018 tot en met 27 september 2018, in elk geval op 27 september 2018, te Vlissingen en/of Moerdijk,
in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in totaal ongeveer 100 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
in elk geval op omstreeks 27 september 2018 te Vlissingen en/of Moerdijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal ongeveer 100 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij in of omstreeks de periode van 4 september 2018 tot en met 10/11 oktober 2018, in elk geval op 10/11 oktober 2018, te Vlissingen en/of Moerdijk en/of Den Haag,
in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in totaal ongeveer 400 kilogram cocaïne (een pallet met (bananen)dozen gestickerd [pallet 1] ),
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
in elk geval op omstreeks 10/11 oktober 2018 te Vlissingen en/of Moerdijk en/of Den Haag,
in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
in totaal ongeveer 400 kilogram cocaïne (een pallet met (bananen)dozen gestickerd [pallet 1] ),
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 september 2018 tot en met 11 oktober 2018 te Rotterdam en/of Moerdijk en/of Lage Zwaluwe en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
te weten het verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, van 400 kg (palletnummer [pallet 2] ) en/of 400 kg (palletnummer [pallet 1] ), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- ( telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- ( telkens) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- ( telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s)wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)
- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad en/of inlichtingen ingewonnen met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne, en/of
- ( bananen)dozen op pallet(s) (vals) gestickerd met de nummer(s) [pallet 2] en/of [pallet 1] , en/of
- pallets met (valse/vervalste) stickers op bananendozen klaar gezet om te fungeren als deklading voor (een) door te voeren pallet(s) met (bananen)dozen met die genoemde hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, en/of
- een pallet met (bananen)dozen – gestickerd [pallet 1] – gezocht en/of uit de bedrijfsvoorraad van [bedrijf 1] gehaald, en/of
- een pallet met (bananen)dozen – gestickerd [pallet 1] – in een vrachtwagen geladen (met de bestemming Den Haag );
4.hij in of omstreeks de periode van 4 september 2018 tot en met 29 januari 2019, in elk geval op 29 januari 2019, te Vlissingen en/of Moerdijk en/of Etten-Leur, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in totaal ongeveer 60 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
in elk geval op of omstreeks 29 januari 2019 te Vlissingen en/of Moerdijk en/of Etten-Leur, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
in totaal ongeveer 60 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5.hij in of omstreeks de periode van 4 september 2018 tot en met 3 februari 2019, in elk geval op 3 februari 2019, te Vlissingen en/of Moerdijk en/of IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in totaal ongeveer 400 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
in elk geval op of omstreeks 3 februari 2019 te Vlissingen en/of Moerdijk en/of IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal ongeveer 400 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
6.hij in of omstreeks de periode van 4 september 2018 tot en met 10 juni 2019 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en) van in totaal (ten minste) 80.000 euro en/of 135.000, althans een grote hoeveelheid geld, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de verplaatsing en/of rechthebbende heeft verborgen en/of verhuld, en/of
voornoemd geld heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik van heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of dat die hoeveelheid geld
– onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
7.hij in of omstreeks de periode van 4 september 2018 tot en met 10 juni 2019 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van één of meer natuurlijke personen, bestaande uit (onder andere) verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en één of meer onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en/of artikel 10a eerste lid Opiumwet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Geldigheid inleidende dagvaarding
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op de gronden als verwoord in de pleitnota primair op het standpunt gesteld dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde voor zover dat ziet op pallet [pallet 1] . Deze gronden houden – zakelijk weergegeven – het volgende in.
De feiten 2 en 3 zijn als afzonderlijke feiten tenlastegelegd. Met betrekking tot pallet
[pallet 1] ziet feit 2 op de verlengde invoer en feit 3 op voorbereidingshandelingen, terwijl uit de tenlastelegging en de bewijsconstructie niet duidelijk volgt welke feitelijke gedraging onder feit 3 zelfstandig resteert naast de gedragingen die reeds onder feit 2 aan de verdachte worden verweten. De rechtbank heeft dit probleem onderkend door eendaadse samenloop aan te nemen. De verdediging meent dat dat juridisch onzuiver is. De verdachte wordt daardoor immers feitelijk tweemaal veroordeeld voor hetzelfde feit.
Voor de verdachte moet duidelijk zijn waartegen hij zich moet verdedigen. Nu de afbakening tussen beide feiten ontbreekt, voldoet de dagvaarding op dit punt niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), aldus de verdediging.
Oordeel hof
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Bij de beoordeling van de vraag of een tenlastelegging een voldoende opgave van de feiten behelst als bedoeld in artikel 261 Sv, komt het uiteindelijk erop aan of het aan de hand van de in de tenlastelegging gebezigde woorden, bezien tegen de (contextuele) achtergrond van het procesdossier, voldoende duidelijk is welke feitelijke gedragingen de strafbare feiten zouden moeten uitmaken die de verdachte worden verweten.
Naar het oordeel van het hof wordt in het onder 2 en 3 tenlastegelegde voldoende geconcretiseerd om welke gedragingen het gaat en is het in het licht van de inhoud van het procesdossier ook voldoende duidelijk waarop die feiten betrekking hebben. Bovendien heeft de verdediging er ter terechtzitting blijk van gegeven dat zij wist waartegen zij zich diende te verdedigen.
Bij de beoordeling van de vraag of het feit waarvoor de verdachte onder 2 wordt vervolgd, voor zover dat ziet op pallet [pallet 1] hetzelfde is als het feit waarvoor de verdachte onder 3 wordt vervolgd voor zover dat ziet op pallet [pallet 1] , moet het hof die feiten met elkaar vergelijken. Bij die toetsing dienen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten
Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
( i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte
Indien de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Hierbij verdient opmerking, dat reeds uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ voortvloeit dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Onder 2 is aan de verdachte een combinatie van artikel 2 onder A, B en C van de Opiumwet (hierna: Ow) tenlastegelegd. Aangezien artikel 10a Ow ziet op – kort gezegd – het voorbereiden of bevorderen van een feit als bedoeld in artikel 2 onder B (of D) respectievelijk onder A, is artikel 2 Ow hier alleen van belang voor zover het betreft de aanhef van dat artikel en de gedragingen beschreven onder A en B. Dit artikel luidt dan
– voor zover relevant – als volgt:
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
(…).
Deze gedragingen beschreven in artikel 2 Ow zijn strafbaar gesteld in arikel 10 Ow. Dit artikel luidt – voor zover relevant – als volgt:
(…)
4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in artikel 2 onder B of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
5. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 2 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
(…).
Onder 3 wordt aan de verdachte overtreding van artikel 10a Ow verweten. Dit artikel luidt
– voor zover relevant - als volgt:
1. Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
(…).
Het hof stelt vast dat de juridische aard van de feiten verschilt wat betreft de strafmaxima van de gevangenisstraf. Op het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs staat een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren en op het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van harddrugs een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren, terwijl het voorbereiden of bevorderen van die feiten wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.
Daarnaast verschillen de tenlastegelegde gedragingen. In feit 2 gaat het om het binnen het grondgebied van Nederland brengen respectievelijk het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van – kort gezegd – harddrugs. Feit 3 ziet op het voorbereiden of bevorderen van die feiten. De gedragingen bedoeld in feit 3 gaan dus aan de gedragingen bedoeld in feit 2 vooraf, zij het dat hier ook gedragingen in zijn begrepen die elkaar overlappen, inherent aan de tenlastegelegde verlengde doorvoer. Dit laat onverlet dat de gedragingen in de kern verschillen qua aard en kennelijke strekking, maar ook (gedeeltelijk) qua tijd en in dit geval ook qua plaats.
Dat de respectievelijke gedragingen in dit geval qua tijd naadloos in elkaar overgaan en voor een gedeelte elkaar overlappen, maakt dit verschil niet anders.
Kortom, naar het oordeel van het hof is bij het onder 2 en 3 tenlastegelegde niet sprake van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr.
Ook overigens zijn geen gronden gebleken die aan de geldigheid van de inleidende dagvaarding in de weg staan. De inleidende dagvaarding is derhalve geldig.
Het verweer wordt daarom verworpen.
Juridisch kader artikel 359a Sv
Inleiding
In dit arrest zal het hof een aantal keren ingaan op (mogelijke) vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. Het hof zal hier het kader van dit artikel schetsen en in het vervolg van dit arrest, waar nodig, naar dit kader verwijzen.
Artikel 359a Sv
Op grond van artikel 359a, eerste lid, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit;
c. het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
Ingevolge het tweede lid van artikel 359a Sv houdt de rechter bij de toepassing van het eerste lid rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Algemeen kader
De Hoge Raad heeft in onder meer zijn arresten van 30 maart 2004 en 19 februari 2013 uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan voordat toepassing kan worden gegeven aan één van de in art. 359a Sv genoemde rechtsgevolgen. In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 overwoog de Hoge Raad – onder meer – als volgt (r.o. 2.1.3):
In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Op de strafrechter rust niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat.
Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek.
Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg.
Vormverzuimen ‘bij het voorbereidend onderzoek’ en daarbuiten
De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Daarnaast heeft ‘het voorbereidend onderzoek’ in artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.
Ten aanzien van opsporingshandelingen die hebben plaatsgevonden voordat er sprake was van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit die zijn gebaseerd op het algemeen taakstellend artikel 3 van de Politiewet 2012 (hierna Pw) (voorheen, tot 1 januari 2013 artikel 2 van de Politiewet 1993) heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 13 november 2012 het volgende bepaald (r.o. 2.6.3):
Uit het zojuist overwogene vloeit voort dat het ontbreken van een verdenking in de zin van artikel 27 Sv niet meebrengt dat dergelijke kortstondige en beperkte observaties onrechtmatig zijn aangevangen. Niettemin zullen zij, als berustend op wettelijke bepalingen waarin de opsporing van strafbare feiten aan de betrokken functionarissen is opgedragen, tot het voorbereidend onderzoek gerekend moeten worden ingeval (mede) door de observaties een verdenking als bedoeld in artikel 27 Sv ontstaat en verdergaande opsporingsbevoegdheden worden toegepast. Overschrijding van de grenzen waarbinnen zulke, niet krachtens het in artikel 126g Sv bedoelde bevel uitgevoerde, observaties toelaatbaar zijn, moet in zo een geval worden aangemerkt als een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Rechtsgevolg
In het geval dat sprake is van een vormverzuim dat is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden.
Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie als strafprocessuele sanctie
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (r.o. 3.6.5):
Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
De strekking van deze maatstaf (ook wel het ‘Zwolsman-criterium genoemd’) is, aldus de Hoge Raad op 1 december 2020 in rechtsoverweging 2.5.2, dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)– ‘the proceedings as a whole were not fair’. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelde de Hoge Raad in 2024 de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden.
In rechtsoverweging 2.5.3 overwoog de Hoge Raad dat in gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte biedt voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten dat in zo’n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.
Naast schending van het Zwolsman-criterium, is de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie eveneens mogelijk indien – ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden – sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat (het zogenoemde ‘Karman’-criterium).
Bewijsuitsluiting als strafprocessuele sanctie
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. In zijn arrest van
1 december 2020 heeft de Hoge Raad dit teruggebracht tot twee categorieën, te weten:
( i) gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen en
(ii) gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel.
In het tweede geval geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt.
Als de verdachte is geschonden in een belang dat het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beoogt te beschermen, levert een zodanige inbreuk niet zonder meer ook een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces op. Aan niet gerechtvaardigde inbreuken op artikel 8 EVRM behoeft dan ook in de regel niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting te worden verbonden, mits het recht van verdachte op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd.
Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en met inachtneming van het uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.
Naast de gevallen als voornoemd kan bewijsuitsluiting tevens aan de orde komen indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt.
Strafvermindering als strafprocessuele sanctie
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen (r.o. 3.6.3):
Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (...) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.
Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit het uitgangspunt dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek.
Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen, afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering.
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg, dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
Gelet op het uitgangspunt van subsidiariteit is het aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging of – onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring – de toepassing van bewijsuitsluiting.
Aan een artikel 359a Sv-verweer te stellen eisen
Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv wordt verlangd, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren genoemd in artikel 359a, tweede lid Sv – te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt – wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg het vermeende vormverzuim dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven.
Beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren
Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de rechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de rechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota, primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging omdat er in het onderzoek gebruik is gemaakt van een zogenoemde politieverkenner die gedurende langere tijd contact heeft onderhouden met de verdachte:
Er is derhalve sprake van ernstige schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarbij is doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte, tekortgedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak (Zwolsman-criterium). De verdachte is daardoor aanzienlijk in zijn belangen geschaad.
Daarnaast heeft deze politieverkenner volgens de verdediging in strijd gehandeld met het Tallon-criterium, wat – naar het hof begrijpt – eveneens dient te leiden tot het niet- ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie.
Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de belangen van de verdachte niet, of niet in voldoende mate, zijn geschaad, heeft de verdediging zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota, op het standpunt gesteld dat sprake is van zodanig fundamentele inbreuken – naar het hof begrijpt door het handelen van het Openbaar Ministerie waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt – dat deze reeds op zichzelf niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie rechtvaardigen (Karman-criterium).
Deze gronden houden – kort samengevat – het volgende in.
Ontbreken van wettelijke regeling:
De politieverkenner heeft bijna twee jaar intensief contact gehad met de verdachte. Hij werkte heimelijk, langdurig en relationeel, waarbij de ontstane relatie tussen de politieverkenner en de verdachte door de politieverkenner zelf werd omschreven als een vriendschap. Hierdoor is een min of meer volledig beeld van het privéleven van de verdachte verkregen en is een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte waarmee artikel 8 EVRM is geschonden, terwijl artikel 3 Pw hier onvoldoende grondslag voor bood.
Onvolledige verslaglegging
Daarnaast is de primaire verslaglegging omtrent de inzet van de politieverkenner niet tijdig en aanvankelijk niet volledig aan de verdediging verstrekt. Een deel van de contactmomenten is niet geverbaliseerd. Dat blijkt ook uit de genoemde, in hoger beroep alsnog aan het dossier toegevoegde e-mailberichten en journaalmutaties. Die inzet was daardoor niet controleerbaar. Zo kon niet worden nagegaan of de politieverkenner de verdachte heeft gestuurd of heeft uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten.
Pas in hoger beroep zijn in opdracht van het hof de interne stukken van de politieverkenner aan de verdediging verstrekt, te weten de e-mailberichten en mutaties die door de politieverkenner zijn gemaild of geregistreerd, voor zover die betrekking hebben op de inzet van de politie in deze zaak. Ook zijn de politieverkenner, zijn begeleider en de betrokken officier van justitie opnieuw als getuigen gehoord. Hieruit is gebleken dat het dossier waarop de rechtbank haar oordeel baseerde, op relevante onderdelen geen volledig beeld gaf.
Strijd met Tallon-criterium
De verdediging stelt zich in het kort op het standpunt er sprake was van een opgebouwde vriendschappelijke vertrouwensrelatie waarin de politieverkenner de verdachte niet heeft afgeremd in zijn criminele activiteiten, maar hem heeft lekker gemaakt met een mooier leven. Hierdoor is er geen sprake van klassieke uitlokking, maar heeft de verdachte wel dingen gedaan die hij niet gedaan zou hebben als hij de politieverkenner niet had gekend.
Samenloop
Volgens de verdediging is er op basis van het voorgaande geen sprake van één geïsoleerd vormverzuim, maar gaat het om een samenloop van een heimelijke methode zonder specifieke wettelijke regeling, een te laat gegeven bevel stelselmatige informatie-inwinning op grond van artikel 126j Sv, het niet tijdig of onvolledig voegen van stukken, het wissen van telefooncommunicatie en onvolledige processen-verbaal waardoor de verdediging niet in staat is om een gemotiveerd beroep op uitlokking te kunnen doen. Hierdoor is er niet alleen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, maar kan onder deze omstandigheden ook niet langer worden gesproken van een eerlijk proces. De verdediging meent dan ook dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Immers, ‘the proceedings as a whole were not fair’.
Karman-criterium
Tot slot is er naar het oordeel van de verdediging schending van het Karman-criterium omdat politie en justitie niet hebben ingegrepen op het moment dat bekend werd dat er opnieuw plannen waren om de voorman van de weg te rijden.
Oordeel hof
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Term ‘politieverkenner’
Ten aanzien van de benaming die voor de in deze zaak ingezette opsporingsambtenaar, te weten ‘verkenner’ en/of ‘politieverkenner’ is gebezigd, merkt het hof het volgende op. Uit het dossier blijkt dat tijdens de getuigenverhoren in de onderhavige zaak bij de rechter-commissaris de naam ‘politieverkenner’ aan de inzet van de betreffende opsporingsambtenaar is gegeven. Deze term is ook tijdens de behandeling ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg als nadien in hoger beroep, steeds door alle betrokken procespartijen gebruikt. Het hof realiseert zich dat de term nog niet gehanteerd werd ten tijde van de inzet van deze opsporingsambtenaar in Rotterdam -Zuid, maar zal uit het oogpunt van eenduidigheid ook verder de term (politie)verkenner bezigen in zijn overwegingen.
Pilot inzet politieverkenner
Uit het dossier, in het bijzonder uit de getuigenverhoren van de bij de inzet betrokken officier van justitie mr. [officier van justitie] bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris alsemede de politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van de politie Rotterdam bij de rechter-commissaris, blijkt ten aanzien van de feiten en omstandigheden rondom die inzet van de politieverkenner – samengevat – het volgende.
De politieverkenner was gedurende zijn inzet werkzaam onder nummer [nummer] . De politieverkenner heeft gedurende zijn inzet contact gekregen en onderhouden met de verdachte, die op dat moment geen verdachte was als bedoeld in artikel 27 Sv. Dit contact vond plaats in het kader van de algemene politietaak (het hof begrijpt: artikel 3 Pw) en had tot doel de algemene informatiepositie in Rotterdam -Zuid te verbeteren. Het contact tussen hen vond aanvankelijk dan ook plaats zonder dat daarvoor een bevel stelselmatige informatie inwinning was afgegeven. Toen op basis van dit contact gaandeweg het vermoeden ontstond dat de verdachte betrokken was bij de invoer van cocaïne, is op
9 oktober 2018 mondeling een bevel stelselmatige informatie inwinning gegeven door de officier van justitie, welk bevel op 10 oktober schriftelijk is gegeven. Op basis hiervan werd vervolgens het contact voortgezet en werden diverse bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet.
Uit de verhoren bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris komt naar voren dat de politieverkenner is ingezet in Rotterdam -Zuid omdat er zogezegd sprake was van drugsgerelateerde, ondermijnende criminaliteit, waarop politie en justitie moeilijk vat kregen. Om de informatiepositie van politie en justitie in Rotterdam -Zuid te versterken, is in 2015 een pilot gestart waarbij opsporingsambtenaren zich onherkenbaar ophielden op openbare plaatsen in de wijk waar de politie geen goed zicht had, zoals in winkels en cafés. De pilot was niet gericht op het verzamelen van bewijs van strafbare feiten, maar op het opbouwen van een informatiepositie. De opsporingsambtenaren zouden de ogen en oren voor de politie zijn en zo mogelijk zicht krijgen op wat er echt leefde en speelde in de wijk. De hoop bestond dat mensen uit de wijk meer aan hen zouden vertellen dan aan de als politieambtenaren herkenbare wijkagenten.
Een politieverkenner zou langduriger kunnen worden ingezet dan een observatieteam en kon daardoor een betere informatiepositie krijgen. Daarnaast wordt een observatieteam sneller herkend. De pilot was niet uitgewerkt in een beleidsdocument, was gebaseerd op de algemene taakstelling van artikel 3 Pw en vond plaats onder toezicht van een officier van justitie. Deze handelwijze is een aantal keren mondeling geëvalueerd.
De politieverkenner die contact onderhield met de verdachte was aldus een opsporingsambtenaar, die heimelijk werkte, zijn bevindingen verbaliseerde onder nummer en schriftelijk rapporteerde aan zijn begeleider(s) aan het einde van iedere inzet over zijn bevindingen van die dag. Tijdens zijn verhoor bevestigde de politieverkenner dat hij de algemene opdracht kreeg om zich op te houden in een in een aan hem toegewezen gebied in Rotterdam -Zuid om een informatiepositie op te bouwen. Zijn taak was niet gericht op het verzamelen van informatie over een bepaald persoon en hij zou zich onder andere begeven in winkels en horecagelegenheden. Hij kreeg geen gerichte opdrachten en hij wist vooraf niet wie hij die dag zou gaan ontmoeten. Hij werkte full time als politieverkenner en maakte gebruik van een andere naam (hof: [verbalisant 4]) en had onder die naam een alter ego opgebouwd. Ten aanzien van de verdachte verklaarde de verkenner dat hij hem na de eerste ontmoeting een aantal keren op straat of in een café was tegengekomen en dat zij op een zeker moment telefoonnummers hebben uitgewisseld. Daarna zijn zij elkaar een aantal keer per toeval tegengekomen of heeft de verkenner hem opgezocht. De verdachte kon gemakkelijk praten en waar een gesprek normaal zou stoppen, ging het tussen hen door naar een sociaal gesprek. De verkenner kon goed met de verdachte opschieten en de relatie tussen hen was als een vriendschap. Desgevraagd gaf de verkenner aan dat dit onderdeel was van de werkmethode.
Tijdens de inzet van de politieverkenner moest de officier van justitie op de hoogte worden gehouden van de handelingen die door de politieverkenner werden verricht zodat er geen sprake kon zijn van de inzet van een bijzondere opsporingsmethode. Zodoende was er regelmatig overleg met de officier van justitie om de grens te bewaken tussen artikel 3 Pw en artikel 126j Sv. De betrokken officier van justitie verklaarde dat het overleg over wat wel en niet kon intensief was. Daarnaast verklaarde de officier van justitie dat de pilot werd uitgevoerd door het team heimelijke opsporing en dat er gewerkt werd met het opbouwen van een ‘cover’ voor de politieverkenners, het zogenaamde ‘backstopping’.
Tijdlijn inzet politieverkenner
In de onderhavige zaak is – voor zover bekend – één politieverkenner in contact gekomen met de verdachte. De verdachte kende deze politieverkenner als [verbalisant 4] . Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte en de politieverkenner op meerdere momenten contact met elkaar hebben gehad.
Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende tijdlijn, samengeteld op basis van het proces-verbaal d.d. 29 augustus 2019, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant
[verbalisant 2] , met proces-verbaalnummer 1908291500.AMB, inzake de inzet van de politieverkenner voorafgaand aan het bevel stelselmatige informatie inwinning (hierna: het proces-verbaal inzake de politieverkenner), het proces-verbaal redelijk vermoeden, de processen-verbaal stelselmatige informatie inwinning na het bevel ex artikel 126j Sv en de in hoger beroep aan het dossier toegevoegde journaalmutaties en e-mailberichten.
Discrepanties in de tijdlijn?
De verdediging heeft betoogd dat het moment waarop de politieverkenner in contact kwam met de verdachte onjuist is weergegeven in de processen-verbaal. Dit zou in de herinnering van de verdachte namelijk in al 2016 tijdens een Vaderdagfeest zijn geweest. Dit standpunt is door de verdediging niet nader onderbouwd. Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de politieverkenner en de verdachte elkaar al vóór december 2016 hebben ontmoet. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft de politieverkenner ook verklaard over een Vaderdagfeest. Dat zou echter hebben plaatsgevonden in 2017. Dit komt overeen met hetgeen hierover is genoteerd in het proces-verbaal inzake de politieverkenner en wordt bevestigd in de jourmaalmutaties die tijdens het hoger beroep zijn verstrekt. Het hof ziet op basis van deze aanvullende stukken en de enkele, niet onderbouwde stelling van de verdediging geen aanleiding om te twijfelen aan het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal over de eerste ontmoeting op 7 december 2016.
De verdediging heeft voorts betoogd dat er een gat in de verslaglegging zit tussen de eerste ontmoeting van de verdachte en de politieverkenner en – naar het hof begrijpt – 11 mei 2017. De verdediging heeft echter niet aangegeven welke contacten dan in die periode zouden hebben plaatsgevonden, terwijl de verdachte bij uitstek degene is die daarover zou kunnen verklaren. Ook blijkt niet uit de in hoger beroep verstrekte journaalmutaties dat er in de genoemde periode contacten zijn geweest tussen de verdachte en de politieverkenner.
Het hof heeft buiten twee latere contactmomenten op 2 juni 2017 en 20 december 2017 die wel in de journaalmutaties staan, maar niet zijn meegenomen in de processen-verbaal, geen reden om te twijfelen aan de verdere volledigheid van de ambtsedige processen-verbaal over de contactmomenten en ontmoetingen tussen de verdachte en de verkenner. Dat de in hoger beroep aan het dossier toegevoegde e-mailberichten en journaalmutaties, waarin de politieverkenner verslag deed van zijn bevindingen, op basis van welke e-mailberichten en mutaties door verbalisanten later (samenvattende) ambtsedige processen-verbaal zijn opgemaakt, voorts meer context bevatten dan die processen-verbaal, doet hieraan niets af. Het is het hof na vergelijking van de tijdlijn die in het proces-verbaal inzake de politieverkenner wordt geschetst en de in het procesdossier gevoegde e-mailberichten en journaalmutaties van de politieverkenner niet gebleken dat dit proces-verbaal een onjuiste samenvatting zou geven van de bevindingen van de politieverkenner, anders dan hiervoor in de tijdlijn is vermeld.
Kortom, het hof gaat er van uit dat de hiervoor weergegeven en door het hof aangevulde tijdlijn een volledig beeld geeft van alle contacten, ontmoetingen en pogingen daartoe tussen de verdachte en de politieverkenner tot het moment waarop het bevel stelselmatige informatie-inwinning werd afgegeven.
Juridisch kader
Relevante wetsartikelen
Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de handelingen van de politieverkenner is het bepaalde in de volgende artikelen zijn van belang:
Artikel 8 EVRM:
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 3 Pw:
De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.
Artikel 141 Sv:
Met de opsporing van strafbare feiten zijn belast:
a. de officieren van justitie;
b. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012, en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder c en d, van die wet, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
(…)
Artikel 126j Sv:
1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d (https://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2023-03-01), en 142 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2023-03-01), zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.
(…)
6. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2023-03-01), is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 152 Sv:
1. De ambtenaren, met de opsporing van strafbare feiten belast, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden.
2. Het opmaken van proces-verbaal kan onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie achterwege worden gelaten
Artikel 149 Sv:
1. De officier van justitie is tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken.
2. Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b.
(…)
Bescherming privéleven
Op grond van artikel 8, eerste lid, EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Bij het recht op respect voor het privéleven gaat het over het recht op persoonlijke autonomie, identiteit en persoonlijke ontwikkeling. Het begrip privéleven wordt ruim opgevat door het EHRM en ziet niet alleen op de ‘inner circle’ van de intieme privésfeer van een persoon, maar kan zich ook uitstrekken tot de werkvloer en de publieke ruimte.
In de jurisprudentie is een aantal nuances aangebracht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zo is bepaald dat als iemand zichzelf in een situatie manoeuvreert waarin hij in redelijkheid niet kan verwachten aanspraak te kunnen maken op privacybescherming, hij daar onder omstandigheden ook geen aanspraak op kan maken. Zo moet een drugscrimineel er bijvoorbeeld rekening mee houden dat hij geconfronteerd kan worden met een undercoveragent. Dit is gebaseerd op de Amerikaanse leer van de redelijke verwachting van privacy, de ‘reasonable expectation of privacy’.
Een inbreuk op het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM is toegestaan indien is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid. Dat betekent onder andere dat daarvoor een wettelijke basis is vereist die moet voldoen aan de in het tweede lid van artikel 8 EVRM gestelde eisen.
Opsporingshandelingen op basis van artikel 3 Pw
Ten aanzien van de inzet van de politieverkenner op basis van artikel 3 Pw (in combinatie met artikel 141 onder a en b Sv) stelt het hof voorop dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het algemeen taakstellend artikel kan dienen als wettelijke basis om een niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing in te zetten zolang er geen sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Vergelijk het arrest van 13 november 2012 waarin de Hoge Raad over een observatie, die had plaatsgevonden zonder een bevel ex artikel 126g Sv van de officier van justitie, het volgende overwoog (r.o. 2.6.2):
Observaties als de onderhavige, waarvoor geen machtiging als bedoeld in artikel 126g Sv is gegeven, kunnen jegens de geobserveerde onrechtmatig zijn indien zij in verband met de plaats waar zij zijn uitgevoerd, de duur, intensiteit en frequentie ervan, alsmede het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. Indien dat niet het geval is, kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als zo beperkt worden beschouwd dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, neergelegd in artikel 2 Politiewet 1993 en artikel 141 Sv, daarvoor voldoende legitimatie biedt. Dit zal in het bijzonder het geval zijn indien de observaties slechts in een bepaald gebied en kortstondig worden uitgevoerd, naar aanleiding van omstandigheden waaruit redelijkerwijs een verhoogde kans op strafbare feiten kan worden afgeleid. Uit de verslaglegging van de observaties zal - mede in verband met de vereiste subsidiariteit en proportionaliteit van de uitgevoerde observaties - in voorkomend geval moeten kunnen blijken of zij in deze zin beperkt en kortstondig zijn gebleven.
In het arrest van 1 juni 2024 vult de Hoge Raad dit kader aan met de volgende overweging naar aanleiding van de inzet van de IMSI-catcher zonder een daarop toegesneden wettelijke bepaling:
Voor een niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing als in deze zaak aan de orde moet worden aangenomen dat de opsporingsambtenaren op grond van artikel 2 (oud) Politiewet 1993 (thans artikel 3 Politiewet 2012) en artikel 141 en 142 Sv, zoals in de rechtspraak van de Hoge Raad uitgelegd, alleen bevoegd zijn haar in te zetten op een wijze die een beperkte inbreuk maakt op grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.
Hieruit leidt het hof af dat er tevens waarborgen getroffen dienen te worden om de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing te bewaken.
Voorts is van belang dat uit de wetsgeschiedenis ten aanzien van de totstandkoming van de wijziging het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (hierna: de Wet BOB) blijkt dat volgens de wetgever bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van stelselmatigheid waardoor een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt, niet het daadwerkelijke resultaat van de handelingen beslissend is, maar het resultaat dat daar redelijkerwijs van mag worden verwacht.
Dit uitgangspunt sluit aan bij meer recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens die van invloed is geweest op de normering van (digitale) opsporingsbevoegdheden in het Nederlandse strafprocesrecht, waaronder in de zaak La Quadrature du Net II en Prokuratuur met betrekking tot Richtlijn 2002/58/EG en in de zaak Landeck met betrekking tot Richtlijn 2016/680. Naar aanleiding van deze uitspraken heeft de Hoge Raad in het zogenoemde Post- Landeck -arrest van 18 maart 2025 het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken nader genormeerd. In overweging 5.4.2. overweegt de Hoge Raad over het moment waarop er geen sprake meer is van een beperkte inbreuk is als volgt:
In het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie moet het er – voor de toepassing van de genoemde algemene bevoegdheden van opsporingsambtenaren – voor worden gehouden dat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer al geen sprake meer is als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens).
Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de wetgever bewust ruimte heeft geboden voor de ontwikkeling van nieuwe opsporingsmethoden die nog niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld zijn, nu de ontwikkeling van criminaliteit vereist dat ook de opsporingsmethoden zich blijven ontwikkelen. De wetgever achtte onvoorspelbaar welke methoden daarbij ontplooid zouden worden, laat staan in welke mate die een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zouden kunnen opleveren. Bovendien vond de wetgever van belang dat privacy geen scherp omlijnd begrip is. Wat in het verleden niet als een inbreuk op de privacy werd beschouwd, kan dat in de toekomst wel zijn. Hierdoor kan het voorkomen dat de vraag of een bepaalde opsporingsmethode een ongeoorloofde inbreuk op de privacy oplevert aan de rechter zal worden voorgelegd, waarna de wetgever aan zet is voor verdere normering. De aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en het Post - Landeck arrest van de Hoge Raad is illustratief voor het gegeven dat door de tijd heen het antwoord op de vraag wanneer sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, is verschoven.
Stelselmatig inwinnen van informatie
Als het opbouwen van een informatiepositie gericht is op personen en daarmee een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt waarbij tevens gebruik wordt gemaakt van de inzet van een opsporingsambtenaar die een andere identiteit heeft aangenomen, dan kan dit gezien worden als stelselmatige informatie inwinning waarvoor een wettelijke basis is vereist. Een dergelijke basis biedt artikel 126j Sv op grond waarvan de officier van justitie in het geval van een verdenking van een misdrijf een bevel kan geven tot stelselmatige informatie inwinning. Deze bevoegdheid kan tevens worden ingezet in het geval er sprake is van een redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv worden beraamd of gepleegd die gezien hun aard of samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren: zie artikel 126q juncto artikel 126o Sv (het zogenoemde titel V onderzoek). Uit de wetsgeschiedenis blijkt over deze bevoegdheid het volgende.
In artikel 126j wordt voorgesteld te regelen dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat een opsporingsambtenaar onder een andere identiteit, dus als undercover, stelselmatig informatie over een verdachte inwint, teneinde informatie of bewijsmateriaal te verzamelen. Een opsporingsambtenaar kan dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen. Denkbaar is dat een opsporingsambtenaar deelneemt aan een sportclub of telkens naar dezelfde uitgaansgelegenheid gaat, waar ook de verdachte gewend is heen te gaan en op deze wijze stelselmatig informatie over de verdachte inwint. Omdat de personen die hij daarbij ontmoet niet weten dat hij opsporingsambtenaar is, is de kans groot dat hij dingen te horen of te zien krijgt, mede doordat hij daarin kan sturen, waarvan hij anders geen kennis zou kunnen krijgen. Denkbaar is ook dat een opsporingsambtenaar deelneemt aan een zogenaamde newsgroup op internet, zonder dat de andere deelnemers aan de groep weten dat hij opsporingsambtenaar is.
Bij deze vorm van opsporing kan dus, evenals bij infiltratie, niet alleen de privacy van de betrokken burgers in het geding zijn, maar kan tevens sprake zijn van misleiding: de burger weet niet dat de persoon met wie hij van doen heeft, een vertegenwoordiger van de overheid is. Zie over dit aspect de toelichting in paragraaf 3.3. Deze bevoegdheid is alleen toegestaan ter opsporing van misdrijven.
(…) Het onderscheid met de stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de opsporingsambtenaar uitdrukkelijk tot opdracht heeft om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.
Ten aanzien van het aspect misleiding overwoog de wetgever in paragraaf 3.3 het volgende:
De verdachte zal niet verwachten dat de informatie die hij prijs geeft, wordt gebruikt voor opsporingsdoeleinden. De opsporingsambtenaar misleidt de verdachte. Deze misleiding wordt gerechtvaardigd door de ernst van de verdenking die tegen de verdachte bestaat, dan wel de ernst van de misdrijven die in het georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd. Dit aspect vormt een van de redenen voor de wettelijke regeling van deze bevoegdheid.
Verbaliseringsplicht en samenstelling procesdossier
Ten aanzien van de verbaliseringsplicht op grond van artikel 152 Sv in de fase voorafgaand aan een het bestaan van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 5 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL5629) het volgende
7.2.2. Artikel 152 Sv schrijft voor dat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing, zoals thans gedefinieerd in artikel 132a Sv, is verricht of bevonden. Redelijke uitleg van die bepaling in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen brengt het volgende mee. Het staat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren slechts dan vrij het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.
Ingeval het opmaken van een proces-verbaal achterwege blijft, zal evenwel dienen te worden voorzien in een zodanige verslaglegging van de desbetreffende verrichtingen en bevindingen, dat doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van de rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording omtrent dat onderdeel van het opsporingsonderzoek.
(…)
7.2.3 Artikel 152 Sv ziet slechts op het door het Wetboek van Strafvordering bestreken opsporingsonderzoek, zodat die bepaling niet van toepassing is in een daaraan voorafgaande fase van het onderzoek.
Hoewel een wettelijke voorziening omtrent verslaglegging van de verrichtingen en bevindingen van opsporingsambtenaren in die onderzoeksfase ontbreekt, zal al naar gelang de aard en de omvang van het in die fase verrichte onderzoek verslaglegging in enigerlei vorm nochtans niet achterwege mogen blijven. Ingeval een opsporingsonderzoek volgt, zal bij het opmaken van processen-verbaal op de voet van artikel 152 Sv immers zo nodig moeten kunnen worden teruggegrepen op hetgeen voorafgaand aan het opsporingsonderzoek is verricht en bevonden. Voorts geldt ook hier dat, indien de rechter in het eindonderzoek - al dan niet naar aanleiding van een gevoerd verweer - nadere opheldering verzoekt omtrent bepaalde feiten en omstandigheden, op een zodanig verzoek doeltreffend moet kunnen worden gereageerd.
Voorts geldt op grond van artikel 149a Sv dat de officier van justitie verantwoordelijk is voor de samenstelling van het procesdossier waartoe alle stukken behoren die voor een ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissing redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Dat betreft de stukken die relevant zijn voor de beantwoording van één of meer van de vragen van artikel 348 en 350 Sv.
Toetsingskader hof
Het hof zal hierna op basis van het geschetste juridisch kader toetsen in hoeverre in onderhavige zaak al dan niet op rechtmatige wijze invulling en uitvoering is gegeven aan inzet van de politieverkenner en of daarbij de grondrechten van de verdachte in voldoende mate zijn beschermd. In dat kader zal het hof beoordelen;
Daarbij zal het hof tevens rekening houden met de omstandigheid dat er sprake was van misleiding van de verdachte doordat de politieverkenner gebruik heeft gemaakt van een andere identiteit. Ook zal het hof bezien vanaf welk moment er naar het oordeel van het hof sprake was van een redelijk vermoeden van een misdrijf op basis waarvan een bevel tot stelselmatige informatiewinning op grond van artikel 126j Sv door de officier van justitie gegeven had kunnen worden en wat van het eventueel uitblijven daarvan de gevolgen zijn.
Inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en bevoegdheden op basis van artikel 3 Pw
Naar de mening van de verdediging is er inbreuk gemaakt op de privacy van de verdachte en is artikel 8 EVRM geschonden omdat de contacten tussen de verdachte en de politieverkenner als stelselmatig aangemerkt moeten worden. De contacten waren zo frequent en van dusdanige aard dat de verdachte de politieverkenner als zijn vriend zag. De verdediging stelt dat de verdachte hierdoor het nadeel heeft geleden dat hij twee jaar lang door een heimelijke opsporingsambtenaar is beluisterd en bevraagd binnen een relatie die door hem als een vriendschap werd beschouwd.
Het hof overweegt hieromtrent, in afwijking van de rechtbank, het volgende.
De rechtbank heeft overwogen dat in de periode van 2016 tot mei 2018 de contacten tussen de verdachte en de politieverkenner zeer beperkt waren en dat de inhoud van hun gesprekken algemeen was. Vanaf mei 2018 namen de contacten tussen hen toe, maar was nog steeds sprake van algemene gesprekken, van ‘kroegpraat’ in openbare gelegenheden. Dit was volgens de rechtbank onvoldoende om een min of meer volledig beeld te krijgen van het privéleven van de verdachte.
Het omslagpunt lag in de visie van de rechtbank vanaf het moment dat jegens de verdachte een verdenking ontstond, omdat het vanaf dat moment in de lijn der verwachting lag dat de noodzaak voor frequenter contact tussen de verdachte en de politieverkenner zou toenemen om meer informatie in te winnen over de mogelijk te plegen strafbare feiten en het risico reëler werd dat een min of meer volledig beeld van het leven de verdachte zou kunnen worden verkregen. Deze verdenking ontstond, aldus de rechtbank, op 4 september 2018, toen de verdachte tegenover de politieverkenner sprak over de mogelijkheid om mee te werken aan het invoeren van cocaïne. Naar het oordeel van de rechtbank had op dat moment dan ook een bevel op grond van artikel 126j Sv moeten worden afgegeven.
Het hof volgt de rechtbank niet in deze redenering.
Hiervoor heeft het hof de achtergrond van de inzet van de politieverkenner geschetst en de tijdlijn van de contacten die in dat kader zijn ontstaan tussen de politieverkenner en de verdachte (die op dat moment nog niet als verdachte ex artikel 27 Sv was aangemerkt). Daaruit blijkt het volgende.
De politieverkenner begaf zich voor het opbouwen van een betere informatiepositie voor de politie in Rotterdam -Zuid in de openbare ruimte, zoals winkels en horecagelegenheden. Daarbij maakte hij gebruik van een andere identiteit om te verhullen dat hij politieagent was in de hoop dat mensen daardoor meer aan hem zouden vertellen. Er waren geen instructies en de politieverkenner wist vooraf niet wie hij zou gaan ontmoeten. In dat kader heeft de politieverkenner op 7 december 2016 de verdachte ontmoet in een café. De politieverkenner en de verdachte raakten aan de praat en er was, zo begrijpt het hof, sprake van een klik. De verdachte vertelde dat hij werkte in het poolcentrum van zijn vader genaamd ‘ [bedrijf 2] ’ en er werd gesproken over geld verdienen in de wiethandel, waarop de politieverkenner zei: ‘Geen idee wie je bent maar we praten al of we morgen kunnen gaan beginnen!’. De verdachte moest lachen en nodigde de politieverkenner uit om een keer langs te komen op zijn werk. Daarna zijn er blijkens de tijdlijn ruim vijf maanden geen ontmoetingen.
Na die ruim vijf maanden, op 11 mei 2017, besloot de politieverkenner langs te gaan bij het poolcentrum. De verdachte was er, gaf de politieverkenner een rondleiding en ze hadden gesprekken over onder andere het gokken door de verdachte en een vriend van de verdachte die bij creditcardfraude betrokken zou zijn. Voor de politieverkenner leek de verdachte een interessant contact. De politieverkenner werd uitgenodigd voor een Vaderdagfeest, maar ging daar niet heen. Wel nodigde hij de verdachte uit om een keer samen voetbal te kijken. In de maand juni 2017 hebben er nog twee ontmoetingen plaatsgevonden, één keer op initiatief van de politieverkenner en één keer onverwachts.
Gelet op de onverwachte eerste ontmoeting in december 2016 en het incidentele karakter van de ontmoetingen die vijf maanden daarna plaatsvonden in mei en juni 2017 is er naar het oordeel van het hof nog geen sprake van stelselmatig optreden door de politieverkenner op basis waarvan naar de redelijke verwachting een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het privéleven van de verdachte kon worden verkregen.
Het duurde vervolgens opnieuw ruim vijf maanden voordat er weer een ontmoeting plaatsvond. Uit de journaalmutaties blijkt dat de verkenner op 13 december 2017 in de ‘ [bedrijf 4] ’ was waar hij tot zijn verbazing de verdachte tegenkwam. De politieverkenner is bij de verdachte gaan zitten en werd voorgesteld aan zijn jongere broertje. De verdachte vertelde dat zijn jongere broertje vroeger een wiethok had, maar dat hij nu een pizzeria was begonnen. Ook vertelde hij dat hij had verloren met gokken. Er werden telefoonnummers uitgewisseld en er werd gerefereerd aan het gesprek tijdens de eerste ontmoeting over hennephokken. De verdachte vroeg aan de politieverkenner of hij bereid was om € 7.500,- te investeren in een wiethok. Beiden concludeerden echter dat daar de tijd niet rijp voor was. Daarop volgden nog drie (korte) ontmoetingen op 16 en 20 december 2017 en 31 januari 2018. Vanaf 7 februari 2018 heeft de politieverkenner vervolgens meerdere keren geprobeerd om met de verdachte af te spreken, echter zonder resultaat.
Op basis van het feit dat de ontmoeting op 13 december 2017 onverwacht plaatsvond, het incidentele karakter van de ontmoetingen die daarop volgden en het niet slagen van de pogingen om verder contact op te bouwen, is het hof van oordeel dat ook nu nog niet naar redelijkheid verwacht kon worden dat een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het privéleven van de verdachte kon worden verkregen en is er naar het oordeel van het hof geen sprake van stelselmatigheid.
Nadat de politieverkenner op 21 april 2018 de verdachte op straat ontmoette, slaagde hij er wel in om (na een aantal WhatsApp-berichten) op 1 en op 23 mei 2018 met hem af te spreken in een horecagelegenheid. Zij hadden gesprekken over het nieuwe werk van de verdachte, het gokken door de verdachte en de activiteiten van zijn jongere broertje. De verdachte vertelde tevens dat hij in het verleden had getracht om cocaïne te smokkelen. De politieverkenner bleef daarna pogingen ondernemen om af te spreken, wat weer lukte op 24 juli 2018. Deze keer vroeg de verdachte of de politieverkenner iemand wist die interesse had in vijf kilogram. De politieverkenner vroeg wat voor vijf kilo, waarop de verdachte vertelde dat zijn oom over vijf dagen ging knippen en dan vijf kilo wiet had, dat de verdachte die voor hem ging verkopen en dat als de politieverkenner iemand wist, de politieverkenner er ook wat aan kon verdienen. Op 31 juli 2018 liet de politieverkenner aan de verdachte weten dat hij mogelijk een afnemer had voor de wiet, maar toen bleek het spul al weggehaald.
Daarna vonden er nog meer geplande ontmoetingen plaats op 6 augustus, 14 augustus, 4 september, 11 september, 23 september en 27 september 2018 en werd er tussentijds gebeld. Op 4 september 2018 sprak de verdachte over de mogelijkheid om mee te werken aan het invoeren van cocaïne via zijn werk op een overslagplaats van fruit van de [bedrijf 6] . De verdachte vertelde dat hij benaderd was om een pallet gevuld met bananen en 100 kilo cocaïne over te laden op een andere vrachtwagen. Op 5 en 7 september 2018 hadden de politieverkenner en de verdachte telefonisch contact en werd erover doorgesproken. Dat gebeurde ook tijdens de ontmoetingen op 11, 23 en 17 september 2018 waarbij de er steeds meer details over het mogelijke transport en het overladen van de cocaïne door de verdachte werden prijsgegeven. In de periode na 27 september 2018 tot en met 8 oktober 2018 hebben de politieverkenner en de verdachte elkaar nog drie keer telefonisch gesproken.
Op 3 oktober 2018 is het proces-verbaal van verdenking tegen de verdachte opgemaakt en op 9 oktober 2018 volgde het (mondelinge) bevel van de officier van justitie tot stelselmatige informatie inwinning ten aanzien van de verdachte. Hiermee werd hij door de politie en het Openbaar Ministerie formeel als verdachte ex artikel 27 Sv aangemerkt.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat vanaf het moment dat de politieverkenner erin slaagde om met de verdachte af te spreken, te weten op 1 mei 2018, en vervolgafspraken te maken, redelijkerwijs te verwachten was dat de politieverkenner door zijn handelen en dus niet op basis van toeval, een min of meer compleet beeld zou kunnen krijgen van bepaalde aspecten van het privéleven van de verdachte. Het feit dat de politieverkenner feitelijk een undercoveragent was die gebruik maakte van een andere identiteit, een alter ego had en het een onderdeel van de werkmethode was om een vriendschap op te bouwen met iemand, maakt die redelijke verwachting groter omdat de kans aanwezig was dat hij door de op te bouwen relatie dingen te horen of te zien krijgt over het privéleven van de verdachte. Het handelen van de politieverkenner dient naar het oordeel van het hof om die reden vanaf 1 mei 2018 als stelselmatig worden aangemerkt.
Het hof is daarnaast, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er al vanaf 24 juli 2018 sprake was van een redelijk vermoeden dat de verdachte betrokken was bij een concreet strafbaar feit in het kader van de Opiumwet vanwege het aanbod dat hij deed aan de politieverkenner om wiet te gaan verkopen van zijn oom. Met de rechtbank is het hof van mening dat dit vermoeden ook ontstond naar aanleiding van het gesprek op 4 september 2018 waarin de verdachte vertelde dat hij was benaderd voor het overladen van een transport van 100 kilo cocaïne verstopt in een pallet bananen. Hetgeen de verdachte vertelde over het transport was gedetailleerd en concreet en zijn rol paste bij zijn nieuwe werk bij het overslagbedrijf waarover hij had verteld.
Voordat het hof hier een conclusie aan zal verbinden in het kader van artikel 359a Sv, zal het hof eerst stil staan bij de vraag of er voldoende waarborgen zijn getroffen in het kader van de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing en of er sprake is van een procesdossier dat voldoet aan de vereisten van artikel 149a Sv en of is voldaan aan verbaliseringsplicht van artikel 152 Sv.
Beoordeling waarborgen integriteit en beheersbaarheid opsporing
Uit het procesdossier en de getuigenverhoren blijkt dat er bij de pilot van de inzet van de politieverkenner voorafgaand aan het bevel ex artikel 126j Sv verschillende waarborgen waren ingebouwd.
In de eerste plaats stelt het hof vast dat de pilot in Rotterdam Zuid tot stand is gekomen vanwege drugsgerelateerde ondermijnende criminaliteit waar de politie moeilijk vat op kreeg en bedoeld was om een betere informatiepositie op te bouwen. Het hof leidt daaruit af dat er sprake was van omstandigheden waaruit redelijkerwijs een verhoogde kans op strafbare feiten kon worden afgeleid en derhalve lag het naar het oordeel van het hof op de weg van de politie en het Openbaar Ministerie om in het kader van de taakstelling van de politie daarin op te treden. Ook ten aanzien van de verdachte was er vanaf de eerste ontmoeting een verhoogde kans dat hij betrokken was bij strafbare feiten aangezien hij toen al sprak over criminele contacten en de mogelijkheden van snel geld verdienen met wietplantages wat het optreden van de politieverkenner een geldige legitimatie gaf. Een redelijk vermoeden van een strafbaar feit was daarvoor niet vereist zolang niet te verwachten viel dat door het optreden een min of meer compleet beeld van het privéleven van personen werd verkregen.
Voorts stelt het hof vast dat de politieverkenner van zijn handelingen ten aanzien van de verdachte verslag heeft gelegd. De politieverkenner maakte notities op zijn telefoon op basis waarvan hij op een later moment zijn bevindingen vastlegde in een journaal dat hij (vanaf 24 juli 2018) via de mail deelde met zijn begeleiders. Deze journaalmutaties en mailberichten zijn in samengevatte vorm opgenomen in eerdergenoemd proces-verbaal van bevindingen inzake de politieverkenner. Hiermee werd de inzet van de verkenner voorafgaand aan het bevel ex artikel 126j Sv van de officier van justitie bekend en controleerbaar. Voor zover door de verdediging wordt betoogd dat dit proces-verbaal en de verslaglegging onvolledig was, verwijst het hof naar na te melden overwegingen over de verslaglegging en de verbaliseringsplicht.
Verder stelt het hof vast dat inzet van de politieverkenner heeft plaatsgevonden onder toezicht van een officier van justitie. Uit de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris blijkt dat die officier van justitie gedurende het gehele proces werd geïnformeerd over de voortgang en dat bij twijfel contact met hem werd opgenomen. De betrokken officier van justitie heeft verklaard steeds te hebben afgewogen of artikel 3 Pw nog steeds voldoende grondslag bood of dat er inmiddels sprake was van een situatie waarin een verdenking was ontstaan en er een bevel voor het stelselmatig inwinnen van informatie nodig was. Ondanks het feit dat het hof van oordeel is dat daarbij achteraf gezien een andere afweging had dienen te worden gemaakt, acht het hof van groot belang dat het toezicht door de officier van justitie wel van meet af aan heeft plaatsgevonden.
Op basis van deze elementen zijn naar het oordeel van het hof voldoende waarborgen getroffen ter bescherming van de integriteit en handhaafbaarheid van de opsporing.
Beoordeling samenstelling procesdossier en verbaliseringsplicht
De verdediging heeft betoogd dat het dossier met betrekking tot de werkwijze en meer in het bijzonder met betrekking tot de contactmomenten tussen de politieverkenner en de verdachte onvoldoende informatie bevat. In hoger beroep heeft de verdediging er daarbij onder meer op gewezen, dat uit het getuigenverhoor van de politieverkenner bij de rechter-commissaris blijkt dat de contactmomenten die in het eindproces-verbaal zijn opgenomen niet ‘copy paste’ uit zijn e-mailberichten zijn overgenomen, maar daarvan een samenvatting zijn, dat de e-mailberichten uitgebreider waren dan het proces-verbaal, dat de verkenner gedurende de dag ook notities maakte op zijn telefoon, dat hij na het opmaken van het proces-verbaal die aantekeningen verwijderde, dat zijn diensttelefoon later is gewist, dat de simkaart is vernietigd en de telefoon is teruggezet naar de fabrieksinstellingen. Volgens de verdediging kunnen de e-mailberichten daarom niet worden gecontroleerd aan de hand van de brontekst in de telefoon en is het niet meer mogelijk om vast te stellen of er niet meer is gezegd dat voor de verdediging relevant is.
De verdediging wijst het hof erop dat de rechtbank heeft geoordeeld met de aanname dat de verslaglegging volledig, juist en controleerbaar was, terwijl in hoger beroep op basis van de gevoegde stukken is gebleken dat dit niet zo was. De verdediging stelt dat zij in eerste aanleg vanwege die onvolledigheid niet heeft kunnen aantonen dat de processen-verbaal onvolledig zijn, waardoor er geen sprake meer is van een eerlijk proces voor de verdachte, terwijl dit – naar het hof begrijpt - in hoger beroep niet meer kan worden hersteld.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de vergelijking tussen de in hoger beroep verstrekte e-mailberichten en journaalmutaties en het proces-verbaal tijdlijn inzake politieverkenner komt, zoals hiervoor is beschreven, komt naar voren dat in het proces-verbaal twee ontmoetingen ontbreken op 2 juni 2017 en 20 december 2017. Anders dan de verdediging, heeft het hof echter geen reden om te twijfelen aan de volledigheid van het proces-verbaal ter zake van alle overige contactmomenten. Op basis van de vergelijking tussen de journaalmutaties en de e-mailberichten en het proces-verbaal inzake de politieverkenner stelt het hof vast dat de samenvattingen van de ontmoetingen en contactmomenten daarop aansluiten. In het feit dat de aantekeningen die de politieverkenner gedurende de dag in zijn diensttelefoon maakte niet meer aanwezig zijn, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de journaalmutaties, de e-mailberichten en de samenvattingen daarvan in het proces-verbaal. Door de verdachte zijn bovendien ook geen stellingen geponeerd, laat staan onderbouwde, van ontmoetingen of contactmomenten die wel zouden hebben plaatsgevonden en waarover niet zou zijn gerapporteerd, gemuteerd of geverbaliseerd, behoudens de discussie over het jaar waarin de verkenner zou zijn uitgenodigd voor het Vaderdagfeest. Hierover is de verkenner gehoord en hetgeen hij heeft verklaard strookt een-op-een met de journaalmutatie hieromtrent, terwijl het aan de zijde van de verdachte is gebleven bij een enkele stelling.
Voorts zijn de politieambtenaren en de officier van justitie die betrokken waren bij de pilot bij de rechter-commissaris gehoord, zij het dat een van de politieambtenaren (begeleider [verbalisant 5] ) voordien in 2019 was overleden. Een aantal van hen is in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris nogmaals gehoord. Waar mogelijk is in deze getuigenverhoren openheid gegeven over de werking en het verloop van de pilot met de politieverkenner. De verdediging heeft de mogelijkheid gekregen de betrokken personen hierover kritisch te bevragen en heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
Het hof stelt vast dat de in hoger beroep in het procesdossier gevoegde journaalmutaties en e-mailberichten en de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen meer context bieden over de inzet van de politieverkenner dan het procesdossier zoals dat in eerste aanleg was samengesteld. Voor zover er sprake was van ontbrekende stukken in het procesdossier en onvoldoende verslaglegging in de processen-verbaal van de politie is dat met de voeging van de nieuwe stukken naar het oordeel van het hof hersteld. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat er thans nog stukken ontbreken in het procesdossier die relevant zijn voor een door het hof te nemen beslissing in kader van de artikelen 348 en 350 Sv.
Tot slot stelt het hof – gelijk de rechtbank – vast dat de verdediging volop in de gelegenheid is geweest om zelf informatie te verstrekken ter zake van wat er dan zou ontbreken voor zover zij van mening was dat het dossier niet compleet was. De verdachte is immers bij uitstek degene die over de contacten met de politieverkenner uit eigen wetenschap kan verklaren, maar van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling is de verdachte zelfs niet in persoon ter terechtzitting verschenen om van die mogelijkheid gebruik te maken, maar heeft hij zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadslieden.
Alles overwegende is het hof van oordeel dat het procesdossier voldoet aan de vereisten van artikel 149a Sv en dat, voor zover er sprake was van enige gebrek, dit met de aanvullende en nadere onderzoeksresultaten die in hoger beroep in het procesdossier zijn gevoegd, is hersteld.
Tallon-criterium
De verdediging voert voorts aan dat de verdachte door de politieverkenner niet slechts geobserveerd of passief aangehoord is, maar tevens gedurende langere tijd in een vriendschappelijke vertrouwensrelatie is gebracht, waarin hij door de politieverkenner emotioneel werd gesteund, waarin de politieverkenner de twijfels bij de verdachte niet afremde, waarin de politieverkenner positief reageerde en adviezen gaf en waarin tussen beiden werd gesproken over kopers van drugs, wiet, camera’s, geld, luxe en het meedoen aan criminele activiteiten. De politieverkenner heeft de verdachte ‘lekker gemaakt’ voor een mooier leven, leende de verdachte geld en zegde een geldtelmachine toe. De verdachte heeft daardoor dingen gedaan die hij niet gedaan zou hebben als hij de politieverkenner niet zou hebben gekend, aldus de verdediging.
Op basis van de opgemaakte verslagen stelt het hof met de rechtbank vast dat de politieverkenner de plannen van de verdachte steeds heeft aangehoord. De verdachte praatte veel en had nauwelijks aansporing nodig om verder te praten. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat uit het procesdossier blijkt dat de verdachte steeds begon te praten, ook over het zoeken naar een afnemer voor wiet en een geldtelmachine. Op sommige momenten sprak de politieverkenner met hem mee, maar niet is gebleken dat de politieverkenner de verdachte daarbij op enigerlei wijze zou hebben aangespoord tot het plegen van strafbare feiten. Integendeel, de politieverkenner heeft de verdachte ook meermalen een spiegel voorgehouden en hem geconfronteerd met het feit dat zijn criminele intenties gevolgen konden hebben voor hemzelf en anderen.
Met betrekking tot de geldtelmachine stelt het hof vast dat het de verdachte zelf was die op 27 september 2018 aan de politieverkenner vroeg of hij misschien een geldtelmachine had. De politieverkenner heeft hierover overleg gehad met zijn leidinggevende, maar uiteindelijk is er nooit een geldtelmachine aan de verdachte geleverd.
Naar het oordeel van het hof is er dan ook geen sprake van dat de verdachte door de politieverkenner is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht. Dat de verdachte het contact met de politieverkenner heeft ervaren als te zijn gebaseerd op een vriendschappelijke vertrouwensrelatie, dat hij zich door hem emotioneel gesteund voelde en dat hij de politieverkenner daardoor meer heeft verteld dan hij achteraf gezien had gewild, maakt dit niet anders.
Karman-criterium
De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, betoogd dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM, doordat het niet heeft ingegrepen toen de verdachte aan de politieverkenner vertelde dat de voorman van [bedrijf 1] , [medeverdachte 6] , van de weg zou worden gereden. Daarmee zou volgens de verdediging ook in strijd zijn gehandeld met het zogenoemde Karman-criterium.
Nog daargelaten de vraag of dit criterium op grond van de huidige stand van de jurisprudentie nog tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou leiden, overweegt het hof als volgt.
Reeds nu bescherming van het recht op leven van een ander dan de verdachte niet een rechtens te respecteren belang van de verdachte oplevert, voor zover het Openbaar Ministerie al in strijd zou hebben gehandeld met artikel 2 EVRM jegens een ander dan de verdachte, regardeert dat de verdachte niet.
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat er in de periode vanaf 1 mei tot en met 24 juli 2018 sprake was van stelselmatige informatie inwinning, terwijl er nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van een misdrijf en de officier van justitie daartoe nog geen bevel ex artikel 126j Sv had gegeven. Ook na het ontstaan van het redelijk vermoeden op 24 juli 2018 heeft het ontbroken aan een bevel ex artikel 126j Sv en wel tot 9 oktober 2018. Om die reden is er in de periode die volgde op 1 mei 2018 tot 9 oktober 2018 naar het oordeel van het hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
De verdachte heeft daar nadeel van gehad doordat hij is geraakt in zijn op het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Daarbij is het hof van oordeel dat de ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte beperkt is geweest nu er in de periode tussen 1 mei en 24 juli 2018 slechts drie ontmoetingen hebben plaatsgevonden en er vanaf 24 juli 2018 wel sprake was van een redelijk vermoeden van een misdrijf. Hierdoor bestond vanaf dat moment de mogelijkheid voor de officier van justitie om een bevel ex artikel 126j Sv te geven met het resultaat dat het uitblijven van dat bevel tot 9 oktober 2018 voor de verdachte feitelijk geen nadelige gevolgen opleverde. Bovendien stelt het hof vast dat de gesprekken met de politieverkenner vanaf de het begin veelal over drugs en geld verdienen gingen, eerst over wiet en vanaf 4 september 2018 over de invoer van cocaïne. Zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt: kennelijk gold voor de verdachte het gezegde: ‘Waar het hart vol van is, loopt de mond van over’ en bleek uit zijn gesprekken met de politieverkenner vooral van zijn criminele intenties. Dat maakt ook dat de verdachte er rekening mee moest houden dat hij geconfronteerd kon worden met opsporingshandelingen vanuit politie en justitie en onder die omstandigheden vanuit de leer van de ‘reasonable expectation’ minder aanspraak kon maken op privacybescherming.
Vervolgens is de vraag of aan het onherstelbare vormverzuim het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging moet worden verbonden, zoals de verdediging heeft verzocht. Een inbreuk op artikel 8 EVRM levert echter niet zonder meer ook een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces op. Het hof heeft vastgesteld dat er is voldaan aan de verbaliseringsplicht en ziet geen aanwijzingen dat er stukken in het procesdossier ontbreken die relevant zijn voor een door de rechter te nemen beslissing in het kader van artikel 348 en 350 Sv. Voor zover dat het wel het geval was, is dit hersteld door de in hoger beroep gevoegde stukken en ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen. Hierdoor heeft de verdediging de rechtmatigheid van de inzet van de politieverkenner kunnen toetsen waardoor de verdachte niet in zijn recht op een eerlijk proces is geschaad.
Er is voorts geen sprake van een vormverzuim dat daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarbij acht het hof mede van belang dat is voldaan aan de waarborgen om de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing te bewaken. Vanaf het eerste contact is gebleken van omstandigheden waaruit redelijkerwijs kon worden afgeleid dat er sprake was van een verhoogde kans dat de verdachte betrokken was bij strafbare feiten, de werkzaamheden van de verkenner zijn vastgelegd en opgenomen in het procesdossier en de politieverkenner stond onder toezicht van de officier van justitie.
Verder is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een schending van het Tallon-criterium of schending van artikel 2 EVRM waardoor het verweer ook op die punten dient te worden verworpen en een aanleiding om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren op die gronden ontbreekt.
Evenmin is sprake van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.
Conclusie met betrekking tot het vormverzuim
Het onherstelbare vormverzuim kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.
Artikel 68 Sr
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de verdachte feitelijk door de rechtbank is veroordeeld voor tweemaal hetzelfde feit en, zo begrijpt het hof, dat oordeel in strijd zou zijn met het beginsel ne bis in idem, ter zake van de 400 kilogram cocaïne (pallet met (bananen)dozen gestickerd [pallet 1] ) als tenlastegelegd onder feit 2 en feit 3, gaat het hof onder verwijzing naar zijn overwegingen hiervoor onder ‘Geldigheid inleidende dagvaarding’ hieraan voorbij, nu naar ’s hofs de verdachte geen twee keer terechtstaat voor hetzelfde.
Eindconclusie
Ook overigens zijn geen gronden gebleken die aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte.
Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 27 september 2018 te Vlissingen en/of Moerdijk tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en opzettelijk heeft vervoerd, 100 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 11 oktober 2018 te Vlissingen en/of Moerdijk en/of Den Haag tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en opzettelijk heeft vervoerd, 4,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne (een pallet met (bananen)dozen gestickerd [pallet 1] ), zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.hij in de periode van 27 september 2018 tot en met 11 oktober 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, van 400 kg (palletnummer [pallet 2] ) en 400 kg (palletnummer [pallet 1] ) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen,
immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders, tezamen en in vereniging met anderen,
- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt met betrekking tot het invoeren en/of vervoeren van die cocaïne, en
- ( bananen)dozen op pallet(s) (vals) gestickerd met de nummer(s) [pallet 2] en [pallet 1] , en/of
- pallets met (valse) stickers op bananendozen klaar gezet om te fungeren als deklading voor door te voeren pallets met bananendozen met die genoemde hoeveelheden cocaïne;
- een pallet met (bananen)dozen – gestickerd [pallet 1] – gezocht en uit de bedrijfsvoorraad van [bedrijf 1] gehaald, en/of
- een pallet met (bananen)dozen – gestickerd [pallet 1] – in een vrachtwagen geladen (met de bestemming Den Haag );
4.hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 29 januari 2019 te Vlissingen en/of Moerdijk en/of Etten-Leur tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, ongeveer 60 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
5.hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 3 februari 2019 te Vlissingen en/of Moerdijk en/of IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
6.hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 10 juni 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 80.000 euro en 135.000, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en van deze geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die hoeveelheid geld
– onmiddellijk – afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
7.hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 10 juni 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of artikel 10a eerste lid Opiumwet.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, (al dan niet partiële) vrijspraak bepleit. Deze gronden houden – zakelijk weergegeven – het volgende in.
Met betrekking tot alle feiten
Indien het hof de verdediging niet volgt in haar verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging, dient hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd te leiden tot bewijsuitsluiting van al het bewijs. De bewijsmiddelen zijn immers verkregen door middel van gesprekken die [verdachte] met de politieverkenner heeft gevoerd of zijn verboden vruchten van de opsporingsmethoden die op basis van die gesprekken zijn ingezet.
Verder is er onvoldoende bewijs dat sprake is geweest van de verlengde invoer van cocaïne en als daarvan al sprake zou zijn geweest, kan niet worden bewezen dat de verdachte dat feit heeft medegepleegd. Daarvoor was zijn bijdrage van onvoldoende gewicht.
Specifiek met betrekking tot feit 1
Er is onvoldoende bewijs dat er daadwerkelijk 100 kilogram cocaïne op de pallet zat. Er zou ook sprake kunnen zijn geweest van een testtransport, van geen cocaïne of van een significant mindere hoeveelheid cocaïne.
De overweging van de rechtbank dat een bedrag van € 80.000,- dat de verdachte zou hebben ontvangen voor zijn bijdrage veel geld is en niet bij een testtransport past, is onbegrijpelijk. In de eerste plaats omdat de organisatie bij een testtransport de betrokkenen wil laten geloven dat het om een echt transport gaat. Daarbij is dit bedrag voor een organisatie ‘wisselgeld’ in vergelijking met de potentiële opbrengsten.
In de tweede plaats kan niet objectief worden vastgesteld dat de verdachte een bedrag van € 80.000,- zou hebben ontvangen.
Specifiek met betrekking tot feit 3
De voorbereidingshandelingen met betrekking tot de pallet met nummer [pallet 1] kunnen niet zelfstandig bewezen worden verklaard naast de gedragingen van feit 2. De voorbereidingshandelingen hebben louter betrekking op de zending met nummer [pallet 2] . Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte in het voorbereidend stadium op enigerlei wijze betrokken is geweest bij deze pallet.
Specifiek met betrekking tot feit 6
Er is geen bewijs voor witwassen. Er zijn geen grote contante geldbedragen aangetroffen bij de verdachte en de aangetroffen geldbedragen en geconstateerde uitgaven kunnen worden verklaard met de gokinkomsten van verdachte.
Indien er wel tot een bewezenverklaring van witwassen kan worden gekomen, dan is de verdediging van mening dat niet op basis van objectief bewijs kan worden vastgesteld dat de verdachte € 215.000,- heeft witgewassen.
Ingeval van een bewezenverklaring van witwassen dient het hof uit te gaan van de bedragen die daadwerkelijk bij de verdachte zijn aangetroffen.
Specifiek met betrekking tot feit 7
Er kan niet worden bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De rol van de verdachte is niet groter geweest dan die van uithaler. Daarnaast was geen sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband, omdat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte steeds van dezelfde personen informatie kreeg.
Mocht het hof wel bewezen achten dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, dan is er geen bewijs dat hij de daarin een leidinggevende rol had.
Oordeel hof
Bewijsuitsluiting?
Onder ‘Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging’ heeft het hof overwogen dat de verdachte door het onherstelbare vormverzuim is geschonden in een belang dat het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beoogt te beschermen. Een zodanige inbreuk levert echter niet zonder meer ook een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces op en zoals het hof hiervoor reeds heeft geoordeeld is daarvan ook geen sprake. Het hof merkt daarbij op, dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, ingevolge vaste jurisprudentie niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv.
Niet gebleken is dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden. Bewijsuitsluiting is daarom niet aan de orde.
Verlengde invoer
Uit de tekst van artikel 1, vierde lid, juncto artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet blijkt wat onder het invoeren van verdovende middelen wordt begrepen. Dit is niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de verdovende middelen zelf. Hieronder wordt ook verstaan het verrichten van handelingen gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van verdovende middelen. Dit kan plaatsvinden nadat de feitelijke invoer al is voltrokken.
Het vorenstaande betekent dat onder de verlengde invoer ook kan worden verstaan het vervoeren van de lading vanuit de haven naar, in dit geval, [bedrijf 1] en vanuit [bedrijf 1] naar de plaats waar de verdovende middelen uiteindelijk zouden worden uitgehaald ter verdere verspreiding ervan, te weten de loods aan de [locatie 1] in Den Haag, het distributiecentrum van [bedrijf 6] in Etten-Leur en de loods in de [locatie 2] in IJmuiden.
Het hof overweegt, grotendeels overeenkomstig de rechtbank, als volgt.
Feit 1: Verlengde invoer van 100 kilogram cocaïne in de periode 4 september 2018 tot en met 27 september 2018
Feiten
Op 1 mei 2018 sprak de verdachte met de politieverkenner. Hij vertelde hem dat hij werk had gevonden bij een groente- en fruitoverslagbedrijf in Moerdijk.
Op 4 september 2018 vertelde de verdachte aan de politieverkenner dat hij was benaderd door een organisatie om op zijn werk een pallet met bananen en 100 kilo cocaïne in een vrachtwagen van die organisatie te zetten. De lading kwam uit Colombia en was van een Hollandse jongen. Marokkanen moesten helpen bij het invoeren van de cocaïne. De organisatie had hiervoor in Vlissingen een corrupte douanier geregeld. De straatwaarde van de cocaïne zou rond de € 3.000.000,- liggen en de verdachte zou € 150.000,- krijgen als hij mee zou werken. De verdachte twijfelde op dat moment nog of hij dat zou doen.
Op 5 september 2018 vertelde de verdachte dat hij nog niet had ingestemd om mee te werken met de organisatie. Hij had wel al een Hollander gevonden die hem wilde helpen bij de klus voor de organisatie.
Op 7 september 2018 liet de verdachte aan de politieverkenner weten dat hij ja had gezegd tegen het plan van de organisatie.
Op 11 september 2018 vertelde de verdachte dat hij nog twee personen had geregeld op zijn werk zodat de voorman niets door zou hebben. Hij had dan al € 5.000,- van de organisatie gekregen. Ook vertelde de verdachte deze dag meer over de organisatie. De grote jongens binnen de organisatie waren Hollanders, maar de uitvoering werd gedaan door Marokkanen. Die Marokkanen waren bekenden van [verdachte] . Tijdens zijn gesprek met de politieverkenner ging de verdachte even weg voor een ontmoeting met één van de Marokkanen.
Op 23 september 2018 zei de verdachte tegen de politieverkenner dat hij had gesproken met een Marokkaanse jongen, een Turkse jongen en een chauffeur. De Marokkaanse jongen was de persoon met wie de verdachte eerder ook een ontmoeting had. Dit was de zoon van de eigenaar van coffeeshop [bedrijf 7] . Het gesprek had als doel het plan door te nemen met de chauffeur.
Op 27 september 2018 zei de verdachte tegen de politieverkenner dat het gelukt was. Hij vroeg de politieverkenner of hij een geldtelmachine had. De verdachte vertelde dat hij een PGP-telefoon had gekregen en dat hij op het laatste moment geïnformeerd was over het feit dat er een pallet klaar stond in de rijperij. Vervolgens was de verdachte iets eerder naar zijn werk gegaan.
Ondertussen was de voorman door de organisatie gevolgd. De voorman was uiteindelijk halverwege zijn reis naar het werk van de weg gereden door een Hollandse jongen. Dit was bewust een Hollandse jongen omdat dat toch vertrouwelijker was. Hierna was er een vrachtwagen bij het werk van de verdachte gekomen. Samen met de Hollander had de verdachte met de code de juiste pallet opgezocht. De verdachte had zelf die pallet in de vrachtwagen gezet. De Hollander had zich twee uur later ziekgemeld. Voor deze bijdrage zou de verdachte € 75.000,- krijgen. Tijdens zijn gesprek met de politieverkenner werd de verdachte gebeld door zijn broer die hem meedeelde dat hij het geld van de cocaïne op kon halen. De politieverkenner zag de verdachte vervolgens wegrijden met zijn broer.
De politie heeft naar aanleiding van deze verklaring onderzoek gedaan. Hieruit blijkt dat er op 27 september 2018 omstreeks 04.34 uur een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen twee voertuigen, waarvan het ene voertuig werd bestuurd door medeverdachte [medeverdachte 5] en het andere door [medeverdachte 6] . Deze [medeverdachte 6] was op dat tijdstip onderweg naar zijn werk als voorman bij [bedrijf 1] in Moerdijk. Opmerkelijk is hierbij dat uit de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 7] , die als bijrijder bij [medeverdachte 5] in het voertuig zat, bleek dat hij 28 minuten na de aanrijding – om 04.52 uur – een icoontje van een opgestoken duim had verstuurd aan het contact onder de naam ‘ [medeverdachte 8] ’. Uit onderzoek van de politie bleek dat deze ‘ [medeverdachte 8] ’ in werkelijkheid [medeverdachte 8] heet. Hij is een zoon van de eigenaar van coffeeshop [bedrijf 7] .
Uit de lijst met werktijden bleek dat de verdachte op 27 september 2018 om 04.48 uur bij [bedrijf 1] aanwezig was. Medeverdachte [medeverdachte 3] was die dag van 04.25 uur tot 08.37 uur aanwezig.
Uit de navigatie van de vrachtwagen met het kenteken [kenteken 1] blijkt dat deze vrachtwagen om 04.48 uur op de parkeerplaats bij hotel-restaurant [bedrijf 8] in Zevenbergschenhoek stond. Hierna is het voertuig gaan rijden om uiteindelijk om 05.07 uur te stoppen ter hoogte van het laaddok van [bedrijf 1] . Ook om 05.15 uur bevond de vrachtwagen zich nog altijd bij [bedrijf 1] . Hierna reed de vrachtwagen naar de [locatie 1] in Den Haag. Deze vrachtwagen werd op dit tijdstip gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 9] .
Op 28 september 2018 liet de verdachte aan de politieverkenner weten dat het was gelukt en dat hij een boodschappentas vol geld heeft gekregen. De verdachte vroeg hierop nogmaals om een geldtelmachine.
Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij de verdachte heeft geholpen om een pallet vooraan in een koelcel te zetten. Een dag later heeft hij de pallet op verzoek van de verdachte vooraan gezet bij het gereedzetten voor distributie. De pallet is opgehaald door een vrachtwagen. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij samen met de verdachte de pallet in de vrachtwagen had gezet. Een paar dagen laten heeft de verdachte hem, [medeverdachte 3] , hiervoor geld gegeven. De verdachte zei dat hij € 50.000,- had gegeven maar dit bleek
€ 30.000,- te zijn in briefjes van € 50,- en € 20,-.
De verdachte heeft de politieverkenner uitgebreid over de plannen verteld en heeft hem ook gerapporteerd dat de plannen waren geslaagd. Deze verklaringen tegenover de politieverkenner zijn gedetailleerd en zijn naar het oordeel van het hof niet aan te merken als grootspraak. Deze verklaringen worden namelijk ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Beoordeling
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de handelingen bij [bedrijf 1] die door medeverdachte [medeverdachte 3] en de verdachte zijn verricht, vallen onder verlengde invoer. De pallet met cocaïne is volgens de verdachte vanuit Colombia naar Nederland gekomen en naar [bedrijf 1] gebracht. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij samen met de verdachte een pallet met een specifiek nummer op moest zoeken en dat die pallet in de vrachtwagen is geplaatst. Al deze handelingen waren erop gericht om het verdere vervoer van de cocaïne van [bedrijf 1] naar de door de organisatie aangewezen bestemming mogelijk te maken. Deze vrachtwagen is met de cocaïne uiteindelijk naar de [locatie 1] in Den Haag gereden.
Dat er in deze zaak door de politie geen drugs zijn aangetroffen, maakt het voorgaande niet anders. Het hof is van oordeel dat het onderhavige feit in samenhang moet worden bezien met de overige feiten in het dossier. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt namelijk dat schakelbewijs als steunbewijs kan dienen. Voor het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit mag de rechter de bewezenverklaring mede doen steunen op één of meer bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van een ander, soortgelijk strafbaar feit dat door de verdachte is begaan; dit wordt ‘schakelbewijs’ genoemd. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont en dat het duidelijk is dat de verdachte bij beide feiten betrokken is geweest.
Voor wat betreft het overeenkomen van essentiële punten tussen de ‘geschakelde’ feiten wordt in de regel in het bijzonder gekeken naar de (werk)wijze waarop de onderscheidene feiten zijn gepleegd, de modus operandi. Daarbij kan ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten meewegen, waaronder de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Hieruit zou een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kunnen worden opgemaakt.
In de onderhavige zaak is de werkwijze op 27 september 2018 nagenoeg identiek aan de werkwijze die is gehanteerd bij feit 2. Ook bij dat feit hebben de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] binnen [bedrijf 1] handelingen verricht om een specifieke pallet op het juiste tijdstip in de juiste vrachtwagen te zetten. Het hof zal bij de bespreking van feit 2 hier nader op ingaan. Het hof merkt hier al wel op dat het opvallend is dat bij feit 2 dezelfde vrachtwagen is gebruikt als op 27 september 2018 en dat de vrachtwagen ook is gereden naar de bestemming aan de [locatie 1] in Den Haag. De chauffeur van dit transport bleek [medeverdachte 9] te zijn. Dit is degene die ook op 27 september 2018 diezelfde vrachtwagen had gehuurd. Het transport als genoemd onder feit 2 is wel onderschept en het materiaal dat is aangetroffen bleek inderdaad cocaïne te bevatten. Deze hele werkwijze ondersteunt dan ook de verklaring van de verdachte dat er 100 kilogram cocaïne ingevoerd moest worden.
Dat er daadwerkelijk 100 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne in de pallet was verstopt, leidt het hof in navolging van de rechtbank ook af uit het feit dat de verdachte voor dit transport naar eigen zeggen in totaal € 80.000,- heeft ontvangen. Het hof heeft geen reden om aan dit deel van de verklaring van de verdachte, die voor zichzelf belastend is, te twijfelen. Het hof gaat daar dan ook vanuit dat hij inderdaad € 80.000,- heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden. Het feit dat volgens de verdediging niet objectief kan worden vastgesteld dat de verdachte dit bedrag heeft ontvangen, maakt dit oordeel niet anders. De verklaring van de verdachte is daarvoor voldoende. Een dergelijke vergoeding past naar het oordeel van het hof niet bij een testtransport zonder cocaïne of met een geringe hoeveelheid cocaïne. Dit zou de organisatie een onnodige kostenpost opleveren die niet past bij het uitgangspunt dat dergelijke organisaties zoveel mogelijk geld willen verdienen.
Kortom, het hof acht, gelet op alle bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat er 100 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne is ingevoerd en vervoerd, waarbij het vervoer vanzelfsprekend ook ziet op het verplaatsen binnen [bedrijf 1] waaronder het inladen van de vrachtwagen.
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat voor medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht moet zijn.
Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict, is het kernverwijt bij medeplichtigheid ‘het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf’.
De verdachte had naar het oordeel van het hof een substantiële rol bij het doorvoeren van de cocaïne. Hij had contacten met de organisatie achter de invoer van de cocaïne. Hij kreeg van hen de informatie die nodig was om binnen [bedrijf 1] ervoor te zorgen dat de juiste pallet met cocaïne op het juiste moment aan de juiste chauffeur meegegeven kon worden. De verdachte was hiervoor juist geworven omdat hij werkzaam was bij [bedrijf 1] en daardoor een onmisbare schakel vormde, nu dit voor de organisatie de enige mogelijkheid was om controle op de pallet te behouden. De verdachte heeft hierbij op zijn beurt de hulp ingeschakeld van zijn collega [medeverdachte 3] om ongezien te kunnen werken binnen [bedrijf 1] : hij durfde het niet alleen. De organisatie heeft de verdachte en [medeverdachte 3] hierin verder gefaciliteerd door ervoor te zorgen dat de voorman die een risico vormde voor het transport werd uitgeschakeld. De verdachte en [medeverdachte 3] hebben op 27 september 2018 samen de juiste pallet gezocht en in de juiste vrachtwagen geplaatst. Uit dit alles blijkt dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 3] en ook met de onbekende personen in de organisatie. Zijn materiële bijdrage aan het strafbare feit was essentieel voor de verdere verplaatsing van de cocaïne en daarmee zeker van voldoende gewicht. Zijn bijdrage ging veel verder dan slechts het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door anderen begaan misdrijf.
Gelet op hierop, acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Conclusie
Alles overwegende acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer en het vervoer van 100 van een materiaal bevattende kilogram cocaïne.
De door de verdediging gevoerde bewijsverweren worden, voor zover zij niet reeds hun weerlegging vinden in de gebruikte bewijsmiddelen, verworpen.
Feit 2: Verlengde invoer van 400 kilo cocaïne in de periode 4 september 2018 tot en met 10/11 oktober 2018
en
feit 3: Voorbereiding invoer van twee keer 400 kilogram cocaïne in de periode van 27 september 2018 tot en met 11 oktober 2018
Feiten
Het hof stelt met de rechtbank in de eerste plaats een aantal feiten van algemene bekendheid vast die in dit geval een rol spelen. Het is een feit van algemeen bekendheid dat bananen een deklading kunnen vormen voor de invoer van cocaïne. Er zijn immers met enige regelmaat nieuwsberichten waaruit blijkt dat bij fruitoverslagbedrijven of elders, cocaïne tussen de bananen is aangetroffen. De bananen in kwestie zijn afkomstig uit Colombia. Dit is een land in Zuid-Amerika, waarvan bekend is dat er veel cocaïne wordt geproduceerd en wordt verhandeld. Juist binnen de bedrijfstak waarin de verdachte heeft gewerkt, is de kans dat hij geconfronteerd zou worden met cocaïne groter dan bij andere bedrijven. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat er in de wereld van de cocaïnehandel veel geld in omloop is.
Op 10 oktober 2018 werd de politie ingeschakeld en kwam zij ter plaatse bij het bedrijf [bedrijf 9] in Ritthem. Daar was bij een kwaliteitscontrole een pallet met bananendozen veiliggesteld, waarin 400 pakketten lagen opgeslagen.
De pakketten zijn gewogen en (zowel indicatief als definitief) positief getest op cocaïne. Het ging om 400 kilogram. De pallet was voorzien van een unieke coderingssticker [pallet 2] . De cocaïne is inbeslaggenomen en vernietigd.
Op 10 oktober 2018 is de politie ook ter plaatse gekomen bij [bedrijf 1] in Moerdijk. Bij dit bedrijf was eveneens een pallet met dozen bananen aangetroffen, waarin 400 pakketten waren verstopt.
De pakketten zijn indicatief getest door de politie en definitief getest door het douanelaboratorium. Hieruit is naar voren gekomen dat het om cocaïne ging. Het ging wederom om 400 kilogram aan pakketten. De pallet was voorzien van een unieke coderingssticker [pallet 1] . De politie heeft de cocaïne inbeslaggenomen en vernietigd. Een kleine hoeveelheid cocaïne, te weten 4,2 gram, is in een gripzakje teruggestopt en gecontroleerd doorgelaten. De pallet was tevens voorzien van een baken om de bewegingen van de pallet te kunnen opvolgen.
Op 11 oktober 2018 heeft een observatieteam waargenomen dat medeverdachte [medeverdachte 3] en de verdachte tussen 04.00 uur en 05.00 uur bij [bedrijf 1] werkzaam waren. De pallet met coderingssticker [pallet 1] werd die dag in een vrachtwagen geladen en naar een loods in Den Haag gebracht. De politie is de loods in Den Haag binnengegaan en hield daar een aantal verdachten aan. De loods in Den Haag was niet voor de opslag van fruit ingericht. In het pand bevonden zich echter wel twee pallets met bananen die niet rijp waren en lege bananendozen. Deze producten vielen niet te rijmen met het feit dat de bedrijfsactiviteit van dit pand een bakkerij zou zijn.
Medeverdachte [medeverdachte 10] was één van de aangehouden personen in de loods in Den Haag. Bij de doorzoeking van zijn woning werden groene en gele stickers aangetroffen in diens schuurtje. De stickers waren voorzien van de tekst ‘ [tekst] . De twee rollen met stickers lagen bij de plafondverlichting verstopt, waarbij het de bedoeling leek te zijn geweest om de stickers aan het zicht te onttrekken.
Uit politieonderzoek komt naar voren dat deze stickers niet in Nederland worden aangebracht op de pallets, maar in het buitenland. De bestickering vindt plaats voordat de verscheping is aangevangen. In de computer van [medeverdachte 10] werden fotobestanden aangetroffen. Op de afbeeldingen stonden coderingstickers (waaronder code [pallet 2] en code [pallet 1] ), pallets met bananendozen, pakketten cocaïne geseald in plastic folie en pakketten cocaïne verstopt tussen de bananen.
De coderingsstickers op de in Ritthem en bij [bedrijf 1] aangetroffen pallets met cocaïne leken bij nadere bestudering vals te zijn. De stickers bevatten afwijkende beschadigingen, nu de kleur zwart op delen van de print ontbrak, waardoor ten onrechte de indruk werd gewekt dat de stickers uniek zijn. De afbeeldingen op de computer van [medeverdachte 10] met de coderingen [pallet 1] en [pallet 2] vertoonden dezelfde afwijkende beschadigingen als de stickers op aangetroffen pallets met cocaïne.
De pallets met code [pallet 2] en [pallet 1] zijn qua nummering opvolgend en komen van dezelfde plantage in Colombia. De pallets zijn op hetzelfde schip ( [naam] ) naar de haven van Vlissingen gebracht. De lading bananen van beide pallets zou in het bedrijf [bedrijf 1] gerijpt worden. Verder is van de twee ladingen gebleken dat het soort dozen, het opschrift van de dozen, de aangebrachte stickers en de kleur van de omsnoeringsbanden overeenkomsten vertonen. Ook vertonen de diepdrukstempels op de pakketten (deels) overeenkomsten.
Uit onderzoek bij [bedrijf 1] volgt dat er kennelijk al een pallet klaarstond met de code
[pallet 2] , de politie denkt om te worden omgewisseld met de al in Vlissingen onderschepte pallet. De pallet met dit nummer kwam niet voor in de administratieve systemen van [bedrijf 1] en de sticker kwam niet overeen met de originele sticker. Uit de onderzoeksbevindingen volgt dat dit een unieke coderingssticker betrof die in het buitenland op een lading wordt aangebracht. Het kan aldus niet zo zijn dat er twee ladingen in omloop zijn met eenzelfde unieke coderingssticker, tenzij een sticker is nagemaakt. Gelet op de bevindingen ter zake van de coderingssticker [pallet 2] op de in Vlissingen onderschepte pallet met cocaïne, kan het naar ’s hofs oordeel dan ook niet anders zijn dan dat de coderingssticker [pallet 2] die bij [bedrijf 1] werd aangetroffen zonder cocaïne, gelet op de eigenschappen van die sticker, was nagemaakt en de lading in Vlissingen was voorzien van de originele in het buitenland aangebrachte sticker. Met valse stickers kon zo een deklading zonder cocaïne doorgaan alsof dit de originele lading betrof van de pallet met die unieke coderingssticker.
De politie heeft een aantal tapgesprekken opgenomen. Op 9 oktober 2018 had [medeverdachte 3] met de verdachte een gesprek waarin de verdachte zei: ‘Dus uh morgen hebben we die dinge en overmorgen checken we het.’ [medeverdachte 3] stemde daarmee in.
Uit de analyse van de geschiedenis van de telefoon van [medeverdachte 3] bleek dat hij die dag op internet een zoekslag heeft verricht. Daarbij zijn de zoektermen ‘ Vlissingen ’, ‘drugs’, ‘bananen’ en ‘cocaïne’ gebruikt. Een dag later stuurde de verdachte per SMS naar [medeverdachte 3] de cijfercombinatie ‘ [pallet 1] ’. Op 11 oktober 2018 had [medeverdachte 3] een gesprek met een zekere [betrokkene 3] , waarin hij heeft opgemerkt dat zij er één binnen hebben kunnen zetten maar de andere onderschept is in Vlissingen. Hierdoor zal hij 35 ontvangen in plaats van 70. Op 12 oktober 2018 vroeg [medeverdachte 3] aan de verdachte wat de stand van zaken was. [medeverdachte 3] kreeg als reactie dat hij het één en ander moest afwachten.
De verdachte heeft gesprekken gevoerd met zijn vrouw en de politieverkenner. Daarin heeft hij in eerste instantie ook gezegd dat ‘de Hollander’ 70 kreeg (het hof begrijpt evenals de rechtbank dat met ‘de Hollander’ [medeverdachte 3] werd bedoeld). Dit bedrag was bedoeld voor twee pallets die dan nog klaar stonden, aldus de verdachte. De Hollander deed namelijk goed mee en zonder hem had de verdachte het niet gedurfd om de pallet te wisselen.
Ook heeft de verdachte in het gesprek met de politieverkenner van 27 september 2018 op de vraag of hij er nu mee stopte, gezegd dat er nog twee pallets klaarstonden. Verder zei de verdachte: ‘De Hollander heeft gezegd dat het eenmalig was maar later zei hij: ‘wanneer gaan we weer?’. In de dagen na 11 oktober 2018 heeft de verdachte in verschillende tapgesprekken aangegeven dat er acht barki, 800, 800 kilogram of 800 stuks waren onderschept. Het zou daarbij gaan om vier barki of 400 per stuk (het hof begrijpt dat met de term barki, het getal 100 wordt bedoeld). De politieverkenner vernam later van de verdachte dat de Hollander daarom de helft zou krijgen, dit is € 35.000,-.
Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij een week of twee na de eerste keer weer door de verdachte is benaderd met een voorstel. [medeverdachte 3] zou € 35.000,- krijgen als hij op de uitkijk zou gaan staan. [medeverdachte 3] heeft de pallets voor reguliere klanten klaargezet en de andere pallet neergezet.
Beoordeling
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof in navolging van de rechtbank dat de verdachte betrokken is geweest bij de cocaïne die in de pallets met coderingsstickers
[pallet 2] en [pallet 1] is aangetroffen.
Uit deze feiten blijkt dat met betrekking tot het transport met nummer [pallet 1] sprake is van een soortgelijke modus operandi als bij feit 1. Ook hier hebben de verdachte en [medeverdachte 3] binnen [bedrijf 1] handelingen verricht om een specifieke pallet op het juiste tijdstip in de juiste vrachtwagen te zetten. De verdachte heeft op 10 oktober 2018 naar [medeverdachte 3] een SMS-bericht verzonden met het nummer [pallet 1] . Dit is het nummer van de coderingssticker van de pallet die op 11 oktober 2018 vanuit Moerdijk naar de loods in Den Haag is gebracht. Kennelijk was voor [medeverdachte 3] ook direct duidelijk wat de verdachte met de SMS heeft bedoeld, nu hij geen nadere toelichting heeft gevraagd. Daarnaast is gebruik gemaakt van dezelfde vrachtwagen als op 27 september 2018 en is gereden naar dezelfde bestemming aan de [locatie 1] in Den Haag. De chauffeur van dit transport bleek [medeverdachte 9] te zijn, de man die ook op 27 september 2018 de vrachtwagen had gehuurd. Ook heeft de verdachte aan [medeverdachte 3] een groot geldbedrag beloofd voor zijn bijdrage. Dit komt overeen met de enorme bedragen die omgaan in dit milieu. Hiermee staat de betrokkenheid van de verdachte bij dit transport vast.
Het hof sluit zich voorts aan bij het oordeel van de rechtbank dat de verdachte ook betrokkenheid heeft gehad bij de pallet met cocaïne die was voorzien van de coderingssticker [pallet 2] . De verdachte had al tegen de politieverkenner verteld dat twee pallets klaarstonden. Op 9 oktober 2018 had de verdachte een gesprek met zijn vrouw, medeverdachte [medeverdachte 11] , over een lading cocaïne. Hij zei tegen haar dat het bedoeling was om dit op donderdag (het hof begrijpt: op 11 oktober 2018) eruit te halen. De verdachte heeft diezelfde datum tegenover [medeverdachte 3] aangekondigd dat het morgen (10 oktober 2018) zou aankomen en zij het overmorgen (11 oktober 2018) zouden controleren. De door de verdachte vermelde data tegenover [medeverdachte 11] en [medeverdachte 3] blijken te kloppen met de realiteit met betrekking tot de beide ladingen die hem worden verweten. De politie heeft namelijk op de aankomstdatum van 10 oktober 2018 tweemaal 400 kilogram cocaïne aangetroffen. De verdachte en [medeverdachte 3] waren op de controledatum van 11 oktober 2018, tussen 04.00 uur en 05.00 uur, als enigen bij [bedrijf 1] aanwezig. De bevindingen uit het observatieverslag en het dienstrooster van [bedrijf 1] die week laten hier geen misverstand over bestaan.
Het hof houdt het ervoor dat de verdachte in de tapgesprekken over beide tenlastegelegde cocaïnetransporten heeft gesproken. In het gesprek met [medeverdachte 11] was het voor hem bekend dat één lading was onderschept in de haven van Vlissingen. De andere lading had [bedrijf 1] wel bereikt en was overgedragen. Dit was ook voor [medeverdachte 3] duidelijk geworden, zo blijkt uit een tapgesprek van 11 oktober 2018 waarin hij zei er één partij is binnengekomen en één partij is onderschept.
Tot slot blijkt uit de tapgesprekken dat de verdachte, bij herhaling, heeft beklemtoond dat er sprake was van acht barki, 800, 800 kilo of 800 stuks dan wel vier barki of 400 per stuk. De verdachte wist de precieze aantallen te benoemen (afzonderlijk of bij elkaar opgeteld) van de hoeveelheden cocaïne die zijn aangetroffen. Hij verwees zijn gesprekspartners onder andere naar Crimesite waaruit dit nieuws naar voren kwam. Het hof beschouwt deze interesse niet als een toevallige samenloop van omstandigheden. Het onderstreept naar het oordeel van het hof nog maar eens de strafbare betrokkenheid van de verdachte bij de cocaïnetransporten.
De alternatieve verklaring van de verdachte bij de politie dat deze gesprekken gaan over kleding, vindt het hof ongeloofwaardig. Deze alternatieve interpretatie wordt niet ondersteund door enig (objectief) bewijsmiddel en wordt, zonder dat de verdachte hierop ter zitting een nadere uitleg heeft willen of kunnen gegeven (de verdachte is in hoger beroep niet verschenen bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak), dan ook terzijde geschoven.
Naar het oordeel van het hof kan het gegeven de voornoemde omstandigheden niet anders zijn dan dat de tapgesprekken betrekking hadden op de zendingen met nummers [pallet 2] en [pallet 1] .
Dat de transporten van de pallets met nummers [pallet 2] en [pallet 1] bij elkaar hoorden, volgt niet alleen uit de tapgesprekken, maar volgt ook uit de objectieve overeenkomsten voor wat betreft de herkomst, de bestemming ( [bedrijf 1] ), de wijze van verpakken en de stempels, maar bovendien zijn die nummers elkaar opvolgend. Daarnaast was in beide gevallen sprake van valse stickers en zijn afbeeldingen van die stickers aangetroffen op de computer van [medeverdachte 10] , een van de personen die waren aangetroffen in de loods aan de [locatie 1] in Den Haag waar de doorgelaten pallet met nummer [pallet 1] naartoe is gegaan.
Uit het feit dat bij [bedrijf 1] kennelijk al een pallet klaarstond met nummer [pallet 2] leidt het hof af dat deze diende ter vervanging van de verwachte pallet (met cocaïne) met dat nummer. Dit is een werkwijze die ook bij feit 4 terugkomt. Nu de pallet in Ritthem is onderschept, is het zover echter niet gekomen. Het hof leidt uit voornoemde feiten en omstandigheden af dat de verdachte bij het klaarzetten van die pallet betrokken is geweest evenals bij de daarop aangetroffen valse bestickering (zoals ook door [medeverdachte 2] , die in opdracht van de verdachte handelde bij feit 5, handelingen ten aanzien van de bestickering werden verricht).
Het hof komt met de rechtbank op basis van voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang beschouwd, tot de conclusie dat de verdachte betrokken is geweest bij beide transporten van 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne die in de pallets met coderingsstickers [pallet 2] en [pallet 1] opgeslagen heeft gelegen.
Medeplegen
Voor het juridisch kader met betrekking tot medeplegen verwijst het hof naar hetgeen het heeft overwogen onder ‘Medeplegen’ bij feit 1.
Het is voor de kans op een succesvolle bijdrage van de verdachte noodzakelijk geweest dat hij in contact is getreden met medeverdachten. Het hof is daarom van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte vooraf geïnformeerd is over de unieke palletnummers (coderingsstickers), de aankomst daarvan in de haven van Vlissingen en het verdere transport in Nederland. Die gehele logistiek vergt een vorm van overleg en/of afstemming met de mededaders, ook over de van een valse coderingssticker voorziene deklading. Dat hiervan sprake is geweest blijkt ook uit de tapgesprekken. De verdachte speelt, zowel in de voorbereiding als in de uitvoering van het delict, een rol in het onderhouden van contact, het uitwisselen van informatie en in het maken van afspraken. De samenwerking die hij met [medeverdachte 3] is aangegaan, omschreef de verdachte tegen de politieverkenner als iemand zonder wie hij het niet zou hebben aangedurfd de pallets om te wisselen. Hiermee heeft de verdachte nogmaals expliciet aangegeven waaruit zijn feitelijke bijdrage heeft bestaan. Tot slot blijkt ook nergens uit dat de verdachte zich op enig moment heeft gedistantieerd van de ingevoerde partijen cocaïne. Integendeel, de verdachte heeft naar het oordeel van het hof een substantiële rol in het doorvoeren van de cocaïne gehad.
Het hof concludeert op basis van het vorenstaande dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen, waarbij de verdachte een intellectuele en materiële bijdrage heeft geleverd aan de delicten die van substantieel gewicht is.
Hoeveelheid cocaïne
Aangezien de cocaïne (met uitzondering van een klein gedeelte ervan) al na de controle bij [bedrijf 1] in Moerdijk is weggehaald, kan de verlengde invoer van de volledige 400 kilogram niet bewezen worden verklaard. Hoewel het opzet was gericht op de volledige 400 kilogram, dient er rekening mee te worden gehouden dat de gedragingen van de verdachte die vallen onder dit tenlastegelegde feit uitsluitend betrekking hadden op de pallet met de geringe hoeveelheid van het materiaal bevattende cocaïne die was achtergebleven (het teruggeplaatste gripzakje). Het gaat bij dit feit immers alleen om de uitvoering van het delict en niet om de voorbereiding ervan. Dat laatste is tenlastegelegd onder feit 3.
In het dossier worden verschillende hoeveelheden genoemd van de inhoud van het gripzakje met de cocaïne dat is teruggeplaatst. Het hof is van oordeel dat de juiste netto hoeveelheid 4,2 gram betreft. Voor de bewezenverklaring van feit 2 gaat het hof dan ook uit van 4,2 gram van een materiaal cocaïne.
Anders oordeelt het hof ten aanzien van de hoeveelheden (van een materiaal bevattende) cocaïne bij feit 3. De tenlastelegging is ten aanzien van feit 3 toegesneden op artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet in verbinding met artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in die artikelleden is in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen al bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, zij dienen. Als de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wel gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt ingevolge bestendige jurisprudentie op dit punt het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbaar karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan. Dat betekent dat de omstandigheid dat in de pallet met bananendozen met coderingssticker [pallet 1] door de politie 400 kilo materiaal bevattende cocaïne is aangetroffen en eruit is gehaald, waarna een gripzakje met 4,2 gram van dat materiaal bevattende cocaïne is teruggeplaatst (en waarvan de verdachte noch [verdachte] op de hoogte was), niets afdoet aan de bewezenverklaring van feit 3 voor wat betreft handelingen die nadien plaatsvonden in het kader van de voorbereiding/bevordering van het (verlengd) invoeren en vervoeren van de beoogde 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Van eendaadse samenloop met feit 2 is mitsdien geen sprake.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de verlengde invoer en vervoer van 4,2 gram cocaïne (feit 2) alsmede het medeplegen van zowel de strafbare voorbereidings-/bevorderingshandelingen van 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne voor wat betreft de pallet met coderingssticker [pallet 2] (feit 3) alsook van de strafbare voorbereidings-/bevorderingshandelingen van 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne voor wat betreft de pallet met coderingssticker [pallet 1] (feit 3).
Voor de volledigheid voegt het hof hier nog aan toe dat naar het oordeel van het hof om redenen zoals hiervoor uiteengezet voor wat betreft de vraag of het feit waarvoor de verdachte onder 2 wordt vervolgd, voor zover dat ziet op de pallet met coderingssticker [pallet 1] , hetzelfde is als het feit waarvoor de verdachte onder 3 wordt vervolgd, voor zover dat ziet op de pallet met coderingssticker [pallet 1] , tot de conclusie komt dat dit niet het geval is en er derhalve sprake is van meerdaadse samenloop.
De door de verdediging gevoerde bewijsverweren worden, voor zover zij niet reeds hun weerlegging vinden in de gebruikte bewijsmiddelen, verworpen.
Feit 4: Verlengde invoer van 60 kilogram cocaïne in de periode van 4 september 2018 tot en met 29 januari 2019
Feiten
Op 29 januari 2019 is de politie binnengetreden bij het distributiecentrum van de [bedrijf 6] aan [adres] . Er werd onderzoek verricht aan een zojuist door een vrachtauto afgeleverde pallet met dozen bananen, afkomstig van het bedrijf [bedrijf 1] in Moerdijk. In een pallet, voorzien van coderingssticker [pallet 3] , werden 60 pakketten ontdekt die zich tussen de bananen bevonden. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat er in die pakketten materiaal bevattende cocaïne zat met een totaalgewicht van 59,89 kilogram.
De politie heeft een groot aantal tapgesprekken opgenomen tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en de verdachte. Op 13 oktober 2018 hadden zij een conversatie, waarin zij spraken over een andere partij cocaïne die is ontdekt bij [bedrijf 1] . [medeverdachte 2] vroeg aan de verdachte of hij hierbij betrokken was en hoe speurhonden worden misleid. In een gesprek van 7 december 2018 heeft de verdachte aan [medeverdachte 2] te verstaan gegeven dat hij ontslag moest zien te voorkomen, zodat hij hun karwei bij [bedrijf 1] kon doen. In een gesprek van 24 december 2018 gaf de verdachte tegenover [medeverdachte 2] te kennen dat alles in Vlissingen gereed was en zij ‘ Vlissingen in hun zak hebben’. Er werd door [medeverdachte 2] op aangedrongen dit niet over de telefoon te bespreken.
Op 28 december 2019 werd door de verdachte en [medeverdachte 2] gesproken over het spul wat ‘hier’ aankwam en dat het ging naar een plaats die met een E begon. Ook zou men het daar volgens de verdachte uithalen. [medeverdachte 2] moest het alleen in de rij zetten.
De verdachte heeft op 18 januari 2019 tegenover zijn broer, medeverdachte [medeverdachte 1] , verklaard dat ‘60 pieces’ binnenkort zullen aankomen. Op 23 januari 2019 heeft [medeverdachte 2] bij [bedrijf 1] gewerkt. De verdachte heeft aan [medeverdachte 2] doorgegeven dat ‘het’ apart is gezet en eraan zal komen. De verdachte stuurde daarop een SMS-bericht naar [medeverdachte 2] met de cijfercombinatie 5150189. Later die dag werd door de verdachte aangegeven dat ‘het’ onderweg was. [medeverdachte 2] heeft korte tijd later bevestigd dat ‘het’ gearriveerd was en in [doknummer 1] was ondergebracht. In datzelfde gesprek vroeg de verdachte aan [medeverdachte 2] om een foto te sturen van de stickers op de pallets, het IBN-nummer en het serienummer. Dat moest [medeverdachte 2] per SMS sturen, dan wist de verdachte zeker of [medeverdachte 2] het had ontvangen.
Op 29 januari 2019 meldde [medeverdachte 2] aan de verdachte dat hij pallets had omgewisseld. De pallets uit [doknummer 1] waren in [doknummer 1] gezet. [medeverdachte 2] zou zich die dag bezighouden met de lading die Etten-Leur als bestemming had. Volgens [medeverdachte 2] was alles veilig en betrouwbaar. Hij gaf bij de verdachte aan wanneer het onderweg was. Later die dag werd door de verdachte tegenover [medeverdachte 2] bevestigd dat het was aangekomen, dat alles in orde was en dat het werd opgehaald. Het laatste relevante gesprek die dag vond plaats tussen de verdachte en [medeverdachte 1] , waarbij zij gefrustreerd waren over het feit dat ‘60 stuks gepakt zijn’ en dat het niet was gelukt om het eruit te halen.
[medeverdachte 2] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat de verdachte zich beziggehouden heeft met drugs en van plan zou zijn geweest om dat vanuit Amerika, via een verscheping, naar Nederland te brengen. In een later verhoor heeft [medeverdachte 2] aangegeven dat de verdachte hem per SMS op de hoogte had gebracht van pallets waarin verdovende middelen hadden gezeten. [medeverdachte 2] heeft deze pallets klaargezet voor transport en heeft een andere pallet daarvoor teruggezet. Behalve het verwisselen van de pallets heeft [medeverdachte 2] ook stickers omgewisseld.
Beoordeling verlengde invoer 60 kilo cocaïne
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte betrokken is geweest bij de (verlengde) invoer van de 59,89 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne die in de pallet met coderingssticker [pallet 3] is aangetroffen.
De verdachte en [medeverdachte 2] hebben in een gesprek op 13 oktober 2018 al vrijuit over cocaïne gesproken. Ook is gesproken over een plaats met een ‘E’. Het is bekend dat er dan al twee keer eerder bij [bedrijf 1] een lading met cocaïne was gepasseerd dan wel was aangetroffen, waarvan het hof heeft geoordeeld dat de verdachte hiervoor mede verantwoordelijk is. In de aanloop naar dit feit benadrukte de verdachte dat [medeverdachte 2] zijn baan bij [bedrijf 1] moest behouden om hun karwei te klaren. Voor het slagen van het drugstransport moest er iemand bij [bedrijf 1] werkzaam zijn die de cocaïne kon veiligstellen. Nu de verdachte daar ten tijde van dit feit niet meer werkzaam was, had hij daarvoor [medeverdachte 2] bereid gevonden, zo blijkt uit de inhoud van de tapgesprekken. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte hier vooraf bewust op aangestuurd.
Bovendien is de verklaring van [medeverdachte 2] bij de politie over de verdachte extra belastend. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wist dat verdachte zich beziggehouden heeft met de invoer van drugs. [medeverdachte 2] heeft daaraan bijgedragen door de cocaïne in ontvangst te nemen en de lading weg te zetten. De pallets zijn daarna klaargezet voor verder transport. Hierdoor is de invoer van bijna 60 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne verder verfeitelijkt. Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 2] betrouwbaar, nu hij zichzelf ook heeft belast en de verklaring wordt ondersteund door de hiervoor weergegeven tapgesprekken. De inhoud hiervan is veelzeggend. Er werden diverse strategieën besproken en uiteindelijk is gekozen voor de meest geschikte handelwijze om dit mogelijk te maken. De verdachte was de initiator, hij heeft [medeverdachte 2] voortdurend overal van op de hoogte gehouden en wilde door [medeverdachte 2] geïnformeerd blijven. De verdachte vormde daarbij ook de schakel tussen de uitvoerder ( [medeverdachte 2] ) en de mensen boven hem.
Tot slot heeft de verdachte tegenover zijn broer, [medeverdachte 1] , te kennen gegeven dat het ging om ‘60 pieces’ en waren zij later gefrustreerd over ‘60 stuks’ die gepakt waren. De verdachte was kennelijk op de hoogte van de hoeveelheid drugs nog voordat dit openbaar gemaakt was. Dergelijke uitspraken kunnen alleen maar worden gedaan door iemand die zich hiermee bewust heeft beziggehouden. Dit vormt naar het oordeel van het hof nog maar eens een extra bevestiging voor de strafbare betrokkenheid van verdachte bij dit feit.
Met de rechtbank komt het hof op basis van voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, tot de conclusie dat de verdachte op de hoogte is geweest van en betrokken is geweest bij het veiligstellen van de 59,89 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, die in de pallet met coderingssticker [pallet 3] opgeslagen heeft gelegen. Daarmee is aan het opzetvereiste voldaan.
Verlengde invoer
In aanvulling op hetgeen het hof eerder in dit arrest in zijn algemeenheid heeft overwogen met betrekking tot het begrip ‘verlengde invoer’ overweegt het hof als volgt.
De pallet met dozen bananen, waarin de cocaïne was verstopt, is vanuit Zuid-Amerika naar Nederland gekomen. De bananen zijn voor een verder rijpingsproces bij [bedrijf 1] in Moerdijk ondergebracht en vervolgens is de pallet met de cocaïne vervoerd naar Etten-Leur. Het hof verbindt aan de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte de conclusie dat met het handelen van de verdachte beoogd is, het realiseren van het verdere vervoer vanuit Moerdijk en de aflevering in Etten-Leur. Dit heeft vervolgens ook daadwerkelijk plaatsgevonden.
Er is dan ook sprake van de ‘verlengde invoer’ van verdovende middelen, waaronder mede wordt verstaan het verdere vervoer vanaf het fruitoverslagbedrijf en de daaropvolgende aflevering op de (eind)bestemming bij het distributiecentrum.
Medeplegen
Voor het juridisch kader met betrekking tot medeplegen verwijst het hof naar hetgeen het heeft overwogen onder ‘Medeplegen’ bij feit 1.
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de handelingen van de verdachte niet op zichzelf stonden. Er zijn naar het oordeel van het hof – naast [medeverdachte 2] – ook onbekende mededaders betrokken die de verdachte bij dit feit terzijde moeten hebben gestaan. De verdachte heeft namelijk al in december 2018, in een tapgesprek, aangegeven dat ‘zij Vlissingen in hun zak hebben’. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte hiermee heeft willen aantonen dat hij in de haven van Vlissingen connecties had die een bijdrage konden leveren. Het bestaan van deze connecties wordt ook door [medeverdachte 2] in zijn verhoor bij de politie onderschreven. De connecties van de verdachte zijn van grote waarde geweest, nu de cocaïne de haven van Vlissingen is doorgekomen zonder dat die verdovende middelen ontdekt zijn. Voorts zei de verdachte in een tapgesprek van 11 januari 2019 tegen [betrokkene 4] dat ‘de man’ tegen hem gezegd had dat er 60 stuks onderweg waren, zonder dat hij, verdachte, het wist. Hij merkte daarbij op: ‘Ze denken dat alles kan met geld’ en ‘deze ga je horen over twee weken’. Ook uit dit gesprek blijkt dat de verdachte de schakel was tussen de top van de organisatie en de personen die bij [bedrijf 1] moesten zorgdragen voor het feitelijk realiseren van de (verdere) invoer van de partijen cocaïne.
Voor deze operationele activiteiten was de verdachte vervolgens in grote mate afhankelijk van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft bij [bedrijf 1] pallet [pallet 3] opgevangen, bewaard en na enige tijd klaar gezet voor transport. [medeverdachte 2] was op zijn beurt weer in grote mate afhankelijk van de verdachte. De verdachte heeft essentiële informatie verschaft over de coderingssticker en de naderende aankomst van de pallet. Hierdoor werd [medeverdachte 2] in staat van paraatheid gebracht. De voorstellen om tot een bepaalde strategie te komen werden vanuit verdachte geïnitieerd. Hij heeft [medeverdachte 2] immers opgedragen om een foto te maken van de pallet en de kamer waarin de cocaïne was opgeslagen. Hij wilde deze foto per e-mail toegestuurd krijgen. Het hof leidt uit het dossier af dat de verdachte door de contacten met [medeverdachte 2] voortdurend zicht heeft gehouden op de verplaatsingen van de pallet binnen [bedrijf 1] en op de transportbeweging die daarna is afgelegd richting Etten-Leur. Hij was de opdrachtgever van [medeverdachte 2] en initiator van de wijze waarop het feit werd uitgevoerd. De verdachte was derhalve de onmisbare schakel tussen de criminele organisatie en de uitvoerders ter plaatse bij [bedrijf 1] .
Het hof concludeert op basis van het vorenstaande dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, tezamen en in vereniging met anderen, waarbij verdachte een intellectuele en materiële bijdrage heeft geleverd aan het delict die van voldoende gewicht was.
Conclusie
Het hof stelt in navolging van de rechtbank vast dat er sprake is van het medeplegen van de verlengde invoer van 59,89 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Onder deze verlengde invoer wordt mede verstaan het verdere vervoer vanuit Moerdijk en de aflevering in Etten-Leur. De conclusie is dat het onder feit 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden.
Feit 5: Verlengde invoer van 400 kilogram cocaïne in de periode van 4 september 2018 tot en met 3 februari 2019
Feiten
Op 3 februari 2019 heeft de politie vanaf 03.20 uur een observatie verricht bij [bedrijf 1] in Moerdijk. Die dag werd waargenomen dat een witte truck met koeltrailer het terrein van [bedrijf 1] is opgereden en met de achterkant tegen een dokshelter van de loods heeft geparkeerd. Op het moment dat de vrachtwagen daar was, zag de politie een Suzuki met kenteken [kenteken 2] langs het hek van het bedrijf rijden, keren en wegrijden. De bestuurder vertoonde grote gelijkenis met de verdachte. Bekend is dat de verdachte in die periode de desbetreffende Suzuki heeft gehuurd.
De vrachtwagen is daarna naar de [locatie 2] in IJmuiden gereden. De vrachtwagen is bij aankomst in IJmuiden met de achterzijde een aldaar gelegen loods ingereden.
De politie is diezelfde dag de loods in IJmuiden binnengetreden. Bij het binnentreden was direct duidelijk dat de loods niet was ingericht voor de opslag van fruit. In de loods werd echter wel een pallet met dozen bananen aangetroffen. In die dozen waren pakketten verstopt. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat er in de pakketten cocaïne zat. In totaal gaat het om 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. De bestuurder van de vrachtwagen was medeverdachte [medeverdachte 12] . Hij werd gedurende de hele rit vanaf Moerdijk tot aan IJmuiden vergezeld door medeverdachte [medeverdachte 4] , die als bijrijder in de vrachtwagen had plaatsgenomen. [medeverdachte 4] was voorafgaand aan het laden van de pallet bij [bedrijf 1] de vrachtwagen ingestapt en is bij de eindbestemming in IJmuiden uitgestapt.
De politie heeft een groot aantal telefoongesprekken afgeluisterd en/of opgenomen, waaronder gesprekken tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] was in december 2018 door de verdachte benaderd. De verdachte gaf [medeverdachte 4] te verstaan dat ‘hun dingen’ binnenkort de weg op zouden gaan. [medeverdachte 4] was daarbij nodig om het op te halen. [medeverdachte 4] gaf aan dat zij om de tafel moesten gaan zitten om een plan te bespreken, maar dat zij dat niet over de telefoon moesten doen. In de tapgesprekken van 1 februari en 2 februari 2019 vroeg de verdachte aan [medeverdachte 4] of hij naar Nederland kon komen. [medeverdachte 4] stemde daarmee in en was zelfs bereid hiervoor ontslag te nemen bij zijn werkgever.
Op 29 januari 2019 zei de verdachte tegen zijn broer [medeverdachte 1] dat er één aankwam met vier barki erin (het hof begrijpt dat met vier barki, het getal 400 wordt bedoeld). De verdachte zei op 2 februari 2019 tegen [medeverdachte 1] dat hij vannacht klaar moest staan en dat zij het plan van gisteren zouden uitvoeren. Daarnaast werd [medeverdachte 1] die dag door de verdachte gevraagd om [medeverdachte 4] te ontvangen en zich even met hem bezig te houden, totdat hij was teruggekeerd van een afspraak. [medeverdachte 1] stemde daarmee in. Later die nacht, om 04.40 uur, vroeg [medeverdachte 1] aan verdachte om instructies. De verdachte zei dat [medeverdachte 1] kon terugkeren. [medeverdachte 1] bevond zich op dat moment in de buurt van het werk van de verdachte, het hof begrijpt in de buurt van [bedrijf 1] in Moerdijk.
Op 3 februari 2019 om 04.21 uur heeft [medeverdachte 2] , die bij [bedrijf 1] werkzaam was, tegen de verdachte gezegd dat de vrachtwagen bij [doknummer 3] moest parkeren. Een minuut later stelde de verdachte [medeverdachte 4] hiervan per SMS in kennis. [medeverdachte 4] maakte daarna telefonisch aan de verdachte duidelijk dat zij weer vertrokken waren en 100 kilometer moesten rijden. Hij bleef tot aan de eindbestemming meerijden, zoals was afgesproken. De verdachte was daarmee akkoord en vroeg [medeverdachte 4] het adres door te geven, dan zou de verdachte hem komen ophalen. De verdachte liet weten dat wanneer alles in orde was gemaakt er zou worden afgerekend. De verdachte vroeg meerdere malen naar het kijken en openmaken van de dozen/pakketten. [medeverdachte 4] heeft vervolgens aangegeven dat zij waren gearriveerd op de bestemming en dat het pakket was weggezet.
Vervolgens is [medeverdachte 4] vertrokken met de taxi die de verdachte voor hem had gebeld. [medeverdachte 4] is afgezet bij het [bedrijf 10] tankstation in IJmuiden en een aantal uren later opgehaald door de verdachte.
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hebben alle drie bij de politie verklaard dat zij in opdracht van de verdachte hebben gehandeld. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben in hun verhoor aangegeven dat zij zich hebben gerealiseerd dat de verdachte zich beziggehouden heeft met de invoer van cocaïne. [medeverdachte 1] heeft van de verdachte begrepen dat er vierhonderd kilogram cocaïne zou aankomen. [medeverdachte 1] wist dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] bij de criminele activiteiten van de verdachte betrokken waren. [medeverdachte 1] heeft bij de politie erkend bij verschillende locaties te hebben postgevat. [medeverdachte 2] heeft bij de politie aangegeven dat hij de pallets bij [bedrijf 1] heeft omgewisseld en heeft klaargezet voor transport. [medeverdachte 2] heeft ook de palletstickers omgewisseld.
Beoordeling verlengde invoer 400 kilo cocaïne
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte betrokken is geweest bij de (verlengde) invoer van de 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne die op de pallet in IJmuiden is aangetroffen.
De verdachte is degene geweest die wist van de komst van de lading en die verantwoordelijk was voor het veiligstellen van de pallet met cocaïne bij [bedrijf 1] en het verdere vervoer naar IJmuiden. De verdachte heeft zich ervan willen vergewissen dat het transport van de 400 kilogram (met een materiaal bevattende) cocaïne zonder problemen zou verlopen. Hiervoor is [medeverdachte 4] naar Nederland gekomen. [medeverdachte 4] heeft in opdracht van de verdachte als bijrijder plaatsgenomen in de vrachtwagen, waarmee de pallet met cocaïne is vervoerd. [medeverdachte 4] was bij het laden van de pallet in Moerdijk en de aflevering van de pallet in IJmuiden aanwezig en heeft de verdachte van elke handeling op de hoogte gehouden. Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte hiermee voortdurend de controle heeft gehouden over de reisbewegingen die door de vrachtwagen met daarin de cocaïne gemaakt zijn. [medeverdachte 4] heeft immers aangeven of de pallet was ingeladen, welke afstand er gereden moest worden, naar welke bestemming er werd gereden en wat op die bestemming met de pallet was gebeurd. Uit de tapgesprekken blijkt dat hieraan een afspraak ten grondslag heeft gelegen en [medeverdachte 4] werd ook door de verdachte betaald. Ook heeft de verdachte ervoor gezorgd dat [medeverdachte 4] weg kon uit IJmuiden door voor hem een taxi te regelen en hem daarna bij het tankstation op te halen.
De verdachte heeft zijn broer geïnstrueerd om op de uitkijk te staan. [medeverdachte 1] heeft, in opdracht van de verdachte, postgevat in de buurt van [bedrijf 1] . Het hof houdt het ervoor dat [medeverdachte 1] wist van de hoed en de rand en die bewuste nacht in de omgeving van [bedrijf 1] in Moerdijk aanwezig was, niet per toeval, maar om samen met een ander, door verdachte genoemd ‘klojo’ en later ‘jakhals’, een – het hof niet nader bekend geworden – ‘man’ ‘te gaan raken’. De verdachte zou aan zijn broer de adresgegevens van deze ‘man’ geven en ruilde hiervoor van auto met die waarin zijn broer reed. Tegen de achtergrond van het hele onderzoek Rieslaner kan het hof de aanwezigheid van verdachtes broer die nacht dan ook niet anders duiden dan dat hij tot taak had conform het een dag eerder met de verdachte gesmede plan om met een ander, indien nodig, actie te ondernemen indien de betreffende ‘man’ (al dan niet gewild) het geplande transport zou kunnen frustreren. Hierbij denkt het hof in het bijzonder aan bijvoorbeeld een medewerker van [bedrijf 1] , die in die bewuste nacht niet (tijdig) zijn werk moest bereiken, waarbij past de uitlating van ‘hij moet vannacht gaan raken’. Hiervoor was speciaal de door de verdachte zogenoemde ‘klojo’/’jakhals’ ingezet. Zo kon zijn broer de verdachte die nacht ook bij onraad waarschuwen. Hiermee heeft de verdachte zijn broer laten optreden in functie van het transport, de verlengde invoer van de cocaïne. De vrachtwagen moest namelijk ongehinderd de pallet met cocaïne kunnen inladen, zonder dat dit belet zou worden door medewerkers van [bedrijf 1] of dat er door de politie geïntervenieerd zou worden. [medeverdachte 2] heeft ook bij de verdachte erop aangedrongen dat de vrachtwagen moest opschieten, voordat andere werknemers zouden aankomen. Mede door de betrokkenheid van verdachtes broer [medeverdachte 1] kon er ongestoord 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne de vrachtwagen ingeladen worden en kon deze vertrekken met bestemming IJmuiden .
Voorts heeft de verdachte gebruik gemaakt van [medeverdachte 2] , door hem als uitvoerder bij [bedrijf 1] de pallet met cocaïne klaar te laten zetten, een reguliere lading bananen te laten terugplaatsen en de bestickering van de pallets om te wisselen. De cocaïne is daarna in de vrachtwagen gezet. [medeverdachte 2] heeft aangegeven bij welke laaddeur de vrachtwagen moest staan en wat er gezegd moest worden. De verdachte heeft deze informatie weer overgedragen aan [medeverdachte 4] . De verdachte vormde daarmee een belangrijke tussenschakel om de feitelijke uitvoerder en de transporteurs met elkaar in contact te brengen. Dit blijkt ook niet eenvoudig te zijn geweest, aangezien de slagboom bij de oprit van [bedrijf 1] gesloten was. De verdachte heeft voorgesteld de vrachtwagen via de uitgang naar binnen te laten rijden. Het transport vanuit [bedrijf 1] is vervolgens ook geslaagd. Ook gaat het hof ervan uit dat de verdachte zelf wilde zien dat alles goed ging bij [bedrijf 1] nu hij daar is gezien in de gehuurde Suzuki.
Tot slot, zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hebben belastend over de verdachte verklaard. Zij verklaren alle drie dat zij in opdracht van de verdachte hebben gehandeld. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voegen daaraan toe dat zij wisten dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met de invoer van drugs. [medeverdachte 1] verklaarde dat de verdachte hem had verteld dat het om 400 kilogram cocaïne ging. Het tapgesprek waarin de verdachte sprak over vier barki laat hier ook geen misverstand over bestaan. Het hof beschouwt deze verklaringen die bij de politie zijn afgelegd als betrouwbaar. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben daarmee namelijk ook zichzelf belast en bovendien vindt de inhoud van hun verklaringen bevestiging in de tapgesprekken, alsook in overige bevindingen in het dossier.
Het hof komt op basis van voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang beschouwd, met de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte op de hoogte is geweest van en betrokken is geweest bij de 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, die in de pallet opgeslagen heeft gelegen en naar IJmuiden is gebracht.
Verlengde invoer
Het hof verwijst voor de algemene overweging met betrekking tot het begrip ‘verlengde invoer’ naar hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof voegt daaraan het volgende toe.
De pallet met dozen bananen, waarin de cocaïne is verstopt, komt uit Colombia. Dit blijkt uit het opschrift op de dozen. De bananen zijn voor een verder rijpingsproces, via de haven van Vlissingen, bij [bedrijf 1] in Moerdijk ondergebracht. Vervolgens is de pallet met cocaïne naar IJmuiden gebracht. De pallet is daar neergezet en afgesloten bewaard, kennelijk met de bedoeling de cocaïne daar van de deklading te scheiden. Het hof verbindt aan de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen de conclusie dat het handelen van de verdachte gericht is geweest op het verdere vervoer (vanuit Moerdijk ) en de verdere aflevering (in IJmuiden ). Deze handelingen kunnen worden geschaard onder de term ‘verlengde invoer’.
Er is dan ook sprake van de verlengde invoer van verdovende middelen, waaronder mede wordt verstaan het verdere vervoer vanaf het fruitoverslagbedrijf en de daaropvolgende aflevering op de (eind)bestemming bij de loods in IJmuiden .
Medeplegen
Voor het juridisch kader met betrekking tot medeplegen verwijst het hof naar hetgeen het heeft overwogen onder ‘Medeplegen’ bij feit 1.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een intensieve samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De verdachte heeft in de nacht van 2 februari op 3 februari 2019 met alle drie contact opgenomen en/of onderhouden en is voortdurend in kennis gesteld van de handelingen die verricht zijn in relatie tot de pallet met cocaïne. Er kan een duidelijke taakverdeling worden onderscheiden, waarbij de verdachte een coördinerende rol moet worden toegedicht. Hij wilde te allen tijde door de mededaders op de hoogte worden gebracht, maar gaf zelf ook actief invulling aan de strategie die moest worden doorlopen om de doorvoer naar IJmuiden te volbrengen. De verdachte heeft [medeverdachte 2] ertoe aangezet om de pallet en stickers om te wisselen en de cocaïne in de vrachtwagen te plaatsen. De verdachte heeft [medeverdachte 4] opdracht gegeven naar Nederland te komen en hem verzocht om als bijrijder het transport te begeleiden en de chauffeur te controleren. Er is een voorbespreking aan dit feit vooraf gegaan en de verdachte heeft [medeverdachte 4] gedurende de rit gevraagd naar de stand van zaken. De verdachte is ook met [medeverdachte 1] vooraf een plan overeengekomen en heeft hem van instructies voorzien. De rol van de verdachte in de voorbereiding en in de uitvoering van het misdrijf is daarmee van groot gewicht geweest. Hij heeft er voor zorggedragen dat de verschillende gedragingen van de betrokkenen naadloos op elkaar hebben aangesloten. Tenslotte blijkt ook nergens uit dat de verdachte zich op enig moment heeft gedistantieerd van hetgeen hem wordt verweten.
Het hof concludeert op basis van het vorenstaande dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, tezamen en in vereniging met anderen, waarbij de verdachte een intellectuele en materiële bijdrage heeft geleverd aan het delict die van voldoende gewicht is.
Conclusie
In navolging van de rechtbank stelt het hof vast dat er sprake is van het medeplegen van de verlengde invoer van verdovende middelen met betrekking tot 400 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Onder deze verlengde invoer wordt verstaan het verdere vervoer vanuit Moerdijk en de aflevering in IJmuiden . De conclusie is dat het onder feit 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden.
Feit 6: Witwassen van € 215.000,-
Feiten
Het hof verwijst allereerst naar de feiten zoals hiervóór weergegeven bij feit 1, 2 en 3. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte op 11 september 2018 tegen de politieverkenner heeft gezegd dat hij als voorschot € 5.000,- heeft gekregen voor zijn medewerking aan de invoer van cocaïne. Op 27 september 2018 heeft de verdachte opnieuw met de politieverkenner gesproken over de opbrengsten van zijn aandeel in de invoer van cocaïne op diezelfde dag. Hierin herhaalde hij dat hij eerder € 5.000,- had gekregen. Hij zou dan ook nog € 75.000,- krijgen. Tijdens dit gesprek is de verdachte gebeld door zijn broer [medeverdachte 1] met de mededeling dat hij het geld op kon halen. Dat de verdachte daadwerkelijk het geld heeft opgehaald, blijkt uit zijn gesprek met de politieverkenner op 28 september 2018. Hierin verklaarde de verdachte namelijk gedetailleerd over de manier waarop hij het geld had ontvangen. Dat het om een grote hoeveelheid geld ging, blijkt uit het feit dat de verdachte de politieverkenner om een geldtelmachine vroeg om het bedrag te kunnen tellen. Uit het gesprek op 9 oktober 2018 tussen de verdachte en de politieverkenner blijkt dat de verdachte het geld heeft geteld. Dit bleek € 70.000,- te zijn. De resterende € 5.000,- die aan de verdachte was toegezegd zou bij de volgende lading worden gegeven. Tijdens dit gesprek sprak de verdachte ook over de mogelijkheden om het geld wit te wassen. Zelfs toen de politieverkenner de term witwassen liet vallen, bleef de verdachte verklaren over zijn plannen om het crimineel verdiende geld te bewaren en uit te geven. De verdachte vertelde onder meer dat hij een paar duizend euro in briefjes van € 20,- had uitgegeven in het casino. Dit werd later bevestigd door het casino. Verder benadrukte de verdachte in het gesprek dat het goed ging met zijn vrouw. Hij vertelde dat zij alles wist en nu veel minder klaagde omdat zij geld kon uitgeven.
In een tapgesprek op 16 oktober 2018 vertelde de verdachte aan zijn moeder dat hij nog
€ 140.000,- tegoed had. Zijn moeder vermaande de verdachte hierop dat hij eerlijk moest gaan werken. Op 18 oktober 2018 had de verdachte een gesprek met de politieverkenner. Hierin sprak hij wederom over het feit dat hij nog € 140.000,- tegoed had. Hij benoemde hierbij dat hij dit bedrag tegoed had van de organisatie. Uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen volgt dat de verdachte uiteindelijk van dit bedrag € 135.000,- heeft gekregen. Zo sprak de verdachte in een tapgesprek met medeverdachte [medeverdachte 2] op 23 december 2018 over het feit dat hij € 40.000,- had gekregen. Op 6 januari 2019 zei de verdachte in een tapgesprek met een onbekende man dat hij de week daarna € 100.000,- zou krijgen. Dit blijkt ook te zijn gebeurd want op 24 januari 2019 zei de verdachte tegen [medeverdachte 2] dat er nog € 5.000,- openstond, maar dat hij inmiddels € 135.000,- had gekregen.
Tot slot blijkt uit de bewijsmiddelen als opgenomen in de bijlage dat de verdachte gedurende de gehele periode gesprekken had met zijn vrouw [medeverdachte 11] over de manier waarop het geld bewaard en uitgegeven zou worden en hebben medeverdachten duizenden euro’s van de verdachte ontvangen voor hun bijdrage.
Beoordeling
Uit de tenlastelegging blijkt dat aan de verdachte het witwassen of het eenvoudig witwassen wordt verweten. Van witwassen is kort gezegd sprake wanneer iemand geld of goederen uit criminele feiten voorhanden heeft of bijvoorbeeld heeft uitgegeven of verstopt. Hierbij hoeft niet duidelijk te zijn met welk strafbaar feit dat geld of die goederen zijn verdiend. Voor de beoordeling van de zaken zonder bekend gronddelict is in de jurisprudentie een toetsingskader gegeven met daarin zes stappen. Bij eenvoudig witwassen is het feit wel bekend, omdat degene die het geld of de goederen witwast het feit zelf heeft gepleegd.
Gelet op bovengenoemd onderscheid zal het hof allereerst beoordelen of er sprake is van een bekend gronddelict. Het hof begrijpt de tenlastelegging in het licht van het dossier zo dat de verdachte de opbrengsten van de feiten 1 tot en met 3 worden verweten. Op grond van de feiten en bewijsoverwegingen met betrekking tot die feiten is het hof van oordeel dat er sprake is van een bekend gronddelict. Het hof acht immers het meerdere keren medeplegen van de (voorbereidings-bevorderingshandelingen van) verlengde invoer van cocaïne door de verdachte wettig en overtuigend bewezen. Nu een gronddelict bekend is en door de verdachte zelf is gepleegd, zal het hof beoordelen of er sprake is van eenvoudig witwassen. Het hof komt daarmee niet toe aan het genoemde toetsingskader.
Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte voor het transport op 27 september 2018 € 5.000,- en € 70.000,- heeft ontvangen. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte voor ditzelfde transport nog € 5.000,- zou ontvangen. Het hof stelt vast dat hoewel uit het procesdossier niet evident blijkt dat de verdachte dit bedrag heeft gekregen, gaat het hof er buiten gerede twijfel vanuit dat dit wel zo is. Immers, de verdachte heeft in tapgesprekken op latere momenten wel regelmatig geklaagd als hij bedragen niet had ontvangen, terwijl hij dit ten aanzien van dit bedrag niet heeft gedaan. Het hof is dan ook van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte voor zijn aandeel in de invoer van cocaïne op 27 september 2018 in totaal € 80.000,- heeft ontvangen. Op 18 oktober 2018 heeft de verdachte aan de politieverkenner verteld dat hij nog € 140.000,- tegoed had van de organisatie. Het hof begrijpt dat de verdachte met de organisatie de personen bedoelde die zich bezighielden met het invoeren van cocaïne. Wanneer dit in de tijdlijn van dit dossier wordt geplaatst dan moet dit bedrag zien op de werkzaamheden voor de organisatie die de verdachte heeft verricht op 10 en 11 oktober 2018. Uit de (tap)gesprekken in de periode van december 2018 tot en met januari 2019 blijkt dat van dit bedrag in totaal € 135.000,- aan de verdachte was betaald. Gelet op deze bevindingen stelt het hof vast dat de verdachte met zijn eigen strafbare feiten op 27 september 2018 en 10 en 11 oktober 2018 in totaal € 215.000,- heeft verdiend. Dat voor dit bedrag geen ‘objectieve’ bewijsmiddelen voorhanden zijn, zoals het aantreffen van een dergelijke hoeveelheid geld, zoals de verdediging heeft betoogd, doet hieraan niet af.
De berekening van het witwasbedrag is niet gebaseerd op een kasopstelling, maar op de uitlatingen van de verdachte over de bedragen die hij met de strafbare feiten heeft verdiend. Het verweer van de verdediging dat de verdachte geld heeft gewonnen in een casino, doet dan ook niets aan het bedrag van € 215.000,- af. Nu er geen sprake is van een kasopstelling is er ook geen enkele reden om het bedrag te beperken tot enig geldbedrag dat daadwerkelijk bij verdachte is aangetroffen.
Uit de tapgesprekken blijkt dat de verdachte € 215.000,- voorhanden heeft gehad en samen met zijn vrouw [medeverdachte 11] in ieder geval gedeeltelijk heeft uitgegeven. Over deze uitgaven hadden de verdachte en [medeverdachte 11] frequent overleg. De verdachte heeft tegenover de politieverkenner verklaard dat zijn vrouw ook van alles op de hoogte was. Dit blijkt ook uit de tapgesprekken. Het hof stelt daarom vast dat het voorhanden hebben en het uitgeven van het geld gebeurde in een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden, waarbij ieders intellectuele en/of materiële rol van voldoende gewicht was. Om die reden is er naar het oordeel van het hof dan ook sprake van medeplegen.
Conclusie
Alles overwegende is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van eenvoudig witwassen van een bedrag van € 215.000,-.
De door de verdediging gevoerde bewijsverweren worden, voor zover zij niet reeds hun weerlegging vinden in de gebruikte bewijsmiddelen, verworpen.
Feit 7: Deelneming aan een crimineel samenwerkingsverband
Feiten
Het hof verwijst allereerst naar alle feiten die hiervoor zijn vastgesteld bij de feiten 1 tot en met 5 en al hetgeen het hof daaromtrent heeft overwogen. In aanvulling daarop bevat het dossier een overzicht van de rolverdeling.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 4 september 2018 aan de politieverkenner heeft verteld dat hij was gecontacteerd door een organisatie (van onbekend gebleven personen). De verdachte sprak in dit kader zelf over ‘de grote Hollanders’, ‘de Marokkaan van [bedrijf 7] ’, mogelijk zijnde de (in dit dossier) meergenoemde ‘ [medeverdachte 8] ’ en ‘ [betrokkene 5] ’. Aan de verdachte is gevraagd mee te werken aan het invoeren van cocaïne. Hij werkte op dat moment voor [bedrijf 1] , een bedrijf dat zich onder meer bezighield met het rijpen van bananen. Hierdoor kon hij een sleutelpersoon zijn voor de organisatie bij het vervoer naar de eindbestemming van de cocaïne die tussen dekladingen met bananen verstopt zat. De verdachte heeft ingestemd en is gaan samenwerken met die organisatie. Binnen deze samenwerking hebben de (onbekend gebleven) personen geregeld dat er cocaïne vanuit Colombia, via de haven van Vlissingen, bij [bedrijf 1] terecht is gekomen. Zij hebben er ook voor gezorgd dat dit proces soepel verliep door een contact met een persoon in de haven van Vlissingen. Daarnaast hebben zij ervoor gezorgd dat de kritische voorman [medeverdachte 6] tot tweemaal toe van de weg is gereden. De eerste keer hebben zij deze aanrijding laten uitvoeren door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] . Dit alles om te verhinderen dat [medeverdachte 6] een mogelijk risico voor de werkzaamheden van de verdachte binnen [bedrijf 1] zou vormen. De verdachte heeft er vervolgens bij [bedrijf 1] voor gezorgd dat de pallets met de cocaïne op het juiste moment in de juiste vrachtwagen zijn gezet. Hierna is de cocaïne met de deklading vervoerd naar de door de organisatie geregelde locaties waar de cocaïne uit de deklading zou worden gehaald of nog verder zou worden getransporteerd. Hiervoor zijn (door onbekende personen) chauffeurs en personen die de cocaïne uit de deklading zouden halen, geregeld
Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte zijn collega [medeverdachte 3] heeft benaderd om hem binnen [bedrijf 1] te helpen bij de eerste transporten. Na het ontslag van zowel [medeverdachte 3] als de verdachte zelf bij [bedrijf 1] , heeft de verdachte zijn oud-collega [medeverdachte 2] benaderd om de uitvoering van de plannen binnen [bedrijf 1] over te nemen voor de daaropvolgende transporten. De verdachte heeft de informatie die hij vanuit de organisatie kreeg met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gedeeld, zodat de pallets met de deklading en de cocaïne op het juiste moment klaar waren voor verder transport. De verdachte heeft voor deze medewerking aan [medeverdachte 3] € 30.000,- betaald en aan [medeverdachte 2] € 10.000,-. Daarnaast heeft de verdachte ook geregeld dat [medeverdachte 4] in de nacht van 2 op 3 februari 2019 in Nederland was en meereed met en toezicht hield op het transport naar IJmuiden . De verdachte heeft tevens zijn broer [medeverdachte 1] betrokken bij de uitvoering van de plannen van de organisatie. De verdachte heeft hem uitvoerig verteld over de plannen en de opbrengsten die hij voor zijn rol bij de invoer van de cocaïne zou krijgen. Hij heeft [medeverdachte 1] ook ingeschakeld om te helpen bij het transport naar IJmuiden op 3 februari 2019 door [medeverdachte 4] op te vangen en een soort van op de uitkijk te staan om het transport van een vrije aftocht uit Moerdijk te voorzien. Tot slot heeft hij ook zijn vrouw [medeverdachte 11] volledig in kennis gesteld van de plannen en de uitvoering daarvan. Ook werd zij op haar beurt door de verdachte verzocht gegevens door te sturen naar [medeverdachte 2] met betrekking tot het transport op 29 januari 2019, hetgeen uiteindelijk niet helemaal leek te lukken. De verdachte heeft de opbrengst uit de feiten met haar gedeeld.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat met uitzondering van het transport op 27 september 2018 de tenlastegelegde partijen bevattende cocaïne steeds door de politie zijn onderschept. Over zowel de geslaagde als de mislukte transporten heeft de verdachte naderhand contact gehad met enkele van de hiervoor genoemde personen. Uiteindelijk is de verdachte op 10 juni 2019 aangehouden.
Juridisch kader Aan de verdachte is tenlastegelegd deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (als logische specialis van artikel 140 Sr). De organisatie had volgens het Openbaar Ministerie als oogmerk het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde, en vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid, Opiumwet.
Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop.
Eerst moet worden vastgesteld of sprake was van een ‘organisatie’. Onder ‘organisatie’ wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere rechts- dan wel natuurlijk persoon. Daarvoor is niet noodzakelijk dat binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en waarbij op de deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde was. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen.
Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en naar het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven.
Bij de vraag of sprake is geweest van deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat vastgesteld wordt dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten – in het kader van de criminele organisatie – ook zelf strafrechtelijk verantwoordelijk is in de zin van pleger, medepleger of een andere deelnemingsvorm. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelneming door de afzonderlijke verdachte gaat het er om of kan worden vastgesteld:
- of de verdachte – in zijn algemeenheid – wist dat de organisatie tot oogmerk had
het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en
- of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende, rol of een verdachte wordt veroordeeld voor één van de afzonderlijke tenlastegelegde andere feiten in het kader van de criminele organisatie. In dit kader wordt nog opgemerkt dat niet vereist is dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend is geweest met, alle andere natuurlijke en rechtspersonen die deel uitmaken c.q. uitmaakten van de organisatie.
Beoordeling Naar het oordeel van het hof volgt uit alle in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien ook met al hetgeen hiervoor is overwogen dat er sprake is van een organisatie van bij het hof onbekende en bekende personen. Zij werkten samen in een samenwerkingsverband dat gericht was op het invoeren van cocaïne en alle handelingen die vervolgens met die cocaïne kunnen worden verricht. Binnen dit samenwerkingsverband was sprake van een top-down structuur. Onbekend gebleven personen stonden aan de top van de organisatie. De invoer vond plaats in hun opdracht. Zij hadden de leiding over de invoer van de cocaïne en de verdere distributie en/of verwerking van de cocaïne nadat het succesvol binnen Nederland was gebracht. De top beschikte over belangrijke informatie en overzag het geheel. Zij regelde personeel en zorgde dat de organisatie bleef lopen vanaf het moment dat de cocaïne op transport was gegaan in Colombia, tot aan het moment dat het uit de deklading met bananen kon worden gehaald op de bestemming in Nederland. Onderaan de structuur stonden de personen die daadwerkelijk op de werkvloer van het criminele bedrijf handelingen verrichtten en daarmee een bijdrage leverden aan een deel van de invoer. Hoewel zij niet over alle informatie beschikten, waren deze uitvoerders wel op hun eigen onderdeel van groot belang om de invoer te laten slagen. In dit onderzoek kunnen naar het oordeel van het hof de in de tenlastelegging genoemde [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] worden gezien als uitvoerders. Het hof is gelet hierop van oordeel dat er sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband.
Evenals de rechtbank ziet het hof de verdachte als de verbindende factor tussen de top van organisatie en in ieder geval een deel van de uitvoerders die betrokken waren bij het doorvoeren van de vijf partijen met cocaïne via [bedrijf 1] in Moerdijk . De verdachte was de noodzakelijke schakel op het tussenstation tussen de haven waar de cocaïne Nederland werd binnengebracht en de eindbestemmingen waar de cocaïne uit de dekladingen is gehaald dan wel zou worden gehaald. De verdachte heeft deze rol actief opgepakt door zelf andere personen te betrekken en in te spelen op veranderingen zoals het ontslag van [medeverdachte 3] en uiteindelijk ook zijn eigen ontslag. Het hof ziet hem dan ook als een meewerkende coördinator tussen het management van onbekend gebleven personen en de uitvoerders op de werkvloer.
Dat de verdachte slechts uithaler zou zijn, zoals door de verdediging is bepleit, klopt derhalve volstrekt niet met de bewijsmiddelen. Het hof verwerpt die stelling dan ook.
De verdediging heeft aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte contact heeft gehad met steeds dezelfde personen. Het hof stelt vast dat uit het dossier ook niet volgt dat de verdachte contact had met meerdere organisaties. De verdachte spreekt nergens over een wijziging van de personen die hem van informatie voorzagen. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het opstarten van een lijn voor de invoer van cocaïne een grote investering in het winnen van vertrouwen van de betrokkenen en veel organisatie met betrekking tot de uitvoering vergt. Dergelijke organisaties worden dan ook opgezet voor een langere termijn en meerdere transporten. Bovendien worden eenmaal opgezette lijnen verdedigd tegen concurrentie van andere organisaties omdat het winstbelang enorm is. Wanneer er sprake is van een machtswissel in de leiding, gaat dit over het algemeen gepaard met fors geweld. Van dergelijk geweld is in de tenlastegelegde periode met betrekking tot onderhavig dossier niets gebleken. Het hof is daarom van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de onbekend gebleven personen met wie de verdachte contact had steeds personen tot hetzelfde samenwerkingsverband behoorden.
De verdachte heeft zijn rol gedurende meer dan negen maanden vervuld. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat hij hier zeer actief mee bezig was. Dit was ook nodig om het doel te bereiken dat hij zichzelf had gesteld, namelijk het verdienen van € 1.000.000,- met werk voor de organisatie. Gelet op de duur van de periode en de mate van activiteit van de verdachte binnen het samenwerkingsverband, is het hof van oordeel dat er sprake is van een duurzame bijdrage aan dit samenwerkingsverband.
Conclusie
Het hof is overeenkomstig de beslissing van de rechtbank van oordeel dat uit alle in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de verdachte heeft deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband dat was gericht op het invoeren van cocaïne en alle handelingen die vervolgens met die cocaïne kunnen worden verricht. Het hof stelt vast dat de verdachte aan dit criminele en gestructureerde samenwerkingsverband als meewerkend coördinator een duurzame bijdrage heeft geleverd. Het hof acht daarom het feit wettig en overtuigend bewezen.
De door de verdediging gevoerde bewijsverweren worden, voor zover zij niet reeds hun weerlegging vinden in de gebruikte bewijsmiddelen, verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, 2, 4 en 5 bewezenverklaarde levert telkens op:
De eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.
Het onder 6 bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van eenvoudig witwassen.
Het onder 7 bewezenverklaarde levert op:
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft (subsidiair) op de gronden als verwoord in de pleitnota een strafmaatverweer gevoerd. Deze gronden komen – kort samengevat – op het volgende neer.
In de eerste plaats dient een eventuele (al dan niet partiële) vrijspraak van een of meer van de tenlastegelegde feiten rechtstreeks door te werken in de strafmaat. Daarnaast dienen de onherstelbare vormverzuimen bij de inzet van de politieverkenner tot strafvermindering te leiden indien het hof niet komt tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting als gevolg daarvan. Ook had de rechtbank de aanrijding van [medeverdachte 6] niet in strafverzwarende zin mogen betrekken. Hetzelfde geldt voor feit 3, omdat dit feit gaan zelfstandige strafverzwarende betekenis heeft naast feit 2. Verder zou in strafmatigende zin moeten meewegen dat de verdachte in hoger beroep heeft geprobeerd, zij het tevergeefs, om met het Openbaar Ministerie tot procesafspraken te komen. Voorts dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn gezinssituatie, zijn rol als vader, zijn inspanningen om zijn leven na de schorsing van de voorlopige hechtenis op orde te houden, zijn schuldenproblematiek en de behandeling van zijn gokproblematiek. Dit geldt ook voor het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ten slotte heeft de verdediging gewezen op de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden. De verdediging verzoekt het hof een straf op te leggen die aanzienlijk lager is dan de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 8 jaren.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Strafvermindering vanwege vormverzuim?
Onder ‘Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging’ heeft het hof overwogen dat de verdachte door het onherstelbare vormverzuim is geschonden in een belang dat het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beoogt te beschermen. Een zodanige inbreuk levert echter niet zonder meer ook een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces op. Het hof merkt op, dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv. Niet gebleken is dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden. Strafvermindering vanwege het vormverzuim is dan ook niet aan de orde.
Het hof volstaat met de constatering dat sprake is geweest van een onherstelbaar (voortgezet) vormverzuim, zoals hiervóór onder ‘Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging’ uiteen is gezet.
Verdere strafoverwegingen
Het hof overweegt voorts, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, het volgende.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan, kortweg, de invoer (en het vervoeren) van meerdere grote partijen (in totaal ruim 560 kilogram van een materiaal bevattende) cocaïne alsmede het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van dergelijk grote partijen (in totaal 800 kilogram van een materiaal bevattende) cocaïne. Daarnaast het medeplegen van witwassen van een groot geldbedrag (€ 215.000) en deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsfeiten. De stelling van de verdediging dat feit 3 geen zelfstandige strafverzwarende betekenis zou hebben naast feit 2 verwerpt het hof.
De verdachte is gedurende zijn dienstverband bij [bedrijf 1] te Moerdijk in contact gekomen met een organisatie die verantwoordelijk was voor de invoer van grote hoeveelheden cocaïne. Ondanks aanvankelijk enige twijfel bij de verdachte om een bijdrage te leveren aan de invoer van cocaïne, besloot hij al snel hieraan mee te werken vanwege de snelle en grote geldelijke verdiensten. De verdachte deed dit niet alleen en wierf verschillende collega’s om hem hierbij te helpen. De verdachte werd verantwoordelijk voor het verdere vervoer vanaf [bedrijf 1] te Moerdijk naar andere plaatsen in het land. Zijn taken waren onder meer het omwisselen van de dekladingen met de cocaïne houdende pallets. Deze laadde hij vervolgens in de vrachtwagen die de pallets met cocaïne naar de volgende locaties bracht.
De verdachte had bij de invoer van cocaïne echter niet slechts een uitvoerende rol. Gedurende een langere periode hield de verdachte contact met de organisatie met betrekking tot de invoer van de cocaïne houdende pallets. De informatie die hieruit voortkwam, deelde hij vervolgens met verschillende medeverdachten. Zo stuurde de verdachte SMS-berichten met codes, faciliteerde hij de ontvangst van de vrachtwagenchauffeur en deelde hij informatie over het moment suprême. Zelfs na zijn ontslag bij [bedrijf 1] onderhield hij contact met ex-collega’s, zodat de invoer van cocaïne op gebruikelijke wijze door kon gaan. Dit alles bij elkaar maakt dat de verdachte ook een coördinerende rol had.
Alles overziend kan geconcludeerd worden dat de verdachte een essentiële schakel vormde tussen de organisatie en de medeverdachten in deze zaak. Zonder hem zou het niet mogelijk zijn geweest om de ’grote partijen cocaïne via [bedrijf 1] op de plaats van bestemming te krijgen. Het daaruit voortvloeiende financiële gewin vormde de drijfveer achter al zijn daden.
Het is algemeen bekend dat harddrugs zoals cocaïne ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het hof ziet zich ook op zeer regelmatige basis geconfronteerd met de vernietigende effecten van het gebruik van deze drug op de gebruiker en diens naaste omgeving. Het blijft echter niet bij de effecten voor de individuele gebruiker en zijn omgeving. De gebruiker moet zijn drugs ergens vandaan halen, dus wordt er gedeald, met alle bijkomende overlast. Bovendien moeten de dealers hun voorraden van grotere spelers betrekken. Grootschalige drugshandel werkt ernstig ontwrichtend voor de maatschappij. Drugsdelicten en witwassen liggen vaak aan de basis van gedragingen die tegenwoordig worden aangeduid met de term ‘ondermijning’. De enorme impact van deze criminaliteit wordt in alle lagen van de bevolking gevoeld. Daaraan heeft de verdachte zich niets gelegen laten liggen. Hij heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij of van anderen.
Bij dit alles komt, dat doorgaans niet wordt geaarzeld om geweld te gebruiken tegen personen die weigeren mee te werken aan de invoer van de cocaïne en daarmee een risico vormen voor de criminele organisatie. Dat was ook in deze zaak het geval. De integriteit van [medeverdachte 6] , een andere medewerker van [bedrijf 1] , die direct de politie wilde waarschuwen als er drugs aanwezig zouden zijn in de ladingen, is hem duur komen te staan. Hij is tot twee keer toe van de weg gereden, alleen omdat hij een risico vormde voor de cocaïnetransporten. Hij mag van geluk spreken dat hij dat beide keren heeft overleefd. Dit alles deed de verdachte niets. Sterker nog, het lijkt erop dat de verdachte deze levensgevaarlijke situatie voor [medeverdachte 6] zelfs lachwekkend vond. Het standpunt van de verdediging dat de omstandigheid van de aanrijding van [medeverdachte 6] niet in strafverzwarende zin mag worden meegenomen volgt het hof – evenals de rechtbank – dan ook absoluut niet.
Bij de strafoplegging heeft het hof ook acht geslagen op het strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het standpunt van de verdediging dat dit strafmatigend mee moet wegen indachtig de grote hoeveelheid feiten waarvoor de verdachte zich dient te verantwoorden, volgt het hof evenwel niet. Het beginsel is immers dat eenieder wordt geacht zich aan de wet te houden zonder dat daarvoor een beloning volgt. Hierin ziet het hof in dit geval dan ook geen aanleiding tot enige strafvermindering.
Hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden is voor het hof eveneens onvoldoende aanleiding om de straf te matigen of te komen tot een andersoortige straf. Daarvoor leggen deze persoonlijke omstandigheden, vooral gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, onvoldoende gewicht in de schaal.
Anders dan de verdediging, ziet het hof in de proceshouding van de verdachte geen omstandigheid die in zijn voordeel zou moeten meewegen. De omstandigheid dat de verdachte in hoger beroep heeft geprobeerd om tot procesafspraken te komen met het Openbaar Ministerie, doet daar niets aan af. De verdachte is op geen enkel moment gedurende de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig geweest en lijkt zich te onvindbaar te houden voor politie en justitie. Dit wekt de indruk bij het hof dat de verdachte in hoger beroep geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn daden en er geen belang aan hecht om zijn actuele persoonlijke omstandigheden toe te lichten, zoals zijn visie op de huidige gezinssituatie met daarin zijn vaderrol en hoe hij thans zijn leven op orde pleegt te houden.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en rekening houdende met al het bovenstaande, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Alles overziend komt het hof tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest als een in beginsel passende straf. Dit zou een hogere straf zijn dan de rechtbank in eerste aanleg heeft opgelegd, omdat naar ’s hofs oordeel daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.
De verdediging heeft overeenkomstig de overgelegde pleitnota betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van de verdachte, de aard en ernst van het tenlastegelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen.
De verdachte is op 11 juni 2019 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 19 juni 2023. Het hof is van oordeel dat in eerste aanleg derhalve sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 24maanden, uitgaande van de datum van inverzekeringstelling.
In dit geval geldt ook in hoger beroep een redelijke termijn van twee jaren als uitgangspunt. De verdachte heeft op 30 juni 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 oktober 2026. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaren na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is daarom eveneens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel met een periode van zo’n 15 maanden.
Hoewel sprake is van een groot strafrechtelijk onderzoek, met meerdere verdachten, waarin bovendien zowel in eerste aanleg als in hoger beroep door een aantal verdachten onderzoekswensen zijn gedaan, zijn er naar het oordeel van het hof onvoldoende bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding van de redelijke termijn volledig rechtvaardigen. In de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep ziet het hof daarom aanleiding om een lagere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder deze termijnoverschrijdingen. Nu de redelijke termijn in bovengenoemde mate is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van na te melden straf.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 55, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes en J.W.J. de Leeuw LLB, griffiers,
en op 1 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.