ECLI:NL:GHDHA:2026:2997

ECLI:NL:GHDHA:2026:2997

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer 200.227.190/02
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Dexia / Spaar Select / Advisering / Wetenschap

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.227.190/02

Zaaknummer rechtbank: : 3022367 / CV EXPL 14-2365

Arrest van 28 juli 2026

in de zaak van

[appellante] ,

wonende in [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd in Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam.

1. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 1 december 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda.

2. De procedure in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven met producties;

de memorie van antwoord met producties;

de nadere akte met producties van [appellante] ;

de antwoordakte tevens akte vermindering eis van Dexia;

de akte uitlaten jurisprudentie met producties van [appellante] ;

de antwoordakte met producties van Dexia.

Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De kern van de zaak

Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [appellante] via een tussenpersoon, Spaar Select BV (hierna: Spaar Select). In hoger beroep is aan de orde de vraag of [appellante] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [appellante] vergoeden.

Dexia heeft – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de proceskosten, voor recht verklaart dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellante] gesloten effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer] niets meer verschuldigd is, althans te verklaren voor recht dat zij aan [appellante] verschuldigd is te voldoen een bedrag van € 21.816,86, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer] heeft voldaan aan haar verplichtingen en op grond daarvan niets meer aan [appellante] verschuldigd is.

4. De beoordeling

Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder ‘De feiten’. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

In hoger beroep heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en het afwijzen van de vorderingen van Dexia.

Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Bij antwoordakte heeft Dexia haar eis gewijzigd. Een eiswijziging kan in appel op zijn laatst bij memorie van antwoord. Er is geen sprake van ondubbelzinnige toestemming van [appellante] of sprake van na de memorie van antwoord gebleken nieuwe feiten. Ook de aard van het geschil rechtvaardigt niet het aanvoeren van nieuwe verweren of het wijzigen van eis in dit stadium van de procedure (HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4959). Het hof zal daarom aan de eiswijziging voorbij gaan (HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045).

Verjaring

Het hof begrijpt dat Dexia heeft beoogd een beroep te doen op verjaring van de vordering van [appellante] . In het midden kan blijven of Dexia dit verweer in hoger beroep tijdig heeft aangevoerd, het hof constateert dat Dexia ook in eerste aanleg dit verweer heeft gevoerd (Conclusie van Repliek onder nummer 26). De kantonrechter heeft dit verweer in het bestreden vonnis niet besproken, zodat dit verweer onder omstandigheden door het hof alsnog moet worden onderzocht, te weten via de mogelijke devolutieve werking van het hoger beroep. Als dit verweer slaagt, falen de grieven. Het hof zal dit verweer daarom als eerste bespreken.

Naar het oordeel van het hof gaat het verweer hier niet op. De vordering van [appellante] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaren vanaf het moment waarop [appellante] daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (artikel 3:310 lid 1 BW). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Of de schriftelijke mededeling voldoet als stuitingshandeling hangt niet alleen af van de inhoud van de mededeling, maar ook van de context waarin deze werd gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt.

[appellante] heeft in eerste aanleg gewezen op een brief van 19 januari 2006 (productie 33 bij conclusie van dupliek). In haar nadere akte in hoger beroep stelt [appellante] dat zij nagenoeg precies dezelfde brieven heeft verzonden in 2009 en 2012. Gelet op de verwijzing door Dexia zelf in eerste aanleg naar de brief uit 2012 heeft Dexia deze brieven onvoldoende gemotiveerd betwist. Gelet op de inhoud van de sommatiebrieven en de context waarin deze aan Dexia zijn gestuurd, moet het Dexia duidelijk zijn geweest dat zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vordering van [appellante] alsnog geldend gemaakt zou worden. Ook moet het Dexia duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [appellante] zij zich in dat geval zou moeten verweren. In de sommatiebrief van 19 januari 2006 staat immers welke verwijten [appellante] Dexia maakt ter zake van de effectenleaseovereenkomst, waaronder dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. De onderhavige vordering van [appellante] is gegrond op artikel 6:162 BW. Het feit dat [appellante] aanvoert dat Dexia een wettelijke plicht heeft geschonden, namelijk artikel 41 NR 1999, betekent niet dat er sprake is van een van de onrechtmatige daad-grondslag te onderscheiden vordering gegrond op artikel 41 NR 1999. Voor het stuiten van de vordering op grond van onrechtmatige daad was het niet nodig dat [appellante] ook expliciet in haar stuitingsberichten vermeldde dat zij Dexia onrechtmatig handelen verweet specifiek (ook) op grond van artikel 41 NR 1999.

De conclusie is dat [appellante] de verjaring heeft gestuit, zodat het beroep van Dexia op verjaring in elk geval faalt.

Klachtplicht

Voor zover Dexia ook een beroep op schending van de klachtplicht heeft willen doen, gaat dat beroep niet op, omdat Dexia dit onvoldoende concreet heeft toegelicht.

Juridisch kader

Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [appellante] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [appellante] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [appellante] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [appellante] Spaar Select als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang.

Advisering

Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:

i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;

ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;

iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.

Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.

[appellante] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder meer onder “Advisering door Spaar Select” in het eerste processtuk van [appellante] in eerste aanleg, waarnaar zij bij memorie van grieven heeft verwezen. De stellingen van [appellante] komen, samengevat, op het volgende neer. [appellante] werd ongevraagd telefonisch benaderd door Spaar Select met de vraag of zij een mogelijk pensioengat had dat eventueel via een overwaardeconstructie gedicht zou kunnen worden. [appellante] reageerde hier positief op. Een bij naam genoemde medewerker van Spaar Select heeft [appellante] daarna thuis bezocht. Tijdens het bezoek is gesproken over de financiële situatie en wensen van [appellante] . Zij heeft aangegeven dat zij vanwege een scheiding pas op late leeftijd is gaan werken en er daarom sprake was van een pensioengat en zij graag wilde sparen voor haar pensioen. Naar aanleiding hiervan heeft de medewerker geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia af te nemen en de vooruitbetaling in dat product te voldoen door de hypotheek te verhogen. Dit product was geschikt voor de situatie van [appellante] . [appellante] heeft op het advies van de medewerker vertrouwd en het advies opgevolgd. Op deze wijze is [appellante] de overeenkomst aangegaan, aldus [appellante] .

Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [appellante] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen betwist. Dexia betoogt dat uit de blote – en overigens ook onjuiste – stellingen van [appellante] en de overgelegde producties niet volgt dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [appellante] . Dexia wijst er daarnaast op dat er rekening mee dient te worden gehouden dat de stellingen van [appellante] sjabloonmatig zijn opgesteld. Dexia meent dat deze omstandigheid een zwaarwegende aanwijzing vormt voor de onjuistheid van de stellingen van [appellante] . Dexia stelt dat het onjuist is dat Spaar Select een vaste werkwijze had, waarbij altijd een gepersonaliseerde aanbeveling werd gegeven. Daarbij wijst Dexia onder meer op een verklaring van de oprichter en toenmalig bestuursvoorzitter van Spaar Select, waaruit volgens Dexia blijkt dat het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling voor het jaar 2000 geen deel was van de werkwijze van Spaar Select. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon bij [appellante] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [appellante] voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.

Meer concreet heeft Dexia in dit geval nog aangevoerd dat [appellante] heeft aangevoerd dat zij zou zijn geadviseerd om de vooruitbetaling van de overeenkomst te voldoen middels het ophogen van de hypotheek. Uit de door [appellante] overgelegde hypotheekakte blijkt echter dat de hypotheekakte op 6 juli 1999 is gepasseerd, terwijl de vooruitbetaling van de overeenkomst blijkens het financieel overzicht van Dexia reeds op 27 juni 1999 is voldaan en niet kan zijn voldaan middels de hypotheekverhoging. [appellante] heeft hierover aangevoerd dat dit feit niet afdoet aan de stelling van haar dat zij deze grote vooruitbetaling enkel van de hypothecaire lening had kunnen voldoen. Ook heeft [appellante] aangevoerd dat niet kan worden aangenomen dat het financieel overzicht van Dexia geen onjuistheden bevat.

Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [appellante] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.

Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen niet slechts zelden in algemene zin de afnemers pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Dat Dexia de stellingen van [appellante] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.

Naar het oordeel van het hof moet de door [appellante] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [appellante] volgt namelijk dat (i) [appellante] haar financiële situatie en wensen met de tussenpersoon heeft besproken, (ii) [appellante] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct aan [appellante] heeft voorgesteld als geschikt voor [appellante] , en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbeveling. De omstandigheid dat [appellante] haar stellingen bij memorie van grieven nader heeft geconcretiseerd of aangevuld, maakt, in tegenstelling tot wat Dexia betoogt, deze niet ongeloofwaardig en is tevens niet ontoelaatbaar. Dat de vooruitbetaling van de overeenkomst uiteindelijk relatief kort vóór de datum van passeren van de hypotheekakte was, kan, hoe dit ook zij in verhouding tot de stelling van [appellante] dat zij dit geld van de hypothecaire lening nodig had voor de vooruitbetaling, niet tot de gevolgtrekking leiden dat de overige stellingen van [appellante] op onjuistheden berusten of afdoen aan de conclusie dat [appellante] door Spaar Select is geadviseerd. Naar het oordeel van het hof bieden de door [appellante] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat Spaar Select met [appellante] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Ook mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [appellante] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.

Dexia heeft de door [appellante] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [appellante] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid.

De stellingen die Dexia voor het overige heeft ingenomen, gaan uit van een onjuist (achterhaald) adviesbegrip. Het hof gaat uit van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing.

Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [appellante] in de zin van de prejudiciële beslissing.

Wetenschap Dexia

Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [appellante] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [appellante] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [appellante] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [appellante] .

Het hof overweegt als volgt. Uit de door [appellante] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Dexia voert thans weliswaar aan dat zij er intern vanuit ging dat werkzaamheden van de tussenpersonen beperkt waren tot de werkzaamheden die ook volgens de huidige maatstaven typisch en toegelaten waren, maar uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover [appellante] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat Spaar Select aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [appellante] door Spaar Select werd geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select [appellante] advies heeft gegeven.

Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

Tussenconclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief I slaagt. Dexia heeft onrechtmatig gehandeld en moet de schade van [appellante] volledig vergoeden.

Omvang van de schade

De door [appellante] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [appellante] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de eventueel betaalde (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. De berekening kan worden gebaseerd op het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [appellante] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Ook dient een eventueel eerder betaalde schadevergoeding in aanmerking te worden genomen. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf elk moment waarop schade wordt geleden. Het voorgaande betekent voor de onderhavige inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen, dat de wettelijke rente over elk betaald gedeelte van de inleg verschuldigd wordt vanaf de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte (HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198). Daarbij geldt dat er geen voordeelstoerekening plaatsvindt op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan wettelijke rente in aanmerking worden genomen (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, rov. 3.6.3). Indien in het verleden een uitbetaling op grond van het zogenoemde ‘Hofmodel’ heeft plaatsgevonden, dient Dexia nog 1/3 deel van de restschuld te voldoen. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van dat deel van de restschuld door [appellante] aan Dexia tot de voldoening door Dexia.

[appellante] stelt met grief 3 aan de orde dat Dexia bij de aankoop van de aandelen onjuiste beurskoersen heeft gehanteerd, omdat zij een opslag zou hebben toegepast. [appellante] heeft in deze procedure echter geen vordering ingesteld die erop neerkomt dat zij terugbetaling wil van de onterecht betaalde opslag. Bij deze stand van zaken zal het hof geen oordeel vellen over de vraag of Dexia op dit punt nog iets is verschuldigd aan afnemer.

In grief 4 klaagt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat zij geen aanspraak heeft op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Ook deze grief faalt omdat [appellante] in deze procedure geen vordering heeft ingesteld voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Slotsom en proceskosten

Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief van [appellante] slaagt. Grief 2 hoeft geen behandeling. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd.

Dexia is in aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. [appellante] is daarom ten onrechte in eerste aanleg in de proceskosten veroordeeld, zoals zij in grief 5 betoogt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis,

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering af;

veroordeelt Dexia in de proceskosten in eerste aanleg, en begroot die kosten aan de zijde van [appellante] op € 180,00;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 313,00 aan griffierecht, op € 97,31 aan explootkosten, op € 2.580,00 (2 punten × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, H.J. van Harten en M.C.M. van Dijk, en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand