ECLI:NL:GHDHA:2026:2994

ECLI:NL:GHDHA:2026:2994

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer 200.344.229/01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verzekeringsovereenkomst; de clausule waarop verzekeraar zich beroept is niet in de polisvoorwaarden opgenomen, zodat de verzekeraar daar geen beroep op kan doen; de verzekeraar heeft niet voldoende onderbouwd dar de elektrische installatie niet aan NEN 1010 voldeed; geen opzettelijke misleiding door de verzekerde; nakomen verzekeringsovereenkomst niet in strijd met redelijkheid en billijkheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.344.229/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/614990 / HA ZA 21-628

Arrest van 8 september 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. E.J. Eijsberg, kantoorhoudend in Rotterdam,

tegen

Allianz Benelux N.V.,

gevestigd in Brussel (België),

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.E. Rijpkema, kantoorhoudend in 's-Gravenhage.

Het hof noemt partijen hierna [appellant] en Allianz.

1. De zaak in het kort

In februari 2012 is het bedrijfsverzamelgebouw van [appellant] grotendeels afgebrand. Dit gebouw was tegen brand verzekerd bij Allianz. Volgens Allianz hoeft zij geen dekking te verlenen omdat [appellant] de elektrische installatie, anders dan volgens Allianz overeengekomen, niet tijdig had laten keuren. Daarnaast voldeed de elektrische installatie volgens Allianz niet aan de eisen neergelegd in clausule 2388 van de polisvoorwaarden, waar wordt verwezen naar NEN 1010 en NEN 3140.

Het hof oordeelt dat de plicht om de installatie voor een bepaalde datum te laten keuren niet in de polisvoorwaarden was opgenomen, zodat Allianz daarop geen beroep kan doen. Allianz heeft verder onvoldoende onderbouwd dat de elektrische installatie niet voldeed aan de vereisten opgenomen in clausule 2388 van de polisvoorwaarden. Het vonnis van de rechtbank wordt daarom vernietigd. De gevraagde verklaring voor recht dat Allianz de schade moet vergoeden, wordt naast andere vorderingen toegewezen.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 3 juli 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2024;

de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen;

de memorie van antwoord van Allianz.

Op 11 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten (mr. Anbergen namens [appellant] en mr. Rijpkema namens Allianz) hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verstrekt. Mr. Anbergen heeft bij bericht aan de griffie van 23 juli 2026 opmerkingen gemaakt bij het proces-verbaal, in de vorm van aanvullingen. Mr. Rijpkema heeft bij bericht aan de griffie van 29 juli 2026 bezwaar gemaakt tegen deze aanvullingen. Het hof handhaaft de bewoordingen van het proces-verbaal, zonder de voorgestelde aanvullingen

3. Feitelijke achtergrond

Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Daarnaast zal het hof enige aanvullende feiten vaststellen die zijn gesteld en niet zijn betwist.

[appellant] is eigenaar van een bedrijfsverzamelgebouw in Grijpskerk (hierna: het gebouw).

[appellant] had sinds 1993 een verzekering voor het gebouw bij de rechtsvoorgangster van Allianz. Het hof zal ook de rechtsvoorgangster aanduiden als Allianz. De polis is jaarlijks verlengd.

[appellant] heeft in 2010 de plannen voor de nieuwbouw doorgegeven aan de tussenpersoon van [appellant] en die tussenpersoon heeft hem op 8 april 2010 bericht dat er voorlopige dekking was voor de nieuwbouw.

Op 12 juli 2011 is een technische inspectie van de nieuwbouw uitgevoerd in opdracht van Allianz. De inspecteur deelde [appellant] mee dat de elektrische installatie gekeurd moest worden volgens NEN 3140.

In een brief van Allianz van 21 juli 2011 aan de tussenpersoon van [appellant] staat onder meer het volgende:

“Op grond van zijn inventarisatie kunnen wij u berichten dat het risico voor ons acceptabel is, mits de verzekeringnemer bereid is te voldoen aan de gestelde en hieronder vermelde schadepreventieve maatregelen en clausules. De preventiemaatregelen worden in een clausule opgenomen met de bepaling dat het niet uitvoeren van deze maatregelen het recht op schadevergoeding doet verliezen (onderstreping hof). Ook het niet nakomen van hetgeen in de overige clausules kan het recht op schadevergoeding doen verliezen.

(...)

Preventiemaatregelen en clausules

(…)

11-07

De gehele elektrische installatie van het bestaande gedeelte (dus niet van de nieuwbouw) dient binnen 3 maanden middels een veiligheidsinspectie op basis van NEN 3140 en NEN 1010 deel 6 te worden gekeurd door een gecertificeerde instantie (Certificaat voor Toezicht en de BRL 6000). De eventueel uit deze inspectie naar voren komende gebreken dienen door een erkende installateur te worden verholpen binnen de in de rapportage gestelde termijn.

(...)

De genoemde preventiemaatregelen moeten uiterlijk op 1 oktober 2011 zijn gerealiseerd.”

De tussenpersoon heeft deze brief op 20 oktober 2011 meegenomen tijdens een bezoek aan [appellant]. [appellant] heeft de brief op dezelfde dag ondertekend en retour gestuurd aan Allianz. Allianz heeft vervolgens op 26 oktober 2011 een nieuw polisblad afgegeven met als ingangsdatum 20 oktober 2011.

Begin 2012 bestond het gebouw uit verschillende delen: (i) de loods, een L-vormig deel dat bestond uit de verlengde romneyloods en de nieuwbouw, (ii) de voorbouw, dat was een tussengebouw op de plek waar de open vrachtwagenwasstraat stond en (iii) de aanbouw die daarmee in verbinding stond, op de plek van de autowasstraat.

Begin 2012 heeft [appellant] een bedrijf opdracht gegeven om de installatie elektrotechnisch te inspecteren. Hij kreeg daarvoor op 1 februari 2012 een offerte.

In de nacht van 7 op 8 februari 2012 heeft een brand het gebouw grotendeels verwoest.

In opdracht van Allianz is onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand door Interseco B.V. In opdracht van [appellant] is (contra)onderzoek uitgevoerd door Brand Technisch Bureau Nederland B.V. (BTB). De onderzoekers hebben over en weer op elkaars bevindingen gereageerd in een aantal rapporten.

Op 9 februari 2012 hebben de onderzoekers van Interseco met [appellant] gesproken. De onderzoekers hebben een weergave van de mondelinge verklaring van [appellant] opgesteld en die ter ondertekening per e-mail naar hem gestuurd op 16 februari 2012. [appellant] heeft deze verklaring niet ondertekend.

Op 29 februari 2012 heeft [appellant] een aangepaste verklaring naar Interseco gestuurd.

Allianz heeft bij brief van 7 juni 2012 geweigerd om de door de brand veroorzaakte schade te vergoeden. [appellant] heeft zich daar niet bij neergelegd.

Op verzoek van [appellant] zijn in voorlopig getuigenverhoor meerdere verklaringen afgelegd over de elektrische installatie en over de brand in het gebouw.

Omdat de onderzoekers van partijen tot verschillende conclusies kwamen, zijn partijen overeengekomen een deskundige in te schakelen via de rechtbank. De rechtbank heeft ing. P. B. Reijman (hierna: Reijman) in een voorlopig deskundigenonderzoek als deskundige benoemd om onderzoek te doen en vragen van partijen te beantwoorden. Reijman heeft een rapport gedeponeerd op 5 november 2014 waarin de aan hem gestelde vragen zijn beantwoord. [appellant] was het niet eens met de conclusies van Reijman.

[appellant] heeft daarom onderzoeksbureau C+B Advies en Expertise B.V. (hierna: C+B) opdracht verstrekt om nader onderzoek te doen naar de oorzaak van de brand. C+B heeft onder meer op 21 januari 2019 een rapport uitgebracht. Allianz heeft het rapport van C+B voorgelegd aan onderzoeksbureau I-Tek B.V. I-Tek deelde de bevindingen en conclusies van C+B niet.

Na de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 29 maart 2023 heeft Reijman op verzoek van de rechtbank aanvullend onderzoek gedaan. Hem is kort gezegd gevraagd of het onderzoeksrapport van C+B tot andere antwoorden leidt.

In zijn eindrapport van 6 juli 2023 is Reijman bij zijn eerdere conclusies gebleven.

4. Procedure bij de rechtbank

[appellant] heeft Allianz gedagvaard en – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – gevorderd:

I. een verklaring voor recht dat Allianz gehouden is de schade ten gevolge van de brand op 8 februari 2012 conform de polisvoorwaarden te vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 juni 2012;

II. Allianz te veroordelen om hem € 42.696,52 aan buitengerechtelijke kosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

III. Allianz te veroordelen om hem de buitengerechtelijke kosten te vergoeden begroot volgens de staffel en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

IV. Allianz te veroordelen in de proceskosten.

Allianz heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellant], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [appellant], met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

5. Vorderingen in hoger beroep

[appellant] wil dat het hof zijn vorderingen alsnog toewijst en dat Allianz wordt veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente. Hij heeft zeven bezwaren (‘grieven’) tegen het vonnis.

Allianz wil dat het hof het vonnis bekrachtigt, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

6. Beoordeling in hoger beroep

Het hof stelt voorop dat brandschade is gedekt onder de verzekering die [appellant] bij Allianz heeft afgesloten, Het uitgangspunt is daarom dat de brandschade aan het gebouw is gedekt, zodat Allianz de schade moet vergoeden. Dit kan anders zijn als [appellant] niet aan de in de verzekeringsovereenkomst neergelegde vereisten heeft voldaan.

De eerste vraag die moet worden beantwoord bij de beoordeling van deze zaak, is aan welke vereisten [appellant] moest voldoen op grond van de verzekeringsovereenkomst.

De brief of de polisvoorwaarden?

In de grieven (grief 1, mede in het licht van de daarop ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof gegeven toelichting), ligt besloten dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat de brief van 21 juli 2021 is achterhaald door de polisvoorwaarden waarin preventieve garantieclausules zijn opgenomen. Het hof volgt dus niet het standpunt van Allianz (memorie van antwoord onder 13 en 14) dat geen grief is gericht tegen het oordeel dat [appellant] de elektrische installatie binnen drie maanden moest laten keuren op straffe van verval van dekking.

Het hof moet daarom beoordelen of Allianz een beroep kan doen op de afspraken over de keuring en de termijn die zijn vermeld in de brief van 21 juli 2021 (zie 3.6). Het hof oordeelt dat dat niet kan. In deze brief staat namelijk dat de preventiemaatregelen, het dekkingsverval en de realisatietermijn zouden worden opgenomen in een clausule. Dat heeft Allianz vervolgens echter niet gedaan ten aanzien van het vereiste van de veiligheidsinspectie en de daaraan verbonden termijn van uiterlijk 1 oktober 2011. Voor zover de desbetreffende tekst van de brief niet is overgenomen in een clausule, is die daarmee achterhaald. Dat dit volgens Allianz berust op een administratieve omissie, komt voor haar eigen rekening. [appellant] hoefde daar in redelijkheid geen rekening mee te houden, te minder nu de in de brief genoemde datum van 1 oktober 2011 ten tijde van het afgeven van het polisblad al was verstreken. In de brief van 21 juli 2011 staat dat Allianz bereid is het risico te accepteren mits onder andere de keuring zou plaatsvinden. Met de daaropvolgende afgifte van het polisblad gedateerd 26 oktober 2011 heeft Allianz “het bedrijfsverzamelgebouw verzekerd” met ingang van 20 oktober 2011 (zie conclusie van antwoord onder 12), en daarmee het risico geaccepteerd. Als Allianz het risico desondanks toen nog niet had willen accepteren, had het in redelijkheid op haar weg gelegen om vóór het afgeven van het polisblad bij [appellant] of zijn tussenpersoon te verifiëren of de keuring inmiddels was verricht en, zo ja, wat het concrete resultaat daarvan was. Allianz heeft dit echter (ook) niet gedaan. Zij heeft zonder meer het polisblad afgegeven, met bijbehorend clausuleblad waarin clausule 2388 is opgenomen; deze luidt: “de verzekering is aangegaan onder voorwaarde dat de volgende preventiemaatregelen zijn getroffen”. De in de brief genoemde keuring uiterlijk op 1 oktober 2011 wordt vervolgens niet genoemd, zoals Allianz zelf ook onderkent (zie ook conclusie van antwoord onder 88, tweede gedachtestreepje).

De stelling van Allianz (conclusie van antwoord onder 89) dat het voor [appellant] “duidelijk had moeten zijn” dat de termijn genoemd in de brief pas later zou zijn gaan lopen, te weten vanaf 20 oktober 2012 is verder nergens op gebaseerd, zodat deze – mede op grond van wat hiervoor in 6.4 is overwogen en beslist – wordt gepasseerd. De stelling dat [appellant] geen reden had de keuring uit te stellen in afwachting van afronding van de nieuwbouw is, indien al relevant, evenmin steekhoudend, aangezien [appellant] ter zitting onweersproken heeft verklaard dat de nieuwbouw van stroom werd voorzien vanuit het bestaande gebouw (de “oudbouw”). De conclusie van dit alles is dan ook dat voor de boordeling van wat partijen zijn overeengekomen de tekst van de clausule zoals Allianz die uiteindelijk in het polisblad heeft opgenomen maatgevend is. Deze clausule luidt, voor zover relevant:

“ CLAUSULE 2388

BASISPREVENTIE NIJVERHEID

De verzekering is aangegaan onder de voorwaarde dat de volgende preventiemaatregelen zijn getroffen:

1. Brand

(…)

De elektrische installatie dient te voldoen aan NEN 1010. De controle van de installatie dient minimaal één keer in de 5 jaar conform NEN 3140 door een elektrotechnisch installateur te worden uitgevoerd. De controle dient door middel van een schriftelijke verklaring van de installateur te worden bevestigd. Geconstateerde gebreken dienen terstond te worden hersteld.

(…)

Er is in geval van schade geen dekking, indien verzekeringnemer deze maatregelen niet heeft getroffen, tenzij hij aannemelijk maakt, dat de schade niet is ontstaan en niet is verergerd door het niet voldoen aan deze voorwaarde en maatregelen.”

Allianz stelt zich op het standpunt dat de elektrische installatie in het gebouw ten tijde van de brand niet voldeed aan clausule 2388. [appellant] heeft dit standpunt gemotiveerd betwist. De stelplicht en eventueel de bewijslast op dit punt liggen bij Allianz.

Voldaan aan clausule 2388?

Het hof overweegt hierover allereerst dat tussen partijen vaststaat dat er ten tijde van de brand geen keuring(scertificaat) conform NEN 3140 was. Op grond van clausule 2388 hoefde dit echter ook (nog) niet. De clausule schrijft voor dat eens per vijf jaar een keuring conform NEN 3140 moet plaatsvinden. Wanneer die termijn aanving is echter niet vermeld in de polisvoorwaarden en Allianz heeft daarover ook niets toegelicht. Het hof gaat er daarom vanuit dat de termijn is gaan lopen toen de clausule werd opgenomen in de polis (in 2011). De keuring hoefde dus pas uiterlijk in 2016 plaats te vinden. De onderhavige brand dateert van (ver) voor die datum.

Allianz verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat de elektrische installatie ten tijde van de brand niet voldeed aan NEN 1010 naar (i) het inspectierapport dat op 12 juni 2011 is opgesteld, (ii) het rapport van Interseco en (iii) de verklaringen van de huurders en de huisinstallateur. [appellant] heeft gemotiveerd betwist dat de elektrische installatie niet voldeed aan NEN 1010. Het hof beoordeelt hierna of Allianz haar stelling tegenover die gemotiveerde betwisting voldoende heeft onderbouwd.

(i) Inspectierapport 12 juni 2011

Het inspectierapport dat namens Allianz is opgesteld, is naar het oordeel van het hof niet voldoende om te onderbouwen dat de installatie niet aan NEN 1010 voldeed. De inspecteur heeft immers geen keuring uitgevoerd maar in zijn rapport vermeld dat die (juist) nog moest plaatsvinden.

(ii) Rapporten Interseco

Interseco heeft Arepa Inspexx (hierna: Inspexx) de elektrotechnische installatie van het overgebleven deel van het gebouw laten onderzoeken. Inspexx concludeert:

“In de nog twee resterende units bleek de wijze van aanleg van de installatie en het gebruik van de installatiematerialen op meerdere punten te niet te voldoen aan de vigerende voorschriften. Met name in unit 11 zijn door Arepa Inspexx meerdere afwijkingen geconstateerd. In de verdeler (een eerder genoemde onderverdeler) van deze unit troffen wij sporen van verbranding aan. Deze sporen van verbranding waren ontstaan als gevolg van het niet goed bevestigd zijn van een stroomvoerende draad op een schroefverbinding. Als gevolg daarvan was er ter plaatse van die ondeugdelijke verbinding sprake van een overgangsweerstand. Bij een overgangsweerstand wordt het geleidende materiaal warm als gevolg van een te hoge weerstand, hetgeen isolatiematerialen en/of brandbare materialen in de omgeving doet ontbranden. Het is niet uit te sluiten dat deze afwijking binnen enkele maanden tot een eventueel begin van een zichzelf voortplantende brand had kunnen leiden.”

Deze conclusie is naar oordeel van het hof van zeer beperkte waarde, omdat het onderzoek zoals gezegd pas na de brand heeft plaatsgevonden. Zoals Interseco schrijft in haar eerste rapport, was het door de rigoureuze mate van verbranding niet meer vast te stellen of een dergelijk ondeugdelijke verbinding ook in het door brand getroffen deel van de elektrische installatie heeft bestaan. Dit is relevant omdat de oorzaak van de aangetroffen overgangsweerstand niet in het rapport van Inspexx is vermeld of anderszins is onderbouwd. De onderzoeker van Delta Lloyd schrijft hierover in haar rapport (prod 17 bij inleidende dagvaarding, p. 13 onderaan):

“Niet vermeld wordt of dit [de overgangsweerstand, hof] een gevolg kan zijn van de brand, het trekken aan de elektrische bedrading tijdens de sloop of dat dit een al oude en vóór de brand bestaande onvolkomenheid betreft.”

Reijman schrijft verder nog over de overgangsweerstand:

“(…) Een overgangsweerstand kan ook in een gekeurde installatie voorkomen. Hierbij liggen paralellen met een APK keuring van een auto. Ook dat is een momentopname die niet alles zegt over de staat van de auto in dagelijks gebruik of in de periode tussen twee keuringen.”

Het hof concludeert op basis van de voornoemde rapportages van Delta Lloyd en Reijman, in onderlinge samenhang beschouwd, dat het niet goed bevestigd zijn van een stroomvoerende draad op een schroefverbinding, als zodanig onvoldoende is om een afwijking van NEN 1010 in de periode voorafgaand aan de brand, te kunnen aannemen.

In het rapport van Inspexx staat verder dat geen elektrotechnische tekeningen van het pand bestaan, terwijl dit volgens de NEN 1010 wel vereist is. Allianz doet ook hier een beroep op.

In het C+B rapport (prod 36b bij akte [appellant] 10 januari 2024) wordt echter gemotiveerd weersproken dat het ontbreken van elektrotechnische tekeningen maakt dat een elektrische installatie formeel niet aan NEN 1010 voldoet. Met het oog hierop had Allianz haar stelling dat de elektrotechnische tekeningen wél vereist waren, alsnog nader moeten onderbouwen.

Het rapport van Interseco – waarvan het onderzoek door Inspexx deel uitmaakt – is gezien het voorgaande niet voldoende om te onderbouwen dat de elektrische installatie ten tijde van de brand niet voldeed aan NEN 1010.

(iii) Verklaringen van huurders en de huisinstallateur

Allianz wijst er verder op dat volgens sommige huurders in bepaalde units (ook kort voor de brand) wel eens stoppen doorsloegen als apparaten werden ingeplugd. Dit behoort volgens Allianz niet te gebeuren. Reijman kijkt daar echter anders naar (zie het citaat hieronder). Het hof sluit zich hierbij aan.

“(…) Dat er zekeringen van een elektrische installatie doorslaan moet naar de mening van ondergetekende niet worden gezien als een gebrek van de installatie maar een indicatie dat de installatie deed waar het voor bedoeld is: het (door het doorslaan van de zekeringen) voorkomen van een brandgevaarlijke situatie.(..)”

Dat de huisinstallateur krachtstroom heeft aangebracht, een kabel heeft afgesloten en een nieuwe verdeelinrichting heeft aangebracht, is voor het hof ook geen genoegzame indicatie dat de installatie niet aan NEN 1010 voldeed en is verder ook niet door Allianz onderbouwd. Ook het feit dat de huisinstallateur heeft verklaard dat hij nooit algemene onderhoudswerkzaamheden in de units heeft gedaan, is niet voldoende. Dit zegt immers niets over de feitelijke staat van de elektrische installatie. Dat (niet terzake deskundige) huurders “bedenkingen” hadden bij de deugdelijkheid van de elektrotechnische installatie, doet in zijn algemeenheid niet af aan al het voorgaande, te minder daar als onvoldoende weersproken vast staat dat de huisinstallateur circa zes keer per jaar langs kwam bij de bedrijfspanden om de nodige elektrotechnische werkzaamheden te doen (MvG onder 2.14).

De conclusie op dit punt is dat Allianz naar het oordeel van het hof niet voldoende heeft onderbouwd dat de elektrische installatie ten tijde van de brand niet aan NEN 1010 voldeed. Een voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod op dit punt ontbreekt bovendien. Dat betekent dat grief 1, zoals op de zitting in hoger beroep nader toegelicht door mr. Anbergen, slaagt.

Het hof komt daarom - anders dan de rechtbank - niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het (door Allianz gestelde maar niet voldoende onderbouwde) niet naleven van de polisclausule en de schade.

Geen opzettelijke misleiding van Allianz door [appellant]

Het slagen van grief 1 brengt mee dat het hof de in eerste aanleg door Allianz aangevoerde verweren opnieuw of alsnog moet behandelen. Allianz heeft in eerste aanleg aangevoerd dat [appellant] de informatieplicht uit hoofde van artikel 7:941 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft geschonden, met het opzet Allianz te misleiden, waardoor het recht op uitkering is komen te vervallen volgens artikel 7:941 lid 5 BW. [appellant] heeft volgens Allianz namelijk ten onrechte tegenover Interseco verklaard dat de elektrische installatie was gekeurd ten tijde van de brand.

[appellant] betwist dat hij Allianz (met opzet) verkeerd heeft ingelicht. Volgens [appellant] is er alleen maar verwarring ontstaan, omdat de huisinstallateur en (de naamgever van) het bedrijf waaraan [appellant] opdracht had gegeven om de elektrische installatie te keuren (zie 3.9), dezelfde achternaam hebben.

Volgens Allianz kan van een vergissing geen sprake zijn. Zij verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar de door Interseco opgestelde weergave van de mondelinge verklaringen van [appellant] (zie 3.12). Het hof stelt echter vast dat het daarbij gaat om verklaringen die [appellant] niet heeft ondertekend (zie 3.13). Hij heeft in plaats daarvan een door hem geredigeerde (en feitelijk correcte) verklaring naar Interseco gestuurd, waarin hij nu juist schrijft dat de aanpassingen aan de elektra nog niet klaar waren ten tijde van de brand. Dat [appellant] de schriftelijke weergave van zijn verklaringen aldus heeft aangepast en feitelijk correct heeft gemaakt duidt er naar het oordeel van het hof juist op dat hij correct wilde verklaren.

Al met al acht het hof onvoldoende onderbouwd dat [appellant] een onjuiste of onvolledige voorstelling van de feiten heeft gegeven, met het doel Allianz te misleiden, opdat Allianz een uitkering zou doen die niet zou worden verstrekt bij een juiste opgave van de feiten.

Allianz heeft zich subsidiair nog op het standpunt gesteld dat het in de gegeven omstandigheden op zijn minst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om haar te verplichten tot het doen van een uitkering. Dit betoog gaat niet op. Nu het beroep op de preventieve garantieclausules faalt en ook niet is komen vast te staan dat sprake is van het verstrekken van onjuiste inlichtingen met het opzet tot misleiden, valt niet in te zien dat de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat Allianz de verzekeringsovereenkomst nakomt.

Bewijsaanbod

Allianz stelt geen feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Het hof passeert daarom haar in algemene bewoordingen gedane bewijsaanbod

Conclusie en kosten

De conclusie uit het voorgaande is dat de gevraagde verklaring voor recht toewijsbaar is (vordering I): Allianz is gehouden de schade ten gevolge van de brand op 8 februari 2012 conform de polisvoorwaarden te vergoeden. Allianz heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juni 2012, zodat zal worden bepaald dat Allianz ook deze moet vergoeden.

[appellant] vordert verder dat het hof Allianz veroordeelt om aan hem buitengerechtelijke kosten te betalen. [appellant] vraagt om € 42.696,52 voor het onderzoek door C+B, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding (10 juni 2021). Hij heeft deze kosten naar eigen zeggen moeten maken om aan te tonen dat Allianz gehouden is haar verplichtingen onder de polis na te komen.

Kennelijk bedoelt [appellant] dat deze kosten vallen onder (aanvullende) schade die hij heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming (artikel 6:74 lid 1 BW) van de verzekeringsovereenkomst door Allianz (doordat Allianz uitdrukkelijk weigerde uit te keren). [appellant] meent kennelijk dat hij deze kosten in redelijkheid heeft moeten maken om in deze procedure (deugdelijk) te betwisten dat de elektrische installatie niet aan NEN 1010 voldeed ten tijde van de brand. Allianz is in het geheel niet opgekomen tegen deze vordering, terwijl zij daar in de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep wel de gelegenheid toe had. Het hof wijst de vordering (II) daarom als onweersproken toe.

[appellant] vraagt ook om vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, berekend aan de hand van de staffel. Door (de belangenbehartigers) van [appellant] zijn meerdere pogingen ondernomen om buiten rechte tot een oplossing te komen. In dat kader hebben zij diverse malen (schriftelijk) uiteengezet waarom [appellant] recht heeft op uitkering. De kosten die gepaard gaan met deze werkzaamheden komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW voor vergoeding in aanmerking, steeds aldus [appellant].

Het onder III gevorderde bedrag is als zodanig niet zonder meer toewijsbaar. De genoemde staffel geldt namelijk voor procedures waarin de schuldeiser op of ná 1 juli 2012 in verzuim is geraakt. Allianz is enkele weken eerder – namelijk op 7 juni 2012 – in verzuim geraakt.

Onder het oude recht hanteerde de rechter een forfaitair tarief gekoppeld aan het liquidatietarief in eerste aanleg, waarbij doorgaans twee punten werden toegekend. Het hof zal dat in deze zaak ook aanhouden en Allianz veroordelen om € 7.004,- aan buitengerechtelijke kosten aan [appellant] te betalen (2 x tarief VII zoals dat in eerste aanleg geldt), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (10 juni 2021).

Proceskostenveroordeling in beide instanties

Het hof veroordeelt Allianz als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep.

Het hof begroot de proceskosten bij de rechtbank aan de zijde van [appellant] op:

dagvaarding € 103,83

griffierecht € 952,-

salaris advocaat € 10.506,- (3 punten x tarief VII)

Totaal € 11.561,83

Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [appellant] op:

dagvaarding € 135,97

griffierecht € 349,-

salaris advocaat € 11.238,- (2 punten × tarief VII)

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 11.911,97

Het hof wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals vermeld in de beslissing.

7. Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2024 en opnieuw recht doende:

- verklaart voor recht dat Allianz gehouden is de schade ten gevolge van de brand op 8 februari 2012 conform de polisvoorwaarden te vergoeden aan [appellant], vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 juni 2012 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt Allianz tot betaling van de kosten van het onderzoek van € 42.696,52 aan [appellant], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (10 juni 2021);

- veroordeelt Allianz tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 7.004,- aan [appellant], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (10 juni 2021);

- veroordeelt Allianz in de kosten van de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 23.473,80, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Allianz deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;

- bepaalt dat als Allianz niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Allianz de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Allianz deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordelingen betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, D.A. Schreuder en L. Reurich, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand