ECLI:NL:GHDHA:2026:2937

ECLI:NL:GHDHA:2026:2937

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 200.308.374/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2021:12435
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2026:2938

Samenvatting

Onttrekken van gelden aan onderneming door middel van valse facturen. Verweer dat directeur meedeed. Terugbetalingsverplichting, ook van degenen die bankrekening ter beschikking stelden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

1.Een korte omschrijving van het geschil

Civiel recht

Team Handel

Uitspraakdatum : 25 augustus 2026

Zaaknummer : 200.308.374/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/505706 / HA ZA 16-691

Arrest

in de met zaaknummer 200.308.486 gevoegde zaak van:

1. [appellant 1] ,

2. [appellant 2] ,

3. [appellant 3] ,

allen woonachtig in [woonplaats] ,

appellanten in het principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] , samen: [appellanten] ,

advocaat: mr. M. Goedhart (Amsterdam),

tegen

ROTTERDAM SHORT SEA TERMINALS B.V.,

gevestigd in Rotterdam,

geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: RST,

advocaat: mr. R.L. Latten (Rotterdam).

[appellant 1] was door RST ingehuurd om als projectmanager de implementatie van een nieuw softwaresysteem te begeleiden. RST verwijt hem dat hij gedurende dit contract (samen met de operationeel directeur van RST, [operationeel directeur] , en haar financieel manager [financieel manager] ) grote hoeveelheden geld aan haar heeft onttrokken. Dat gebeurde door het indienen en laten goedkeuren en uitbetalen van valse facturen, waarmee kosten aan RST in rekening werden gebracht die, voor zover al gemaakt, niets met de bedrijfsvoering van RST van doen hadden. De uitbetaling door RST van deze facturen (ook wel spookfacturen genoemd) vond in de regel plaats door overboeking naar op naam van [appellant 2] , [appellant 3] en Bonfide Facts B.V. staande bankrekeningen waarover [appellant 1] de beschikking had. Er waren ook betalingen per kas. Deze factuurfraude kreeg de naam ‘bonfide-fraude’.

De rechtbank achtte het verwijt terecht en verklaarde voor recht dat [appellanten] , [operationeel directeur] en [financieel manager] jegens RST hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die RST heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de bonfide-fraude. Zij zijn hoofdelijk veroordeeld tot schadevergoeding; [appellanten] tot betaling van € 3.000.000 en [operationeel directeur] en [financieel manager] tot betaling van (85% van € 3.000.000 =) € 2.550.000, met voor allen een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de verdere schade. De korting van 15% op de schadevergoedingsplicht van [operationeel directeur] en [financieel manager] is toegepast vanwege een geslaagd beroep op ‘eigen schuld’ aan de zijde van RST.

[appellanten] (en [operationeel directeur] en [financieel manager] ) zijn het niet eens met deze afloop en willen dat RST in hoger beroep alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, althans dat haar deze vorderingen worden ontzegd, dan wel tot een aanzienlijk lager bedrag worden toegewezen. RST daarentegen heeft in het principaal appel tot bekrachtiging geconcludeerd. Haar in het incidenteel appel geuite kritiek richt zich tegen het aannemen van eigen schuld.

De uitkomst van het hoger beroep is dat de verklaring voor recht en de veroordeling van [appellanten] grotendeels overeind blijven, maar dat, vanwege een uitkering van € 3.000.000 onder een door de moedervennootschap van RST gesloten fraudeverzekering, de vaststelling van de (nog) aan RST te vergoeden schade in zijn geheel naar de schadestaatprocedure wordt verwezen. RST beschikte ten tijde van het vragen van arrest (nog) niet over een last en volmacht om op eigen naam, behalve haar resterende schade, ook het van de gesubrogeerde verzekeraars ontvangen bedrag te claimen. Het eigen schuldverweer blijft verworpen.

2. Het verloop van de procedure

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 11 maart 2022 in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 15 december 2021 en de eraan voorafgegane tussenvonnissen van 19 oktober 2016, 24 januari 2018, 30 mei 2018 en 15 juli 2020 die de Rechtbank Rotterdam wees tussen RST als eiseres en onder meer [appellanten] als gedaagden.

Bij arrest van 13 september 2022 is de zaak ( [operationeel directeur] en [financieel manager] vs RST) met nummer 200.308.486 met de onderhavige zaak gevoegd (onder compensatie van de kosten van het voegingsincident).

In de onderhavige zaak zijn op de rol achtereenvolgens de volgende stukken ingediend:

- door [appellanten] een memorie van grieven (met producties);

- door RST een memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties);

- door [appellanten] een memorie van antwoord in incidenteel appel.

Vervolgens is in de gevoegde zaken een mondelinge behandeling gehouden. De advocaten hebben bij die gelegenheid het woord gevoerd overeenkomstig door hen overgelegde spreekaantekeningen. In de aanloop naar de zitting heeft RST een ‘akte houdende in het geding brengen van producties’ ingestuurd. Aan het slot van de mondelinge behandeling is een arrestdatum bepaald. Die is nadien doorgeschoven.

Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

In de gevoegde zaak met nummer 200.308.486 is een reactie ontvangen op dat proces-verbaal. In het arrest in die zaak wordt daar op ingegaan.

3. De vaststaande feiten

Het tussenvonnis van 24 januari 2018 bevat in onderdeel 3 een opsomming

van vaststaande feiten (nummers 3.1 t/m 3.13). Die worden hieronder herhaald, met hier en daar een aanvulling.

RST exploiteert een containeroverslagbedrijf in de haven van Rotterdam. De aandelen van RST waren in handen van Handelsveem Beheer B.V. (hierna: Handelsveem). Tot 13 februari 2017 was [bestuurder] statutair bestuurder van RST.

RST had tot medio maart 2016 een managementteam van dertien personen. Dit managementteam kende twee hiërarchische lagen: de laag van directeuren en daaronder de laag van managers. De laag van directeuren bestond uit [bestuurder] , algemeen directeur, [operationeel directeur] , operationeel directeur en [directeur human resources] , directeur human resources. Tot de laag van managers behoorden o.a. [financieel manager] , controller en financieel manager, [facilitair manager] , facilitair en IT-manager, [operationeel manager] , operationeel manager en [customer relations manager] , customer relations manager.

In 2013 besloot RST tot aanschaf van een nieuw softwaresysteem, genaamd Terminal Operating System (hierna: TOS). Dit systeem zou ook worden geïnstalleerd bij de zustervennootschap van RST, Uniport Multipurpose Terminals B.V. (hierna: Uniport).

RST heeft [appellant 1] (destijds een goede vriend/bekende van [facilitair manager] ) als extern consultant ingehuurd om het TOS-project te begeleiden. In verband hiermee is op 2 september 2013 een Interim Management Overeenkomst gesloten tussen RST en de eenmanszaak RF Sports, vertegenwoordigd door [appellant 1] .

Op de facturen van RF Sports aan RST waren bankrekeningnummers vermeld die op naam stonden van [appellant 2] (INGB-rekening eindigend op [nummer 1] ) en [appellant 3] (INGB-rekening eindigend op [nummer 2] ), respectievelijk een nicht en een (half)zus van [appellant 1] . Zij hebben deze bankrekeningen (met pas/inlogcodes) ter beschikking gesteld aan [appellant 1] , die vanwege een faillissement geen eigen bankrekening kon/wilde openen/gebruiken.

Op 5 augustus 2014 zijn de Interim Management Overeenkomst en de facturering overgegaan van RF Sports op Bonfide Facts B.V., toen nog in oprichting.

Bonfide Facts is opgericht op 23 maart 2015. Enig aandeelhouder en bestuurder is Bonfide Holding, eveneens opgericht op 23 maart 2015, met (in naam) [appellant 2] als oprichtster. [appellant 1] werd (feitelijk) bestuurder van Bonfide Holding. [facilitair manager] , [financieel manager] , [operationeel manager] , [operationeel directeur] , [customer relations manager] en [appellant 2] werden ieder voor 1/6 aandeelhouder van Bonfide Holding. De aandelen van [facilitair manager] , [financieel manager] , [operationeel manager] , [operationeel directeur] en [customer relations manager] hadden winstrecht, maar geen stemrecht. De (feitelijk door [appellant 1] gehouden) aandelen van [appellant 2] hadden winst- en stemrecht.

Het merendeel van de facturen van RF Sports en Bonfide Facts aan RST is bij RST geaccordeerd door [operationeel directeur] en [financieel manager] .

In het kader van een (jaarrekening)controle (eind februari 2016) door KPMG, de accountant van RST, zijn vragen gerezen met betrekking tot kosten die via de kas waren uitbetaald. Die kasbetalingen betroffen deels declaraties door/namens Bonfide Facts. KPMG heeft vervolgens betalingen op facturen aan RF Sports en Bonfide Facts gecontroleerd. Naar aanleiding hiervan heeft een intern onderzoek binnen RST plaatsgevonden. RST heeft op basis van de controle door KPMG en het intern onderzoek geconstateerd dat onregelmatige facturen waren ingediend op naam van RF Sports en Bonfide Facts.

Op 18 maart 2016 heeft [bestuurder] de toegang tot RST ontzegd aan [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] .

Op zaterdag 19 maart 2016 heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen (o.a.) [operationeel manager] , [customer relations manager] , [facilitair manager] , [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] .

[operationeel directeur] heeft [bestuurder] een brief gedateerd 20 maart 2016 geschreven waarin o.a. staat:

‘Allereerst nogmaals mijn welgemeende excuses voor de geleden schade door RST.

Ik ben volledig gedreven geweest door mijn zeer ernstige gokverslaving, waarvoor ik me ook ga laten behandelen […]

Daar ik de kwestie intern wil oplossen maar dan wel zonder aangifte c.q. strafvervolging, wil ik […] tot een terugbetalingsregeling / schikking komen.

De mogelijkheid is aanwezig om 200.000,- euro direct terug te storten en een restant bedrag, afhankelijk van de uitkomst van het gaande onderzoek terug te betalen over bijvoorbeeld 72 maanden. […]

Na bijna 25 jaar trouw dienstverband […] hoop ik dat u bereid bent mijn voorstel te accepteren en hierbij af te zien van verdere strafvervolging.’

Op 21 maart 2016 heeft RST ontslag op staande voet aangezegd aan [operationeel directeur] en [financieel manager] . In de nagenoeg gelijkluidende ontslagbrieven schrijft mr. Van ’t Zelfde als advocaat van RST aan [operationeel directeur] en [financieel manager] :

‘De reden(en) die tot ontslag heeft (hebben) geleid is (zijn) de volgende(n):

Afgelopen week werden er meerdere facturen aangetroffen in de financiële administratie van RST die vragen oproepen. Dat zijn facturen aan RST uitgesteld op briefpapier van Bonfide Facts en RF Sports. De – steeds voor hoge bedragen uitgestelde facturen – zien op diensten/zaken/verschotten waarvan het vermoeden was dat die niet aan RST zijn geleverd. De facturen zijn wel steeds door RST betaald.

In een persoonlijke bespreking met u op zaterdag 19 maart 2016 hebt u aan RST opgebiecht dat u tezamen met [ [financieel manager] (in de brief aan [operationeel directeur] ) resp. [operationeel directeur] (in de brief aan [financieel manager] )] en de heer [appellant 1] inderdaad facturen hebt uitgesteld voor niet geleverde diensten/zaken/verschotten en dat u die facturen intern tezamen met [ [financieel manager] (in de brief aan [operationeel directeur] ) resp. [operationeel directeur] (in de brief aan [financieel manager] )] hebt geaccordeerd en dat vervolgens door RST de betalingen zijn verricht […]’

Op 22 maart 2016 heeft mr. Van ’t Zelfde zich wegens belangenverstrengeling teruggetrokken als advocaat van RST.

Vanaf 22 maart 2016 heeft Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. (hierna: Deloitte) in opdracht van (de advocaten van) Handelsveem nader onderzoek gedaan naar de facturen van RF Sports en Bonfide Facts. In het kader van dat onderzoek heeft Deloitte in een telefoon-backup op de computer van [operationeel directeur] een WhatsApp-groep genaamd ‘BF’ ontdekt. Deelnemers aan deze WhatsApp-groep waren [appellant 1] , [financieel manager] , [operationeel directeur] , [facilitair manager] , [customer relations manager] en [operationeel manager] . Er zijn WhatsApp-berichten gewisseld over onder meer de oprichting van Bonfide Holding en de (omschrijving en verdeling van) bij RST te declareren en gedeclareerde bedragen.

Op 24 november 2016 heeft Deloitte haar (eind)rapport uitgebracht. Dit rapport is door RST (als productie 24) bij conclusie van repliek in het geding gebracht. Het rapport vermeldt dat [operationeel directeur] , [financieel manager] , [appellant 1] en hun advocaat mr. Hammerstein op 31 augustus 2016 (een datum die ligt na die van indiening van hun conclusie van antwoord, opm. hof) inzage hebben gehad in de bevindingen en dat mr. Hammerstein in zijn reactie (op die bevindingen) meldt dat de kern van het verweer van zijn cliënten is dat niet zij, maar [bestuurder] zich op ongeëvenaarde wijze ten koste van RST heeft verrijkt, dat [bestuurder] een onjuist voorbeeldgedrag heeft vertoond, op een oneerlijke wijze leiding heeft gegeven bij RST, een graaicultuur heeft geschapen, betrokken is geweest bij andere onregelmatigheden, gedragingen liet zien waarbij normen voor fatsoen en eerlijkheid zijn verlegd, personen heeft gecompromitteerd door hen mee te laten delen in een extravagante levensstijl, waarvan de kosten ten laste van RST werden gebracht en dat hij ook betrokken was bij de onregelmatigheden van RF Sports en Bonfide Facts, waaronder het aannemen van (contant) geld van [appellant 1] en het laten leveren van luxe goederen en het aanpassen van declaratieomschrijvingen. Het Deloitte-rapport vervolgt dan:

‘Daar waar deze beweringen zien op RF Sports en Bonfide (en de mogelijke rol van de heer [bestuurder] daarbij) hebben wij een aantal aanvullende onderzoekswerkzaamheden verricht. […] Wij hebben op basis van de aanvullende onderzoekswerkzaamheden en beschikbare informatie geen onderbouwing kunnen vinden voor de beweringen […] aangaande de vermeende betrokkenheid van de heer [bestuurder] bij (het doen van of mogelijke onregelmatigheden) betalingen van RST aan Bonfide of RF Sports, dan wel dat de heer [bestuurder] (contant) geld heeft ontvangen van of namens de heer [appellant 1] […] en/of luxe goederen heeft besteld bij Bonfide en ten laste heeft laten brengen bij RST.’

Op 25 maart 2016 heeft RST ten laste van [operationeel directeur] , [financieel manager] , [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , Bonfide Facts en Bonfide Holding conservatoir derdenbeslag laten leggen onder een aantal banken. Ook is er beslag gelegd op vastgoed.

Naar aanleiding van de (voorlopige) bevindingen van Deloitte is namens RST en Handelsveem (op 2 juni 2016) aangifte gedaan. De Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) is daarop een strafrechtelijk onderzoek gestart. In dit onderzoek heeft de FIOD [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] als verdachten aangemerkt. Zij zijn ook strafrechtelijk vervolgd. De FIOD heeft, behalve de verdachten, ook een aantal getuigen gehoord.

Het overzichtsproces-verbaal van de FIOD van 21 november 2017, met de bijbehorende processen-verbaal en bijlagen, bevindt zich (als doorgenummerd dossier) bij de processtukken (RST, prod. 91). Het (middels een vordering ex art . 126nd Sv van 12 juli 2016 gevorderde) voorlopige rapport van Deloitte van juli 2016 (‘intern werkdocument’ / ‘concept bevindingen’) is bijlage DOC-002 bij het proces-verbaal (pag. 01294 e.v.); bijlage DOC-106 (pag. 02070) is het definitieve onderzoeksrapport van Deloitte van 24 november 2016. Ook de (door de advocaat van RST/Handelsveem op 13 maart 2017 aan de FIOD verstrekte) conclusie van dupliek van 22 februari 2017 van [financieel manager] , [operationeel directeur] en [appellant 1] (waarnaar o.m. wordt verwezen in 3.2 van het overzichtsproces-verbaal) is bij het FIOD-proces-verbaal gevoegd (bijlage DOC-163, pag. 02285). Het overzichtsproces-verbaal vermeldt onder meer (vetdruk weggelaten, opm. hof):

‘1. Inleiding

Aanleiding onderzoek en beknopte casus

[…] In de jaren 2013 – 2016 ontvangt RST 315 facturen van RF Sports [ [naam 1] ], RF Sports [ [naam 2] ] en Bonfide Facts [BV] via de crediteurenadministratie:

[…] In totaal betaalt RST ruim € 5.000.000 op bankrekeningen op naam van [naam 1] , [naam 2] en Bonfide Facts [BV]. Bankrekeningen waarover [appellant 1] beschikkingsbevoegd was. […]

Verhoren verdachten en de civiele procedure

[…] De kern van het verweer van gedaagden [operationeel directeur] , [financieel manager] en [appellant 1] in de civiele zaak komt erop neer dat niet zij, maar statutair directeur [bestuurder] zichzelf op ongeëvenaarde manier heeft verrijkt ten koste van de onderneming. […] In het strafrechtelijk onderzoek is voornoemde rol van de heer [bestuurder] niet gebleken. Wel is naar voren gekomen dat middels een groot aantal van eerder vermelde 315 facturen van RF Sports en Bonfide Facts [BV] diensten in rekening zijn gebracht aan RST, die feitelijk niet aan RST zijn geleverd. […]’

Bij strafvonnissen van 2 juli 2020 zijn [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] veroordeeld wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte, oplichting en (gewoonte)witwassen; [appellant 1] tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, [operationeel directeur] tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden en [financieel manager] tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. [appellant 1] en [operationeel directeur] zijn in hoger beroep gegaan; [financieel manager] niet.

Het Openbaar Ministerie is een ontnemingsprocedure gestart tegen [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] . Op voorstel van de advocaat van RST is deze procedure beëindigd om voorrang te geven aan de civiele verhaalsactie. Bij vonnis van de Rb. Rotterdam van 24 februari 2022 is de officier van justitie overeenkomstig diens verzoek niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Handelsveem heeft onderzoeksbureau Vinosi survey & investigation (hierna: Vinosi) opdracht gegeven (op 23 oktober 2017) onderzoek te doen naar de financiële schade van RST ten gevolge van de frauduleuze handelingen tussen september 2013 en maart 2016. RST heeft ‘Vinosi-rapport’ als productie 106 bij haar memorie van antwoord in het geding gebracht.

Handelsveem had (op 29 maart 2016) een jaarpolis voor een fraudeverzekering (Comprehensive Fidelity Crime Insurance) afgesloten bij Axis en Euler (hierna: Axis c.s.). Axis c.s. hebben onder deze polis op 12 december 2017 onder voorbehoud € 1.744.646,87 uitgekeerd aan Handelsveem. Handelsveem heeft in rechte een aanvullende uitkering van € 1.668.361,52 gevorderd. De Rb. Rotterdam wees die vordering af bij vonnis van 5 oktober 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:8269). De tegenvordering van Axis c.s. in reconventie tot terugvordering van het reeds uitgekeerde bedrag is in datzelfde vonnis toegewezen. Een en ander omdat Axis c.s. naar het oordeel van de rechtbank een beroep toekwam op de volgende in de polis opgenomen uitsluiting van dekking (vetdruk weggelaten, opm. hof):

‘3.3 Directors/ Partners

Loss resulting directly or indirectly from any act committed by any natural person who is a director or officer of the Insured, or the equivalent position under the laws of any jurisdiction, including any member of the supervisory board of the Insured.’

De rechtbank overwoog hierbij dat, hoewel [bestuurder] niet actief betrokken is geweest bij de bonfide-fraude, hij wel actief heeft bijgedragen aan een cultuur van exorbitante zelfverrijking binnen RST en geen actie heeft ondernomen om hier een einde aan te maken en dat deze cultuur van exorbitante zelfverrijking er indirect aan heeft bijgedragen dat meerdere managementleden samen met een externe partij hebben gefraudeerd. Daarom doet zich niet het geval voor dat de verzekerde het slachtoffer is van fraude zonder dat haar bestuurder hiervan direct of indirect een verwijt kan worden gemaakt, aldus de rechtbank, die de dekkingsweigering om die reden terecht oordeelde.

RST en Handelsveem hebben hoger beroep ingesteld tegen het in 3.23.1 bedoelde vonnis van 5 oktober 2022. Op 24 juni 2025 vond een mondelinge behandeling plaats in dit hoger beroep. De procedure is geëindigd in een dading, waarbij verzekeraars onder de fraudepolis € 3 miljoen uitkeren aan de verzekerde.

Het proces-verbaal waarin de dading is vastgelegd houdt onder meer in: ‘Wat betreft de subrogatie van Axis c.s. in de rechten van RST c.s. jegens de fraudeurs volgen partijen de regeling neergelegd in de polisvoorwaarden tot op het betaalde bedrag.’ RST heeft bij gelegenheid van de mondeling behandeling in hoger beroep een concept voor een last en volmacht door verzekeraars voor verhaal op naam van RST in het geding gebracht. Een ondertekening door verzekeraars ontbreekt (vooralsnog) en zo ook een bevestiging door hen van het bestaan van de last en volmacht.

RST heeft met de Belastingdienst geschikt voor € 650.000 voor de ten onrechte teruggevorderde BTW over de ‘spookfacturen’.

Per 13 februari 2017 is [commissaris] (als gedelegeerd commissaris) vanuit Handelsveem op interimbasis benoemd tot statutair bestuurder van RST. [bestuurder] kreeg toen de functie van commercieel directeur van RST. [bestuurder] dienstverband is per 1 mei 2019 geëindigd. De beëindiging (met wederzijdse goedvinden) is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 26 september 2018.

Ook met (onder andere) [facilitair manager] , [customer relations manager] en [operationeel manager] – die hun ontslag hadden aangevochten – heeft RST vaststellingsovereenkomsten gesloten ter beëindiging van hun dienstverband. De aanvankelijk ook tegen hen ingestelde vorderingen heeft RST ingetrokken (zie het proces-verbaal van de zitting in de eerste aanleg van 19 september 2017).

4. De vorderingen van RST en de vonnissen van de rechtbank

Bij inleidende dagvaarding van 16 juni 2016 vorderde RST, verkort weergegeven:

-een verklaring voor recht dat gedaagden – waaronder [appellanten] , [operationeel directeur] en [financieel manager] – hoofdelijk althans ieder voor zich aansprakelijk zijn voor de schade die RST heeft geleden als gevolg van, kort gezegd, de onterechte declaraties en het indienen en laten uitbetalen van valse facturen;

- een veroordeling van gedaagden hoofdelijk althans ieder voor zich tot betaling van € 3.000.000 vermeerderd met rente en kosten;

- een veroordeling tot verdere schadevergoeding, nader op te maken bij staat.

Tijdens de procedure bij de rechtbank is RST op vordering van [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] veroordeeld om de concept-rapportage van Deloitte aan hen te verstrekken (tussenvonnis van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8275).

4.3.1.1 In het nadien gewezen tussenvonnis van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:1038) oordeelde de rechtbank:

- dat de vorderingen van RST toewijsbaar zijn ten aanzien van de niet in de procedure verschenen gedaagden, waaronder [appellant 2] en [appellant 3] ;

- dat de fraude met spookfacturen (de bonfide-fraude) kwalificeert als onrechtmatige daad;

- dat deze onrechtmatige daad aan (de wel in de procedure verschenen) [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] kan worden toegerekend en dat alle gedaagden ex art . 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die RST heeft geleden door de bonfide-fraude.

4.3.1.2 Wat de omvang van de schade betreft oordeelde de rechtbank dat het door RST gestelde bedrag van € 3 miljoen als onvoldoende gemotiveerd betwist vast staat en dat aannemelijk is dat RST verdere schade heeft geleden, waarvoor een verwijzing naar de schadestaatprocedure volgde. Tevens oordeelde de rechtbank (5.26 – 5.29) dat het door [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] gestelde handelen van (destijds) algemeen directeur [bestuurder] en de door hen beweerde bedrijfscultuur, waarin het gebruikelijk was om privékosten ten laste van RST te brengen, een rol kunnen spelen bij de vraag of hun vergoedingsplicht moet worden gematigd op grond van eigen schuld als bedoeld in art . 6:101 BW.

4.3.1.3 De rechtbank heeft [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] daarom opgedragen te bewijzen dat:

(1) bij aanvang van de werkzaamheden van [appellant 1] in het TOS-project is afgesproken – met [bestuurder] , [operationeel directeur] en/of [facilitair manager] – dat [appellant 1] aan elk van hen, althans aan [bestuurder] € 1.500 en later € 2.000 per maand cash zou terugbetalen van wat hij van RST zou ontvangen en dat dit ook is gebeurd;

(2) bij gunning van het TOS-project aan [bedrijf] onder leiding van [facilitair manager] en met medeweten van [bestuurder] werd geregeld dat acht mensen uit het managementteam € 75.000 bij [bedrijf] mochten besteden en dat dit ook is gebeurd;

(3) [bestuurder] en [facilitair manager] zichzelf daar bovenop nog € 300.000 toebedeelden;

(4) de fraude onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] heeft plaatsgevonden en deze daar ook zelf van geprofiteerd heeft, althans dat direct of indirect van [bestuurder] de aanwijzingen kwamen voor de andersluidende en verhullende omschrijving op de facturen aan RST.

RST verzocht vervolgens om heroverweging van het vonnis van 24 januari 2018 en om openstelling van tussentijds appel. Deze verzoeken zijn afgewezen bij tussenvonnis van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:4198).

Op vordering (ex art . 223 Rv) van RST zijn [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] (voor de duur van het geding) hoofdelijk veroordeeld tot (tussentijdse) betaling van€ 1.500.000 (tussenvonnis van 18 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7132). Tegen dit tussenvonnis is hoger beroep ingesteld (door [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] ), maar tevergeefs; bij arrest van dit hof van 17 december 2019: ECLI:NL:GHDHA:2019:3251 volgde een bekrachtiging.

In een tussenvonnis van 15 juli 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:6849) is beslist op een door o.a. [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] ingestelde vordering ex art . 843a Rv.

Het eindvonnis is van 15 december 2021. Daarin is voor recht verklaard dat [appellanten] jegens RST hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die RST heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de bonfide-fraude en zijn zij hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan RST van € 3.000.000, vermeerderd met wettelijke rente en tot schadevergoeding op te maken bij staat. Die verklaring voor recht en veroordeling is er ook ten aanzien van [operationeel directeur] en [financieel manager] , maar, vanwege een geslaagd beroep op eigen schuld van RST, is hun aansprakelijkheid verminderd tot 85% van de schade van RST. Daarnaast bevat het vonnis een ten gunste van RST uitgesproken veroordeling voor de beslag- en proceskosten.

5. De beoordeling van het hoger beroep

grieven in principaal appel

In de appeldagvaarding van [appellanten] staat dat hun hoger beroep zich, behalve tegen het eindvonnis van 15 december 2023 en het tussenvonnis van 24 januari 2018, ook richt tegen de tussenvonnissen van 19 oktober 2016, 30 mei 2018 en 15 juli 2020. Die drie tussenvonnissen bevatten echter geen beslissingen in hun nadeel. Er zijn ook geen grieven geformuleerd met betrekking tot die tussenvonnissen, reden waarom [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in hun appel ertegen.

grief 1: schending art . 21 Rv.

Grief 1, die zich richt tegen de overwegingen 5.3 van het tussenvonnis van 24 januari 2018 en 2.30 van het eindvonnis van 15 december 2021, strekt ertoe dat – vanwege de door [appellanten] gestelde schending van art . 21 Rv door RST – de vorderingen van RST op [appellanten] worden afgewezen, of slechts worden toegewezen tot het individuele voordeel, dat volgens [appellanten] voor [appellant 2] en [appellant 3] nihil was en voor [appellant 1] hooguit € 68.618 bedroeg, namelijk voor de levering van horloges. (Verderop in de memorie van grieven, in de toelichting op grief 7, maakt [appellant 1] overigens melding van een door hem daarnaast genoten voordeel van € 127.182 als winstmarge op de diensten met betrekking tot ADO.)

Als voorbeelden van de gestelde schending van art . 21 Rv noemen [appellanten] in de toelichting op de grief onder meer:

- het verzwijgen door RST dat de bonfide-fraude plaatsvond onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] ;

- de ontkenning door RST van de door de rechtbank uiteindelijk bewezen geachte bedrijfscultuur van exorbitante zelfverrijking onder leiding van [bestuurder] ;

- de beïnvloeding van getuigen of in ieder geval pogingen daartoe door RST;

- het verborgen houden van zaken voor Deloitte, bijvoorbeeld door de opdracht te beperken tot uitsluitend de facturen van en betalingen aan RF Sports en Bonfide Facts, terwijl er ook onregelmatige betalingen hebben plaatsgevonden aan in elk geval Zano en [naam 6] Cycling;

- het sturing geven aan het onderzoek door de FIOD en het laten staken van de ontnemingsprocedure van de OvJ;

- het verzwijgen door RST dat zij verzekeringspenningen heeft verkregen in verband met de fraude.

De grief faalt. Hierna – 5.2.4 t/m 5.2.9 – worden, niet uitputtend, enkele redenen genoemd waarom.

Dat de bonfide-fraude plaatsvond onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] is een door RST betwiste stelling die een voldoende onderbouwing mist. Om die reden oordeelde de rechtbank dat de juistheid ervan niet is komen vast te staan. Voor een ander oordeel in hoger beroep is onvoldoende aangevoerd. De voorbeelden die [appellanten] in dit verband hebben gegeven zijn namelijk (i) ofwel ongefundeerde stellingen – zoals de bewering dat [appellant 1] alleen al aan horloges tonnen heeft moeten uitgeven voor [bestuurder] – (ii) ofwel berusten zij op (betwiste) aannames/veronderstellingen waaruit de aan [bestuurder] toegeschreven hoofd-/leidende rol niet volgt – zie bijvoorbeeld hun argument dat voor hen moeilijk voorstelbaar is dat [bestuurder] helemaal niets wist van de (ten laste van RST gebrachte kosten van de) door [appellant 1] /Bonfide Facts gehuurde ADO-box – (iii) ofwel bieden zij, ook in onderling verband beschouwd, onvoldoende basis voor het als vaststaand aannemen of aannemelijk achten van die betwiste hoofd- of desnoods meer ondergeschikte rol bij de bonfide-fraude. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor de door [appellanten] , [operationeel directeur] en [financieel manager] genoemde omstandigheid dat [bestuurder] (wel eens, meer precies op 8 november 2023) een urenbriefje (week 44/45) van RF Sports heeft gezien/goedgekeurd en een (door [financieel manager] gecontroleerde) Bonfide Facts-factuur van 8 december 2014 van € 290,16 inclusief btw voor flessen wijn heeft geaccordeerd. En ook voor het aangehaalde bericht van [betrokkene] aan [bestuurder] van 18 maart 2016 (dus toen de fraude al aan het licht was gekomen, zie hierboven 3.11), waarin staat dat [bestuurder] in december 2015 door hem ( [betrokkene] ) is gewezen op een door hem ( [betrokkene] ) vermoede ‘set-up’ tussen [financieel manager] , [operationeel directeur] en [appellant 1] (en mogelijk toen ook – dit is niet helemaal duidelijk op basis van het bericht – op buitensporige declaraties van en grote doorbelastingen door [appellant 1] , wiens houding hem al van meet af aan niet beviel). Uit dat bericht volgt wellicht dat [bestuurder] te goed van vertrouwen is geweest richting zijn managementleden [operationeel directeur] en [financieel manager] ; het maakt van hem nog niet een medepleger van de fraude, laat staan een aanvoerder in dat verband.

Hoe dan ook: RST kan niet worden verweten dat zij geen melding heeft gemaakt van een niet gebleken hoofd-/leidende rol van [bestuurder] .

Het is waar dat RST zich heeft teweergesteld tegen de beschuldigingen aan haar adres (en dat van [bestuurder] ) en zich niet kan vinden in de door de rechtbank gebezigde kwalificatie van de cultuur binnen haar bedrijf (als één waarin exorbitante zelfverrijking werd getolereerd). Dat is echter niet in strijd met het voorschrift van art . 21 Rv; bij die beschuldigingen en kwalificatie gaat het niet om vaststaande feiten.

[appellanten] noemen enkele niet geslaagde pogingen tot beïnvloeding van getuigen. Ook indien die pogingen telkens in de door hen gestelde zin hebben plaatsgevonden, geven zij in de onderhavige zaak geen aanleiding om de vorderingen van RST geheel of ten dele af te wijzen. Hierbij weegt onder meer mee dat niet (voldoende onderbouwd) is gesteld en ook niet is gebleken dat bedoelde pogingen voor hen nadelig hebben uitgepakt. Dat er nog meer en/of ook wel geslaagde pogingen moeten zijn geweest, spreekt, anders dan [appellanten] menen, niet voor zich en volgt niet reeds uit de (door hen genoemde) omstandigheden dat (a) de door hen genoemde mislukte pogingen er (nu eenmaal) zijn geweest, ook niet indien hierbij wordt betrokken dat (b) er meerdere getuigen zijn gehoord, (c) niet alle managementleden zijn vervolgd/veroordeeld en (d) [appellanten] de van hun lezing afwijkende verklaringen ongeloofwaardig achten.

Het onderzoek(srapport) van Deloitte heeft betrekking op de bonfide-fraude. Die fraude kende een eigen opzet en structuur: [appellant 1] , althans diens bedrijf, verstrekte aan RST voor, opgeteld, miljoenen euro’s aan facturen voor uiteenlopende diensten/leveranties die, voor zover al (in de gefactureerde omvang) verricht/geleverd, niets van doen hadden met de begeleiding van de implementatie van het nieuwe softwaresysteem waarvoor hij was ingehuurd, en overigens ook niet met de bedrijfsactiviteit van RST. Daarbij vond afstemming plaats over (afwijkende/verhullende) factuuromschrijvingen met deelnemers van een WhatsApp-groep, onder wie (de medeaandeelhouders van Bonfide Holding:) [operationeel directeur] en [financieel manager] , die deze facturen vervolgens bij/voor RST goedkeurden, waarna bij RST (door [financieel manager] ) werd gezorgd voor uitbetaling door RST, veelal door overboeking van de gefactureerde bedragen op de (op die facturen vermelde) bankrekeningen van [appellant 2] , [appellant 3] en Bonfide Facts. Dat het door Handelsveem aan Deloitte opgedragen onderzoek zich heeft toegespitst op deze bonfide-fraude en niet (in dezelfde mate) gefocust is geweest op eventuele RST-betalingen aan andere bedrijven (op basis van mogelijk eveneens dubieuze facturen/bonnen), althans daarover door Deloitte niet is gerapporteerd, levert niet op een schending van art . 21 Rv door RST. Overigens, maar dit ten overvloede, volgt uit wat [appellanten] hierover hebben gesteld – met name dat er facturen van andere bedrijven zijn, waaronder [naam 6] Cycling ( [naam 6] ) en Zano, met een verkeerde omschrijving van hun aan RST geleverde prestatie – niet, althans onvoldoende, dat het om een met de bonfide-fraude vergelijkbare fraude ging. Dus dat het ook bij de facturen van die andere bedrijven – op een met de bonfide-fraude vergelijkbare wijze en schaal – ging om (hoog oplopende) bedragen voor in het geheel niet (of niet in de in rekening gebrachte omvang) aan RST geleverde diensten/zaken, of voor diensten/zaken die niets van doen hadden met (én de bedrijfsvoering van RST én) de prestatie die het facturerende bedrijf krachtens de onderliggende rechtsverhouding met RST zou leveren (ingeval van RF Sports/Bonfide Facts was dat de begeleiding van de implementatie van het nieuwe softwaresysteem; bij [naam 6] : fietsen en bij Zano: kleding), waarbij dan het door die andere facturerende bedrijven onrechtmatig binnengehaalde voordeel met RST-medewerkers werd gedeeld. Evenmin volgt eruit dat bij de opdrachten aan/bestellingen bij die andere bedrijven [bestuurder] een leidende rol heeft gespeeld (vgl. de correspondentie tussen [naam 6] en [operationeel directeur] die door RST is overgelegd als prod. 55 bij akte van 19 september 2017). Dat [bestuurder] bij de FIOD heeft verklaard dat RST fietsen heeft afgenomen bij [naam 6] , die [naam 6] rechtstreeks aan RST heeft gefactureerd en dat, naar [bestuurder] dacht, op die facturen een omschrijving staat die niet aan fietsleveranties was gerelateerd, is geen bewijs en evenmin een voldoende aanwijzing dat [bestuurder] (namens RST) de fietsen had besteld, dat hij ook vooraf afwist van die bestellingen en/of van de niet aan de leverantie gerelateerde factuuromschrijving, laat staan dat hij die zelf had bedacht en/of doorgegeven. Wat dat laatste betreft legt ook het (als prod. 11 bij c.v.d. overgelegde) e-mailbericht van [medewerker Zano] van Zano aan [bestuurder] van 25 februari 2024 geen gewicht in de schaal; de vraag die [medewerker Zano] stelt, te weten hoe de (al dan niet met kledingbonnen gefinancierde) aanschaf van een pak/shirts (voor een relatie van RST) moet worden omschreven, impliceert niet dat [bestuurder] in dit specifieke geval een verhullende, niets met de geleverde prestatie van doen hebbende, omschrijving (voor dit relatiegeschenk) heeft bedacht, die heeft doorgegeven aan [medewerker Zano] en dat [medewerker Zano] daarop deze door [bestuurder] bedachte/doorgegeven verhullende omschrijving heeft gebruikt, laat staan dat [bestuurder] dit voortdurend deed bij Zano en andere bedrijven en daarmee een slecht voorbeeld gaf, wat overigens geen rechtvaardiging zou hebben gevormd voor de bonfide-fraude.

De suggestie van [appellanten] dat RST in een voor [appellanten] nadelige zin sturing heeft gegeven aan het FIOD-onderzoek is eveneens ongefundeerd. Zoals hiervoor vermeld beschikte de FIOD (bovendien) over de door o.a. [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] in de eerste aanleg ingediende conclusie van dupliek en heeft de FIOD wat daarin staat (aan tegenwerpingen tegen de aan hen verweten bonfide-fraude) bij het onderzoek betrokken, in het bijzonder de door hen aan [bestuurder] toegedichte rol.

Ook wordt door [appellanten] het intrekken van de ontnemingsvordering – en het eraan voorafgegane, legitieme, verzoek van RST aan het OM om plaats te maken voor civiel verhaal (op het zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk beslagen actief) – ten onrechte geframed als een actie om de waarheidsvinding te belemmeren.

Het door RST niet al in een vroeg stadium melden van de door haar moederbedrijf afgesloten fraudeverzekering vormt geen schending van art . 21 Rv. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat de gehoudenheid tot uitkering door de verzekeraars aanvankelijk met succes is betwist. Het enkele bestaan van die verzekering deed ook niet af aan de vorderingen op appellanten, omdat de verzekeraars, ingeval van een uitkering, tot het beloop van die uitkering zouden worden gesubrogeerd. Verder is van belang dat de (hiervoor in 3.23.2 vermelde) afloop van het hoger beroep tegen het (hiervoor in 3.23.1) vermelde vonnis – dat wil zeggen de schikking en de uitkering van € 3 mln. als resultaat daarvan – niet is verzwegen. Het is ook niet zo dat RST door het bestaan van die fraudeverzekering op enig moment in de procedure niet langer actief gelegitimeerd is geweest.

De in het voorgaande niet met zoveel woorden besproken argumenten die [appellanten] in het kader van deze grief hebben aangevoerd kunnen niet leiden tot een andere uitkomst dan dat de grief geen doel treft.

grief 2: onrechtmatig handelen

De grief richt zich in de eerste plaats tegen de toewijzing van de tegen [appellant 2] en [appellant 3] ingestelde vorderingen. Uit rov. 2.1 van het eindvonnis blijkt dat die toewijzing berust op een door de rechtbank ook ten aanzien van hen aangenomen hoofdelijke aansprakelijkheid ex art . 6:166 BW voor de schade die RST heeft geleden door de bonfide-fraude.

[appellant 2] en [appellant 3] vinden die toewijzing onterecht omdat zij enkel hun bankrekening ter beschikking hebben gesteld aan [appellant 1] . Naar zij stellen hebben zij hiervoor geen geld ontvangen en konden zij op geen enkele wijze vermoeden dat er mogelijk onrechtmatig zou worden gehandeld door [appellant 1] , die bij hen niet bekend stond als beroepscrimineel. Ook wijzen zij erop dat zij niet strafrechtelijk zijn vervolgd. [appellant 2] stelt daarnaast dat zij heel jong was en eigenlijk niet wist wat zij aan het doen was. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft zij bovendien ontkend dat zij aandeelhouder was van een (door [appellant 1] ) op haar naam gezet bedrijf.

De grief is in die zin gegrond dat [appellant 2] en [appellant 3] niet op basis van groepsaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade als gevolg van de bonfide-fraude. Betrokkenheid bij die fraude is er wat [appellant 3] betreft sowieso niet voor zover het gaat om (i) de (maximaal 126) valse/dubieuze facturen van Bonfide Facts die door RST zijn betaald op de bankrekening(en) van die vennootschap en (ii) de (maximaal 82) valse/dubieuze facturen die door RST zijn betaald op de bankrekening die [appellant 2] aan [appellant 1] ter beschikking heeft gesteld, althans blijkt van die betrokkenheid niet of onvoldoende uit de stellingen van RST. Hetzelfde geldt ten aanzien van [appellant 2] voor in elk geval de (maximaal 107) valse/dubieuze facturen die door RST zijn betaald op de bankrekening die [appellant 3] aan [appellant 1] ter beschikking heeft gesteld.

Maar ook meer in het algemeen blijkt uit de stellingen van RST onvoldoende dat bij [appellant 2] en [appellant 3] sprake is geweest van (subjectieve) bewustheid van een deelname aan, althans betrokkenheid bij, een groep die zich bezighield met het plegen van strafbare feiten, in casu frauduleuze handelingen. Die bewustheid/betrokkenheid volgt wat [appellant 2] betreft ook niet uit het feit dat zij ermee heeft ingestemd dat [appellant 1] een vennootschap op haar naam oprichtte, en dat er aandelen op haar naam zijn geregistreerd. Haar betwisting bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep van onder meer haar aandeelhouderschap is overigens tardief en afgezien daarvan onvoldoende onderbouwd, maar dat laat onverlet dat haar bezwaar tegen haar op groepsaansprakelijkheid gebaseerde veroordeling gegrond is.

[appellant 2] en [appellant 3] zijn wel uit hoofde van onrechtmatige daad (hoofdelijk) aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de onterechte overboekingen naar hun aan [appellant 1] ter beschikking gestelde bankrekeningen.

Van een houder van een bankrekening waarmee wordt deelgenomen aan het betalingsverkeer mag immers worden verwacht dat hij controle houdt over de transacties die via die bankrekening lopen en verhoedt dat ervan gebruikt wordt gemaakt voor het ontvangen en doorsluizen van door misdrijf/fraude verkregen gelden (de zgn. geldezel). In strijd met die maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm hebben [appellant 2] en [appellant 3] hun bankrekeningen (met bijbehorende inlogcodes en pasjes) gedurende langere tijd beschikbaar gesteld aan [appellant 1] , zonder enig toezicht uit te oefenen op het gebruik ervan door hem, terwijl de reden waarom [appellant 1] over hun bankrekeningen wilde beschikken – [appellant 3] vermoedde diens faillissement, [appellant 2] : een beslag – voor hen eens te meer aanleiding had moeten zijn om (a) sowieso die beschikbaarstelling te weigeren en (b) in elk geval in de gaten te houden wat er gebeurde met/op hun rekeningen. Die rekeningen vormden in het onderhavige geval een essentiële schakel bij de bonfide-fraude; de aan RST onttrokken bedragen werden op hun rekeningen ontvangen en zijn via hun rekeningen verdwenen. De schade door de onttrekkingen/onrechtmatige overboekingen staat in causaal verband met de schending van bedoelde zorgvuldigheidsnorm en is aan [appellant 2] en [appellant 3] toe te rekenen, dat wil zeggen voor zover de onttrekkingen/onrechtmatige overboekingen via hun rekening hebben gelopen.

De door hen als excuus aangevoerde omstandigheden – zoals de familierelatie, onbekendheid met de slechte intenties en de gepleegde fraude, het (beweerdelijk) ontbreken van een vergoeding, etc. – nemen de onrechtmatigheid van hun doen en laten niet weg en maken niet dat, in hun verhouding tot RST als benadeelde partij, de schade niet aan hen valt toe te rekenen. Afgezien van de laakbare beschikbaarstelling van de rekeningen, doet zich hier niet het geval voor dat het misbruik redelijkerwijs niet bekend heeft kunnen zijn bij hen als rekeninghouders. Ook niet indien [appellant 1] de inlogcodes had gewijzigd, waardoor zij geen toegang meer hadden tot de rekeningen. Dat had juist reden moeten zijn om in te grijpen. Overigens – maar dit terzijde – zegt [appellant 3] in haar FIOD-verklaring dat zij, in naar zij meent 2014, zag dat er veel geld op de door haar aan [appellant 1] beschikbaar gestelde rekening stond. Vanaf een andere, door [appellant 2] gebruikte, bankrekening (eindigend op [nummer 3] ) is eind december 2014 een bedrag van € 37.000 overgemaakt naar Suriname, waar [appellant 1] volgens [appellant 3] regelmatig heen ging. Naar die andere bankrekening ( [nummer 3] ) van [appellant 2] vonden volgens het proces-verbaal van haar FIOD-verklaring 113 overboekingen plaats vanaf de aan [appellant 1] beschikbaar gestelde bankrekening (in de periode september 2013 – juni 2016). [appellant 3] ontving volgens het proces-verbaal van haar FIOD-verklaring in de periode juni 2014 – december 2015 € 10.418,25 op een andere, bij haarzelf in gebruik zijnde (Rabo-)bankrekening. Dat geld kwam van (een rekening van) [appellant 2] . Zij wist volgens haar verklaring niet waarom.

Los van hun aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, kunnen [appellant 2] en [appellant 3] als rekeninghouders ook uit hoofde van onverschuldigde betaling worden aangesproken tot terugbetaling van de ten onrechte naar hun rekeningen overgeboekte en daarmee in hun vermogen terechtgekomen bedragen ( art . 6:203 BW).

Grief 2 noemt nog een aantal andere overwegingen van de rechtbank in het tussen- en het eindvonnis waarmee [appellanten] het niet eens zijn.

5.4.2.1 Zo uiten zij kritiek op het als vaststaand aannemen dat RF Sports en Bonfide Facts talloze facturen aan RST hebben gezonden waar geen enkele of een andere prestatie dan omschreven in de facturen tegenover stond. Tegenover elke factuur stond een prestatie, weliswaar niet steeds met de juiste omschrijving, maar het bezigen van de afwijkende omschrijvingen is niet verwijtbaar omdat [appellant 1] daartoe door [bestuurder] werd gedwongen, aldus [appellanten]

5.4.2.2 De kritiek wordt verworpen. Hiervoor in 5.2.4 is al overwogen dat de stelling van [appellanten] dat de bonfide-fraude plaatsvond onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] een voldoende onderbouwing mist. Voor hun nog verdergaande stelling dat [appellant 1] door [bestuurder] is gedwongen tot de frauduleuze handelingen geldt hetzelfde. Als voldoende onderbouwing kan niet worden aangemerkt het WhatsApp-gesprek van 5 mei 2015 tussen [appellant 1] en [financieel manager] , voor zover inhoudend:

‘[ [appellant 1] ]: Ik had [operationeel directeur] nog gesproken over de facturen en hij en [facilitair manager] zeiden dat ik ook via

overtime moet goedmaken anders worden andere dingen ook te opvallend of zo bla

bla. (...) Ik moet nu weer bijna 25K bijschrijven voor [bestuurder] […]’

Los van het feit dat niet is geconcretiseerd voor welke diensten/leveranties er 25K ‘moest worden bijgeschreven’, staat er ‘voor [bestuurder] ’ en niet (bijvoorbeeld) ‘in opdracht van [bestuurder] ’.

5.4.2.3 Een gebrek aan onderbouwing is er ook voor de stelling dat tegenover elke factuur een prestatie stond. Als voldoende onderbouwing kan niet gelden de verwijzing door [appellanten] naar hun producties 54 tot en met 60. Bijvoorbeeld blijkt daar niet uit dat er een reële prestatie voor RST heeft gestaan tegenover de (16) facturen die RF Sports en Bonfide Facts in de periode oktober 2014 tot en met januari 2016 hebben ingediend voor ‘Fiscaal advies’. Dat blijkt ook niet uit de andere producties waarop [appellanten] zich beroepen en evenmin (overtuigend) uit de afgelegde verklaringen en de door hen en [operationeel directeur] en [financieel manager] aangevoerde stellingen.

Van een reële prestatie is overigens evenmin sprake indien voor overeengekomen activiteiten, zoals die in het kader van het TOS-traject, bedragen voor privébestedingen zijn ‘bijgeschreven’/er ‘bovenop werden gegooid’; vgl. (i) de hiervoor in 5.4.2.2 aangehaalde mededeling dat er ook via overtime moet worden goedgemaakt omdat anders andere dingen te opvallend worden en (ii) het als TOS-werkactiviteiten declareren van de kosten van een privévakantie (opgenomen onder feit 1 op de tenlastelegging).

Het standpunt van [appellanten] dat [appellant 1] op geen enkele wijze betrokken was bij het accorderen en uitbetalen van de facturen strookt niet met de inhoud van de WhatsApp-berichten (zie bijv. prod. 72 bij akte van RST van 19 september 2017, bericht 555 [appellant 1] : ‘we verzinnen morgen wel een omschrijving’; berichten 629 t/m 633, eindigend met [appellant 1] : ‘ik gooi er 3000 op ok.’; bericht [nummer 2] [financieel manager] aan [appellant 1] : ‘is nu rustig voor die bonnen’, bericht 649 van [appellant 1] aan [financieel manager] : ‘ok ik ga ze zo gelijk doen’; bericht 650 van [appellant 1] : ‘We hebben 224050 netto is 448100 – 30000 fam dag, + 46000 / 36 mnd = 12982,- per maand. Klopt dit?’; bericht 653 van [appellant 1] : ‘Ik denk dat we gedurende het jaar moeten kijken waar we in kunnen lopen. Want als jij om wat voor reden dan ook er niet meer bent. Niemand weet hiervan.’; bericht 654 van [financieel manager] : ‘Ja enkel [operationeel directeur] ’; bericht 697 van [financieel manager] : ‘En ik zeg wel dat overtime zeer lastig is als deze stijgt en we deze aan [naam 8] en [bestuurder] moeten verklaren’; bericht 740 van [appellant 1] : ‘Morning [financieel manager] . Kan jij alvast met [operationeel directeur] overleggen welke omschrijvingen ik kan gebruiken!!’). [appellanten] gaan er bij bedoeld standpunt ook aan voorbij dat het blijven insturen van valse facturen geen zin zou hebben gehad, althans niet tot schade zou hebben geleid, indien deze facturen niet werden geaccordeerd en uitbetaald. Bovendien gaat het hier om een aansprakelijkheid in groepsverband, waarbij niet iedere deelnemer van de groep alle voor een voltooide fraude benodigde handelingen persoonlijk moet hebben verricht.

5.4.4.1 In de toelichting op grief 2 stellen [appellanten] ook dat zowel RST als Handelsveem weet hadden van de fraude, waaronder de bonfide-fraude, en die fraude lieten gebeuren.

5.4.4.2 De wetenschap van RST baseren zij op de door hen aan [bestuurder] toegedichte rol ‘in het algemeen’ en in de bonfide-fraude in het bijzonder. Die rol in de bonfide-fraude is echter niet gebleken, ook niet met betrekking tot de aanschaf van dure horloges door [appellant 1] . Wat daarover door [appellanten] is gesteld (bijvoorbeeld dat er voor tonnen aan horloges aan [bestuurder] is geleverd, etc.) en is vermeld in de getuigenverklaringen waar zij zich op beroepen, waaronder de verklaring van getuige [getuige 1] (dat [bestuurder] een Rolex Daytona Platina ter waarde van bijna € 70.000 heeft aangeschaft) overtuigt niet tegen de achtergrond van de gemotiveerde betwisting ervan door RST en de verklaring hierover van [bestuurder] dat het om twee Breitling-horloges ging; één (omgewisseld) cadeau en één exemplaar dat zijn vrouw van [appellant 1] had gekocht (en ook heeft betaald), beide van (veel) minder dan € 25.000. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat [bestuurder] wist of wel moet hebben geweten (i) dat kosten van de horloges en andere privéuitgaven en extraatjes (al dan niet met een opslag voor [appellant 1] en één of meer van de zes aandeelhouders van Bonfide Holding) onder een andere omschrijving werden gedeclareerd/bijgeschreven op de door [appellant 1] bij RST ingediende facturen, (ii) dat dit op grote schaal gebeurde en (iii) dat [operationeel directeur] / [financieel manager] het wel wisten en bij RST zorgden voor accordering en uitbetaling van deze facturen.

5.4.4.3 Wat de rol van [bestuurder] in het algemeen betreft, doelen [appellanten] op wat zij de bedrijfscultuur binnen RST noemen. Die is volgens hen het mooiste samengevat door getuige [getuige 2] (in haar verklaring van 11 september 2019): ‘ja alles wat je nodig had, dat werd gewoon geregeld. Je kan het zo gek niet bedenken, maar het werd geregeld. Auto’s, keukens, verbouwingen, als je ging scheiden de advocaten, concertkaarten, alles werd geregeld.’ Een ander, door [operationeel directeur] en [financieel manager] aangehaald, citaat uit haar eerdere verklaring (van 25 maart 2019) is: ‘De bedrijfscultuur van RST was er een van een familiebedrijf. Als jij goed was voor de zaak dan werd je daarvoor beloond. Als iemand ging verhuizen dan had RST liever niet dat je vrij nam en dan stuurde ze [bedrijf] .’ Voor zover echter al deze beschrijvingen door de getuige [getuige 2] – die overigens ook heeft verklaard dat zij mensonterend is behandeld bij de afwikkeling van haar dienstverband – een juiste weergave zijn van de gang van zaken binnen RST, ontbreekt een causaal verband met de bonfide-fraude. Een rechtvaardiging/vergoelijking ervoor valt er evenmin aan te ontlenen. Het ‘als je zaken nodig had’ of het door RST loyaal/royaal zijn aan/voor het personeel van wie veel wordt verwacht kan niet op één lijn worden geplaatst met bijvoorbeeld (i) het door een voor ICT-diensten ingehuurde consultant ( [appellant 1] ) bij de in-huurder (het Rotterdamse RST) in rekening brengen van in totaal € 840.461 incl. btw voor een door die consultant (op eigen naam, althans die van diens onderneming Bonfide Facts) gehuurde ADO-box, of (ii) het structureel en op grote schaal declareren/bijschrijven en laten uitbetalen van bedragen voor niet daadwerkelijk geleverde diensten/prestaties, waarbij het netto-voordeel dan (‘eerlijk’) werd gedeeld met bij de fraude betrokken managementleden. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat de schade die RST lijdt en heeft geleden door de bonfide-fraude mede een gevolg is van een omstandigheid die aan RST is toe te rekenen.

5.4.4.4 Voor de door hen gestelde wetenschap van en goedkeuring door de aandeelhouder van RST van de frauduleuze praktijken hebben [appellanten] eveneens gewezen op wat [getuige 2] heeft verklaard, namelijk dat haar man ( [naam 3] ) (bouw)werkzaamheden heeft uitgevoerd bij medewerkers van het moederbedrijf en dan niet aan hen factureerde maar aan een derde ( [naam 4] ). Ook indien dit juist is, rechtvaardigt het niet het vertrouwen dat de moedervennootschap als rechtspersoon instemde met of weet had van de bonfide-fraude of meer in het algemeen van het laten uitbetalen door medewerkers van RST van facturen voor diensten, die, voor zover al verricht, niets met de bedrijfsvoering van RST van doen hadden. Als, wat ook gezegd is, de directeur van het moederbedrijf en [bestuurder] elkaar zijn tegengekomen in een bordeel vormt dat evenmin een signaal dat het onttrekken van gelden aan RST stilzwijgend werd toegestaan door de moeder- en de dochtervennootschap. Dat [bestuurder] vanwege die ontmoeting de hand boven het hoofd moest worden gehouden is (feitenvrije) speculatie. Dat laatste geldt ook voor de stelling dat er enkel aangifte van de bonfide-fraude is gedaan omdat de accountant achter de fraude was gekomen en er voorkomen moest worden dat bekend werd dat RST/Handelsveem toelieten dat er op grote schaal werd gefraudeerd.

5.4.4.5 Het door [operationeel directeur] / [financieel manager] als productie 86 overgelegde e-mailbericht van [financieel manager] geeft ook ten opzichte van [appellanten] geen aanleiding tot een ander oordeel. Dat er bij RST en Handelsveem eerder aandacht had kunnen worden geschonken aan de omstandigheid dat er veel geld ging naar de voor ICT-diensten ingehuurde projectmanager en dat de fraude dan wellicht eerder ontdekt had kunnen worden door RST/Handelsveem is een constatering achteraf. Wie er van meet af aan weet hadden van de fraude (en die dus niet behoefden te ontdekken) waren [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] . Zij hadden er niet aan moeten beginnen, een eind aan moeten maken en melding ervan moeten doen aan RST en haar aandeelhouder Handelsveem, in plaats van hun kwalijke praktijken voort te zetten tot deze aan het licht kwamen.

Overigens gaan [appellanten] eraan voorbij dat niet met de vereiste duidelijkheid een grief is aangevoerd tegen het slot van overweging 5.11 van het tussenvonnis van 24 januari 2018, waarin staat dat uit de eigen stellingen van [appellant 1] en [operationeel directeur] / [financieel manager] volgt dat zij wisten dat Handelsveem niet van de fraude op de hoogte was.

Met grief 2 wordt ook geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat [appellant 1] niet is geslaagd in (het hierboven in 4.3.1.3 weergegeven) onderdeel 1 van de bewijsopdracht (de cashbetalingen). De klacht faalt. Tegenover de betwisting ervan is er geen voldoende overtuigend bewijs dat de betalingen met [bestuurder] zijn afgesproken, of zijn instemming hadden en aan hem of met medeweten van hem zijn gedaan. Als voldoende (aanvullende) aanwijzing (naast de verklaringen van [appellant 1] en [operationeel directeur] en het door [appellant 1] opgestelde overzicht van betalingen) kan niet gelden dat er betalingen zijn gedaan aan [facilitair manager] , die [appellant 1] bij RST had geïntroduceerd. Voor de WhatsApp-conversatie tussen [financieel manager] en [appellant 1] over het dubbel declareren geldt hetzelfde. En dat [financieel manager] – die bij gelegenheid van zijn RC-verhoor op 19 november 2020 nog niets kon verklaren met betrekking tot dit onderdeel van de bewijsopdracht – op 8 juni 2022 bij zijn RCH-verhoor verklaard heeft dat hij na verloop van tijd gehoord heeft dat [operationeel directeur] (verklaard heeft dat hij) € 1.500 per maand van [appellant 1] zou krijgen en dat [facilitair manager] en [bestuurder] dit ook kregen, draagt evenmin in voldoende mate bij aan bedoeld bewijs.

De conclusie na het voorgaande is dat grief 2 faalt. Ook wat hierna volgt ondersteunt die conclusie.

grief 3: toerekening onrechtmatige daad

In 5.3.4 en 5.3.5 is toegelicht waarom het gebruik dat is gemaakt van de bankrekeningen van [appellant 2] en [appellant 3] hun als onrechtmatige daad valt toe te rekenen en dat die toerekenbaarheid ook geldt voor de met dat gebruik samenhangende schade van RST.

5.5.2.1 De gronden die [appellant 1] aanvoert voor zijn standpunt dat hemzelf geen verwijt treft van de frauduleuze handelingen zijn daarvoor om meerdere redenen ontoereikend.

5.5.2.2 Wat betreft zijn betoog dat hij door [bestuurder] is gedwongen tot het bezigen van valse factuuromschrijvingen en hierin door [bestuurder] is meegesleurd geldt dat een voldoende onderbouwing ontbreekt. Reeds daarom kan hem dit betoog niet baten.

Dat hij handelde in samenspraak met [operationeel directeur] en [financieel manager] vormt geen excuus, omdat beiden, naar hij wist, nauw met hem samenwerkten bij de fraude, in het bijzonder waar het ging om de afwijkende/verhullende omschrijvingen op en het accorderen en laten uitbetalen van de valse facturen. Zie in dit verband ook de FIOD-verklaring van [medewerker RST] (administratief medewerkster bij RST), die de onderlinge relatie tussen [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] als erg close omschrijft. Over de facturen van RF Sports en Bonfide Facts zegt zij in bedoelde verklaring: ‘Het begon met het TOS project. Later kwamen er facturen binnen voor uiteenlopende diensten. Het viel mij op dat het substantiële bedragen waren.’ En verderop: ‘De facturen van RF Sports en Bonfide Facts kwamen voor zover ik weet niet per post binnen, maar via [financieel manager] . Hij had deze facturen gekregen van [appellant 1] [die blijkens haar verklaring werkzaam was op de vierde verdieping, maar ook enige tijd bij [financieel manager] samen op de vijfde verdieping heeft gezeten, toev. hof]. Het waren ook altijd facturen zonder vouw […] Al deze facturen [van RF Sports en Bonfide Facts] kwamen altijd als eerste binnen bij [financieel manager] , hij en [operationeel directeur] controleerden de facturen van RF Sports en Bonfide Facts en gaven deze dan weer aan mij […] Uitzondering hierop waren de facturen van de uren van [appellant 1] op het TOS project. Deze facturen moesten ter controle naar de heer [facilitair manager] .’ Terzijde: de door [appellanten] bedoelde [betrokkene] schrijft in diens door [operationeel directeur] en [financieel manager] geciteerde bericht over een door hem vermoede ‘set-up’ tussen [financieel manager] , [operationeel directeur] en [appellant 1] . De naam [bestuurder] noemt hij niet in dat verband.

5.5.2.3 [appellant 1] moest begrijpen dat de medewerking die [operationeel directeur] en [financieel manager] aan de fraude verleenden buitengewoon laakbaar was en niet gedekt kon zijn door hun (eventuele) vertegenwoordigingsbevoegdheid bij RST. Een geldig excuus is evenmin dat zonder de afwijkende omschrijvingen er geen uitbetaling zou zijn gevolgd; dat had voor hem juist een reden moeten zijn om geen valse facturen in te dienen, althans daarmee te stoppen. Voor zover hij dan privé-uitgaven niet meer kon financieren en niet kon doorgaan met het onttrekken van gelden aan RST, is dat niet iets dat hem vrij pleit. Ook de omstandigheid dat, niet alleen hijzelf, maar ook anderen, waaronder in de eerste plaats [operationeel directeur] / [financieel manager] en andere managementleden uit de BF WhatsApp-groep, hebben geprofiteerd van de frauduleuze handelen en er bijvoorbeeld relaties/klanten van RST zijn uitgenodigd in de door hem/zijn bedrijf gehuurde ADO-skybox neemt de verwijtbaarheid van zijn gedragingen niet weg.

5.5.2.4 [appellant 1] was op contractbasis ingehuurd voor kort gezegd ICT-diensten. Hij had kennelijk ook een werkplek binnen het kantoor van RST (zie o.a. de aangehaalde verklaring van [medewerker RST] ) Voor zover hij de in het kader van zijn contract gemaakte kosten en bestede tijd overeenkomstig de gemaakte afspraken (met bijbehorende specificatie) heeft gefactureerd treft hem geen verwijt. Een verwijt treft hem in zijn relatie met RST wel indien hij, al dan niet opgepluste, facturen verstrekte en liet uitbetalen voor al dan niet verrichte diensten/leveranties die niets met de gecontracteerde ICT-diensten en de bedrijfsactiviteiten van RST van doen hadden. De instemming hiermee en wellicht zelfs opdracht ertoe van [operationeel directeur] en [financieel manager] en mogelijke andere deelnemers uit de BF-WhatsApp-groep neemt die verwijtbaarheid niet weg. Zoals de rechtbank in de strafvonnissen overwoog hadden [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] , mede gelet op de frequentie van de valse facturering en de daarmee gemoeide bedragen, kunnen en moeten inzien dat hun handelwijze volstrekt ontoelaatbaar was en dat RST als rechtspersoon en Handelsveem als haar aandeelhouder er niet mee zouden instemmen dat aan RST kosten in rekeningen werden gebracht waar geen prestatie tegenover stond of een prestatie die in het geheel niets met de bedrijfsvoering van RST te maken had.

De conclusie is dat de grief faalt.

grief 4: omvang van de schade

De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen (en in het eindvonnis herhaald) dat zij van de door RST gestelde schade een bedrag van € 3.000.000 als vaststaand beschouwt en dat voor de verdere schade een verwijzing naar de schadestaatprocedure dient te volgen.

5.6.2.1 Hiertegen richt zich de vierde grief. In de toelichting stellen [appellanten] dat voor een totaalbedrag van € 3.209.524 aan RST is gefactureerd voor prestaties die sowieso hebben plaatsgevonden. Genoemd bedrag is de optelsom van de facturen waarop bedragen in rekening zijn gebracht met betrekking tot de volgende posten (m.v.g. 6.16):

- Het TOS-project € 1.683.852

- Consultants Bonfide € 95.190

- ADO-box € 840.460

- Hospitality € 432.488

- Materialen en artikelen € 157.534

- Totaal € 3.209.524

5.6.2.2 Het bedrag van € 3.209.524 brengen zij in mindering op het bedrag van

€ 5.092.673 dat door RST in totaal is betaald op de bankrekeningen van [appellant 2] , [appellant 3] en Bonfide Facts. Volgens hen kan dan hooguit worden gesteld dat voor het restantbedrag van € 5.092.673 -/- € 3.209.524 = € 1.883.149 ‘aan facturen is gestuurd waartegenover een andere prestatie heeft gestaan dan omschreven op die factuur.’ Van dat bedrag trekken zij vervolgens af het bedrag van € 1.744.646,87 dat door de verzekeraars (aanvankelijk) bij wijze van voorschot is uitbetaald, waarna zij besluiten met (m.v.g. 6.20): ‘Kortom, als al sprake is van een onrechtmatige daad die aan [appellanten] kan worden toegerekend, bedraagt de schade hooguit (€ 1.883.149 – € 1.744.646,78 =) € 138.502,13 dan wel € 1.883.149,- of in ieder geval niet meer dan € 3.000.000,-. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de schade minstens € 3.000.000,- bedraagt.’

5.6.2.3 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens hen nader betoogd dat RST voor alle facturen tezamen, waaronder die waar een legitieme tegenprestatie tegenover stond, ongeveer € 4.000.000 exclusief btw aan [appellant 1] heeft betaald. Daar moeten dan nog af de facturen die door RST aan Uniport zijn doorbelast, aldus [appellanten] , die concluderen ‘dat de schade (gelet op legitieme en doorbelaste facturen) sowieso niet meer bedraagt dan 2,6 miljoen, zoals RST aanvankelijk heeft berekend en waarvan het OM en de verzekeraar ook uitgaan.’ Omdat de verzekeraars inmiddels € 3.000.000 uitkeerden, heeft RST volgens hen nog (€ 3.000.000 -/- € 2.600.000 =) € 400.000 over voor proces- en onderzoekskosten, wat hun meer dan genoeg lijkt. Hun standpunt is daarom dat de vordering moet worden afgewezen.

5.6.3.1 Dit standpunt van [appellanten] wordt om onder meer de volgende redenen verworpen.

5.6.3.2 Dat RST schade heeft geleden als gevolg van de bonfide-fraude staat vast. Dat vonden kennelijk ook de verzekeraars. In het door RST bij memorie van antwoord in het geding gebrachte Vinosi-rapport staat hierover, voor zover van belang:

‘After the data and the RST Excel spreadsheet, specifying all the phantom invoices by RFS and Bonfide, had been reviewed by [deskundige 1] Adjusting in London, acting for the Commercial Crime Insurers, [deskundige 2] confirmed to HV, on 30 November 2017, that, based on [deskundige 1] ’s findings, the insurers provided cover and were prepared to grant HV an interim payment of EUR 2,744,646.87.

That amount equaled the net total (excluding 21% VAT) of the (majority of) RFS/Bonfide invoices marked in red on RST’s Excel spreadsheet, to the extent that they had, to the insurers’ satisfaction, been proven to be fraudulent.’

De door RST als productie 107 overgelegde schadeopstelling, die uitkomt op een totaal van ruim € 6,5 miljoen, noemt genoemd bedrag van € 2.744.646,87 als eerste (met daarbij de omschrijving ‘als frauduleus beoordeeld op basis van RST-roodlijst’). In dit bedrag van € 2.744.646,87 zitten bijvoorbeeld geen onderzoekskosten, althans is dat gesteld noch gebleken. Dat die onderzoekskosten in deze zaak gedekt zijn met het door [appellanten] genoemde bedrag van € 400.000 is gelet op de omvang en complexiteit van het onderzoek niet aannemelijk te achten (RST zelf noemt in bedoelde schadeopstelling een bedrag van ruim € 1.7 miljoen), terwijl evenmin kan worden gezegd dat de onderzoekskosten in redelijkheid slechts tot dat bedrag van € 400.000 voor verhaal op de fraudeurs in aanmerking komen. Dit betekent dat, zelfs indien het totaalbedrag dat met de valse/spookfacturen aan RST is onttrokken beperkt is tot het door verzekeraars erkende bedrag van € 2.744.646,87 (exclusief btw), of desnoods het in de inleidende dagvaarding (op basis van de opstelling van [customer relations manager] en [operationeel manager] ) genoemde bedrag van ruim € 2.6 miljoen exclusief btw), de totale voor verhaal in aanmerking komende schade het onder de fraudeverzekering uitgekeerde bedrag van € 3.000.000 overstijgt, temeer als hierbij andere, niet gemotiveerd betwiste, posten uit de schadeopstelling, zoals het aan de belastingdienst betaalde bedrag van € 650.000 worden meegenomen. Ook indien RST nog steeds niet beschikt over een last en volmacht van de verzekeraars, leidt de uitkering van € 3.000.000 door de verzekeraars daarom niet tot afwijzing van haar vorderingen. Anderzijds kan niet (nu al) worden vastgesteld dat haar voor vergoeding in aanmerking komende schade ten minste€ 3.000.000 hoger ligt dan het van de (gesubrogeerde) verzekeraars ontvangen bedrag. Ten aanzien van het daarin aan RST toegewezen bedrag van € 3.000.000 kan om die reden geen bekrachtiging volgen van het bestreden eindvonnis, dat daarom op dat punt wordt vernietigd. Voor een nadere vaststelling van de totale schadeomvang volgt een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Daarin kan dan ook worden bezien of de verzekeraars inmiddels een last en volmacht ter incasso aan RST hebben verstrekt.

5.6.3.3 Naar aanleiding van het argument van [appellanten] dat RST uitbetaalde valse facturen geheel of ten dele heeft doorbelast aan Uniport en dat RST daarom in zoverre geen schade heeft geleden in verband met die facturen, heeft RST gesteld dat de interne doorbelasting is teruggedraaid en dat zij (wat ook wel voor de hand ligt) voor zover nodig last en volmacht heeft verkregen van haar zustervennootschap Uniport om op eigen naam vergoeding van de schade te vorderen. Een en ander is door [appellanten] niet gemotiveerd betwist, reden waarom wordt voorbijgegaan aan bedoeld argument.

5.6.3.4 Als voldoende gemotiveerde betwisting dat met de bonfide-fraude aan RST ten minste het door de verzekeraars erkende bedrag van ruim € 2.7 miljoen (exclusief btw) aan RST is onttrokken kan niet gelden dat volgens [appellanten] alle in 5.6.2.1 genoemde bedragen voor de daar genoemde posten als door RST verschuldigd moeten worden geaccepteerd. RST heeft genoegzaam aangetoond dat in het kader van de bonfide-fraude ook op/met facturen die op die (door [appellanten] bedoelde) posten betrekking hebben onverschuldigde bedragen/extraatjes in rekening zijn gebracht, zijn bijgeschreven, geaccordeerd en uitbetaald. Zie als voorbeeld de ‘TOS-facturen’ die op de tenlastelegging staan. Bovendien zitten er een of meer posten tussen die sowieso niet ten laste van RST behoorden te worden gebracht. Dit geldt bijvoorbeeld voor de door [appellant 1] /Bonfide Facts gehuurde ADO-box. [operationeel directeur] instemming met het doorbelasten van de huur, etc. kan niet als voldoende excuus gelden, aangezien [operationeel directeur] , naar [appellant 1] wist, zijn kompaan was bij het onttrekken van gelden aan RST. Dat, zoals [appellanten] stellen, ook ieder ander bij RST wist dat op haar kosten een ADO-box werd gehuurd is niet juist: bijvoorbeeld getuige [getuige 2] , aan wier verklaringen door [appellanten] veel gewicht wordt toegekend, wist er volgens haar verklaring van 11 september 2019 niet van. [naam 9] evenmin. De betwiste bewering dat [bestuurder] ervan afwist, ermee instemde en er zelf kwam mist een voldoende onderbouwing. Dat er wel andere RST medewerkers en relaties in de door [appellant 1] /Bonfide Facts gehuurde box kwamen en er een of meer reclame-uitingen hingen van/voor RST, het bedrijf dat [appellant 1] had ingehuurd, is geen voldoende grond voor de doorbelasting. Los hiervan zijn er (met de 52 facturen) veel meer/hogere bedragen met betrekking tot de ADO-box aan RST in rekening gebracht (in totaal € 840.461, inclusief btw) dan [appellant 1] (Bonfide Facts) zelf heeft moeten betalen (zie bijv. pag. 000019 van het FIOD-dossier). [facilitair manager] noemde het bedrag van ruim € 840.000 onrealistisch. Overigens erkent [appellant 1] voordeel te hebben genoten met betrekking tot de ADO-box, zij het tot het door hem genoemde bedrag van € 127.182.

5.6.3.5 Als voldoende gemotiveerde betwisting kan evenmin gelden het commentaar van [operationeel directeur] en [financieel manager] in hun memorie van grieven (80 -154) (onder verwijzing naar producties 82 - 85) en in hun memorie van antwoord in incidenteel appel (40-46). Het commentaar in laatstbedoeld processtuk betreft (vooral) de (in het Vinosi-rapport bedoelde) facturen van La Sicilia, waarover RST heeft gezegd dat die een voorbeeld vormen van een door [operationeel directeur] en [financieel manager] gepleegde fraude binnen de bonfide-fraude, waarmee [operationeel directeur] en [financieel manager] het niet eens zijn. Uit de schadeopstelling van RST (productie 107) blijkt echter dat de La Silicia-facturen geen onderdeel uitmaken van eerdergenoemd bedrag van € 2.744.646,87.

Bedoeld commentaar van [operationeel directeur] en [financieel manager] in de memorie van grieven (de ‘factuuranalyse’) bevat als tussenconclusie in nr. 152 dat niet wordt betwist dat RST, als gevolg van het voldoen van facturen met een niet-zakelijk karakter, een totale schade heeft geleden van € 1.792.792,43 inclusief btw. Een duidelijk toelichting/optelsom bij dit bedrag ontbreekt, is althans niet meteen te vinden. Wel is (mede gelet op de in het FIOD-dossier genoteerde bevindingen) duidelijk dat hun betwisting van meerdere onterecht gefactureerde en uitbetaalde bedragen onvoldoende is gemotiveerd. Dat geldt – als voorbeeld – voor: (i) de betwisting (bij gebrek aan wetenschap en onder verwijzing naar een niet gebleken afspraak tot verdubbeling van buiten-contractueel berekende overuren) van een deel van de als overtime gefactureerde bedragen; (ii) de betwisting (bij gebrek aan wetenschap) van een deel van de bedragen bij de post reizen; (iii) de niet overtuigende betwisting van kostencategorieën als geheel, waaronder de categorieën ‘materialen en artikelen’, ‘incentive Zano’ (de via [appellant 1] gelopen facturen), ‘sponsoring’ (de dinerdeclaraties, waaronder mogelijk de door RST bedoelde nota voor het diner ter gelegenheid van het oprichtingsfeest van Bonfide Holding) en (iv) de betwisting van ADO-facturen.

De juistheid van het door [operationeel directeur] en [financieel manager] erkende bedrag van € 1.792.792, 43 (inclusief btw) kan daarom niet worden aanvaard. Overigens hebben (ook) [operationeel directeur] en [financieel manager] niet gemotiveerd betwist dat er nog verscheidene andere schadeposten zijn, waaronder de onderzoekskosten.

Het door de verzekeraars erkende schadebedrag van € 2.744.646,87 is exclusief btw. Daarin zit dus niet het schikkingsbedrag dat RST aan de belastingdienst heeft moeten betalen. Voor zover [appellanten] het door RST genoemde schikkingsbedrag (€ 650.000) en de betaling ervan hebben willen betwisten, is die betwisting onvoldoende gemotiveerd. Voor zover zij hebben bedoeld te betwisten dat het hierbij om schade gaat, is die betwisting eveneens onvoldoende gemotiveerd.

De conclusie is dat de grief niet kan leiden tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding. Wel volgt – vanwege de uitkering onder de fraudepolis, in combinatie met het ontbreken van een last en volmacht van de gesubrogeerde verzekeraars – een vernietiging op het punt van de veroordeling tot betaling aan RST van € 3.000.000 met rente (3.2 van het dictum van het eindvonnis). Voor het bepalen van de hoogte van het totaal aan RST verschuldigde bedrag volgt een (bekrachtiging van de) verwijzing naar de schadestaatprocedure.

grief 5: toerekening van de schade

Ten aanzien van [appellant 2] en [appellant 3] is hiervoor in 5.3.5 geoordeeld dat, voor zover de onrechtmatige overboekingen en onttrekkingen via hun rekeningen hebben gelopen, de hiermee samenhangende schade van RST aan hen valt toe te rekenen. Het bedrag dat op hun rekeningen is gestort staat vast, maar niet dat dit totale bedrag betrekking heeft op onrechtmatige overboekingen. Voor de nadere bepaling daarvan wordt de zaak naar de schadestaatprocedure verwezen. Dan kan ook worden bezien of, bij het ontbreken van een last/volmacht van de verzekeraars, het door de verzekeraars betaalde bedrag invloed heeft hun betalingsverplichtingen jegens RST.

De schade die is ontstaan door de bonfide-fraude is in zijn geheel aan [appellant 1] toe te rekenen. Wat hij aanvoert ter betwisting van de toerekenbaarheid, namelijk dat hij door [bestuurder] is gedwongen om privébestedingen met een zakelijke omschrijving te factureren en dat hij ‘voor het karretje is gespannen’ enkel en alleen om de RST-medewerkers – en dan met name [bestuurder] en de overige MT leden – met tonnen te verrijken, mist een voldoende onderbouwing. Die onderbouwing is ook niet te vinden in de WhatsApp-berichten. Aan de betwisting wordt daarom voorbijgegaan. Een gebrek aan onderbouwing is er ook met betrekking tot zijn stelling dat hij, behalve met ‘het faciliteren van de ADO-box en de levering van horloges’ niets heeft verdiend met de fraude. Los daarvan is voor toerekenbaarheid van schade niet vereist dat de schadeveroorzaker financieel voordeel heeft genoten.

De grief faalt.

grief 6: hoofdelijke verbondenheid

Ten aanzien van [appellant 2] en [appellant 3] wordt de op groepsaansprakelijkheid gebaseerde hoofdelijkheid verbondenheid niet aanvaard. Zij zijn wel hoofdelijk aansprakelijkheid voor de schade die samenhangt met de onrechtmatige onttrekkingen die via hun bankrekening hebben gelopen.

5.8.2.1 [appellant 1] is als hoofdrolspeler bij de bonfide-fraude aansprakelijk voor de totale met die fraude samenhangende schade. Gelet daarop heeft hij geen belang bij de betwisting van de hoofdelijke verbondenheid/groepsaansprakelijkheid. Zijn betwisting van de groepsaansprakelijkheid is bovendien ongegrond.

5.8.2.2 Die groepsaansprakelijkheid is, anders dan waarvan [appellant 1] uitgaat, niet alleen gekoppeld aan het aandeelhouderschap in Bonfide Holding of de deelname aan de WhatsApp-groep BF. Binnen die groep van zes personen vond inderdaad overleg plaats over bijvoorbeeld afwijkende factuuromschrijvingen, waarbij het er kennelijk niet altijd ‘eerlijk’/transparant aan toeging, zo blijkt uit het Whatsapp-gesprek van 9 augustus 2014 tussen [appellant 1] en [financieel manager] over de kosten van een ‘tos vakantie’ van [appellant 1] (nr. 144, prod. 72 bij akte van 19 september 2017 van RST): [appellant 1] : ‘We kunnen het op bonfide zetten of we doen het met zijn 2tjes’ […] ‘Maar dan moet jij hem tekenen. Anders gaat het door 6n beetje jammer zou jammer zijn. Moet [medewerker RST] hem wel overmaken en dan geef ik jou contant.’; gevolgd door [financieel manager] : ‘Maar het totaal is ongeveer 12k delen door 2?’ en ‘Ja ik teken wel’, waarna [appellant 1] : ‘13k en dan geef ik jou 5k Kan je wat leuks halen voor je vrouwtje.’

5.8.2.3 De vraag of sprake is geweest van een groep in de zin van art . 6:166 BW kan in deze zaak bovendien beperkt blijven tot [operationeel directeur] , [financieel manager] en [appellant 1] ; voor het antwoord op bedoelde vraag is dus niet beslissend of alle (zes) aandeelhouders van Bonfide Holding tezamen zo’n groep vormden. Wel kan in dit verband betekenis worden toegekend aan die holding (het winstdelingsdoel ervan volgens de conclusie van antwoord punt 115) en het (bedekte) aandeelhouderschap erin (van [operationeel directeur] c.s. en de (drie) andere RST-managementleden). Ook de tijdens het Deloitte-onderzoek gevonden WhatsApp-berichten ondersteunen het door RST gestelde groepsverband tussen [operationeel directeur] , [financieel manager] en [appellant 1] . Zie – bijvoorbeeld – de hiervoor in 5.4.3 geciteerde berichten. Zie ook (mede met betrekking tot de verdeling van de met de facturen aan RST onttrokken extra’s) (i) het in 5.8.2.2 geciteerde WhatsApp-gesprek van 9 augustus 2014 tussen [appellant 1] en [financieel manager] over de kosten van een ‘tos vakantie’ van [appellant 1] en (ii) de in randnummer 27 van de inleidende dagvaarding aangehaalde berichtenwisseling over de door [customer relations manager] als ‘crimineel’ geduide mededeling van [operationeel directeur] op 13 november 2014: ‘Guys ik heb [naam 5] gevraagd of ze € 40.000 vanuit de pv kunnen bijdragen aan de familiedag. Verdienen we er met bonfide nog meer aan als ze akkoord gaan.’

Een gemotiveerde betwisting van het door RST met onder meer dit soort WhatsApp-berichten onderbouwde groepsverband ontbreekt.

5.8.2.4 [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] hebben elk een substantieel aandeel gehad in de (ook al voor de oprichting van Bonfide Holding gaande) bonfide-fraude; bij het opstellen van de facturen, de indiening, goedkeuring en uitbetaling ervan en de verdwijning van het geld. Hoewel [appellant 1] aandeel het grootst was, zou er zonder de medewerking van [operationeel directeur] en [financieel manager] (meer in het bijzonder de praktijk van het goedkeuren en laten uitbetalen van de valse facturen) geen schade zijn geweest; omdat zij wisten van de frauduleuze praktijken van [appellant 1] was de schade ook voor hen voorzienbaar. Die voorzienbare schade had elk van hen moeten weerhouden van hun gedragingen in groepsverband en bijvoorbeeld [operationeel directeur] van het geven van zijn inloggegevens aan [financieel manager] .

De grief faalt.

grief 7: eigen schuld RST

Met deze grief beklagen [appellanten] zich over het oordeel van de rechtbank dat hen/ [appellant 1] geen beroep toekomt op eigen schuld aan de zijde van RST. In de toelichting op de grief stellen zij: dat [bestuurder] de initiator tot de fraude was, dat de grote geldbedragen die aan RST werden onttrokken dus (ook) aan hem toekwamen en dat het daarom redelijk is hun aansprakelijkheid te beperken tot het door hen genoten voordeel, dat voor [appellant 2] en [appellant 3] nihil is en voor [appellant 1] € 195.800 bedraagt

(€ 68.618 voor de levering van horloges en € 127.182 voor de diensten met betrekking tot de ADO-box).

De grief faalt, alleen al omdat de juistheid van het uitgangspunt dat [bestuurder] de initiator van de bonfide-fraude was niet is gebleken en, tegenover de betwisting ervan door RST, door [appellanten] onvoldoende is onderbouwd.

grief 8: de proceskosten

Bij deze grief gaan [appellanten] ervan uit dat RST in haar vorderingen niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, althans die vorderingen aan haar hadden moeten worden ontzegd. Ook dat uitgangspunt is onjuist, zodat ook deze grief faalt.

grief 9: het dictum

Deze grief is gericht tegen het dictum van het eindvonnis. [appellanten] bepleiten een wijziging ervan, in die zin dat RST niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, althans haar die vorderingen worden ontzegd. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing in hoger beroep niet in die zin kan luiden, zodat ook deze grief het beoogde effect mist.

het bewijsaanbod

Het bewijsaanbod wordt als niet ter zake doende gepasseerd. Voor zover [appellanten] getuigen willen horen over de door hen gestelde (initiërende/leidinggevende of anderszins belangrijke) rol van [bestuurder] bij de bonfide-fraude geldt dat hun stellingen op dat punt een voldoende onderbouwing missen, waardoor aan een nadere bewijsvoering niet wordt toegekomen.

Dat laatste geldt bijvoorbeeld ook voor het aanbod om [naam 6] als getuige te horen. Hij zou tegen de advocaat van [appellanten] hebben gezegd dat RST hem ( [naam 6] ) zou vrijwaren. De advocaat biedt aan om hierover zelf als getuige te verklaren. Hierover nog het volgende.

Dat er door [naam 6] fietsen zijn geleverd met een verkeerde/verhullende factuuromschrijving, doet niet af aan de ernst van de bonfide-fraude en de verwijtbaarheid van het doen en laten van [appellanten] Dit wordt niet anders indien [naam 6] te horen heeft gekregen dat er richting hem geen actie zou worden ondernomen door RST. Overigens volgt uit wat [appellanten] hebben aangevoerd niet dat [naam 6] in eenzelfde mate als [appellant 1] wist dat de managers [operationeel directeur] en [financieel manager] met een oogmerk van het behalen van persoonlijk gewin betrokken waren bij de frauduleuze handelingen. Dat het [bestuurder] was die [naam 6] aanstuurde bij de (fietsen)leveranties en het daarbij bezigen van verhullende omschrijvingen is onvoldoende onderbouwd. Ook de beweerdelijke vrijwaringsmededeling aan [naam 6] kan niet als voldoende onderbouwing gelden. Los daarvan zou zo’n mededeling niet leiden tot afwijzing of vermindering van de vordering van RST op [appellanten]

Met betrekking tot [medewerker Zano] is hiervoor in 5.2.7 al een en ander overwogen. Overigens is hij al als getuige gehoord. Zijn verklaring is in de eerste aanleg in het geding gebracht. Door [appellanten] is niet duidelijk vermeld wat hij eventueel meer of anders zou kunnen verklaren.

Voor [naam 3] wordt verwezen naar 5.4.4.4. Wat met betrekking tot hem is aangevoerd kan niet bijdragen aan het door [appellanten] in deze procedure beoogde doel.

Het bewijsaanbod van [appellanten] omvat ook het doen horen van [HR manager] (HR manager bij RST), [partner Deloitte] (partner bij Deloitte) en [officier van justitie] (officier van justitie).

Aangenomen wordt dat dit bewijsaanbod is gedaan in het kader van de door [appellanten] gestelde schending van art . 21 Rv. Die gestelde schending doet zich echter niet voor, is althans onvoldoende onderbouwd, en zou, los hiervan, ook niet leiden tot een sanctie als door [appellanten] gewenst.

grieven in incidenteel appel

grief 1: grondslagen vordering

De klacht van RST luidt dat de rechtbank ‘ [appellanten] ten onrechte uitsluitend aansprakelijk [heeft] geoordeeld op grond van onrechtmatige daad (naast een of meerdere andere grondslagen)’. Naar haar mening had de rechtbank zelf moeten onderkennen dat de vordering (in ieder geval mede) is gebaseerd op de grondslagen onverschuldigde betaling c.q. ongerechtvaardigde verrijking. Bij die grondslagen past niet een eigen schuld verweer en dus ook niet een mogelijkheid om eigen schuld aan te tonen, aldus RST in de toelichting op de grief.

De grief faalt. In de eerste plaats wordt erop gewezen (i) dat [appellant 2] en [appellant 3] bij de rechtbank geen eigen schuld verweer hebben gevoerd en ook niet zijn toegelaten tot bewijsvoering; (ii) dat de rechtbank heeft overwogen dat [appellant 1] geen beroep op eigen schuld toekomt en (iii) dat grief 7 in het principaal appel wordt verworpen. Tegen deze achtergrond heeft RST haar (mogelijke) belang bij deze grief in het onderhavige incidentele appel onvoldoende toegelicht. Los hiervan ligt in de stellingen van RST onvoldoende besloten dat zij het door haar gevorderde bedrag (inclusief kosten) onverschuldigd heeft betaald aan alle door haar aangesproken gedaagden en/of dat al die gedaagden (zonder rechtsgrond) zijn verrijkt tot het door haar gevorderde bedrag.

grief 2 en 3: eigen schuld verweer

Ook deze grieven falen. De in de toelichting op de 2e grief verwoorde stelling van RST dat ‘de rechtbank had moeten oordelen dat art . 6:101 BW hoe dan ook geen verweer is dat Bonfide c.s. vermag op te werpen’ vindt geen steun in het recht en van de onderdelen 1, 2 en 3 van de verstrekte bewijsopdracht kan (anders dan in de toelichting op de 3e grief besloten ligt) niet worden gezegd dat zij, ook in samenhang met bewijsonderdeel 4, elke relevantie missen in het kader van de tegen [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] ingestelde vordering en dat dit ook op voorhand al duidelijk had moeten zijn.

grief 4: bewezenverklaring van onderdelen 2 en 4 van de bewijsopdracht

De onderdelen 2 en 4 van de bewijsopdracht houden in dat [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] mochten bewijzen dat:

(onderdeel 2) ‘bij gunning van het TOS project aan [bedrijf] onder leiding van [facilitair manager] en met medeweten van [bestuurder] werd geregeld dat acht mensen uit het management team € 75.000 bij [bedrijf] mochten besteden en dat dit ook is gebeurd’;

(onderdeel 4) ‘de fraude onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] heeft plaatsgevonden en deze daar ook zelf van geprofiteerd heeft, althans dat direct of indirect van [bestuurder] de aanwijzingen kwamen voor de andersluidende en verhullende omschrijving op de facturen aan RST’.

Deze en ook de twee andere onderdelen van de bewijsopdracht moeten worden bezien tegen de achtergrond van de (in 5.24 van het tussenvonnis van 24 januari 2018 weergegeven) stellingen van [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] dat (i) [bestuurder] bij de invoering van TOS heeft geregeld dat de opdracht naar [bedrijf] zou gaan en dat in ruil daarvoor iedere manager van RST voor een bedrag van € 75.000 zijn huis mocht laten verbouwen door [bedrijf] , (ii) dat [bestuurder] en [facilitair manager] daar bovenop ieder nog € 300.000 van [bedrijf] ontvingen, (iii) dat [bestuurder] bij het inhuren van [appellant 1] als consultant heeft bedongen dat hijzelf, [facilitair manager] en [operationeel directeur] aanvankelijk € 1.500 en later € 2.000 per maand ontvingen van [appellant 1] , die in ruil daarvoor (via RF Sports en later Bonfide Facts) veelvuldig opdracht kreeg om allerlei (luxe) goederen en diensten (met hoge kortingen) te leveren (zoals horloges, wijn, elektronische apparatuur, kleding, reizen, concertkaarten, voetbalkaarten, catering, etc.) en (iv) dat de fraude plaatsvond onder leiding en op aanwijzing van [bestuurder] , die er zelf ook van profiteerde en die de aanwijzingen gaf voor de verhullende omschrijvingen op de facturen van RF Sports en Bonfide Facts.

Bij de op deze stellingen aansluitende bewijsopdracht als geheel gaat het (zoals blijkt uit 5.26 van het tussenvonnis van 24 januari 2018) om het door [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] gestelde feitelijke handelen van [bestuurder] , de vervulling door hem van diens leidinggevende taken, het toestaan door hem om privékosten/bedragen ten laste van RST te brengen en het mogelijk hierdoor aanzetten van [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] om de normen van fatsoen en eerlijkheid te verleggen. Kortom: bij de bewijsopdracht draait alles om het doen en laten van [bestuurder] .

Hoewel de gedeeltelijke bewezenverklaring die in het eindvonnis is gevolgd niet aan toewijzing van het door RST van [appellanten] gevorderde in de weg heeft gestaan en RST in zoverre geen belang heeft bij haar grieven 4 en verder wordt hierover, slechts ten overvloede, het volgende opgemerkt.

Wat specifiek het 2e onderdeel van de bewijsopdracht betreft, is de kritiek van RST op de bewezenverklaring ervan door de rechtbank terecht. Want weliswaar staat vast dat [bedrijf] in de loop van de tijd betrokken is geweest bij verbouwingen/activiteiten bij (ex) RTS-medewerkers thuis, inclusief [bestuurder] , maar niet dat die verbouwingen/activiteiten plaatsvonden naar aanleiding van een door of met instemming/medeweten van [bestuurder] – bij de gunning van het TOS project aan (een dochtervennootschap van) [bedrijf] – gemaakte afspraak dat acht leden van het managementteam van RST elk voor € 75.000 mochten besteden bij [bedrijf] .

Volgens [appellant 1] zou het gaan om een door [bestuurder] gemaakte afspraak tijdens een meeting met [bestuurder] , [facilitair manager] en [naam 7] . Een bevestiging door hen ontbreekt evenwel; [bestuurder] zelf noemt het een ‘broodje aap verhaal’. [operationeel directeur] , die niet bij de door [appellant 1] bedoelde meeting was, heeft het over een lijst (met negen personen) die uit de vergadering kwam. [financieel manager] stond daar ook op, aldus [operationeel directeur] . Ook volgens [appellant 1] behoorde [financieel manager] tot de personen die voor

€ 75.000 mochten laten verbouwen. [financieel manager] , die heeft laten verbouwen, weet daar echter niets van en heeft volgens zijn zeggen nooit een bedrag ontvangen.

De rechtbank heeft voor de bewijsconstructie onder andere de verklaring van 25 maart 2019 van getuige [getuige 2] aangehaald, voor zover inhoudend: ‘U houdt mij de tweede bewijsopdracht voor. Ik kan daar niets over verklaren. Ik weet wel dat er geld is besteed bij [bedrijf] , maar ik weet niets van [een] verband met het TOS project. [bedrijf] heeft keukens verbouwd en woningen opgeknapt. Dat was niet alleen voor het management. (…) U vraagt mij door wie die verbouwingen dan werden betaald. Niet door de betreffende werknemers. Ik heb nooit facturen gezien maar de kosten van [bedrijf] werden doorbelast en uiteindelijk betaald door RST. De kosten van [bedrijf] werden niet verrekend met de werknemers.’ Deze verklaring ondersteunt de stelling van [appellant 1] echter niet: niet op het punt van het verband met het TOS project, niet wat betreft de stelling dat het om acht leden van het managementteam zou gaan en niet op het punt van de kosten, die volgens haar uiteindelijk door RST werden gedragen (en dus niet door [bedrijf] ).

Mogelijk heeft wel de overleden [facilitair manager] op enig moment tegen een of meer anderen gezegd dat voor hen een bestedingsmogelijkheid (tot een bedrag van

€ 75.000) bij [bedrijf] bestond, maar dat is onvoldoende om uit te gaan van een door [bestuurder] (in het bijzijn van [appellant 1] ) gemaakte/geregelde/goedgekeurde – (fatsoens- en ethische) normen verleggende – afspraak, waaraan [appellant 1] , [operationeel directeur] en [financieel manager] het vertrouwen konden ontlenen dat de door hen gepleegde factuurfraude instemming had van, althans geen probleem vormde voor [bestuurder] als statutair directeur en RST als rechtspersoon.

Met betrekking tot de kritiek van RST op de bewezenverklaring van het 4e bewijsonderdeel wordt het volgende in aanmerking genomen. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de bonfide-fraude plaatsvond onder leiding van [bestuurder] en dat van hem aanwijzingen kwamen voor de andersluidende en verhullende omschrijvingen op de facturen aan RST. Dat is, zoals volgt uit de overwegingen in het principaal appel, ook de conclusie in hoger beroep; wat er in hoger beroep door [appellanten] , [operationeel directeur] en [financieel manager] is aangevoerd, inclusief wat er is opgenomen in het proces-verbaal van het verhoor van [financieel manager] op 8 juni 2020, geeft geen aanleiding tot een andersluidend oordeel in het principaal appel.

Wel heeft de rechtbank uit de door haar in dit verband aangehaalde verklaringen afgeleid dat binnen RST, reeds voor aanvang van de bonfide-fraude, een cultuur heerste waarbinnen op grote schaal privékosten ten laste van de vennootschap werden gebracht en dat [bestuurder] hierin een actieve rol had. De rechtbank besluit dan haar overwegingen over de bewijswaardering met (2.21): ‘Uit het voorgaande volgt dat [appellanten] zijn geslaagd in het bewijs van hun stelling dat onder leiding van [bestuurder] bij RST een bedrijfscultuur heerste waarin exorbitante zelfverrijking werd getolereerd en dat in ruil voor gunning van de opdracht voor de invoering van TOS aan [bedrijf] , iedere manager van RST voor een bedrag van € 75.000,00 zijn huis mocht laten verbouwen door [bedrijf] .’

Wat die gratis verbouwingswerkzaamheden betreft is hiervoor echter al overwogen dat er onvoldoende bewijs is voor de beweerdelijk in aanwezigheid van [appellant 1] door of met medeweten van [bestuurder] gemaakte afspraak. Bij het oordeel over de bewezen bedrijfscultuur van exorbitante zelfverrijking onder leiding van [bestuurder] zijn eveneens kanttekeningen te plaatsen. Verwezen wordt naar wat hiervoor in 5.4.4.3 is overwogen. Ertegen pleit bijvoorbeeld ook de (overigens niet geloofwaardige) verklaring van [operationeel directeur] dat hij zich wezenloos schrok toen hij hoorde dat het bij de bonfide fraude om miljoenen ging; want waarom zou hij zich wezenloos schrikken als de bedrijfscultuur er een van exorbitante zelfverrijking was. Verder doet het vreemd aan dat bij een bedrijfscultuur van exorbitante zelfverrijking onder leiding van [bestuurder] , dezelfde [bestuurder] nu juist niet in verband kan worden gebracht met de grootschalige bonfide-fraude. Met die bedrijfscultuur is als voorbeeld ook niet, althans minder goed, te rijmen dat het contract betreffende de ten laste van RST gebrachte ADO-box niet gewoon op naam van RST mocht worden gezet (zie hiervoor pag. 000105 van het Fiod-dossier en de daar genoemde correspondentie/e-mailwisseling die in cc naar [operationeel directeur] ging) en dat er (zoals uit de WhatsApp-berichten blijkt) meer in het algemeen geheimzinnig werd gedaan over het ophogen van de facturen en het bezigen van verhullende omschrijvingen (zie bijv. het in 5.4.3 aangehaalde bericht van [appellant 1] : ‘Ik denk dat we gedurende het jaar moeten kijken waar we in kunnen lopen. Want als jij om wat voor reden dan ook er niet meer bent. Niemand weet hiervan.’; en de reactie hierop van [financieel manager] : ‘Ja enkel [operationeel directeur] ’).

Overigens heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat een bedrijfscultuur zoals door haar omschreven niet meebrengt dat [appellant 1] een geslaagd beroep kan doen op eigen schuld van RST. Hij heeft (als ingehuurde projectmanager, die ook fysiek werkzaam was bij RST) in redelijkheid niet erop kunnen vertrouwen dat RST als rechtspersoon en Handelsveen als aandeelhouder ermee instemden dat er voor eigen voordeel gelden aan RST werden onttrokken.

Een en ander betekent dat de grief van RST op zichzelf genomen gegrond is, maar ten aanzien van [appellanten] niet tot een andere uitkomst leidt.

grief 5 en 6: eigen schuld en het niet toepassen van de billijkheidscorrectie

De rechtbank heeft ten opzichte van [appellanten] geen eigen schuld van RST aangenomen. Ook in hoger beroep bestaat daartoe geen aanleiding. Het al dan niet toepassen van een billijkheidscorrectie is daarom niet aan de orde.

in het principaal en in het incidenteel appel ten slotte

Uit het voorgaande volgt dat [appellanten] in het principaal appel de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij zijn. Wat [appellant 1] betreft volgt er immers geen afwijzing van de vordering van RST en evenmin een (substantiële) verlaging van het door hem verschuldigde bedrag. Dat laatste geldt wel ten aanzien van [appellant 2] en [appellant 3] , maar feit blijft dat zij ten onrechte de onrechtmatigheid van hun handelen, hun schadevergoedingsplicht uit dien hoofde en iedere verplichting tot terugbetaling van de op hun rekeningen gestorte bedragen hebben betwist. [appellanten] worden daarom veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Het incidentele appel van RST geldt als onnodig te zijn ingesteld. Daarom volgt een kostencompensatie.

6. De beslissing

Het hof, rechtdoende in het principaal en in het incidenteel appel:

- verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 19 oktober 2016, 30 mei 2018 en 15 juli 2020;

- vernietigt ten aanzien van [appellanten] het eindvonnis voor zover het betreft de veroordeling in punt 3.2 van het dictum;

- bekrachtigt ten aanzien van [appellanten] het eindvonnis voor het overige, met bepaling dat:

- dat de verwijzing naar de schadestaatprocedure in 3.3 van het dictum geldt voor de totale omvang van de aan RST te vergoeden schade;

- dat ten aanzien van [appellant 2] en [appellant 3] aan punt 3.1 en 3.3 van het dictum telkens wordt toegevoegd dat voor hen de aansprakelijkheid en betalingsverplichting beperkt is tot de onrechtmatige onttrekkingen die via hun bankrekening hebben plaatsgevonden (inclusief de daaraan toe te rekenen kosten);

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van RST tot aan deze uitspraak bepaald op € 11.379,- aan verschotten en € 13.218 (2 x tarief VIII) aan salaris voor de advocaat;

- compenseert de kosten van het incidenteel appel, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.E. Honée en R.J. van Galen

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand